Persoonlijkheidsstoornissen
Een persoonlijkheidsstoornis uit zich door afwijkend gedrag en emoties. De persoon in kwestie heeft omvangrijke en steeds terugkerende problemen in persoonlijk, beroepsmatig of sociaal functioneren. Vaak zijn zij zich niet bewust dat zij zelf de grootste belemmering zijn en leggen de verantwoordelijkheid en oorzaak buiten zichzelf. Ze zijn een bron van moeilijkheden en lijden voor hun omgeving en zichzelf.Iedereen wordt geboren met een aantal karakteristieke eigenschappen die zich ontwikkelen door de sociale omgeving. Hieruit vormt zich de persoonlijkheid. Wanneer iemand sterk afwijkend gedrag vertoond en hierdoor constant vastloopt op verschillende zaken of steeds weer problemen ervaart met anderen, kan het zijn dat hij of zij in meer mindere mate last heeft van een persoonlijkheidsstoornis. De grens tussen een normale persoonlijkheid en een persoonlijkheidsstoornis is een grijs gebied. Iemand kan verschillende kenmerken hebben van verschillende persoonlijkheidsstoornissen of een combinatie van twee soorten. Zolang er geen sprake is van een onvermogen tot normaal functioneren in werk, familie of vriendenkring, mag je eigenlijk nog niet van een stoornis spreken. Iedereen heeft bepaalde karaktereigenschappen zoals bv. autoritair, sociaal, extravert, introvert, impulsief, geduldig, ernstig, emotioneel. Wanneer deze eigenschappen bij iemand onaangepast, overdreven of zo uitgesproken zijn dat hij zichzelf en anderen hiermee schade berokkent, kan er sprake zijn van een persoonlijkheidsstoornis. Iemand met een persoonlijkheidsstoornis is over het algemeen weinig flexibel, heeft vaak sterk wisselende, overdreven emoties en ziet zichzelf en zijn omgeving op een sterk subjectieve manier, gekleurd door zijn eigen waarnemingen en denken.
Persoonlijkheidsstoornissen komen vrij veel voor. Ongeveer 10 tot 15 procent van de mensen heeft wel op zijn minst één symptoom van ten minste één persoonlijkheidsstoornis. De dwangmatige en antisociale persoonlijkheidsstoornis komen het meest voor.
DSM
De DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) is gebaseerd op de bevindingen en overeengekomen conclusies van Amerikaanse psychiaters van de American Psychiatric Association (APA) en werd in 1980 voor het eerst gepubliceerd. Om de 5 tot 10 jaar wordt deze gewijzigd, herzien en bijgewerkt. In juni 1994 werd de vierde editie gepubliceerd en in 2001 werd de tekst bijgewerkt (DSM-IV-TR). In eerste instantie werd dit classificatiesysteem alleen gebruikt voor onderzoek en analyses die op internationaal niveau konden worden gekoppeld en vergeleken.Tegenwoordig gebruikt men het vaak als diagnosesysteem. Dit geeft soms een vertekend beeld omdat het handboek uitsluitend gebaseerd is op uiterlijke kenmerken en het gevaar bestaat dat mensen in hokjes geduwd worden. Iedereen kan zich wel in één of meerdere kenmerken herkennen, pas wanneer iemand echt gebukt gaat onder meerdere symptomen die hem belemmeren normaal te functioneren, kun je pas spreken van een stoornis.
De DSM-IV bestaat uit vijf assen waarop de patiënt beoordeeld wordt:
As 1 Klinische stoornis (de hoofddiagnose)
As 1 is de hoofdas die de diagnose bevat van het probleem, meestal de reden waarom het contact met de hulpverlener is gemaakt.
As 2 Persoonlijkheidsstoornissen (ontwikkelingsstoornissen, eigenschappen of trekken)
As 2 geeft aan wat er al langer speelt, waar is het in de ontwikkeling mis gegaan, welke kenmerken van stoornissen zijn aanwezig. In deze as kan ook de hoofddiagnose staan.
As 3 Lichamelijke ziekten (mogelijke samenhang)
As 3 geeft somatische ziekten aan, lichamelijke afwijkingen kunnen samenhangen met de stoornis of bepalend zijn voor de behandeling.
As 4 Psychosociale en omgevingsfactoren (gebeurtenissen met een stressfactor)
As 4 behandelt de omgevingsproblemen die de diagnose en behandeling kunnen beïnvloeden, bijvoorbeeld scheiding maar dit kan ook een nieuwe baan zijn.
As 5 Algehele beoordeling van het functioneren (Global Assement of Functioning Scale, GAF)
As 5 beoordeelt het globale functioneren met een cijfer (op een schaal van 0 tot 100), hoe goed kan de betrokkene nog functioneren in zijn omgeving.
Momenteel wordt een heftige discussie gevoerd tussen de aanhangers van het huidige categoriale systeem en aanhangers van de dimensionale benadering waarin geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen normale persoonlijkheid en persoonlijkheidsstoornis, en tussen As 1 en As 2. Zij voeren het argument aan dat de persoonlijkheidsstoornissen en een aantal As 1 stoornissen in grote maten in elkaar overlopen. Aanhangers van het huidige systeem benadrukken juist de verschillen en voeren aan dat As1 stoornissen overwegend symptoom stoornissen zijn die periodes van herstel kennen terwijl As 2 stoornissen over het algemeen moeilijk te behandelen zijn en hun oorsprong al in de kindertijd of adolescentie hebben.
De 3 clusters
Volgens de DSM worden de persoonlijkheidsstoornissen onderverdeeld in drie clusters:Cluster A: paraoïde, schizoïde, schizotypisch
Cluster A, het vreemde, excentrieke cluster valt meteen op door het onvermogen tot sociale interactie met anderen. Mensen met een stoornis uit deze cluster kunnen gebukt gaan onder waandenkbeelden en zijn vaak een grote last voor hun omgeving.
Cluster B: theatraal, narcistisch, anti-sociaal, borderline
Cluster B, het dramatische, emotionele cluster valt niet zo snel op. Mensen met een stoornis uit deze cluster lijken vaak juist heel normaal, charmant en proberen heel lang de schijn op te houden.
Cluster C: Ontwijkend, Afhankelijk, obsessief-compulsief
Cluster C, het angstige cluster, valt ook niet meteen op doordat mensen met een stoornis in deze cluster zich terugtrekken en niemand tot last willen zijn. Sociale angst, angst voor verlating en zelfstandigheid en faalangst en perfectionisme zijn kenmerkend voor deze cluster.
Persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven (NAO)
Persoonlijkheidsstoornissen die eigenlijk niet in te delen zijn krijgen het etiket NAO opgeplakt. Vaak is er sprake van een combinatie van symptomen uit andere stoornissen.
Ontstaan
Over het ontstaan van persoonlijkheidsstoornissen is vooralsnog niet helemaal duidelijk al zijn er wel een aantal factoren die een rol spelen. Er zijn drie factoren die de persoonlijkheid vormen en de oorzaak van de stoornis is altijd terug te vinden in een combinatie van deze factoren die van invloed waren op de ontwikkeling van de stoornis.Biologische factoren
Erfelijke aanleg. Iedereen wordt geboren met een aantal karaktertrekken die genetisch bepaald zijn.
Hersenbeschadiging. Door ziekte of een ongeluk kan karakterverandering optreden.
Psychologische factoren
Opvoedkundige en emotionele verwaarlozing, trauma’s die in de kinderjaren zijn ontstaan (misbruik, mishandeling, verlating)
Sociale factoren
Gezinsomstandigheden, maatschappelijke positie en levensstandaard (scheiding, nieuwe baan, faillissement)
Aannemelijk is dat de psychologische en sociale factoren de biologische factoren versterken. Als bepaalde karaktereigenschappen in erfelijke aanleg niet aanwezig zijn of wanneer iemand sterke beschermende persoonlijkheidstrekken bezit (bv. doorzettingsvermogen), is de kans niet zo groot dat iemand door trauma’s of bijvoorbeeld ernstig ontwrichte situaties een persoonlijkheidsstoornis ontwikkelt.