InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Religie > Bijbel: mensenoffers of kinderoffers in het Oude Testament

Bijbel: mensenoffers of kinderoffers in het Oude Testament

Bijbel: mensenoffers of kinderoffers in het Oude Testament Het offeren van kinderen kwam in zeer vroege tijden voor, maar geen enkel Israëlitisch ritueel heeft ooit het offer van de eerstgeborenen voorgeschreven. De praktijk van het brengen van kinderoffers wordt in het Oude Testament herhaaldelijk verboden. Toch zijn er ook schrijvers die stellen dat kinderoffers aan Jahwe gebruikelijk waren. Hierbij worden dan allerlei tekstpassages aangehaald, waaronder Ezechiël 20:25-26. Hieronder volgt een bespreking van een aantal van deze passages.

Mensenoffers in de Bijbel

Het offeren van mensen kwam in zeer vroege tijden voor. Het waren in het bijzonder de Kanaänieten en Phoeniciërs die tot ongeveer de vijfde eeuw v.C. vasthielden aan dit gebruik. Uit archeologische opgravingen blijkt dat Kanaänitische kinderen in de leeftijd van 3 tot 12 maanden op een altaar werden verbrand. Wat ook voorkwam is dat zij bij de bouw van een huis in een muur of fundament werden gemetseld, of onder de drempel van een huis werden begraven.[1] Niet alle volken kenden dit gebruik; de Egyptenaren of de Babyloniërs offerden geen mensen om zich met de goden te verzoenen. Deuteronomium 12:31 vermeldt de gewoonte van de Kanaänieten om hun zonen en dochters als offer voor hun goden te verbranden. Deze praktijk van het brengen van kinderoffers wordt in het Oude Testament herhaaldelijk verboden:

  • Ontwijd de naam van je God niet door een van je kinderen aan Moloch te offeren. Ik ben de HEER (Leviticus 18:21).

  • ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer een Israëliet of een vreemdeling die in Israël woont een van zijn kinderen aan Moloch offert, moet hij ter dood gebracht worden; het volk moet hem stenigen. Ikzelf zal mij tegen zo iemand keren en hem uit de gemeenschap stoten, omdat hij een van zijn kinderen aan Moloch heeft geofferd en daarmee mijn heiligdom heeft verontreinigd en mijn heilige naam heeft ontwijd. Mocht het volk oogluikend toestaan dat zo’n man zijn kinderen aan Moloch offert en hem niet ter dood brengen, dan zal ik mij tegen die man en zijn familie keren. Ik zal hem en allen die zich met hem en met Moloch inlaten, uit de gemeenschap stoten (Leviticus 20:2-5).

  • "Straks zal de HEER, uw God, voor u de volken uitroeien die nu nog het land bewonen dat voor u bestemd is. Als u het eenmaal in bezit hebt gekregen en er bent gaan wonen, zorg er dan voor dat die volken, die voor u zijn uitgeroeid, niet alsnog uw ondergang worden. Wees niet nieuwsgierig naar hun goden en vraag u niet af: Hoe hebben die volken hun goden vereerd? Zo willen wij het ook doen! Nee, de HEER, uw God, verbiedt u dat. Want zij hebben voor hun goden alles gedaan wat de HEER verafschuwt; ze hebben zelfs hun zonen en dochters als offer voor hen verbrand (Deuteronomium 12:31).

  • Er mag bij u geen plaats zijn voor mensen die hun zoon of dochter als offer verbranden (Deuteronomium 18:10b).

Ten tijde van de godsdiensthervormingen was het een van de eerste zaken die veroordeeld en verboden werden, bijvoorbeeld:

  • "Verder liet Josia de offerplaats Tofet in het Hinnomdal ontwijden, zodat niemand er meer zijn zoon of dochter als offer voor Moloch kon verbranden" (2 Koningen 23:10).

In zekere tijden werd deze door de Bijbel verfoeide praktijk van het brengen van kinderoffers door de Hebreeën overgenomen, ofschoon zulke offers nooit aan Jahwe werden gebracht uitgezonderd Jefta die zijn dochter doodde als brandoffer, na een overhaaste belofte omdat God hem geholpen had (Richteren 11:29-40). Toch doet dit niets af aan het feit dat een mensenoffer voor God een gruwel is en Jefta hiermee dus een gruwelijke zonde heeft begaan. De offers werden vooral gebracht aan de Ammonitische God Moloch (2 Koningen 23:10; Leviticus 18:21 - zie afbeelding bovenaan het artikel) en de Kanaänitische Baäl (Jeremia 19:5 en 32:35). Niet alleen koningen die slecht waren in de ogen van God offerden hun kinderen (2 Koningen 16:3; 21:6), maar ook het gewone volk maakte zich hier volgens Jeremia schuldig aan (Jeremia 7:31). Volgens 2 Koningen 17:17 was het brengen van kinderoffers een van de redenen voor de verbanning van de tien stammen uit het Noordelijke rijk. Gods afkeer van het heidense kinderoffer doortrekt alle lagen van het Oude Testament.

Passages die erop zouden duiden dat kinderoffers een legitieme plaats hadden in het Jahwegeloof

Nu zijn er ook schrijvers die stellen dat kinderoffers aan Jahwe gebruikelijk waren. Hierbij worden dan allerlei tekstpassages aangehaald, waaronder Ezechiël 20:25-26.[2] Hieronder volgt een bespreking van een aantal van deze passages.

Genesis 22: Abraham en Izaäk
In Genesis 22:2 zegt God tegen Abraham: "‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal.’"

Juist de geschiedenis van Abraham en Izaäk toont onomwonden dat God niét gediend is van het kinderoffer. Abraham werd op de proef gesteld. Abraham werd gezegd zijn zoon Isaäk juist niet te offeren (vers 12: "Raak de jongen niet aan, doe hem niets!") en God voorzag Zelf in een lam (vers 13). Abraham wist vooraf dat zijn zoon Isaäk geen haar op zijn hoofd gekrenkt zou worden. Zij zouden samen terugkeren. Dit is op te maken uit zijn woorden voordat hij aan het offer begint: "Wanneer wij hebben aangebeden, zullen wij bij jullie terugkeren" (vers 5).

Exodus 13: De wet op de eerstgeborenen
In Exodus 13 lezen we over de wet op de eerstgeborenen. Alle mannelijke eerstgeborenen behoren toe aan God. Er wordt evenwel onderscheid gemaakt in de behandeling van de eerstgeborenen van de mens en die van de dieren. Terwijl alle mannelijke eerstgeboren aan God geofferd moesten worden, moest men zijn eerstgeboren zoon ‘vrijkopen’ door een eenjarig schaap en een tortelduif te offeren in plaats van hun zoon. Waarom? Omdat het onbestaanbaar is dat de God van Israël gediend en geëerd zou willen worden door een mensenoffer. Dat deden de andere (omringende) volken, de heidenen, die brachten mensenoffers. Maar de God van Israël wil daar niets mee van doen hebben. Hij doet het tegendeel: Hij zendt Jesjoea (Jezus), Zijn enige Zoon, voor ons in deze wereld. Dit oudtestamentische gebruik wijst op de noodzaak losgekocht te worden door het bloed van het Lam, Jesjoea.

Leviticus 27:28-29: 'Het zal zeker ter dood gebracht worden'
In dit Bijbelgedeelte staat: "Wanneer iemand iets uit zijn bezit onvoorwaardelijk aan de HEER heeft gewijd, of het nu slaven, vee of grond betreft, rust er een ban op. Het kan dan niet worden verpand en de gelofte kan niet worden afgekocht. Alles wat onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, is allerheiligst. Wanneer een mens eenmaal onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, kan hij niet worden vrijgekocht; hij moet ter dood gebracht worden."

Gaat het hier over mensenoffers? Allereerst zij gezegd dat men nóóit slechts één vertaling moet raadplegen, maar meerdere vertalingen naast elkaar moeten leggen en bij voorkeur ook de grondtekst. De Naardense Vertaling (die recht doet aan de grondtekst) luidt:

[28] Alleen: al het gebannene dat een man uitbant voor de Ene uit alles wat van hem is, uit mensen en vee en veld in eigendom bij hem, kan niet worden verkocht en niet worden ingelost; al wat uitgebannen is, een heiligdom van heiliging is dat voor de Ene.
[29] Geen enkele gebande, die uit het mensengeslacht gebannen is, kan worden losgekocht: hij zal ter dood worden gebracht.


In de NBG-vertaling:

[28] Niets echter van hetgeen iemand de HERE door de ban wijdt, uit al wat hij bezit, van mens of vee, of zijn grondbezit, zal verkocht worden of gelost: alles wat onder de ban ligt, dat is allerheiligst voor de HERE.
[29] Niets, dat met de ban geslagen is, dat door de ban getroffen is onder de mensen, kan losgekocht worden; het zal zeker ter dood gebracht worden.


Deze vertaling maakt al duidelijk dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen de verzen 28 en 29. Er worden twee verschillende zaken besproken. In Leviticus 27:28 wordt gesproken over bezittingen die een persoon geeft aan God. Deze kunnen niet worden verkocht of teruggekocht nadat ze eenmaal zijn gegeven. Vers 29 handelt over mensen die door God (en niet de mens) vanuit de mensheid verbannen zijn. Waarom horen deze twee verzen bij elkaar?

The Hebrew words are cherem (noun) and charam (verb). They refer to something devoted to the ban. "Its basic meaning involves taking things or people out of ordinary use and devoting them irrevocably to God. ... Whatever was put under the ban was either to be devoted to the Lord's service permanently or destroyed." [The Complete Biblical Library]. Both "devoted to destruction" and "set apart" are the same Hebrew word, that is why these two statements belong together.[3]

Zo ligt de ban van God op Jericho (Jozua 6:17-19). Op de stad en alles wat erin is rust de ban van God: ze is onvoorwaardelijk aan God gewijd en moet vernietigd worden. Iedereen moet gedood worden, alleen de hoer Rachab mag in leven blijven, samen met iedereen die bij haar in huis is, omdat zij de verkenners van de Israëlieten een schuilplaats gegeven heeft. In 1 Samuel 15 worden de Amalekieten met de ban geslagen waardoor niets of niemand gespaard blijft.

In Jozua 7 wordt Achan ter dood veroordeeld omdat hij gestolen heeft van de oorlogsbuit die voor God bestemd is en dus onder een ban gesteld is (Jozua 7).

Alles wat met de ‘ban geslagen is’ is heilig, onttrokken aan menselijk gebruik en toegewijd aan God. In Jozua heeft dit alles te maken met het feit dat de verovering van Jericho als een strijd van God wordt gezien; de stad wordt niet veroverd door de kracht van mensen, maar door de kracht van God.

God heeft een speciale bedoeling met het land der Kanaänieten. Het wordt het land waar Zijn volk en Hij zelf komt te wonen en waar de Messias ten tonele zal verschijnen. Wat opvalt is dat alleen de Kanaänitische volken met de ban worden geslagen. De ban blijft beperkt tot die volken die het heilsplan van God met Israël ernstig in gevaar kunnen brengen en het zijn juist de Kanaänieten geweest met hun verering voor Baäl, hun seksuele perversiteit en hun kinderoffers, die een grote verzoeking betekenden voor het volk.

In de Bijbel worden alle rituele wetten en voorschriften tot in detail beschreven. Wanneer de passage in Leviticus betrekking zou hebben op rituele mensenoffers, dan is het uiterst merkwaardig dat dit niet gedetailleerd en concreet wordt behandeld. Ook kan dan de vraag gesteld worden waar de voorbeelden zijn van personen die onvoorwaardelijk aan God zijn gewijd en geslachtofferd zijn? Die kent de Bijbel niet, omdat het deze betekenis niet heeft.

Leviticus 27:1-8: Lossing bij geloften
Hier gaat het om bepalingen omtrent het afkopen van geloften aan God. Het heeft niets te maken met het offeren van mensen. Indien iemand een gelofte heeft gedaan, dan moet hij deze houden (Numeri 30:3; 22-24). De zware verplichting die de gelofte aanvankelijk met zich meebracht is allengs verzacht en op den duur was het zelfs toegestaan de gelofte in te lossen door een geldstorting, overeenkomstig tarieven die in Leviticus 27:1-25 staan vermeld.

Ezechiël 20:25-26: Corrigerend schokeffect
Het schijnt zeker, dat geen enkel Israëlitisch ritueel ooit het offer van de eerstgeborenen heeft voorgeschreven. Dit lijkt (oppervlakkig gezien) te worden tegengesproken door Ezechiël 20:25-26:

Ik gaf hun zelfs slechte wetten, en regels die leidden tot de dood. Met hun eigen offergaven maakte ik hen onrein, hun eerstgeboren kinderen liet ik hen offeren, opdat ze in ontzetting zouden beseffen dat ik de HEER ben.

Dr. R. de Vaux schrijft hierover (en ik laat hem uitgebreid aan het woord):

Deze tekst schijnt te zeggen dat het gebruik [het offeren van eerstgeborenen] in zwang is geweest in Israël en dat het bekrachtigd was door een verordening Gods. Maar het is dwaas om aan te nemen dat Israël ooit 'al zijn eerstgeborenen' heeft geofferd op welk tijdstip van zijn geschiedenis ook, en het is al even dwaas om aan te nemen dat Ezechiël, die elders de kinderoffers veroordeelt (Ez. 16,20; 20,31), heeft kunnen denken dat die gewoonte uitdrukkelijk door God zou zijn voorgeschreven. De woorden van de profeet mogen dus niet letterlijk worden opgevat. Hier worden aan de oorzakelijkheid van God alle menselijke daden toegeschreven, de goede en de slechte; dit is een manier om een toelaten door God uit te drukken, zoals ook gedaan wordt in Ex. 4,21; 7,3 enz., en vooral Jes. 6, 9-1, welke plaats door het evangelie wordt geciteerd in verband met de gelijkenissen van Jezus (matth. 13,13-15) en die Paulus op zijn beurt aan de joden van Rome voorhoudt (Hand. 28,25-26). Jahwe had bevolen dat men Hem de eerstgeborenen toewijdde, maar de Israëlieten, op een dwaalspoor gebracht door het voorbeeld van de Kanaänieten, hebben slachtoffers genomen uit hun kinderen. God heeft ze hun gang laten gaan; Hij heeft hen zich laten bezoedelen 'om hen te straffen, opdat ze zouden weten dat ik Jahwe ben'. De misslag, voorzien door God en gestraft door God, wordt daarmee opgenomen in het mysterie van het heil. Tegenover deze ongenuanceerd uitdrukking van Ezechiël staat overigens wat Jeremia zegt over hetzelfde punt: 'Zij hebben de bamah van de Tofet opgericht in het Dal Ben-Hinnom om hun zonen en hun dochters te verbranden, wat ik helemaal niet had voorgeschreven, waaraan ik nooit gedacht had' (Jer. 7,31; vgl. 19,5).[4]

Nog een paar opmerkingen over deze tekst a.d.h.v. 'Herschreven heilsgeschiedenis - geschiedschrijving en toekomstverwachting in Ezechiël 20 door dr. J. dekker:
  • Ezechiël sprak eerder in zijn preek ook al over wetten en regels die God gegeven had. In vers 11 spreekt hij over wetten en regels die God geeft en die leven brengen aan iedereen die zich eraan houdt. In vers 11, 13 en 21 wordt nadrukkelijk gesteld dat het gaat om wetten en regels, die leven brengen.
  • In vers 18 wordt gesproken over dat 'hun kinderen niet moesten leven volgens de wetten en regels van hun ouders, en zich niet moesten inlaten met hun afgoden'. God stelt nadrukkelijk zijn eigen wetten en regels tegenover die van Israëls voorouders (vers 19). In vers 18 gebruikt Ezechiël een ander meervouwdsvomr ('chuqqim', mannelijk meervoud) dan wanneer hij over Gods eigen wetten spreekt (chuqqot, vrouwlijk meervoud). Dr. J. dekker merkt op dat het geen toeval kan zijn dat Ezechiël in vers 25 óók de manlijke vorm gebruik. In dit vers worden immers de slechte wetten ter sprake gebracht. Ook worden ze in vers 25 niet 'mijn wetten genoemd'. Er wordt hiermee een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de slechte wetten van Israëls voorouders en die van God.
  • Met deze ongebruikelijk meervoudsvorm in vers 25 verraadt Ezechiël zijn retorische bedoelingen. Het heeft er alles van dat hij bij zijn toehoorders een heilzaam en corrigerend schokeffect teweeg wilde brengen.
  • In tegenstelling tot de Nederlandse vertaling, wordt in de Hebreeuwse tekst het subject ongenoemd gelaten; God wordt niet expliciet met het kinderoffer in vers 26 verbonden. Het blijven 'hun eigen offergaven'.
  • Het 'geven' in vers 25 betekent dat God zich heeft aangesloten bij de slechte wetten van de Israëlische voorouders en in feite tegen ze zegt: 'Maak dan maar de maat van jullie ongerechtigheid vol', Het drukt -zoals De Vaux het uitdrukt- een toelaten door God uit. Maar dit neemt niet weg dat God 'dit nooit heeft geboden en nooit heeft gewild' (zie Jeremia 7:31; 19:5; 32:35, vgl. Ezechiël 16:21 en 23:39).[5]

Micha 6:7: 'Moet ik mijn oudste kind geven voor wat ik heb misdaan?'
Micha 6:7 handelt over de gerechtigheid van God. Er wordt door het volk de vraag gesteld wat ze moeten doen om het weer goed te maken met God. Hoe ze Hem weer kunnen eren. Elders in Micha werd al gewag gemaakt van de misstanden in het leven van Gods volk. Er worden vervolgens door het volk meerdere suggesties gedaan. "Moet ik hem tegemoet treden met brandoffers, zou hij eenjarige stieren aanvaarden? Kan ik hem gunstig stemmen met duizenden rammen, met olie, stromend in tienduizend beken? Moet ik mijn oudste kind geven voor wat ik heb misdaan, de vrucht van mijn schoot voor mijn zondig leven?" (Micha 6:6-7)

Het is betreurenswaardig dat Israël kennelijk denkt dat het hulde kan brengen aan de verheven God door een perfect uitgevoerde, overvloedige eredienst (en ondertussen door te gaan met zondigen en onrecht doen) en dat men Hem gunstig kan stemmen door te kijken naar de omringende volken en kinderoffers voor te stellen. Daarna zegt God waar het Hem om te doen is: "Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God." (Micha 6:8)

En de weg gaan van God betekent dat men zich houdt aan Gods Woord. God heeft zijn volk verboden om hun zonen en dochters als offer te verbranden (zie Deuteronomium 12:31). God haat kinderoffers. Naar wat voor soort offer is God op zoek? Wat voor soort offer bevalt Hem werkelijk? In Psalmen 51:18-19 vinden we het antwoord: "U wilt van mij geen offerdieren, in brandoffers schept u geen behagen. Het offer voor God is een gebroken geest; een gebroken en verbrijzeld hart zult u, God, niet verachten."
Het gaat God om het hart van de mens. God heeft altijd het hart van zijn volk gezocht.

Conclusie

De Bijbel veroordeelt ondubbelzinnig het brengen van kinderoffers. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen descriptieve en prescriptieve gedeelten, tussen datgene wat de Bijbel met historisch gezag beschrijft -er zijn in bepaalde perioden kinderoffers gebracht- en dat wat de Bijbel met normatief gezag voorschrijft. Nergens in de Bijbel wordt een mensenoffer of kinderoffer geboden. Integendeel, het wordt uitdrukkelijk en herhaaldelijk verboden.

Noten
  1. Ben Hobrink: Moderne wetenschap in de Bijbel: De Bijbel is de wetenschap 3500 jaar vooruit: Gideon, Hoornaar, 9e druk, juni 2008, p.32.
  2. John J. Collins: A short introduction to the Hebrew bible, Fortress Press, 2007, p96. Th. C, Vriezen: Hoofdlijnen der theologie van het Oude Testament, Wageningen, 1978, p237.
  3. http://lavistachurchofchrist.org/LVanswers/2009/12-02a.html (voor de laatste keer geraadpleegd op 5 mei 2012)
  4. Dr. R. de Vaux: Hoe het oude Israël leefde - De instellingen van het Oude Testament, deel II, J.J. Romen & Zonen, Roermond/Maaseik, 1961, p367.
  5. J. Dekker: Herschreven heilsgeschiedenis. Geschiedschrijving en toekomstverwachting in Ezechiël 20, Theologia Reformata 50/3 (2007), 267-284.

Lees verder

© 2012 - 2014 Tartuffel, gepubliceerd in Religie (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Het Oude Testament (Christendom)Het Oude Testament (Christendom)Het Oude Testament speelt een belangrijke rol binnen het Christendom. Het Oude Testament is het eerste gedeelte van de C…
Bijbelboeken - oude en nieuwe testamentBijbelboeken - oude en nieuwe testamentDe Bijbel bestaat uit verschillende boeken, onderverdeeld in het Oude en Nieuwe Testament. De Joden kennen alleen het Ou…
De Bijbel (Christendom)De Bijbel (Christendom)De Bijbel. Het is een van de oudste en meest verkochte boeken ooit. Mensen weten echter nog veel niet over de Bijbel. Ho…
Joodse visie: Christelijke afkeer van de Tora (Joodse wet)Veel christenen hebben een afkeer van de Tora. Ze zeggen dat het 'oude' Verbond niet meer geldt en dat er een 'nieuw' ve…
Wat is het oude testament?Wat is het oude testament?Op de vraag wat het oude testament in wezen nu werkelijk is zijn verschillende antwoorden gegeven. Bovendien is de facto…
Bronnen en referenties
  • Ben Hobrink: Moderne wetenschap in de Bijbel: De Bijbel is de wetenschap 3500 jaar vooruit: Gideon, Hoornaar, 9e druk, juni 2008.
  • Bijbel: De Nieuwe Bijbelvertaling [NBV]; Statenvertaling (Jongbloed-editie) [SV-J]; NBG-vertaling 1951 [NBG51].
  • Dr. R. de Vaux: Hoe het oude Israël leefde - De instellingen van het Oude Testament, deel II, J.J. Romen & Zonen, Roermond/Maaseik, 1961.
  • http://lavistachurchofchrist.org/LVanswers/2009/12-02a.html (voor de laatste keer geraadpleegd op 5 mei 2012)
  • J. Dekker: Herschreven heilsgeschiedenis. Geschiedschrijving en toekomstverwachting in Ezechiël 20, Theologia Reformata 50/3 (2007), 267-284.
  • John J. Collins: A short introduction to the Hebrew bible, Fortress Press, 2007.
  • Rabbijn Y. Ashkenasy, dr. J. van Goudoever, prof. dr. Th. de Kruijf, W.A.C. Whitlau: Geïllustreerde Encyclopedie van de bijbel; ICOB ills.1964.
  • Th. C, Vriezen: Hoofdlijnen der theologie van het Oude Testament, Wageningen, 1978.

Reageer op het artikel "Bijbel: mensenoffers of kinderoffers in het Oude Testament"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Reacties

M. Zwaan, 22-07-2013 11:37 #13
In Genesis 22:2 zegt God tegen Abraham: "‘Roep je zoon, je enige, van wie je ZOVEEL HOUDT, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. DAAR MOET JE HEM OFFEREN op een berg die ik je wijzen zal.’"
Tekst is ondubbelzinnig. God vraagt om offer. Met alle respect, uw argumentatie in deze is een holle constructie. Abraham voldoet aan het verzoek, want het is, zoals u heel duidelijk maakt, niet ongewoon.
NB Achteraf melden dat het maar om een test gaat is buitengewoon wreed en getuigt van absoluut ontbreken van empathie, een koude jaloerse na-ijverig en ongevoelig despoot, aan wat doet dat nou denken. WALGELIJK. Reactie infoteur, 19-08-2013
Het offer van Abraham is één van de meest controversiële Bijbelverhalen. Wanneer je slechts afgaat op de door mij aangehaalde Bijbeltekst, zonder directe en bredere context, dan kun je al gauw van oordeel zijn dat het walgelijk is. Maar ook als je het hele verhaal van Abraham leest en bekend bent met de context, kan het hevige emoties oproepen. Of zoals Ignace Demaerel het uitdrukt in een artikel in Knack over dit verhaal:

"Het is inderdaad een verhaal dat de meest tegenstrijdige gedachten en gevoelens kan oproepen. Het is een verhaal ‘op het scherp van de snede’: hier scheiden zich de geesten: je bent vóór of radicaal tégen, hier kan je niet neutraal blijven. Hoe je hierop reageert, zegt eigenlijk heel veel over jezelf, je eigen houding in het leven en je visie op God. (…) Hoe je dit verhaal leest, zegt in feite het meest over jezelf. En dat steeds meer mensen het ontiegelijk moeilijk hebben met dit verhaal, zegt héél veel over onze cultuur en onze humanistische (mensgerichte) tijdsgeest."

Nieuwsgierig geworden? Hier kunt u zijn hele artikel lezen: http://goo.gl/irFtQp

Het Boek Genesis voorspelt de komende Messias die zou sterven voor de zonden van de wereld. In het Genesis 22 verslag over het ten offer brengen van Isaak door Abraham, doet Abraham twee profetische uitspraken: "God zal zich zelf van een offerlam voorzien… " (Genesis 22:8) en "Op de berg van de HEER zal erin voorzien worden." (Genesis 22:14). Door Abraham op te dragen om zijn geliefde zoon Isaak op te offeren was God niet het offeren van kinderen door mensen aan het onderschrijven. In plaats daarvan voorspelde Hij dat Zijn kind een offer voor de mensheid zou zijn! "En hierin is Gods liefde ons geopenbaard: God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door hem zouden leven. Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden." (1 Johannes 4:9-10). (Bron: http://alturl.com/8naxp)

Jelmer, 19-09-2012 22:32 #12
Quote "denk dat u heel goed weet dat ik de uitdrukking figuurlijk heb gebruikt (het herhalen van standpunten in een discussie)."
Dag weet ik vanzelfsprekend heel goed. Mijn punt is dat wanneer het in dit vraagstuk tot een herhaling van standpunten komt, zonder dat één van beiden met een argumentatie kan komen waardoor het vraagstuk gelijk definitief wordt beslist, je ook niet kunt stellen dat de bijbel ondubbelzinnig is in deze kwestie. Ik denk dat jij ook heel goed weet dat dat het echte probleem is: jouw bewering dat de bijbel ondubbelzinnig is over dit vraagstuk. Die bewering kun je bij een herhaling van standpunten, zonder een uiteindelijk doorslaggevende argumentatie, niet waarmaken.
Mvg, Jelmer Reactie infoteur, 20-09-2012
Misschien ben ik niet duidelijk geweest, maar wat mij betreft is de discussie ten einde.

Jelmer, 17-09-2012 23:34 #11
Dag Infoteur,
‘een herhaling van zetten’ is een uitdrukking die uit de schaakwereld komt. Een herhaling van zetten leidt doorgaans tot een remise. Een remise betekend dat niemand gewonnen heeft. Je zou ook kunnen zeggen dat er geen duidelijk is gekomen over wie de beste is. Vertaalt naar onze discussie kan ‘een herhaling van zetten’ geïnterpreteerd worden als: er is geen duidelijkheid gekomen over de kwestie of god wel of geen mensen/kinderoffers vroeg. Met ‘een herhaling van zetten’ erken je dus dat de bijbel helemaal niet duidelijk is over mensen/kinderoffers. Precies wat ik de hele discussie door heb gezegd. Dank hiervoor.
Mvg, Jelmer Reactie infoteur, 19-09-2012
Ik denk dat u heel goed weet dat ik de uitdrukking figuurlijk heb gebruikt (het herhalen van standpunten in een discussie).

Jelmer, 10-09-2012 10:24 #10
Dag Infoteur,
Het verbaast me toch wel dat je niet meer reageert, terwijl er toch nog wel wat interessante punten werden genoemd in mijn reactie van 14-06. Ik heb na 14-06 nog twee keer wat ingestuurd, maar dat is niet meer geplaatst. Ik vermeld er iedere keer mijn email adres bij maar ontvang ook via email geen uitleg of nadere toelichting. Het roept bij mij allemaal vragen op. Als je echt overtuigd bent dat god geen mens/kinderoffers vraagt dan zou je toch met aanvullende antwoorden moeten kunnen komen? Wat is er aan de hand? Waarom reageer je niet meer in deze kwestie?
Mvg, Jelmer Reactie infoteur, 10-09-2012
De berichten die u na 14/06 zou hebben verzonden, heb ik nooit ontvangen. Er zitten moderatoren van InfoNu tussen en wellicht dat zij het om hun moverende redenen nodig hebben gevonden deze berichten niet te plaatsen. Ik heb op uw laatste reactie niet meer gereageerd, omdat het een herhaling is van zetten. Dat vind ik niet zinvol. Misschien had ik dat duidelijk moeten laten weten. Welnu, hierbij is dat alsnog gebeurd.

Jelmer, 14-06-2012 00:01 #9
Ik merk dat je argumenten steeds meer ad hominem worden. Met jouw goedvinden zal ik niet hetzelfde doen. Ad hominem argumenten horen niet thuis in een goede discussie. Mocht je een argument van mijn kant ad hominem vinden, dan is dat per ongeluk en neem ik het terug.

Ik ben toch nog steeds benieuwd hoe je nu eigenlijk over dat vrijkopen denkt. Jij schrijft zelf in je artikel: “In Exodus 13 lezen we over de wet op de eerstgeborenen. Alle mannelijke eerstgeborenen behoren toe aan God. Er wordt evenwel onderscheid gemaakt in de behandeling van de eerstgeborenen van de mens en die van de dieren. Terwijl alle mannelijke eerstgeboren aan God geofferd moesten worden, moest men zijn eerstgeboren zoon ‘vrijkopen’ door een eenjarig schaap en een tortelduif te offeren in plaats van hun zoon. Waarom? Omdat het onbestaanbaar is dat de God van Israël gediend en geëerd zou willen worden door een mensenoffer.”
Die tortelduif en dat eenjarig schaap worden volgens jou IN PLAATS VAN de zoon geofferd. Met die tortelduif en dat schaap wordt dus de eerstgeborenen zoon vrijgekocht van ‘het gedood worden als offer’. Je kunt ook zeggen, als een eerstgeboren zoon niet zou worden vrijgekocht, dan zou hij gedood worden als offer.
Dit lijkt mij een hele redelijke gedachtegang. Dat het niet vrijkopen tot gevolg heeft dat iemand wordt gedood lezen we ook in Leviticus 27:29 waar staat: “Wanneer een mens eenmaal onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, kan hij niet worden vrijgekocht; hij moet ter dood gebracht worden.”
En ook is het dan redelijk als ik zeg dat god in eerste instantie kinderoffers vraagt, samen met dierenoffers, maar in tweede instantie de kinderen (eerstgeboren zonen) laat vrijkopen. Dit zijn hele logische, redelijke en goed beargumenteerde redeneringen van mijn kant, die zelfs door jouw opmerking over de schaap en de tortelduif worden ondersteund.

Citaat: “wat bezielt u?”
Die vraag komt ook regelmatig bij mij boven met betrekking tot mensen die in de god van de bijbel geloven, want in mijn optiek is een god die in eerste instantie om kinderoffers vraagt en dan achteraf gaat jeremiëren dat het niet de bedoeling was dat zijn volk die kinderoffers ook daadwerkelijk zou uitvoeren niet erg handig bezig. Als die god echt een hekel zou hebben aan kinderoffers dan is dit een rommelige manier om dat duidelijk te maken. Maar de vraag wat iemand bezielt is ad hominem en ik stel hem daarom niet aan jou.

Citaat: “Met betrekking tot Exodus 13 herhaalt u uw oude standpunt, maar u gaat niet in op wat ik geschreven heb en dat er een duidelijk onderscheid gemaakt wordt in de behandeling van de eerstgeborenen van de mens en die van de dieren.”
Jawel, ik ben daar inhoudelijk op ingegaan met het tegenargument dat god dat onderscheid in eerste instantie niet maakt. Als de Israëlieten net de woestijn in zijn krijgen ze de opdracht om alles wat als eerste de moederschoot verlaat aan de heer af te staan. Hij zegt niets over vrijkopen van de eerstgeborenen bij mensen, en niets over mannelijk of vrouwelijk. Als de Israëlieten daar nu eens direct de volgende dag mee begonnen zijn? Dat is niet speculatiever dan jouw opmerking dat de Israëlieten in de maanden voor de uittocht massaal zijn gaan trouwen om te kunnen verklaren dat er in dat eerste jaar in de woestijn veel te veel eerstgeborenen zijn (verklaring Dächsel). Als die Israëlieten de tweede dag in de woestijn gelijk begonnen zijn met het offeren dan kan die god ze later onmogelijk verwijten dat ze eerstgeborenen offerden. Hij vroeg er ten slotte zelf om. Het vrijkopen hoefde pas als de Israëlieten in het beloofde land zouden zijn (ex 13:11-16), dus 40 jaar later.

Citaat: “U negeert volkomen dat de Bijbel het brengen van kinderoffers ondubbelzinnig veroordeelt en dat alle teksten te dienaangaande leiden naar dezelfde conclusie: deze praktijk is pas laat ingevoerd onder invloed van de omringende volkeren en door alle vertegenwoordigers van het jahwisme is het veroordeeld, ”
Ieder vers in de bijbel dat zich tegen kinderoffers uitspreekt gaat gepaard met OF de opmerking dat je kinderoffers niet aan andere goden mag brengen, OF de opmerking dat eenmaal in het beloofde land er geen kinderoffers mogen worden gebracht. Naar goed christelijk gebruik moet je bijbelverzen altijd ‘in de context lezen’, en als je dat dan doet kun je onmogelijk volhouden dat de bijbel kinderoffers ondubbelzinnig veroordeelt, omdat er wel wordt gevraagd eerstgeborenen aan god af te staan en er bovendien tijd en ruimte is om dat te doen in de woestijn. Ik zou die kwalificatie ondubbelzinnig dan ook niet gebruiken en eerder stellen dat god juist erg dubbelzinnig is als het op mensen en kinderoffers aankomt.

Citaat: “Nog eenvoudiger is de verklaring in 'Commentaar op de Heilige Schrift' (Vor den Hake, 1956): Het losgeld bedraagt vijf sjekel. Dus zijn volgens het commentaar bedoeld de eerstgeborenen van één maand tot vijf jaar (Leviticus 27:7).”
Dit verklaart niets, omdat dit bedrag wordt betaald voor de 22.273 eerstgeborenen die nog leven, en dat is geen nieuwe informatie omdat we juist die eerstgeborenen die al dood zouden zijn missen in de telling.
Overigens is die vijf sjekel dezelfde die we in Leviticus 27:1-6 ook tegenkomen, maar dan om een NIET-eerstgeborene zoon van één maand tot vijf jaar vrij te kopen. Gezien de volledige beargumenteerde betekenis van het begrip ‘vrijkopen’ mag dan hier weer de conclusie worden getrokken dat die dreumes ook vrijgekocht wordt van ‘het gedood worden’. Maar omdat Leviticus 27:1-6 over vrijwillige gaves aan god gaat en er geen verplichting is om vrij te kopen roept dat onmiddellijk de vraag op wat er met die dreumes zou gebeuren wanneer iemand besluit om niet vrij te kopen. De bijbel geeft namelijk een antwoord op de vraag wat er gebeurd met mensen (en dus ook dreumesjes van een half jaar oud) die niet worden vrijgekocht: die wordt gedood. Zie Leviticus 27:29. Op jouw respons dat ik beter kan vragen wat er gebeurd met die persoon die besluit niet vrij te kopen heb je nog geen antwoord gegeven. Blijkbaar vinden we op die vraag geen antwoord in de bijbel.

Citaat: “Er zijn diverse verklaringen mogelijk, maar de meest voor de hand liggende is wel dat de Hebreeuwse termen die in deze volkstelling werden gebruikt, ten onrechte als numerieke werden opgevat.”
Er is een manier om dit te controleren. Dat is als we ergens in de bijbel een tekst kunnen vinden waar getallen duidelijk in een numeriek context wordt gebruikt, en vandaaruit rekenkundig verbonden wordt aan de menselijke aantallen. Zo’n stukje is er. In Exodus 38: 24-26 wordt bij de behandeling van de tabernakel dit beschreven “Al het goud dat bij het werk gebruikt werd, bij al het werk aan het heiligdom, namelijk het goud afkomstig van het beweegoffer, bedroeg negenentwintig talent en zevenhonderddertig sikkel, gerekend volgens de sikkel van het heiligdom. En het zilver van hen die geteld waren uit de gemeenschap, was honderd talent en duizend zevenhonderdvijfenzeventig sikkel, gerekend volgens de sikkel van het heiligdom. Eén beka per persoon, dat is een halve sikkel, gerekend volgens de sikkel van het heiligdom, voor ieder die bij de getelde personen van twintig jaar oud en daarboven ging behoren, zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig man.”
Iedere ‘geregistreerde’ persoon droeg een halve sikkel (één beka) zilver bij. Kijken we naar de totale hoeveelheid van dit metaal dan blijkt dat 300.000 sikkels (1 talent is 3000 sikkels) plus de 1775 sikkels in totaal 301.775 sikkels geeft. Iedereen gaf een halve sikkel, dus als we de 301.775 sikkels delen door een 0, 5 komen we op 603.550 En dat is precies het aantal mensen is dat aan het einde van de passage wordt genoemd.
Het ‘meest voor de hand liggend’ is jouw verklaring dus niet. Integendeel, deze is aantoonbaar onjuist.

Citaat: “U interpreteert teksten verkeert, zet gegevens naar uw hand, modelleert ze naar uw vooropgezette ideeën, negeert tegenargumenten, ”
Vanuit mijn perspectief doe jij al deze dingen.

Citaat: “Ten aanzien van Ezechiël 20:25-26. U schrijft: “Merk op dat er niet alleen staat dat god de Israëlieten hun eerstgeborenen liet offeren, maar ook dat god de Israëlieten slechte wetten gaf, en regels die LEIDDEN TOT DE DOOD.” U gaat echter geheel niet in op de tekstuitleg die ik in het artikel geef en legt zonder onderbouwing uw eigen betekenis in de tekst.”
Ik kan jou tekst uitleg heel kort samenvatten: er staat niet wat er staat.
Blijkbaar vind jij dat een moeizame uitleg, waarbij subtiele nuances in de Hebreeuwse taal de betekenis zoals die voor iedereen die algemeen beschaafd Nederlands begrijp duidelijk is en die er voor zorgt dat de hele begrijpelijk tekst niet zegt wat je denkt dat die zegt, overtuigender dan de constatering dat volgens de bijbel god inderdaad regels gaf die leidden tot de dood, namelijk in Exodus 13:1 toen hij opdracht gaf alle eerstgeborenen, bij mensen en dieren, aan hem af te staan, en niets zei over vrijkopen, en niets over mannelijk of vrouwelijk. De opdracht om vrij te kopen geld pas in het beloofde land, en de uitruil tegen de Levieten vind pas een jaar later plaats. Voor Ezechiël 20:25-26 zijn dan ook helemaal geen moeizame Hebreeuwse nuances nodig. Het vers zegt precies waar het op staat, god gaf regels die leidden tot de dood.

Citaat: “komt met een corrupte lezing van teksten maar beschuldigt ondertussen –zonder ook maar een sprankje bewijs te leveren– de Joden ervan dat zij hun geschriften hebben gecorrumpeerd”
‘De bijbel als mythe’ van de jood Finkelstein is een goede plek om te beginnen. Ook heel leuk, over het nieuwe testament, is ‘Misquoting Jezus’ van Bart Ehrman, een hilarisch boek waarin heel duidelijk wordt hoe het NT de eerste 1400 jaar (tot aan de boekdrukkunst) gemanipuleerd is.

Citaat: “Op dit forum beschrijft u hoe christenen in uw ogen met de Bijbel omgaan, maar het zegt m.i. alles over úw omgang met de Bijbel (gevalletje 'projectie' van uw kant, zullen we maar zeggen): ‘Het is een kwestie van de verzen kiezen die aansluiten bij waar je naar toe wilt werken, en alle verzen die daar niet bij aansluiten verzwijgen of negeren.’"
En zo is het. Door bepaalde verzen te kiezen en andere te negeren kun je een heel verschillend beeld van god neerzetten waardoor je heel verschillende boodschappen uit de bijbel kunt halen. Zo legden de middeleeuwers nadruk op hele andere verzen dan de moderne mens en konden ze met de bijbel in de hand eeuwenlang slavernij, homohaat, heksenverbranding en nog meer verdedigen (moderne christenen zeggen natuurlijk dat die middeleeuwers de juiste context helemaal verkeerd begrepen hadden). Inzake kinderoffers kan je door een aantal verzen te benadrukken en aan sommige verzen en punten niet al te veel gewicht te geven overtuigend beargumenteren dat god in de tijd van de exodus kinderoffers vroeg en kreeg. Ik heb dat denk ik overtuigend aangetoond. Jij kunt natuurlijk beargumenteren dat god dat niet deed, maar laten we niet vergeten dat jij daarvoor dezelfde methode gebruikt. Je geeft net als ik bepaalde verzen en punten weinig gewicht, en je speculeert net als ik over andere punten.

Citaat: “Kunt u mij een moment in de Joodse geschiedenis of kerkgeschiedenis aanwijzen waarbij men op grond van teksten in de Bijbel ervan uitging dat men met het brengen van mensenoffers God zou kunnen behagen?”
Ja hoor, in het eerste jaar in de woestijn na de uittocht uit Egypte. Zie Exodus, Leviticus en Numeri. En in mijn optiek ook in het beloofde land, waar vrijwel iedereen als offer aan god kon worden aangeboden. Gezien de dominante positie van de man in het OT zal dit meestal een volwassen man geweest zijn die een ander mens aan god belooft. Doorgaans zal er wel zijn vrijgekocht, maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat dit altijd gebeurde omdat het vrijkopen optioneel was. Zie Leviticus 27:1-6

Citaat: “In Exodus 10 leest u dingen in de tekst die er absoluut niet staan. Waar het om draait is dat de farao weigert zich aan de God van de Bijbel te onderwerpen en het volk van God niet wil laten gaan. De betreffende zinsnede in vers 10 duidt erop dat de farao vermoedde zij iets in hun schild voerden, hij was bang voor het volk. Dat was ook de reden dat alle pasgeboren jongens moesten worden gedood van de farao en dat de Joden tot slaaf gemaakt waren.”
Jij leest in het verhaal van de farao kennelijk ook dingen die er absoluut niet staan, want de farao weigerde helemaal niet de Israëlieten te laten gaan. Hij stemde er meerdere keren mee in dat de Israëlieten mochten vertrekken. Maar god grijpt vervolgens in en verhard het hart van de farao, waarna de farao de Israëlieten toch weer niet laat gaan. Bovendien gebeurde het doden van de pasgeboren Israëlitische jongetjes door een heel andere farao, tachtig jaar en minimaal twee farao-generaties eerder.

Citaat: “Leviticus 27:29. “Geen enkele gebande, die uit het mensengeslacht gebannen is, kan worden losgekocht: hij zal ter dood worden gebracht.” Vers 29 gaat niet over mensenoffers, maar handelt over mensen die door God (en niet de mens) vanuit de mensheid verbannen zijn. Zij kunnen niet worden losgekocht, maar zullen ter dood worden gebracht. Zie verder het artikel waar ik dit bespreek.”
Ik heb je uitleg natuurlijk gelezen, maar ik vind het niet erg geloofwaardig. Ik vind het veel logischer dat Vers 29 een vervolg is op vers 28, dat weer een vervolg is op vers 27, en dat al deze verzen gaan over vrijwillige gaven/offers die mensen aan god doen, omdat Leviticus 27 nu eenmaal in zijn geheel gaat over vrijwillige gaven die mensen aan god doen. Jij kunt zeggen dat die niet over mensenoffers gaat, ik denk dat het veel logischer is dat het wel over mensenoffers gaat, oa ook omdat Leviticus 27 begint met te vertellen wat de bedragen zijn voor het vrijkopen, en we weten inmiddels allemaal wat ‘vrijkopen’ in het OT betekend.

Jelmer, 09-06-2012 12:37 #8
Citaat Jelmer: "Nee, je hebt niet goed gelezen. In twee jaar en 30 dagen (numeri 1:1)."
Excuus, hier moet ik een correctie maken. Er staat in numeri 1:1 "Op de eerste dag van de tweede maand, in het tweede jaar… ". Dus je hebt gelijk: 1 jaar en 30 dagen.

Verder zie ik uit naar jouw goed onderbouwde en uitgewerkt verklaring voor de vele zoekgeraakte Israelitische eertsgeboren mannen. Reactie infoteur, 09-06-2012
Zie mijn vorige reactie.

Jelmer, 08-06-2012 22:27 #7
Citaat: “Volgens uw speculatieve theorie zijn er in amper een jaar tijd 577.727 eerstgeboren mannelijke Israëlieten geofferd aan God.”
Nee, dat was een voorbeeld op basis van jou speculatie dat er wel 2 of 3 miljoen mannen zouden zijn. Ik heb me verder keurig aan de getallen gehouden die in de bijbel staan: 22.273 eerstgeboren mannelijke Israëlieten op een totaal van 605.550 weerbare Israëlitische mannen van 20 jaar en ouder. Dat levert een tekort van ruim 100.000 eerstgeboren mannen als je uitgaat van 10 kinderen (zonen en dochters) per ouderpaar. Als je uit zou gaan van 20 kinderen (zonen en dochters) per ouderpaar is er nog steeds een tekort van 50.000 eerstgeboren Israëlitische mannen. Het spijt me, ik kan het ook niet mooier maken dan het is.

Citaat: “in amper een jaar tijd”
Nee, je hebt niet goed gelezen. In twee jaar en 30 dagen (numeri 1:1).

Citaat: “Dat is een massaslachting onder het eigen volk, waarvoor u totaal géén bewijsgrond kunt aandragen.”
Vooralsnog heb jij nog niet één onderbouwde verklaring gegeven voor al die zoekgeraakte eerstgeboren Israëlieten. Totdat je met een goed onderbouwde en uitgewerkt verklaring komt lijkt het mij dat mijn verklaring heel plausibel is, vooral gezien het feit dat god gelijk als de Israëlieten uit Egypte zijn zo expliciet zegt dat alle eerstgeborenen bij de mensen en de dieren aan hem af moeten worden gestaan.

Citaat: “Staat u dan ook stil bij de zieke parallellen waar je dan onherroepelijk op uitkomt (bij de architect van de Holocaust bijvoorbeeld)?”
En die parallel was bij jou met betrekking tot de god van de bijbel nog nooit opgekomen? Hoeveel mensen zouden dat zijn geweest, die Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die al in het beloofde land woonden lang voordat de Israëlieten er kwamen en waarvan niemand, geen kind, geen baby, helemaal niemand mocht blijven leven?

Citaat: “Het is een vreselijke beschuldiging, waarvoor ieder spoor van bewijs ontbreekt.”
Nou ja, ‘ieder spoortje van bewijs ontbreekt’ … dat er vele eerstgeboren Israëlieten zoek zijn kan iedereen narekenen op basis van de getallen die in de bijbel staan. De rekenmachine liegt niet.

Uitgebreidere reactie volgt nog. Reactie infoteur, 09-06-2012
U citeert mij: “in amper een jaar tijd” en stelt vervolgens: “Nee, je hebt niet goed gelezen. In twee jaar en 30 dagen (numeri 1:1).” Nee, u leest bar slecht. Er liggen ongeveer 10 à 11 maanden tussen de instelling van het gebod van exodus 13:20 en de telling van Numeri.

Om tot deze rekensom te komen, bekijk de volgende teksten en aanwijzingen:
- Exodus 12:1-2: “De HEER zei tegen Mozes en Aäron, nog in Egypte: ‘Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn.”
- Abib of nisan (1e maand), Pesach en het feest van het Ongedesemde brood, 15-22.
- Wanneer vond exodus 13:20 ongeveer plaats?
- Nu naar Numeri. Numeri 1:1 luidt: “Op de eerste dag van de tweede maand, in het tweede jaar na het vertrek van de Israëlieten uit Egypte, richtte de HEER zich in de Sinaiwoestijn tot Mozes.”
- Ziw of ijjar (2e maand); ‘in het tweede jaar’ betekent niet dat er al twee jaren zijn verstreken.

Vervolgens negeert u volkomen mijn voorlaatste reactie, waar ik inga op de som van 22.273 eerstgeborenen op een getal van 603.550 strijdbare mannen en een eenvoudige verklaring daarvoor geef.

Met betrekking tot Exodus 13 herhaalt u uw oude standpunt, maar u gaat niet in op wat ik geschreven heb en dat er een duidelijk onderscheid gemaakt wordt in de behandeling van de eerstgeborenen van de mens en die van de dieren. Terwijl alle mannelijke eerstgeboren aan God geofferd moesten worden, moest men zijn eerstgeboren zoon ‘vrijkopen’ door een eenjarig schaap en een tortelduif te offeren in plaats van hun zoon. Waarom? Dat staat te lezen in het artikel (zie boven).

U negeert volkomen dat de Bijbel het brengen van kinderoffers ondubbelzinnig veroordeelt en dat alle teksten te dienaangaande leiden naar dezelfde conclusie: deze praktijk is pas laat ingevoerd onder invloed van de omringende volkeren en door alle vertegenwoordigers van het jahwisme is het veroordeeld, zowel door Deuteronomium als door de profeten en de priesterlijke redacteurs. Nooit ofte nimmer heeft het deel uitgemaakt van het Israëlitische offerritueel.

U interpreteert teksten verkeert, zet gegevens naar uw hand, modelleert ze naar uw vooropgezette ideeën, negeert tegenargumenten, komt met een corrupte lezing van teksten maar beschuldigt ondertussen –zonder ook maar een sprankje bewijs te leveren– de Joden ervan dat zij hun geschriften hebben gecorrumpeerd.(*) (Er is juist veel bewijs voor de betrouwbaarheid van de tekst van het Oude Testament. Men leze naast het eerder door mij genoemde boek ‘On The Reliability Of The Old Testament ‘ van K.A. Kitchen, o.a. het hoofdstuk: 'Is the Old Testament historically reliable?' in het boek 'The new evidence that demands a verdict' van Josh McDowell.) Ondanks alle bewijzen van het tegendeel blijft u hardnekkig en –zo lijkt het– met een zekere zelfgenoegzaamheid (**) beweren dat het Israëlische volk in opdracht van God (een groot deel van) hun eerstgeborenen offerden in de woestijn. Daarom nogmaals de vraag die ik u al eerder stelde: wat bezielt u?

(*) Op dit forum beschrijft u hoe christenen in uw ogen met de Bijbel omgaan, maar het zegt m.i. alles over úw omgang met de Bijbel (gevalletje 'projectie' van uw kant, zullen we maar zeggen): "Het is een kwestie van de verzen kiezen die aansluiten bij waar je naar toe wilt werken, en alle verzen die daar niet bij aansluiten verzwijgen of negeren." (http://goo.gl/XvQlZ)
(**) Getuige uw woorden: “Totdat je met een goed onderbouwde en uitgewerkt verklaring komt lijkt het mij dat mijn verklaring heel plausibel is…”. Deze houding hangt –zo vermoed ik– samen met het gegeven dat u gelovigen maar ‘dom’ vindt, zoals u tot twee keer toe openhartig meedeelt aan gelijkgestemden op dit forum van de website godvoordommen.nl (http://goo.gl/39t7I), waarmee u zichzelf op hooghartige wijze boven hen plaatst.
In 2009 legt u aan iemand op een forum op arrogante wijze uit hoe u christenen denkt te kunnen ‘bekeren tot de ratio’ (alsof je om te kunnen geloven je verstand resoluut op nul moet zetten) door ze te wijzen op de feiten (want ja, u gebruikt natuurlijk wél uw verstand i.t.t. die ‘domme gelovigen’):
“Jij [iemand anders op het desbetreffende forum] en ik zullen ongetwijfeld gelijksoortige ideeën hebben over christendom, over de bijbel, en over religie in het algemeen, maar met je stelling dat het geen zin heeft met christenen te argumenteren ben ik het volledig oneens.
Enthousiaste christenen die hier reageren zien we hier alleen in hun rol als overtuigde gelovige. Maar niet iedereen blijft altijd zijn hele leven een overtuigd gelovige. Zeker, er zijn er die onverbeterlijke zijn. Sommigen hebben een aangeboren blindheid voor ieder rationeel argument, en blijven van kinds af tot aan hun dood trouw aan wat ze met de paplepel ingegoten hebben gekregen. Er zijn ook de dommen, die zeggen altijd dat god het zo bedoelt heeft dat de bijbel moeilijk te begrijpen is voor intelligente mensen (ze zijn blijkbaar in hun domheid de uitverkorenen die de hogere waarheid van de bijbel mogen zien).
Maar er zijn er ook beslist velen bij wie de argumenten wel degelijk aankomen. Het feit dat ze uitgebreid op deze site rondkijken is misschien al een indicatie dat ze twijfelen. Maar hun ‘bekering’ tot de ratio zien je niet in de online discussies zoals die o.a. hier worden gevoerd. Ik ken het niet uit eigen ervaring, maar voor zover ik het kan beoordelen is het loslaten van overtuigd geloven een langdurig en moeizaam proces wat de gelovige over het algemeen alleen uitvecht. Dit maak ik op uit de verhalen van mensen die dit proces hebben doorlopen. De schrijver van de door jou genoemde site http://www.kolumbus.fi/volwassengeloof/albertellis.htm was bijvoorbeeld zo iemand en zegt hier over: ‘niets heeft zoveel van mijn psyche gevergd als dit proces om los te komen uit de onbegrijpelijke ijzeren greep van de bijbel.’
Er zijn ongetwijfeld gelovigen die op deze site nog stug volhouden dat alles waar is wat in de bijbel staat, maar die diep in hun hart al flink aan het twijfelen zijn. Het beste wat je kan doen is hem/haar keer op keer met zijn neus op de feiten blijven drukken. En de feiten, dat zijn hun eigen bijbel verzen, en dat is wat deze site zo ontzettend goed doet.”(http://goo.gl/grKpK)

Jelmer, 08-06-2012 15:06 #6
Citaat: “. U vergeet dus te vermelden dat het om WEERBARE Israëlieten gaat. Vervolgens zegt u: “Dit zou betekenen 27 zonen per gezin.” Wat is dan de rekensom? Volgens u 603.550 : het aantal getelde eerstgeborenen 22.273 = ong. 27. Aangezien het hier alleen om de strijdbare mannen gaat, is het redelijk om het totaal aantal Israëlieten op ongeveer 2 à 3 miljoen te schatten (http://goo.gl/ii3Pf). In dat geval ziet de som er heel anders uit…”
Inderdaad, in dat geval ziet de som er heel anders uit, omdat die nog veel ongunstiger uitpakt. Stel dat er in totaal 3 miljoen mannen waren (alle mannen meegeteld, dus weerbare en niet weerbare mannen, en ook de jongetjes, pubers en adolescenten), en daarvan zijn er 603.550 weerbaar. Dan wordt de verhouding dus 22.273 eerstgeboren zonen op 3 miljoen mannen. Een simpele rekensom vertelt ons dan dat dit één eerstgeboren zoon is op ± 134 mannen. Met andere woorden, ieder ouderpaar zou dan bijna 300 kinderen moeten hebben (zonen en dochters). Als we weer uit zouden gaan van een realistischer 5 zonen per gezin (en dus gemiddeld ook 5 dochters oftewel 10 kinderen) dan zou één op de 5 een eerstgeboren zoon zijn en zouden er bij 3 miljoen mannen 600.000 eerstgeboren zonen moeten zijn. Het zijn er echter maximaal 22.273, en dus missen we dan maar liefst 577.727 eerstgeboren mannelijke Israëlieten!
Ik zal later reageren op de andere punten. Misschien kun jij alvast een goede verklaring geven voor al deze ontbrekende eerstgeboren Israëlieten. Reactie infoteur, 08-06-2012
Zie voor een verklaring mijn vorige reactie, waarbij ik Dächsel e.a. citeer. Nu uw verklaring. Volgens uw speculatieve theorie zijn er in amper een jaar tijd 577.727 eerstgeboren mannelijke Israëlieten geofferd aan God. Dat is werkelijk te bizar voor woorden. (Dit geldt evenzo voor het aantal van 118.483, waar u een reactie eerder mee kwam. Dit zijn uw woorden: "Wellicht begon Mozes na twee jaar in te zien dat het tempo waarin ze bezig waren eerstgeborenen te offeren niet door kon gaan… ".) Dat is een massaslachting onder het eigen volk, waarvoor u totaal géén bewijsgrond kunt aandragen. U hebt niet eens het bewijs voor maar één mensenoffer in de woestijn. En hoe zouden ze zoiets hebben moeten organiseren? Hebt u daar over nagedacht? Staat u dan ook stil bij de zieke parallellen waar je dan onherroepelijk op uitkomt (bij de architect van de Holocaust bijvoorbeeld)? Het is een vreselijke beschuldiging, waarvoor ieder spoor van bewijs ontbreekt. Wat bezielt u?

Jelmer, 08-06-2012 10:44 #5
Citaat: “De uitlegkunde of de hermeneutiek behandelt (kortweg) de regels die men moet volgen om tot de juiste uitleg van de Bijbel te komen.”
Je vergeet de bekende hermeneutische cirkel te noemen. Die leidt van het algemene naar de specifieke betekenis en weer terug, waardoor volledige objectiviteit van het verstaan nooit kan worden bereikt. Zo leidde de bijbelse hermeneutiek door de eeuwen heen nogal eens tot heel verschillende ‘juiste uitleg’ van de bijbel. Zo verdedigden christenen eeuwenlang met de bijbel in de hand slavernij, werd er in de middeleeuwen op basis van de bijbel op heksen gejaagd, en heeft de kerk ruim 800 jaar lang de doodstraf voor homo’s gesteund. Moderne christenen denken er nu anders over en al die vroegere christenen hadden blijkbaar helemaal niets begrepen van ‘de juiste’ uitleg.

Citaat: “U komt echter niet met een onderbouwing van uw aantijging, waardoor ik deze kan afdoen als ‘lasterlijke prietpraat’.”
Ik zal het dan nog wat verder onderbouwen:
Eerst nogmaals: in genesis 22 lezen we helemaal nergens dat Abraham zijn zoon niet hoeft te offeren omdat god tegen kinderoffers of mensenoffers is. Wat we wel lezen is dit: genesis 22:10-12 “Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. Maar een engel van de HEER riep vanuit de hemel: ‘Abraham, Abraham!’ ‘Ik luister, ’ antwoordde hij. ‘Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.’”
Het enige dat we hieruit redelijkerwijs kunnen opmaken is dat Abraham ver genoeg was gegaan voor god om hem te bewijzen dat Abraham de bereidheid had zijn zoon voor god te doden. God vindt blijkbaar dat die bereidheid er moet zijn.

Enkele honderden jaren later lezen we over de volgende gebeurtenissen:
Na de vierde plaag van de steekmuggen is de farao bereidt de Israëlieten offers aan hun god te laten brengen, mits ze in Egypte blijven. Mozes reageert: “Dat is onmogelijk, ’ zei Mozes. ‘De offers die wij de HEER, onze God, moeten brengen, zullen de Egyptenaren weerzinwekkend vinden. Als we in hun bijzijn dergelijke offers brengen, stenigen ze ons nog! Sta ons toe om drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om daar aan de HEER, onze God, offers te brengen, zoals hij ons heeft opgedragen.” (exodus 8:22)
Weerzinwekkend? De Egyptenaren brachten zelf ook dierenoffers, dus dat konden ze niet weerzinwekkend vinden. De Egyptenaren waren verder politheisten, en waren dus wel gewend dat er aan verschillende goden geofferd werd. Dat de Israëlieten aan hun eigen god offerden kon dus ook moeilijk weerzinwekkend gevonden worden. En als de farao (die voor de Egyptenaren bijna een goddelijke status had) het de Israëlieten toestaat offers aan hun god te brengen, zouden zijn onderdanen dan zomaar tegen de wil van de farao ingaan en met stenen gaan gooien? Die offers moesten dan wel heel weerzinwekkend zijn!

Na de achtste plaag van de sprinkhanen wil de farao de Israëlieten aanvankelijk weer laten gaan. Dit lezen we in Exodus 10:8-10 “Daarop werden Mozes en Aäron opnieuw bij de farao gebracht, en nu zei deze: ‘Ga de HEER, jullie God, dan maar vereren. Maar wie gaan er eigenlijk mee?’ Mozes antwoordde: ‘We gaan met jong en oud, met onze zonen en dochters, en we nemen ook onze schapen, geiten en runderen mee, want we gaan ter ere van de HEER een feest vieren.’ ‘Ik zou jullie nog eerder de hulp van de HEER toewensen, ’ zei de farao, ‘dan dat ik jullie met je kinderen laat gaan! Jullie zijn niet veel goeds van plan. Het gebeurt niet! Alleen de mannen mogen gaan om de HEER te vereren.”
De farao moet iets voorvoeld hebben. Hij noemt met name de kinderen! Als hij dacht dat Israëlieten er vandoor zouden gaan dan zou hij een probleem hebben met het meenemen van alles, ook de ouden en de dieren. Maar de farao noemt alleen de kinderen wanneer hij zegt dat ze niet veel goeds van plan zijn.

Na de negende plaag van de duisternis lezen we Exodus 10:24 “Toen ontbood de farao Mozes en zei: ‘Ga de HEER dan maar vereren. Jullie kinderen mogen mee, maar jullie schapen, geiten en runderen moeten jullie hier laten.’ Mozes antwoordde: ‘Zelfs al zou u ons offerdieren ter beschikking stellen, dan nog moet ons eigen vee mee – geen enkel dier mag er achterblijven. Want we moeten de HEER, onze God, een offer brengen van dieren uit onze eigen kudden, en pas als we op de plaats van bestemming zijn, weten we waarmee we hem moeten vereren.’”
Dus pas als ze op de plaats van bestemming zijn weten ze waarmee ze god moeten vereren… en wat lezen we in de allereerste zin van Exodus 13, direct nadat de Israëlieten Egypte uit zijn en in de woestijn zijn: Exodus 13:1-2 “De HEER zei tegen Mozes: ‘Wijd alle eerstgeborenen aan mij; alles wat bij de Israëlieten of bij hun vee als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe.’” De eerstgeborenen van het vee moet zeker aan god geofferd worden, dat zul je met me eens zijn. Maar hier wordt niet eens onderscheidt gemaakt tussen eerstgeborenen bij het vee of bij de mensen. Er staat ook niets over vrijkopen van eerstgeboren zonen, en ook niets over mannelijk of vrouwelijk. Dat komt allemaal pas drie maanden later.

Citaat: “Bovendien stelt God in Numeri 3 dat de Levieten voor Hem moeten worden afgezonderd in de plaats van de eerstgeboren Israëlieten en als u de Bijbel goed bestudeert, dan zal duidelijk worden dat de plaats en taak van de Levieten niets van doen heeft met mensenoffers.”
En een stukje verder schrijf je: “U begint ergens halverwege uw reactie over een mogelijke telfout in Numeri 3 en u verbindt daar vervolgens de conclusie aan dat God de boel heeft opgelicht.”
Ja, ik had inderdaad op een telfout in numeri 3 gewezen omdat jij nu al enkele keren verwijst naar numeri 3 als verklaring voor ‘het aan god wijden’ van de eerstgeboren zonen. Het was feitelijk geen telfout, want de telling ging goed, maar Mozes en Aaron laten vervolgens in opdracht van god minder opschrijven dan ze geteld hebben. 300 minder om precies te zijn. Als jij numeri 3 als verklaring gebruikt voor het wijden aan god van die eerstgeboren zonen dan kun je die telfout niet zomaar negeren.

Een van de christelijke verklaringen voor die ‘schrijffout’ is de volgende: de telling gaat over het aantal mannelijke Levieten (geteld 22.300, opgeschreven 22.000) tegenover het aantal eerstgeboren mannelijke Israëlieten van een maand en ouder (22.273). Die 300 die niet opgeschreven worden zijn!eerstgeboren! mannelijke Levieten. Die zouden bij het opschrijven van de getallen zijn weggelaten omdat ze niet kunnen worden afgekocht door eerstgeboren mannelijke Israëlieten. Ik heb het niet bedacht, het is een verklaring vanuit christelijke hoek.
Maar als je 22.300 mannelijke Levieten hebt en daarvan zijn 300 eerstgeborenen, dan betekend dit dat je 74 zonen per gezin hebt. Omdat er normaalgesproken gemiddeld evenveel dochters als zonen worden geboren zouden dit bijna 150 kinderen per gezin zijn! Als we uit zouden gaan van een realistischer 5 zonen per gezin (en dus gemiddeld ook 5 dochters oftewel 10 kinderen) dan is één op de 5 een eerstgeboren zoon en zouden er bij 22.300 mannelijke Levieten dus zo'n 4.600 eerstgeboren zonen moeten zijn. Er zijn er bij deze verklaring helaas maar 300, en dus zijn er 4.100 mannelijke eerstgeboren Levieten zoek!

Als deze verklaring voor de ontbrekende 300 je niet bevalt dan zul je toch een andere verklaring moeten geven voor die 300. Maar ook al weet je iets beters, het is waarschijnlijk toch nog je minste zorg, want een gelijksoortige berekening kunnen we loslaten op de Israëlieten: het aantal Israëlieten van twintig jaar en ouder (zonder de Levieten) is 603.550, en daarvan zijn er maximaal 22.273 eerstgeboren zonen (al dan niet ouder dan 20, maar nog steeds zonder de Levieten). Dit zou betekenen 27 zonen per gezin. Met dochters er bij ruim 50 kinderen per gezin. En die 603.550 zijn alleen nog de volwassen mannen. Alle jongens van jonger dan 20 zijn daarin niet meegeteld, maar wel in die 22.273, dus als alle jongens van jonger dan 20 ook mee zouden worden geteld zou de verhouding nog ongunstiger worden (nog grotere gezinnen).
Ook hier geld dat als we uit zouden gaan van een realistischer 5 zonen per gezin (en dus gemiddeld ook 5 dochters oftewel 10 kinderen) dat dan één op de 5 een eerstgeboren zoon is en zouden er bij 603.550 mannelijke volwassen Israëlieten zo'n 120.710 eerstgeboren zonen moeten zijn. Het zijn er echter maximaal 22.273, en dus missen we maar liefst 118.483 eerstgeboren mannelijke Israëlieten!

Ik vat het nog even kort samen en merk nog een keer op dat je zelf zei dat we de bijbel als een historisch boek moeten lezen. De chronologie kun je dan niet zomaar negeren.
God test de stamvader op de bereidheid om kinderoffers te brengen (Abraham). Honderden jaren later lezen we dat hij Mozes pas zal laten weten wat er aan god moet worden gegeven als de Israëlieten buiten Egypte zijn (Exodus 10:24). Het eerste wat de Israëlieten van god horen als ze Egypte uit zijn en in de woestijn zijn is dat alle eerstgeborenen bij de mensen en de dieren aan god af te staan (Exodus 13:1-2). Hier wordt niets gezegd over vrijkopen, en niets over mannelijk of vrouwelijk. Wel horen de Israëlieten ook als ze net uit Egypte zijn dat ze als ze in het beloofde land zijn hun eerstgeboren zonen moeten vrijkopen (Exodus 13:11-16), maar dat zal nog 40 jaar duren. Na drie maanden in de woestijn (exodus 19:1) wordt nogmaals gemeld dat de eerstgeboren zonen moeten worden vrijgekocht in exodus 34:19-20, maar 34 gaat ook gedeeltelijk over de tijd dat de Israëlieten in het beloofde land zullen zijn.
Na twee jaar in de woestijn krijgt god’s volk te horen dat de eerstgeboren Israëlieten moeten worden ingeruild tegen de Levieten. Om dit goed te doen moet er een telling worden gehouden en wat blijkt?! Er zijn maar liefst meer dan 100.000 eerstgeboren zonen zoek!
Wat zou er toch gebeurd zijn in die twee jaar in de woestijn? Wellicht begon Mozes na twee jaar in te zien dat het tempo waarin ze bezig waren eerstgeborenen te offeren niet door kon gaan, en moest er daarom geteld worden en moesten de eerstgeboren Israëlieten tegen de levieten worden weggestreept. Mocht je vinden dat de opdracht van exodus 34:19-20 niet pas voor het beloofde land geld maar per direct gold dan missen we nog steeds meer dan 100.000 eerstgeboren zonen, alleen nu in drie maanden tijd. De opdracht uit Exodus13:11-16 om, eenmaal in het beloofde land, alle eerstgeboren zonen vrij te kopen wordt echter nergens ingetrokken zodat het inruilen van de levieten kennelijk alleen geld voor de laatste 38 jaar in de woestijn.
(Ik zou me even bedenken voordat je verklaart dat al die vermiste eerstgeborenen zijn ontstaan omdat een andere Egyptische farao tachtig jaar eerder alle Hebreeuwse jongetjes die geboren werden in de Nijl liet gooien. Dit is uitgebreid doorgerekend en pakt ook niet goed uit.)

En dan is er natuurlijk nog dat ene vers, Ezechiël 20:25, dat zo prachtig aansluit bij al het bovenstaande: “Ik gaf hun zelfs slechte wetten, en regels die leidden tot de dood. Met hun eigen offergaven maakte ik hen onrein, hun eerstgeboren kinderen liet ik hen offeren, opdat ze in ontzetting zouden beseffen dat ik de HEER ben.”
Merk op dat er niet alleen staat dat god de Israëlieten hun eerstgeborenen liet offeren, maar ook dat god de Israëlieten slechte wetten gaf, en regels die LEIDDEN TOT DE DOOD.

Citaat: “Dit is ongefundeerde kolder. U kunt niet aantonen dat de Bijbel mensenoffers voorschrijft en nu komt u met de aanklacht dat de Joden hun geschriften hebben gecorrumpeerd.”
In de tijd van exodus werden er vele kinderoffers gebracht zoals hierboven aangetoond. In latere jaren, toen de joodse ‘publieke opinie’ zich tegen kinderoffers keerde, zaten de Judeërs natuurlijk nog met die oude geschriften waarin stond dat hun god om kinderoffers vroeg. Historici zijn het er grotendeels over eens dat tijdens de Babylonische verbanning vele bijbelpassages opnieuw zijn opgeschreven. Goede kans dat daarbij al te expliciete teksten over kinderoffers niet zijn meegenomen omdat ze zo pijnlijk waren. Helemaal schrappen was geen optie omdat zoveel tradities en gebruiken er op gebaseerd waren, en dus werden ze wat mystieker gemaakt. Daarom zijn er nu nog zoveel duidelijk sporen van het oude gebruik in de tekst terug te vinden. Dit is een wereldlijke en rationele verklaring waardoor het heel begrijpelijk wordt dat de bijbel zoveel vreemde en dubbelzinnige passages bevat over mensen en kinderoffers.



Overige punten

Citaat: “Voorts heb ik u reeds gewezen op het feit dat er een evident verschil gemaakt wordt tussen de eerstgeborenen van de mens en die van de dieren: allen behoren aan God, maar de eersten worden vrijgekocht en de andere worden geslachtofferd.”
Het lijkt mij dat je hier zelf een duidelijk antwoord geeft op de vraag waarvan de eerstgeborenen worden vrijgekocht. Als je als god eerstgeborenen bij mensen en dieren opeist, en vervolgens de dieren laat slachtofferen maar van de mensen zegt dat ze vrijgekocht moeten worden, dan moet je niet raar opkijken als iemand hier de conclusie uit trekt dat die eerstgeboren mensen worden vrijgekocht van het ‘geslachtofferd worden’. En deze conclusie wordt nog eens expliciet ondersteund door een vers als Leviticus 27:29 “Wanneer een mens eenmaal onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, kan hij niet worden vrijgekocht; hij moet ter dood gebracht worden.”

Citaat: “Koop de eerstgeboren man altijd vrij, zo kunnen we uit diverse Schriftgedeelten opmaken (Exodus 13:13; 34:20; Numeri 18:15). Exodus 13:13: “Iedere menselijke eerstgeborene onder uw zonen echter zult gij lossen.” Dus geen enkele eerstgeborene wordt een kopje kleiner gemaakt, ze worden allemaal gelost.”
Je schreef zelf dat we de bijbel als een historisch boek moeten zien. Je kunt dan de chronologie, het verloop van de tijd, niet zomaar negeren. Je moet die verzen die je noemt plaatsen in het tijdsverloop, en dan zie je opeens dat er genoeg ruimte is voor heel wat kinderoffers, alhoewel ik niet denk dat ze een kopje kleiner werden gemaakt. Ik hou het erop dat ze werden verbrand.

Jij schreef in je vorige reactie over Leviticus 27:1-8: “Anders HAD ER MOETEN STAAN: ‘Wanneer iemand een of ander mens dat als offer geschikt is aan de HEER belooft…‘”
Ik schrijf in mijn reactie over Jefta: “Dan HAD ER nadat Jefta klaar was met zijn recruteringstocht MOETEN STAAN: ‘… en toen verliet de geest van de HEER Jefta, en deed hij een gelofte…’”
Nu reageer je op mijn opmerking van wat er had moeten staan met: “Maar omdat iets er niet staat zoals ú het zou opschrijven, wil dat niet zeggen dat u uw eigen betekenis in de tekst kan leggen. U bent niet de norm voor tekstuitleg.”
Jij bent vrees ik ook niet de norm voor tekstuitleg, dus als jij je de vrijheid mag permitteren jouw eigen betekenis in de tekst te leggen omdat er iets niet staat zoals jij het op zou schrijven, dan mag ik dat ook.

Citaat: “Bovendien wordt er toch ook gesproken van grond? Grond kan men toch ook niet offeren?”
Grond niet, maar dat wat de grond opbrengt wel. Daarom lezen we in Leviticus 27:16: “Wanneer iemand een stuk grond uit eigen bezit heiligt door het aan de HEER op te dragen, wordt de waarde daarvan bepaald aan de hand van het voor die akker benodigde zaaigoed:” De waarde wordt dus bepaald door het benodigde zaaigoed, omdat het de oogst van het stuk grond is dat de priester uiteindelijk ontvangt. De oogst wordt gebruikt als (graan)offer, en een deel ervan mag worden opgegeten, precies zoals dat ook bij het vee gebeurde dat als gelofte aan god werd afgestaan en niet werd vrijgekocht.

Citaat: “Er staat: ‘Al het eerstgeboren leven dat mij wordt aangeboden, zal voor jou zijn, maar eerstgeboren mensen moet je vrijkopen; hetzelfde geldt voor onreine dieren.’ Eerstgeboren mensen en onreine dieren werden dus vrijgekocht. God vraagt dus niet om kinderoffers, ”
Je vergeet het vervolg van dit vers te noemen: “Zodra een eerstgeborene een maand oud is, moet je hem laten vrijkopen voor een vast bedrag van vijf sjekel zilver, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, twintig gera per sjekel. Het eerstgeboren jong van een rund of het eerste jong van een schaap of geit mag echter niet worden vrijgekocht, want die zijn heilig. Hun bloed moet je tegen het altaar gieten en hun vet op het altaar verbranden, als een geurige gave die de HEER behaagt.”
Ook hier ligt het voor de hand dat de eerstgeboren zonen en onreine dieren worden vrijgekocht van het ‘geslachtofferd worden’. Worden eerstgeboren zonen altijd vrijgekocht? Als je de bijbel als een historisch boek ziet en de chronologie in acht neemt is het antwoord nee.

Citaat: “Verder stelt u niet de juiste vraag, u zult zich moeten afvragen wat er gebeurd met de persoon die weigert dit bedrag te betalen, terwijl hij het wel kán betalen; dus wat was de straf als iemand zich willens en wetens niet hield aan zijn gelofte?”
Jammer dat je zelf niet ook gelijk een antwoord op die vraag weet te formuleren.

Citaat: “Ook gaat Leviticus 27:29 niet over het offeren van mensen. In het artikel heb ik uitgelegd waar het wel over gaat. Vers 29 handelt over mensen die door God (en niet de mens) vanuit de mensheid verbannen zijn. U gaat daar inhoudelijk helemaal niet op in.”
Je schreef eerder dat heel Leviticus 27 over vrijwillige giften en offers gaat (die mensen aan god doen). Ik ben het daarmee eens en ik zie niet waarom vers 29 opeens afwijkt en gaat over iets wat god vanuit de mensen verbannen heeft. Het lijkt mij logischer dat 29 gewoon een vervolg is op 28, wat weer een vervolg is op vers 27, en dat die verzen samen net als de rest van Leviticus 27 over vrijwillige giften en offers gaan. Maar ook al lees jij het anders, dan nog blijft de conclusie dat Leviticus 27:29 een duidelijke definitie geeft voor het begrip ‘vrijkopen’ bij de mens. Niet vrijkopen betekend: gedood worden. Wanneer een mens wordt vrij gekocht wordt er dus vrijgekocht van ‘het gedood worden’. Daar ga je jij inhoudelijk weer niet op in. Reactie infoteur, 08-06-2012
Over uitleg gesproken. Kunt u mij een moment in de Joodse geschiedenis of kerkgeschiedenis aanwijzen waarbij men op grond van teksten in de Bijbel ervan uitging dat men met het brengen van mensenoffers God zou kunnen behagen?

Over Abraham het volgende. Degenen die denken dat God een mensenoffer verlangt, hebben het grondig mis. In de eerste plaats: Abraham werd gezegd zijn zoon Isaäk juist niet te offeren. God Zelf voorzag in een lam. Ten tweede: Abraham wist vooraf dat zijn zoon Isaäk geen haar op zijn hoofd gekrenkt zou worden. Zij zouden samen terugkeren. Dit is op te maken uit zijn woorden voordat hij aan het offer begint: "Wanneer wij hebben aangebeden, zullen wij bij jullie terugkeren".

Over Exodus 8:22. U hebt daarop reeds een adequaat antwoord gehad van een zekere ‘Pola’ op hetgoedenieuws.nl: “Zie bijvoorbeeld ook Genesis 46:34 voor wat de Egyptenaren een gruwel vinden. De Egyptenaren hadden hun geheel eigen gewoonten en wetten ten aanzien van het offeren, waaraan de Israëlieten geen gehoor zouden kunnen geven, want zij konden niet anders dan "onze God, offers brengen, zoals Hij ons gezegd heeft". De Egyptenaren vereerden sommige dieren als goden, terwijl andere dieren als onrein beschouwd werden. Dus ja, het offeren van schapen en koeien zou wel eens heel goed weerzinwekkend (een gruwel volgens NBG51) voor de Egyptenaren kunnen zijn.” (http://goo.gl/54Mpe) Desalniettemin laat u dit argument geheel weg uit uw betoog. U bent erg selectief. U laat weg wat niet in uw straatje van pas komt. U wilt hoe dan ook aantonen dat de Bijbel mensenoffers voorschrijft…

In Exodus 10 leest u dingen in de tekst die er absoluut niet staan. Waar het om draait is dat de farao weigert zich aan de God van de Bijbel te onderwerpen en het volk van God niet wil laten gaan. De betreffende zinsnede in vers 10 duidt erop dat de farao vermoedde zij iets in hun schild voerden, hij was bang voor het volk. Dat was ook de reden dat alle pasgeboren jongens moesten worden gedood van de farao en dat de Joden tot slaaf gemaakt waren.

Met betrekking tot Exodus 13 herhaalt u uw oude standpunt, maar u gaat niet in op wat ik geschreven heb en dat er een duidelijk onderscheid gemaakt wordt in de behandeling van de eerstgeborenen van de mens en die van de dieren. Terwijl alle mannelijke eerstgeboren aan God geofferd moesten worden, moest men zijn eerstgeboren zoon ‘vrijkopen’ door een eenjarig schaap en een tortelduif te offeren in plaats van hun zoon. Waarom? Dat staat te lezen in het artikel (zie boven).

Over die mogelijke telfout in Numeri 3 heb ik reeds geantwoord, zelfs verwezen naar een mogelijke verklaring en geanticipeerd op een mogelijk weerwoord van uw kant en in dat kader verwezen naar een boek van Ouweneel en Glashouwer.

Het eerste deel (1:1-10:10) van het boek Numeri speelt zich af in de Sinaiwoestijn. Het gaat verder waar Exodus en Leviticus opgehouden zijn. Eerst hoor je hoe het volk geteld en in groepen ingedeeld wordt. Dan volgen wetten en regels waarmee het volk wordt voorbereid op de reis door de woestijn.

En 100.000 eerstgeboren zonen die zoek zijn is pure fantasie van uw kant. U hebt het over ‘het aantal Israëlieten van twintig jaar en ouder’ welke bedraagt 603.550. De Bijbel spreekt over ‘het aantal weerbare Israëlieten van twintig jaar en ouder’ (Numeri 1:44), welke in totaal 603.550 bedroeg. U vergeet dus te vermelden dat het om WEERBARE Israëlieten gaat. Vervolgens zegt u: “Dit zou betekenen 27 zonen per gezin.” Wat is dan de rekensom? Volgens u 603.550 gedeeld door het aantal getelde eerstgeborenen 22.273 = ong. 27. Aangezien het hier alleen om de strijdbare mannen gaat, is het redelijk om het totaal aantal Israëlieten op ongeveer 2 à 3 miljoen te schatten (http://goo.gl/ii3Pf). In dat geval ziet de som er héél anders uit…. Nog meer zoekgeraakte eerstgeborenen! U moet bedenken dat er ongeveer 10 à 11 maanden liggen tussen de instelling van het gebod van exodus 13:20 en de telling van Numeri. Er moet -volgens uw redenatie- werkelijk een ware slachting hebben plaatsgevonden in de woestijn. Er moet een rivier van bloed hebben gestroomd, bij wijze van spreken.

Bij Dächsel vindt men echter een even eenvoudig als elegant antwoord op dit ‘probleem’:

"Men heeft die som van 22,273 eerstgeborenen op een getal van 603,550 strijdbare mannen (Num 1:46; 2:32) dat is op eene hoofdsom van ongeveer een miljoen mannelijke personen, voor veel te gering gehouden; daar alzoo op elke 43 à 45 zielen slechts één eerstgeborene zou voorkomen. Men kan intusschen van alle andere pogingen om de zaak te verklaren, afzien, zoo men slechts opmerkt, dat het gebod (Exod 13:2) geene terugwerkende kracht heeft gehad, en hier van de eerstgeborene alleen sprake is, welke na den uittocht uit Egypte, en dus gedurende de laatstverloopen 10 à 11 maanden geboren werden. Nu schijnt weliswaar het getal naar evenredigheid weer te groot te zijn, maar men bedenke, dat de aanwas van het volk in de woestijn, nog veel meer dan reeds in Egypte, buitengewoon voorspoedig moet geweest zijn, alzoo na de 40 jaren omzwervens het nieuwe geslacht slechts weinig minder taltijk was dan het oude (Num 26:51). Wellicht zijn er, in den tijd, die den uittocht naast voorafging, toen er voor het volk een zeker uittocht op spoedige verlossing uit de Egyptische slavernij verrees, vele nieuwe huwelijken gesloten; terwijl het te voren geenszins raadzaam was, zich in het huwelijk te begeven (Exod 1:22)." (Bijbelverklaring van K. Aug. Dächsel)

Het slaat dus alleen op de eerstgeborenen in de periode van de instelling van het gebod van exodus 13:20 en de telling van Numeri.

Nog eenvoudiger is de verklaring in 'Commentaar op de Heilige Schrift' (Vor den Hake, 1956): Het losgeld bedraagt vijf sjekel. Dus zijn volgens het commentaar bedoeld de eerstgeborenen van één maand tot vijf jaar (Leviticus 27:7).

Voorts kan men zich afvragen of een dergelijke omvang van Israel wel reëel is. Ik citeer Cornelis Hoogerwerf:
“Bij deze omvang van Israël zijn uiteraard nogal wat historische vraagtekens te stellen. Niet alleen op grond van Bijbelse gegevens (in Deut. 7:7 staat bijvoorbeeld dat Israël maar een klein volk is), maar ook op grond van de archeologie. Een archeologische schatting van de bevolking van het Israëlitische heuvelland in de vroege ijzertijd (ca. 1000 v.C., de periode waarin Israël op de historische radar verschijnt) is dat er niet veel meer dan 45.000 mensen woonden [Finkelstein & Silberman, The Bible Unearthed (2002), p. 109. ]. W.H. Gispen stelt dan ook in zijn commentaar dat een gigantische omvang van Israël “niet mogelijk” is [W.H. Gispen, Het boek Numeri dl. 1 (COT; 1959), p. 31.].” (Bron: http://goo.gl/ii3Pf)

Er zijn diverse verklaringen mogelijk, maar de meest voor de hand liggende is wel dat de Hebreeuwse termen die in deze volkstelling werden gebruikt, ten onrechte als numerieke werden opgevat. De termen 'duizend' en 'honderd' kunnen oospronkelijk betrekking hebben gehad op sociale eenheden (families, stammen, tentgroepen) of militaire eenheden (oversten van duizend of honderd). Zie bijvoorbeeld excurs 6 van Studiebijbel.nl: http://goo.gl/WPfJb en: Humphreys, C.J. - "The number of people in the Exodus from Egypt: decoding mathematically the very large numbers in Numbers I and XXVI", Vestus Tesatmentum XLVIII, 1998, 196-213. Te lezen op: http://goo.gl/9FNU7

Anderzijds moeten we het gebruik van getallen wellicht zien als hyperbolisch. Zie voor de argumentatie hiervoor: David M. Fouts, 'A Defense of the Hyperbolic Interpretation of Large Numberes in the Old Testament', JETS 40, 1997, 377-87.

U schrijft: “God test de stamvader op de bereidheid om kinderoffers te brengen (Abraham).” Dat is niet waar het om gaat. De bereidheid van Abraham om zijn zoon Isaak te offeren is een type van de bereidheid van God de Vader om zijn enige Zoon te offeren. Nogmaals, Abraham sprak de profetische woorden uit: "God zal Zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon". Zie verder: http://goo.gl/HMa0a

Ten aanzien van Ezechiël 20:25-26. U schrijft: “Merk op dat er niet alleen staat dat god de Israëlieten hun eerstgeborenen liet offeren, maar ook dat god de Israëlieten slechte wetten gaf, en regels die LEIDDEN TOT DE DOOD.” U gaat echter geheel niet in op de tekstuitleg die ik in het artikel geef en legt zonder onderbouwing uw eigen betekenis in de tekst.

U komt nog steeds niet met een onderbouwing dat de Joden hun geschriften zouden hebben gecorrumpeerd. U suggereert slechts zaken, maar u maakt ze niet hard: “Historici zijn het er grotendeels over eens dat tijdens de Babylonische verbanning vele bijbelpassages opnieuw zijn opgeschreven. Goede kans dat daarbij al te expliciete teksten over kinderoffers niet zijn meegenomen omdat ze zo pijnlijk waren.” Welke historici dan? En wat schrijven ze dan precies? En wat zijn hun argumenten? Hebt u ook kennisgenomen van (de argumenten van) de wetenschappers die de betrouwbare overlevering van de geschriften benadrukken. “Goede kans dat daarbij…”. Dit is pure speculatie! U komt met een ferme beschuldiging en alles wat u biedt ter onderbouwing zijn speculatieve theorieën. Ook de concluderende opmerking: “Worden eerstgeboren zonen altijd vrijgekocht? Als je de bijbel als een historisch boek ziet en de chronologie in acht neemt is het antwoord nee”, berust op pure speculatie en 'inlegkunde' van uw kant.

Ik heb reeds duidelijk beargumenteerd dat Leviticus 27:29 niet over het offeren van mensen gaat. In het artikel heb ik uitgelegd waar het wel over gaat. Vers 29 handelt over mensen die door God (en niet de mens) vanuit de mensheid verbannen zijn. U gaat daar inhoudelijk helemaal niet op in.

Ik heb reeds duidelijk gemaakt dat de wet op de eerstgeborenen niets met kinderoffers te maken heeft. Als dat het geval was geweest, dan zou ook heel de symboliek van 'schuilen achter het bloed van het lam' verloren zijn gegaan en slaat het gebruik nergens meer op, zeker niet in verbinding met Pesach. U laat wederom zien dat u niets begrijpt van deze wet en de diepe symbolische betekenis ervan

U schreef: “Dus als jij je de vrijheid mag permitteren jouw eigen betekenis in de tekst te leggen omdat er iets niet staat zoals jij het op zou schrijven, dan mag ik dat ook.” Wil je weten waar een (klassieke) tekst over gaat, dan is je eigen betekenis in de tekst leggen wel het laatste wat je moet doen (men leze over hermeneutische principes o.a.: http://goo.gl/mj4oI). Waar ik aan refereerde was de tekst: “Wanneer iemand de HEER de tegenwaarde van een mensenleven belooft, worden de volgende bedragen berekend…”. Dit gaat niet over het offeren van mensen, zoals ik reeds beargumenteerd heb. Als een offerdier ter sprake komt staat er: “Wanneer iemand een of ander dier dat als offer geschikt is aan de HEER belooft…”.

Jazeker, een graanoffer kan men brengen. Dus dat wat de grond opbrengt. Dat staat zonneklaar in de Bijbel. Maar waar staat in de Bijbel dat men slaven kan slachtofferen én dat dit God behaagt? In Leviticus 27:28 wordt gesproken over bezittingen (slaven, vee of grond) die een persoon geeft aan God. Deze kunnen niet worden verkocht of teruggekocht nadat ze eenmaal zijn gegeven. Het blijft voor altijd eigendom van de Heer. Waar het hier om gaat is dat alles wat onvoorwaardelijk aan de Heer is gewijd, allerheiligst is en voor altijd eigendom van de Heer blijft.

Leviticus 27:29. “Geen enkele gebande, die uit het mensengeslacht gebannen is, kan worden losgekocht: hij zal ter dood worden gebracht.” Vers 29 gaat niet over mensenoffers, maar handelt over mensen die door God (en niet de mens) vanuit de mensheid verbannen zijn. Zij kunnen niet worden losgekocht, maar zullen ter dood worden gebracht. Zie verder het artikel waar ik dit bespreek.

Jelmer, 06-06-2012 12:52 #4
Citaat: “Ik las laatst bij een boekbespreking over moeilijke passages in het Oude Testament (Paul Copan: ‘Is God a Moral Monster?)…. One of the most irritating aspects of New Atheist critiques is their fundamentalist-like citation of Scripture without bothering to understand its contextual meaning”
Wat Paul Copan vast niet in zijn boek vermeldt is dat de bijbel zelf nergens vertelt wat ‘de juiste’ context is. Hoe wordt een context uit de bijbel gehaald? Door mensen die bepaalde verzen kiezen en die gewicht geven, en andere verzen zo veel mogelijk negeren of verzwijgen. Dat deed jij bijvoorbeeld in eerste instantie met Leviticus 27:1-6 en 28-29, waardoor het overtuigender leek dat god geen mensoffers zou vragen. Verderop in dit verhaal zal ‘de context’ van leviticus 27: 28-29 nog besproken worden.


Terug naar de mensen/kinderoffers. En eerst nog even naar Abraham en Izaak:

In genesis 22 lezen we helemaal nergens dat Abraham zijn zoon niet hoeft te offeren omdat god principieel tegen kinderoffers of mensenoffers is. Als jij dat in genesis 22 wel leest dan graag het citaat. Wat we wel lezen is dit: genesis 22:10-12 “Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. Maar een engel van de HEER riep vanuit de hemel: ‘Abraham, Abraham!’ ‘Ik luister, ’ antwoordde hij. ‘Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.’”
Het enige dat we hieruit redelijkerwijs kunnen opmaken is dat Abraham ver genoeg was gegaan voor god om hem te bewijzen dat hij de bereidheid had zijn zoon voor god te offeren. God vindt blijkbaar dat je de bereidheid moet hebben je kind aan hem te offeren.


Over Leviticus 27:28

Laten we wel wezen, wanneer we in het oude testament lezen over ‘vrijkopen’ of ‘lossen’ met betrekking tot het vee, dan hebben we het over ‘vrijkopen/lossen’ van ‘het gedood worden’. We lezen dat in vele verzen. Bijvoorbeeld Numeri 18:15-17 “Alles wat het eerst de moederschoot verlaat en aan de HEER wordt aangeboden, hetzij mens of dier, is voor jou, maar de eerstgeborenen van de mensen moet je laten vrijkopen, en ook de eerstgeboren onreine dieren. Zodra een eerstgeborene een maand oud is, moet je hem laten vrijkopen voor een vast bedrag van vijf sjekel zilver, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, twintig gera per sjekel. Het eerstgeboren jong van een rund of het eerste jong van een schaap of geit mag echter niet worden vrijgekocht, want die zijn HEILIG. Hun bloed moet je tegen het altaar gieten en hun vet op het altaar verbranden, als een geurige gave die de HEER behaagt.” Niet vrijkopen betekend dus dat die eerstgeboren schaap, geit of rund het niet overleeft.
Ook in exodus 13:13 wordt vrijkopen en ‘gedood worden’ aan elkaar gekoppeld: “Elk eerstgeboren veulen van een ezel moet u vrijkopen met een lam. Koopt u het niet vrij, dan moet u het de nek breken. Ook elke eerstgeboren zoon moet u vrijkopen.”
En exodus 34:20 “Elk eerstgeboren veulen van een ezel moet je vrijkopen met een schaap of geit. Koop je het niet vrij, dan moet je het de nek breken. Ook alle oudste zonen moet je vrijkopen.”
Als er vrijgekocht wordt bij het vee dan wordt er vrijgekocht van het gedood/geofferd worden.

Als je nu een vers uit het OT citeert waarin het ‘vrijkopen’ of ‘lossen’ wordt genoemd dan kun je niet zomaar aan de betekenis hiervan voorbij gaan. Óf het betekend vrijkopen van ‘het gedood worden’, óf het gaat over iets anders. Wanneer jij denkt dat het ‘vrijkopen’ of ‘lossen’ in een bepaald vers wat oa handelt over vee niet gaat over ‘vrijkopen van het gedood worden’, dan moet je uitleggen waarom niet en waar dat vee dan wèl van wordt vrijgekocht/gelost.
Je schrijf over leviticus 27:28 “Er staat nergens dat deze mensen moeten worden gedood, dat maakt u ervan.” Maar leviticus gaat toch niet alleen over mensen? Het gaat ook over vee! “Al het gebannene dat een man uitbant voor de Ene uit alles wat van hem is, uit mensen en vee en veld in eigendom bij hem, kan niet worden verkocht en niet worden ingelost” Als vee niet kan worden verkocht EN niet kan worden ingelost, wat gebeurt er dan mee? Volgens de verzen hierboven wordt dat vee dan gedood. Als jij denkt dat het niet verkopen en niet ingelost worden in leviticus 27:28 toch niet betekent dat dit vee wordt gedood dan kun je misschien uitleggen wat ‘niet verkopen en niet inlossen’ in leviticus 27:28 dan wel voor het vee betekent, en waarom dit in leviticus 27:28 voor het vee opeens iets anders betekent dan in al die andere hierboven genoemde verzen.
Alleen als je voor het vee een goed beargumenteerde (dus op basis van bijbelverzen) verklaring kunt geven die aantoont dat het niet gedood wordt, dan kun je ook zeggen dat die slaven niet gedood worden. Maar als je er voor het vee niet uitkomt, dan kom je er ook voor die slaven niet uit.
En het om het iets moeilijker voor je te maken is er nog een probleempuntje: dat van de ‘heiligheid’. Dat wat ‘verbannen is, dat iemand den HEERE zal verbannen hebben’ van het vee in leviticus 27:28 is voor god ‘heiligheid der heiligheden’. Wat het betekent als vee heilig is voor god lezen we in numeri 18:16-17: ”Het eerstgeboren jong van een rund of het eerste jong van een schaap of geit mag echter niet worden vrijgekocht, want die zijn heilig. Hun bloed moet je tegen het altaar gieten en hun vet op het altaar verbranden, als een geurige gave die de HEER behaagt.” Dus dat het vee heilig is vertelt ons dat het gedood moet worden. Het vee in leviticus 27:28 is onvoorwaardelijk gewijd, en is dus nog heiliger.
Nogmaals jouw opmerking: “Er staat nergens dat deze mensen moeten worden gedood, dat maakt u ervan.” Dat maak ik er niet van, dat concludeer ik als je ‘in de context’ leest je niet anders kunt dan concluderen dat het vee zal worden gedood. En helaas wordt er in leviticus 27:28 geen enkel onderscheidt gemaakt tussen vee en slaven (op zichzelf al bedenkelijk voor een rechtvaardige god).


Over Leviticus 27:29 en 27:1-6

Grappig genoeg worden in alle andere bovenstaande verzen ook telkens erbij gezegd dat de eerstgeboren zoon moet worden vrijgekocht. Die eerstgeboren zoon is ook een mens.
Als je de vraag stelt: waarvan moet een mens in het OT worden vrijgekocht dan geeft de bijbel zelf daar een duidelijk antwoord, en wel in leviticus 27:29 “Wanneer een mens eenmaal onvoorwaardelijk aan de HEER is gewijd, kan hij niet worden vrijgekocht; hij moet ter dood gebracht worden.” Hier staat dat een mens die niet wordt vrijgekocht gedood moet/zal worden. Wel vrijkopen betekend dus dat die mens wordt vrijgekocht van ‘het gedood worden’. Als de eerstgeborene wordt vrijgekocht dan wordt hij net als het vee vrijgekocht van ‘het gedood worden’. Dit is volledig in lijn met alle eerder genoemde verzen waarin eerstgeborenen zowel bij de mens als bij het vee aan god moeten worden afgestaan. Het eerstgeboren vee wordt doorgaans gedood en geofferd (numeri 18:15-17), de eerstgeboren zonen moeten (eenmaal in het beloofde land) worden vrijgekocht. Waarvan? Van het gedood/geofferd worden. God vraagt in eerste instantie om kinderoffers, maar geeft de mogelijkheid om (eenmaal in het beloofde land) de eerstgeboren zonen vrij te kopen.

In je vorige reactie schreef je “Exodus 13:1v., 11-15 lezen we dat in het vervolg alle eerstgeborenen worden ‘geheiligd’. Dit betekent: aan Zijn dienst gewijd, met dien verstande dat deze taak later werd vervangen door de Levieten” Dat ‘later’ is precies twee jaar en één maand later. Exodus 13 vindt plaats als de Israëlieten net in de woestijn zijn (de Egyptenaren zijn nog niet eens in achtervolging). En Exodus 13:11-15 begint met de zin: “Als de HEER u in het land van de Kanaänieten gebracht heeft, …” Het zal nog 40 jaar duren voordat de Israëlieten in het beloofde land zijn. Na twee jaar en één maand in de woestijn wordt inderdaad het aan god wijden van de eerstgeborenen vervangen door de levieten (numeri 3) maar eenmaal in het beloofde land moeten weer alle eerstgeborenen worden vrijgekocht. Het vervangen door de Levieten is dus slechts voor de laatste 38 jaar in de woestijn.

Nu is het vrijkopen van het gedood/geofferd worden van de eerstgeboren zonen een opdracht en dus een verplichting. Om een eerstgeboren jongetje van één maand oud vrij te kopen moet 5 sjekel worden betaald. In normaal Nederlands kunnen we zeggen dat dit de tegenwaarde van zijn leven is. In leviticus 27:1-6 komen we voor dat jongetje van 1 maand datzelfde bedrag tegen en wordt het letterlijk ‘de tegenwaarde van zijn leven’ genoemd. Voor allerlei andere leeftijdsgroepen worden ook tegenwaarden van hun levens gegeven. Leviticus 27:1-6 gaat echter over vrijwillige geloften aan god, en het afkopen is geen opdracht, maar een optie. Jij schrijft inzake leviticus 27:1-6: “wat werd er beloofd? Antwoord: de 'tegenwaarde' van een mensenleven, niet een mensenleven.” Misschien kun je dan uitleggen wat er gebeurt als iemand de ‘tegenwaarde van een mensenleven’ aan god beloofd en vervolgens besluit om de priester helemaal niets te betalen (wat mag, omdat het betalen van de priester een optie is). Wat gebeurd er dan met ‘de persoon in kwestie’? Die persoon in kwestie kan een oudje zijn, en volwassen man of vrouw, een kind tussen 5 en 20, of een kind tussen 1 maand en 5 jaar.


Overige punten

Citaat “Ik heb reeds duidelijk gemaakt dat de wet op de eerstgeborenen niets met kinderoffers te maken heeft. Als dat het geval was geweest, dan zou ook heel de symboliek van 'schuilen achter het bloed van het lam' verloren zijn gegaan en slaat het gebruik nergens meer op, zeker niet in verbinding met Pesach. U laat wederom zien dat u niets begrijpt van deze wet en de diepe symbolische betekenis ervan”
Er is een volledig logische verklaring hiervoor. In de periode van exodus werden er bij de Israëlieten massaal kinderen geofferd, net als voor andere goden bij de omringende volkeren. Later stopten de Israëlieten hier mee. Bij het overschrijven en herschrijven van teksten moest dat oude gebruik enigszins verdoezeld worden. Helemaal schrappen van passages was not done, en dus werden bij het overschrijven de teksten wat mystieker verpakt. Vandaar ook dat de bijbel heel dubbelzinnig is over mensen en kinderoffers.

Citaat: “Exodus 13:1-2. God zegt hier: “Wijd alle eerstgeborenen aan mij; alles wat bij de Israëlieten of bij hun vee als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe.” Dat heeft niets met het brengen van kinderoffers te maken, dat maakt u ervan.”
Dus het heeft ook helemaal niets met het offeren van vee te maken? Dat maak ik er alleen maar van?

Citaat: “Verder knoopt u Leviticus 27:28-29 aan de wet op de eerstgeborenen, terwijl het over verschillende zaken gaat.”
Kijk, dit is dan zo’n mooi voorbeeld van hoe een ‘context’ wordt gecreëerd en hoe daarbij bepaalde punten volledig worden genegeerd. Leviticus 27:28-28 gaat oa over ‘vrijkopen’, en niet alleen bij mensen, maar ook bij vee. De ‘wet op de eerstgeborenen’ gaat ook over vrijkopen, en ook bij ‘de wet op eerstgeborenen’ wordt het vee telkens in één adem met die eerstgeborenen genoemd. Het is dus heel voor de hand liggend om deze twee aan elkaar te koppelen in de zin dat je voor het ‘vrijkopen’ telkens dezelfde definitie gebruikt, zowel voor de mens, voor de eerstgeboren zoon en voor het vee. Voor ‘de context’ die jij ons wilt voorschotelen is dit natuurlijk een probleem, en dus zeg je simpelweg dat het over verschillende zaken gaat.

Citaat: “En deze sceptici schrijven weer stukjes waarin ze hun ideeën uiteenzetten en daardoor verwarring zaaien…”
Die ideeën kunnen ze alleen uiteenzetten omdat er zoveel bijbelverzen zijn die te denken geven. Je moet dat dus niet de sceptici verwijten, maar de bijbel zelf.

Citaat: “U verbindt ten onrechte het komen van 'de geest van de HEER over Jefta; hij trok door Gilead en Manasse, langs Mispa in Gilead, en vandaar naar de Ammonieten' met wat daarna gebeurde: 'Toen deed Jefta de HEER deze gelofte: …' Door Gods Geest aangevuurd, houdt Jefta een recruteringstocht om zijn troepen te verzamelen. Doch een incidentele aandrift van de Geest vrijwaart een mens nog niet voor struikelen…”
Dan had er nadat Jefta klaar was met zijn recruteringstocht moeten staan: “… en toen verliet de geest van de HEER Jefta, en deed hij een gelofte…” Reactie infoteur, 06-06-2012
De uitlegkunde of de hermeneutiek behandelt (kortweg) de regels die men moet volgen om tot de juiste uitleg van de Bijbel te komen. Hermeneutiek is belangrijk, want je hoort nogal eens de uitlating ‘de één zegt dit, de ander dat'. In dit artikel worden de verschillende velden van exegetisch onderzoek besproken: http://goo.gl/bsyns

In Leviticus 18:21 verbiedt God ondubbelzinnig het offeren van kinderen. Interessant is het volgende: “In Leviticus wordt feitelijk verwezen naar de offers aan ‘Moloch’, maar het is interessant te weten dat het woord ‘Moloch’ geen naam, maar een titel is. Het is afgeleid van het Hebreeuwse woord ‘Melech’, wat ‘koning’ betekent. Israël nam zichzelf een andere Heer en een andere Koning in de plaats van de EEUWIGE, de God van Israël. God was hun koning, maar zij verkozen een ander als hun koning. Het Hebreeuws kent geen klinkers, dus de twee woorden ‘Moloch’ en ‘Melech’ worden precies hetzelfde gespeld, en hebben dezelfde betekenis. Het was echter zo’n gruweldaad, dat de Joodse traditie eiste dat andere klinkers gebruikt zouden worden wanneer deze woorden gesproken werden. De klinkers die in ‘Moloch’ gebruikt worden, zijn dezelfde klinkers als in het Hebreeuwse woord voor ‘schandaal’. De rest van het vers in Leviticus is er erg duidelijk in dat dit een zaak is betreffende de eerbaarheid van Gods Naam.” (bron: http://goo.gl/P2Cw5)

Het brengen van kinderoffers is compleet in strijd met het karakter van God (Jeremia 7:31b: hetgeen Ik niet geboden heb en wat in Mijn hart niet is opgekomen; zie ook Jeremia 19:4-5, Jeremia 32:35). Uit deze verzen blijkt duidelijk dat het offeren van een kind door God als een gruwel wordt beschouwd en dat iets dergelijks nooit bij Hem is opgekomen.

Uit Genesis 22 komt Izaäk naar voren als een type en schaduw van Messias (http://goo.gl/P2Cw5). Men zal hermee rekening moeten houden, wil men het verhaal kunnen doorgronden. Toen Abraham en Isaäk op de aangewezen plaats van het offer, de berg Moria (Gen.22:2), waren aangekomen en Isaäk ontdekte dat er geen offerdier was, deed Abraham een profetische uitspraak die over alle eeuwen heen doorklinkt tot op de dag van vandaag: God zal Zichzelf van een offerlam voorzien (Genesis 22:8). Hoe Abraham dit wist vertelt de tekst niet, maar hij voorzag in de geest dat God het offer van Isaäk zou vervangen door een ander offerlam, en hij zag dat omdat hij een profeet was (Gen.20:7).

In Leviticus 27:28 wordt gesproken over bezittingen (slaven, vee of grond) die een persoon geeft aan God. Deze kunnen niet worden verkocht of teruggekocht nadat ze eenmaal zijn gegeven. Het blijft voor altijd eigendom van de Heer. Dit wil niet zeggen dat een slaaf geslachtofferd moet worden. Dat maakt u ervan. Omdat vee geofferd kan worden, wil dat nog niet zeggen dat dit met slaven ook gebeurd. Ik heb u reeds gewezen op de teksten in de Bijbel die dit ondubbelzinnig veroordelen. Bovendien wordt er toch ook gesproken van grond? Grond kan men toch ook niet offeren? Daar gaat het dan ook helemaal niet om. Waar het om gaat is dat alles wat onvoorwaardelijk aan de Heer is gewijd, allerheiligst is en voor altijd eigendom van de Heer blijft. Niets meer en niets minder. Ook kunt u uit het feit dat iets heilig zou zijn niet de conclusie trekken dat het dan ook geslachtofferd moet worden.

Voorts heb ik u reeds gewezen op het feit dat er een evident verschil gemaakt wordt tussen de eerstgeborenen van de mens en die van de dieren: allen behoren aan God, maar de eersten worden vrijgekocht en de andere worden geslachtofferd. Koop de eerstgeboren man altijd vrij, zo kunnen we uit diverse Schriftgedeelten opmaken (Exodus 13:13; 34:20; Numeri 18:15). Exodus 13:13: “Iedere menselijke eerstgeborene onder uw zonen echter zult gij lossen.” Dus geen enkele eerstgeborene wordt een kopje kleiner gemaakt, ze worden allemaal gelost.

Ook gaat Leviticus 27:29 niet over het offeren van mensen. In het artikel heb ik uitgelegd waar het wel over gaat. Vers 29 handelt over mensen die door God (en niet de mens) vanuit de mensheid verbannen zijn. U gaat daar inhoudelijk helemaal niet op in.

U stelt n.a.v numeri 18:15-17 dat het eerstgeboren vee doorgaans wordt gedood en geofferd en dat de eerstgeboren zonen (eenmaal in het beloofde land) moeten worden vrijgekocht van het gedood/geofferd worden. God vraagt in eerste instantie om kinderoffers, maar geeft de mogelijkheid om (eenmaal in het beloofde land) de eerstgeboren zonen vrij te kopen, zo redeneert u. Dat is kletskoek. Er staat: “Al het eerstgeboren leven dat mij wordt aangeboden, zal voor jou zijn, maar eerstgeboren mensen moet je vrijkopen; hetzelfde geldt voor onreine dieren.” Eerstgeboren mensen en onreine dieren werden dus vrijgekocht. God vraagt dus niet om kinderoffers, maar Hij zegt dat deze twee ‘zaken’ (eerstgeboren mensen en onreine dieren) onvoorwaardelijk aan Hem zijn toegewijd en vrijgekocht moeten worden.

Over Leviticus 27:1-6. Dit gaat over bepalingen omtrent het afkopen van geloften aan God. Het heeft niets te maken met het offeren van mensen. Vers 8 luidt: “Als degene die de gelofte heeft afgelegd zich het vastgestelde bedrag niet kan veroorloven, moet hij de persoon in kwestie aan de priester voorleiden. De priester stelt dan een ander bedrag voor, rekening houdend met wat degene die de gelofte heeft afgelegd zich kan veroorloven.” Verder stelt u niet de juiste vraag, u zult zich moeten afvragen wat er gebeurd met de persoon die weigert dit bedrag te betalen, terwijl hij het wel kán betalen; dus wat was de straf als iemand zich willens en wetens niet hield aan zijn gelofte? Willens en wetens, want de priester hield immers rekening met wat hij zich kon veroorloven. De draaglast oversteeg dus niet de draagkracht.

Waar gaat dit tekstgedeelte over? “The vows of Leviticus chapter 27 were voluntary promises to offer a particular gift to God. (…) Bamberger notes the different kinds of gifts dealt with in Leviticus 27: “Three types of gifts are treated: (1) the money equivalent of a person, erech, erkecha; (2) the dedication of cattle or real property, hekdesh [1]—such a gift being subject to redemption if the donor pays its value plus 20 per cent; (3) the irreversible gift, cherem.” Bamberger, III, p. 305.” (Lees hier verder: http://goo.gl/b2KQy)

U schreef: “In de periode van exodus werden er bij de Israëlieten massaal kinderen geofferd, net als voor andere goden bij de omringende volkeren. Later stopten de Israëlieten hier mee. Bij het overschrijven en herschrijven van teksten moest dat oude gebruik enigszins verdoezeld worden. Helemaal schrappen van passages was not done, en dus werden bij het overschrijven de teksten wat mystieker verpakt. Vandaar ook dat de bijbel heel dubbelzinnig is over mensen en kinderoffers.” Dit is ongefundeerde kolder. U kunt niet aantonen dat de Bijbel mensenoffers voorschrijft en nu komt u met de aanklacht dat de Joden hun geschriften hebben gecorrumpeerd. U komt echter niet met een onderbouwing van uw aantijging, waardoor ik deze kan afdoen als ‘lasterlijke prietpraat’. Men leze over de betrouwbaarheid van het Oude Testament onder meer het boek ‘On The Reliability Of The Old Testament ‘ van K.A. Kitchen.

Over Jefta en wat er volgens u had moeten staan. De Bijbel is geen gemakkelijk boek, zeker niet voor moderne lezers. We staan ver af van de cultuur en taal van die tijd. Maar omdat iets er niet staat zoals ú het zou opschrijven, wil dat niet zeggen dat u uw eigen betekenis in de tekst kan leggen. U bent niet de norm voor tekstuitleg.

Jelmer, 10-05-2012 23:02 #3
Quote: “Over Achaz: 2 Koningen 16:1-3. Desalniettemin staat ook in dit beschrijvende gedeelte vermeld dat hij niet deed wat goed is in de ogen van de HEER. Wat deed hij dan niet goed? Hij verbrandde zijn zoon als offer. Kan het nog duidelijker?”
Ja, het kan echt duidelijker. Achaz brandofferde zijn zoon ‘volgens het gruwelijke gebruik van de volken die de HEER voor de Israëlieten had verdreven…’ Die genoemde volken offerden aan een andere god, dus Achaz offerde aan een andere god, want Achaz offerde volgens het gebruik van die volken. De indruk kan ontstaan dat het juist het offeren aan een andere god is wat de god van de bijbel zo gruwelijk vindt.
Als ik de mensheid wil vertellen dat een vrouw nooit een man mag kussen, ook niet haar eigen man, dan is er een hele duidelijke en ondubbelzinnige manier om dit te zeggen: een vrouw mag nooit een man kussen, geen één man. Als ik zou zeggen ‘een vrouw mag geen andere mannen kussen’ dan is dat niet de meest duidelijke manier om de boodschap over te brengen. Het schept verwarring omdat dat woordje ‘andere’ helemaal niet nodig is om te zeggen wat je wil zeggen.
God doet precies dit in drie-kwart van de door jou genoemde verzen, inclusief het vers over Achaz. Hij veroordeelt het offeren aan een ‘andere’ god. Om de boodschap over te brengen dat je nooit kinderoffers mag brengen is het helemaal niet nodig die ‘andere’ goden te noemen. Het wel noemen van die ‘andere’ goden maakt het zelfs onduidelijker. God had simpelweg kunnen volstaan met te melden dat je nooit kinderoffers mag brengen. God had dus echt duidelijker kunnen zijn in al die verzen waarin hij ‘andere’ goden noemt.

Quote “De Bijbel veroordeelt het brengen van kinderoffers ondubbelzinnig.”
Ik ben in dat geval beter in staat ondubbelzinnig kinderoffers te veroordelen dan god. Ik kan gewoon zeggen dat kinderoffers niet mogen, voor geen één god. Als god ondubbelzinnig had willen zijn dan had hij hetzelfde kunnen zeggen. Maar god doet iets heel eigenaardigs voor iemand die kinderoffers ‘ondubbelzinnig’ wil veroordelen. Hij vraagt namelijk in eerste instantie zelf om kinderoffers door te zeggen dat alle mannelijke eerstgeborenen aan god toebehoren (bij dieren en mensen), maar dat er een onderscheidt moet worden gemaakt in de behandeling tussen dieren en mensen: de eerstgeboren dieren moeten worden geofferd, en de eerstgeboren zonen moeten worden vrijgekocht van dat offeren. Hij vraagt dus om kinderoffers, maar laat het niet uitvoeren.
Ieder mens kan kinderoffers op een duidelijkere en ondubbelzinnigere manier veroordelen dan god.

Bovendien, als de bijbel ondubbelzinnig kinder- en mensen offers zou veroordelen dan zou het schrijven van jouw artikel niet nodig geweest zijn. De enige reden voor jou om dit artikel te schrijven is omdat er kennelijk onduidelijkheid over is. En de enige reden dat er bij mensen onduidelijkheid over is is omdat het in de bijbel niet zo duidelijk staat als het had kunnen staan.

Quote “Alle teksten (ook de door mij behandelde) leiden naar dezelfde conclusie: deze praktijk is pas laat ingevoerd onder invloed van de omringende volkeren… “
De eerste keer dat god aangeeft dat zijn volk alle eerstgeborenen aan hem moet wijden is als ze net in de woestijn zijn (Exodus 13:1-2), nog voordat de Egyptenaren in de achtervolging gaan, en dus nog voordat ze ook maar met enig ander volk in contact zijn geweest die deze praktijken uitvoert. Het idee dat kinderen geofferd kunnen worden komt dus niet van omringende volkeren. Bovendien lezen we in Exodus 13:1-2 niets over mannelijk of vrouwelijk, en niets over vrijkopen. Deze opdracht komt pas later. Dit heb je tot nu toe telkens genegeerd.

Quote “Reeds het verhaal van Abraham en Izaäk in Genesis 22 toont dat God niet gediend is van het kinderoffer.”
En dat is ook het enige dat het verhaal van Abraham en Izaäk in Genesis 22 aantoont: dat God DIT kinderoffer niet hoefde. Misschien vond hij Izaäk te oud.

Quote “Er wordt dus evident een verschil gemaakt tussen de eerstgeborenen van de mens en die van de dieren: allen behoren aan God, maar de eersten worden vrijgekocht en de andere worden geslachtofferd.“
En waarvan worden die eerstgeborenen dan vrijgekocht? Eerstgeborenen bij mensen en dieren worden telkens tegelijk genoemd en opgeëist door god. Het dier moet geofferde worden, dus het meest voor de hand liggende is dat de zonen worden vrijgekocht van hetzelfde lot als dat van de dieren. God vraagt in eerste instantie kinderoffers, maar geeft de mogelijkheid er onderuit te komen. Altijd? Nee, niet altijd, niet als een mens onvoorwaardelijk wordt gewijd aan god. En niet toen hij in Exodus 13:1-2 opdracht gaf eerstgeborenen af te staan, want de opdracht om zonen vrij te kopen volgde pas later.

Quote “Het ging niet alleen om de op dat moment levende eerstgeborenen. In Exodus 13:1v., 11-15 lezen we dat in het vervolg alle eerstgeborenen worden ‘geheiligd’. Dit betekent: aan Zijn dienst gewijd, met dien verstande dat deze taak later werd vervangen door de Levieten (Numeri 3:13, 44-51; 8:17; 18:15-18).”
En
Quote “De eerstgeborenen onder Israël, zijnde het eigendom des Heeren, werden later vervangen door de Levieten. Zij zouden God dienen in de tent der samenkomst (Numeri 3:11-13). De Levieten werden, in plaats van alle eerstgeborenen onder Israël, aan God gewijd. Nee, niet geslachtofferd!”
Numeri 3:14 vermeld "De heer sprak tot Mozes in de woestijn van de Sinai: ‘Schrijf alle mannelijke Levieten van een maand en ouder in volgens hun families en geslachten.’ Mozes schreef hen in, zoals de heer bevolen had." Vervolgens worden de Levieten per geslacht geteld. Gersonieten: 7500 (vers 22), Kehatieten: 8600 (vers 28) en de Merarieten: 6200 (vers 34). In vers 39 staat vervolgens: "Het totale aantal mannelijke Levieten van één maand en ouder dat Mozes samen met Aäron in opdracht van de HEER inschreef, geordend naar geslacht, bedroeg 22.000." God geeft Mozes ook opdracht het totale aantal mannelijke eerstgeborenen Israëlieten van één maand en ouder te tellen, en dat zijn er 22.273 (vers 43)
Vervolgens zegt God in vers 46-47: “Voor elk van de tweehonderddrieënzeventig eerstgeboren Israëlieten die het aantal Levieten te boven gaan, moet je als losgeld vijf sjekel innen, …” Vijf sjekel maal 273 is 1365, en dat is precies wat Mozes int van de Israëlieten. (vers 49-50).
Laten we nu eens alles bij elkaar optellen: 7500 + 8600 + 6200 is in totaal 22.300, en niet 22.000! Het totale aantal mannelijke eerstgeborenen van een maand en ouder bij de Levieten was dus niet 273 minder, maar 27 méér. Mozes en Aaron laten in opdracht van God minder eerstgeborenen optekenen dan ze hebben geteld, met als gevolg dat de Israëlieten moeten betalen, terwijl ze misschien wel geld toe hadden moeten krijgen. Vandaag de dag zouden we dit oplichting noemen.

Quote “U hebt het over ‘een jaloers god’ en u trekt vervolgens een vergelijking met uw partner als die andere mannen zou zoenen en dat u dan jaloers zou zijn. U zult Bijbelse kernwoorden als ‘jaloezie’ of ‘naijver’ van God vanuit hun eigen context moeten verstaan en u moet niet uw eigen moderne, 20e eeuwse, betekeniswaarden in deze woorden stoppen, want dan vliegt u onherroepelijk uit de bocht. Het woord in kwestie is de Hebreeuwse term qin’ah en er is een principieel verschil tussen de menselijke qin’ah en de goddelijke qin’ah; zelfs in grammaticaal opzicht is al iets van dit verschil zichtbaar (zie o.a. H.G.L. Peels, 2007, p47vv).”
Ik zelf verwijs liever naar de bijbel dan naar Peels of welke andere bijbeluitlegger ook: Exodus 34:14 “Want u mag geen andere god vereren. De HEER heet de jaloerse, Hij is een jaloerse God.” Blijkbaar heeft het jaloers zijn toch te maken met die andere goden.

Quote “Jefta’s gelofte geeft aan hoe bitter weinig God indertijd door de Israëlieten werd begrepen. Het brengen van mensenoffers was geliefd bij de omringende heidense volken, maar ze waren dat nooit bij de God van Israël.”
Je suggereert hier dat Jefta een mensenoffer aan god beloofde, maar dat deed Jefta nu juist niet zoals we al hebben gezien, dus waarom dit hier toch suggereren?

Quote “U stelt dat hij de keuze aan God liet. Welnu, ik citeer Tim Chaffey: ‘Just because God granted him victory does not mean the Lord endorsed Jephthah’s vow. God used Jephthah as a judge to protect the people of Israel against the people of Ammon who were oppressing them. The Bible does not state that God approved of Jephthah’s vow.’
Welnu, ik citeer dan de bijbel, want er staat juist wel in dat god de gelofte wilde. Het verhaal van Jefta’s gelofte begint met vers 29: “Toen kwam de geest van de HEER over Jefta; hij trok door Gilead en Manasse, langs Mispa in Gilead, en vandaar naar de Ammonieten. Toen deed Jefta de HEER deze gelofte: …”
De geest van de heer was over Jefta toen hij zijn gelofte deed. Bovendien beloofde Jefta niet zijn dochter, maar het eerste dat de deur uit zou komen. Wie zorgde ervoor dat zijn dochter als eerste de deur uit kwam?

Quote “Yet God has often used sinful people and nations to accomplish His will without endorsing their wicked ways. He used the Babylonians to conquer Judah and to lead the people away to Babylon, but He never condoned the pagan religious of the Babylonians”
Welja, en wellicht gebruikte god de Duitsers in WOII om de joden iets duidelijk te maken, of gebruikte hij Dutroux om de Vlaamse katholieken iets te vertellen. Met zo’n opvatting als die van Chaffey kan werkelijk iedere historische gebeurtenis op zo’n manier bekeken worden.

Hoewel dit incident is beschreven in de Bijbel, betekent het niet dat God de handelswijze van Jefta goedkeurde.
Nogmaals, het verhaal van Jefta’s gelofte begint met de melding dat de geest van de HEER over Jefta kwam. Jefta beloofde vervolgens, terwijl de geest van de heer over hem was, niet zijn dochter maar het eerste wat zijn huis uit zou komen. En wie zorgde er voor dat Jefta’s dochter het huis uit kwam? Niet Jefta zelf.

Jefta plaatste zichzelf in deze situatie door overhaast een belofte te maken, …
Niet overhaast, want Jefta deed deze gelofte terwijl de geest van de heer over hem is

… waar de Bijbel voor waarschuwt zoiets niet te doen: “Wie God ondoordacht een belofte doet en zich pas later afvraagt of hij haar kan houden, zet een valstrik voor zichzelf.” (Spreuken 20:25). Eenmaal gemaakt, moest hij of zondigen door de belofte te breken of door het offeren van zijn dochter.
We moeten de bijbel als een historisch boek zien schreef je eerder. Dan moeten we ook de chronologie in acht nemen. Spreuken werd geschreven na Jefta, en Jefta kon dit dus nog niet weten.

Nog een andere reden waarom het offer niet deugde: “Wanneer een geboren Israëliet of een vreemdeling een offer aanbiedt, hetzij ter nakoming van een gelofte hetzij als vrijwillige gave, en het dier wordt als brandoffer aan de HEER aangeboden, dan moet hij, wil het offer aanvaard worden, daarvoor een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek, en wel een rund, een schaap of een geit.” (Leviticus 22:18-19)
Hier suggereer je alweer dat Jefta bepaalde wat er geofferd zou worden. Waarom deze suggestie vol blijven houden als je weet dat het niet Jefta zelf was die er voor zorgde dat zijn dochter als eerste zijn huis uit kwam?

Quote “Dat men bij voorkeur de Bijbel moet lezen vanuit de grondtekst en met verschillende vertalingen naast elkaar, doet niets af aan het feit dat Gods afkeer van het heidense kinderoffer alle lagen van de Tenach doortrekt. Hier is niets dubbelzinnigs aan, zoals ik al uitgebreid heb betoogd. “
En zoals ik al uitgebreid heb weerlegd….

Quote “Bij Leviticus 27:28-29 gaat het niet om een gunstiger vertaling, maar om een vertaling die recht doet aan de grondtekst. En dan zult u zien dat er twee verschillende zaken worden besproken (en toch horen de twee verzen bij elkaar zoals ik in het artikel uitgelegd heb vanwege het gebruik van het woord ‘herem’), waarbij beide verzen niet gaan over het offeren van mensen, maar daar heb ik al uitgebreid bij stilgestaan in het artikel.”
Laten we dan nog eens kijken naar Leviticus 27:28. Je schreef daarover het volgende: “In Leviticus 27:28 wordt gesproken over bezittingen die een persoon geeft aan God. Deze kunnen niet worden verkocht of teruggekocht nadat ze eenmaal zijn gegeven.” Lezen we ook vers 28 zelf nog een keer en ik neem de Naardense vertaling: “al het gebannene dat een man uitbant voor de Ene uit alles wat van hem is, uit mensen en vee en veld in eigendom bij hem, kan niet worden verkocht en niet worden ingelost; al wat uitgebannen is, een heiligdom van heiliging is dat voor de Ene.” Inderdaad, je hebt gelijk, het gaat over ‘bezittingen’ die ‘een persoon’ geeft aan god, uit vrije wil. Die moeten worden gedood. En waar in de NBV nog wordt gesproken over een slaaf lezen we hier over ‘mensen’ die ‘bezit’ zijn en aan god worden gegeven, en dan moet worden gedood. Dat kan dus ook een kind zijn, of je vrouw. Dit is wat we noemen een mensenoffer.

Quote “U schrijft n.a.v. Leviticus 27:1-8: “Leviticus meldt dat de genoemde bedragen de ‘tegenwaarde van een mensenleven’ zijn. Zo’n gelofte lijkt mij dan ook een mensenleven.” Het gaat er niet om wat het u toeschijnt, het gaat er om wat er mee bedoeld wordt. Dit Bijbelgedeelte handelt over bepalingen omtrent het afkopen van geloften aan de HEER. Wanneer iemand de HEER de tegenwaarde van een mensenleven belooft, worden de bedragen berekend die hier nauwkeurig vastgesteld zijn. Het gaat hier niét om mensenoffers.“
Wel jammer dat je helemaal niets zegt over de betekenis van ‘de tegenwaarde van een mensenleven’. Wat betekend dat dan, ‘de tegenwaarde van een mensenleven’?
In Numeri 18:16 lezen we wat er moet worden betaald om een jongentje van een maand oud vrij te kopen van het offeren: 5 sjekel. En wat moet er in Leviticus 27:1-6 worden betaald voor een jongetje van een maand oud ‘als tegenwaarde van zijn leven’? 5 sjekel. Hier zeg je ook helemaal niets over. Allerlei andere leeftijdsgroepen hebben ook hun eigen ‘tegenwaarde voor hun leven’. Leg eens uit hoe dit allemaal precies zit?
De verzen 1 t/m 8 worden gelijk gevolgd door verzen over het offerdieren en de mogelijkheid om die geloftes af te kopen: “Wanneer iemand een of ander dier dat als offer geschikt is aan de HEER belooft, is het heilig en mag hij het niet meer omruilen. Hij mag niet een goed dier omruilen voor een slecht of een slecht dier voor een goed, en als hij dat toch doet, zijn ze beide heilig: beide vallen ze toe aan de HEER. Wanneer iemand een onrein dier, dat niet als offer geschikt is, aan de HEER belooft, moet hij het dier ter keuring aan de priester voorleiden, die zal bepalen hoeveel het waard is. De uitspraak van de priester is bindend. Als de persoon in kwestie zijn gelofte wil afkopen, moet hij het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde.” Let op de woorden ‘een onrein dier, dat niet als offer geschikt is’. Hieruit kunnen we opmaken dat de andere dieren in deze tekst wel als offerdier bedoelt zijn, en dat het afkopen dus gaat over het afkopen van het offeren.
Zolang je hier allemaal geen overtuigende andere uitleg voor hebt is je conclusie van ondubbelzinnigheid niet houdbaar.

De dierlijke offers worden door David dus niét terzijde geschoven, maar David zegt dat ze voor God pas waarde hebben als er eerst een ander offer is gebracht: een gebroken geest en een verbrijzeld hart (zie ook Jesaja 57:15).
Ook hier geld, als we de bijbel als een historisch boek moeten lezen dan moeten we rekening houden met de chronologie. David kwam pas zo’n 400 jaar na de inbeslagname van het beloofde land, dus al die mensen voor David wisten hier niets van en deden trouw wat god ze had opgedragen: offeren, offeren, en nog eens offeren, in het volste vertrouwen dat dit is wat god wil. Zie heel Leviticus.

Quote “In 2 Samuel 21 kan … prof. dr. H.G.L. Peels zegt hierover het volgende.
“In zijn uitleg is de speciale executie van de nakomelingen van Saul een straf voor het onrecht dat deze koning tegenover de Gibeonieten had bedreven.”
Het gaat hier dus niet om mensenoffers, maar om rechtelijke genoegdoening
Had god niet gezegd dat hij de kinderen niet zou laten boeten voor het kwaad van de ouders? Reactie infoteur, 29-05-2012
U leest de tekst niet goed. Over Achaz in 2 Koningen 16:1-3:

“Achaz, de zoon van Jotam, werd koning van Juda in het zeventiende regeringsjaar van koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. Hij was twintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Hij deed niet wat goed is in de ogen van de HEER, zoals zijn voorvader David, maar volgde het voorbeeld van de koningen van Israël. Hij ging zelfs zo ver dat hij zijn zoon als offer verbrandde volgens het gruwelijke gebruik van de volken die de HEER voor de Israëlieten had verdreven.”

Er staat niet -zoals u suggereert- dat God het offeren aan een ‘andere’ god veroordeelt en dat zolang kinderoffers aan Hem gebracht worden, Hij het goedvindt. Er staat letterlijk: “Hij [Achaz] deed niet wat goed is in de ogen van de HEER… Hij ging zelfs zo ver dat hij zijn zoon als offer verbrandde volgens het gruwelijke gebruik van de volken die de HEER voor de Israëlieten had verdreven.” Uit dit tekstgedeelte kunnen we opmaken dat Achaz zijn zoon verbrandde en dat dit naar het gebruik was van de volken die God voor de Israëlieten had verdreven. Dat het een gebruik was van de omringende volken, is ook reeds te lezen in Deuteronomium 12:29-32, waar het volk wordt toegesproken vóórdat ze het beloofde land zullen intrekken en ze nadrukkelijk wordt voorgehouden God niet te dienen zoals de volken dat doen die daar wonen: “Want al wat de HERE een gruwel is, wat Hij haat, doen zij voor hun goden; zelfs hun zonen en hun dochters verbranden zij voor hun goden met vuur.” Het gebruik wordt in 2 Koningen 16 gekwalificeerd als ‘gruwelijk’ (net als in Deuteronomium 12, waar het 'een gruwel' wordt genoemd) en Achaz deed niet wat goed is in de ogen van de HEER: ‘hij ging zelfs zo ver dat…’ (= overtreffende trap). Het brengen van kinderoffers wordt in deze tekst dus scherp veroordeeld. Duidelijker kan niet.

In Deuteronomium 12:29-32 wordt het volk toegesproken voordat ze het beloofde land zullen intrekken:

“Wanneer de HERE, uw God, de volken, naar wier gebied gij trekt om hen te verdrijven, uitgeroeid heeft, en gij hun gebied in bezit genomen hebt en in hun land woont, neem u er dan voor in acht, dat gij u niet laat verleiden na hun verdelging hun voorbeeld te volgen, en dat gij hun goden niet zoekt, zeggende: hoe dienden deze volken hun goden? zo wil ik het ook doen. Niet alzo zult gij de HERE, uw God, dienen; want al wat de HERE een gruwel is, wat Hij haat, doen zij voor hun goden; zelfs hun zonen en hun dochters verbranden zij voor hun goden met vuur. Al wat ik u gebied, zult gij naarstig onderhouden; gij zult daaraan niet toedoen, noch daarvan afdoen.”

Dit laat -zoals gezegd- niets aan duidelijkheid te wensen over: “Niet alzo [d.w.z. zonen en dochters verbranden voor hun goden met vuur] zult gij de HERE, uw God, dienen”. Deze tekst biedt geen enkele ruimte voor een andere interpretatie, dan dat God het Zijn volk verbiedt om kinderoffers te brengen.

Ik heb reeds duidelijk gemaakt dat de wet op de eerstgeborenen niets met kinderoffers te maken heeft. Als dat het geval was geweest, dan zou ook heel de symboliek van 'schuilen achter het bloed van het lam' verloren zijn gegaan en slaat het gebruik nergens meer op, zeker niet in verbinding met Pesach. U laat wederom zien dat u niets begrijpt van deze wet en de diepe symbolische betekenis ervan. Bovendien stelt God in Numeri 3 dat de Levieten voor Hem moeten worden afgezonderd in de plaats van de eerstgeboren Israëlieten en als u de Bijbel goed bestudeert, dan zal duidelijk worden dat de plaats en taak van de Levieten niets van doen heeft met mensenoffers.

Exodus 13:1-2. God zegt hier: “Wijd alle eerstgeborenen aan mij; alles wat bij de Israëlieten of bij hun vee als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe.” Dat heeft niets met het brengen van kinderoffers te maken, dat maakt u ervan. U leest dingen die er niet staan. Mozes werkt deze instructie van God verder uit en verbindt de wet op de eerstgeborenen met die van Pesach en het feest der ongedesemde broden.

Verder knoopt u Leviticus 27:28-29 aan de wet op de eerstgeborenen, terwijl het over verschillende zaken gaat. Bovendien heeft het tekstgedeelte in Leviticus -zoals ik reeds heb betoogd- niets te maken met het brengen van mensenoffers.

U schrijft dat als de bijbel ondubbelzinnig kinder- en mensenoffers zou veroordelen, het schrijven van mijn artikel niet nodig geweest zou zijn. “De enige reden voor jou om dit artikel te schrijven is omdat er kennelijk onduidelijkheid over is. En de enige reden dat er bij mensen onduidelijkheid over is is omdat het in de bijbel niet zo duidelijk staat als het had kunnen staan, ” zo stelt u. Ik stel echter dat de Bijbel ondubbelzinnig kinderoffers veroordeeld (nog voordat het volk daarmee kennis heeft gemaakt in Kanaän), maar dat er altijd sceptici (zullen) zijn die de Bijbel in diskrediet willen brengen, onder meer door het brengen van mensenoffers te verbinden met het Israëlitische offerritueel zoals voorgeschreven door God - hoe duidelijk deze praktijk ook door alle vertegenwoordigers van het jahwisme is veroordeeld. En deze sceptici schrijven weer stukjes waarin ze hun ideeën uiteenzetten en daardoor verwarring zaaien… Ook zullen er altijd mensen zijn die het verschil niet weten te maken tussen datgene wat de Bijbel met historisch gezag meldt -zoals ik schreef, zijn er kinderoffers gebracht- en dat wat de Bijbel met normatief gezag voorschrijft (in het Engels wordt dit ‘the is-ought fallacy’ genoemd). God heeft altijd kinderoffers krachtig afgewezen. Reeds in de geschiedenis van Abraham en Izaäk wordt duidelijk dat God van het kinderoffer niet gediend is. (En niet omdat Izaäk te oud zou zijn geweest, want dat had Hij van te voren ook wel kunnen bedenken. Bovendien merk ik aan uw antwoord dat de diepe betekenis van dit verhaal u ten enenmale ontgaat. Zie o.a. http://goo.gl/UkBdh. Ergens las ik (en dat vat het goed samen): “We find in the story of Abraham and Isaac a deliberate foreshadowing of what God and his Messiah would eventually do on behalf of sinners…”)

U begint ergens halverwege uw reactie over een mogelijke telfout in Numeri 3 en u verbindt daar vervolgens de conclusie aan dat God de boel heeft opgelicht. Dit artikel gaat echter over het brengen van mensenoffers/kinderoffers. Ik zag dat u hier reeds een discussie over bent begonnen op een ander forum: http://goo.gl/WVXTz. Ik stel voor dat u deze discussie daar voortzet. Ik voel niet de behoefte om zijpaden te bewandelen. Voor mogelijke verklaringen verwijs ik naar de volgende website: http://goo.gl/WTdqS. Mocht u nu door deze verklaringen denken dat de Bijbel niet betrouwbaar is overgeleverd, dan moet ik u uit de droom helpen. Men leze onder meer: W. J. Ouweneel & W.J.J. Glashouwer: Het ontstaan van de Bijbel.

Over het jaloers zijn van God. U koppelde dit aan het offeren van mensen aan andere goden: '… de indruk kan ontstaan dat god het alleen een probleem vindt wanneer je aan andere goden offert'. U legt hier uw eigen persoonlijke gevoelen in en dit maakt van de God van de Bijbel een soort Griekse god met grillen en onhebbelijkheden. Het ritueel wordt immers door God scherp veroordeeld: hij is niet jaloers op die kinderoffers, hij verafschuwt dit gebruik. Voorts is het niet juist om Gods naijver geheel in te vullen vanuit het beeld van de huwelijkse jaloezie (zie Peels).

Ik suggereer volgens mij nergens dat Jefta een mensenoffer aan God beloofde. Ik schreef: "Jefta beloofde dat hij het eerste, wat uit de deur van zijn huis hem tegemoet kwam, de Here zou offeren als de Here hem de overwinning zou schenken over zijn vijanden." In het blad Wapenveldonline staat echter:

"‘Indien Gij de Ammonieten in mijn macht geeft, dan zal hetgeen mij uit de deur van mijn huis tegemoet komt, wanneer ik behouden van de Ammonieten terugkeer, de Here toebehoren, en ik zal het ten brandoffer brengen.’ Toegegeven, grammaticaal gezien is een vertaling met ‘het’ niet onmogelijk, en moreel gezien lost het heel wat op. Maar Jefta heeft toch echt níet aan een het, maar aan een hem/haar gedacht. Van een dier kan niet gezegd worden dat het ‘uit de deur van Jefta’s huis hem tegemoet komt’, met andere woorden om de zegevierende overwinnaar een feestelijk onthaal te bieden. Bovendien zou een dierenoffer niets bijzonders zijn geweest, en in een dergelijke situatie ook zonder gelofte wel gebracht zijn. Hier is juist een buitengewoon offer in het geding." (http://goo.gl/gl70T)

Jefta beloofde dus wel degelijk een mensenoffer. En het is Jefta die de gelofte doet. Hij is ervoor verantwoordelijk, niet God. Uit de tekst kan men ook niet opmaken dat God hier de hand in had. 'God had het kunnen voorkomen', kan iemand roepen. Maar dit plaatst de verantwoordelijkheid van Jefta naar God. Het was Jefta die een buitengewoon offer op het oog had. Hij wordt later geconfronteerd met de gevolgen van zijn eigen gedrag. 'God had kunnen ingrijpen, ' kan nu gezegd worden. Maar dat verplaatst weer de verantwoordelijkheid van Jefta naar God. Jefta plaatste zichzelf in deze situatie. Hij had ook kunnen besluiten zichzelf als offer aan te bieden (hiermee niet gezegd dat God dit -een mensenoffer- had gewild!), of daarvan geheel af te zien (door zijn belofte af te kopen?).Hoe het ook zij, Jefta moet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn daad, niet God - dat is zo gemakkelijk en goedkoop en dat blijkt niet uit de tekst. Ook is nergens te lezen dat God het offer goedkeurt of accepteert.

U verbindt ten onrechte het komen van 'de geest van de HEER over Jefta; hij trok door Gilead en Manasse, langs Mispa in Gilead, en vandaar naar de Ammonieten' met wat daarna gebeurde: 'Toen deed Jefta de HEER deze gelofte: …' Door Gods Geest aangevuurd, houdt Jefta een recruteringstocht om zijn troepen te verzamelen. Doch een incidentele aandrift van de Geest vrijwaart een mens nog niet voor struikelen…

Ik citeer Wapenveldonline weer:

"Ondertussen kunnen historische en literaire vragen ons tegelijk ook opscherpen om verder te kijken. Vanwaar het gebrek aan historische interesse in deze perikoop? Waarom wordt de dialoog tussen vader en dochter zo merkwaardig beknopt gehouden, met allerlei open einden, terwijl de treurnis van het meisje zoveel accent ontvangt? Waarom kan Jefta niet terug, zoals hij meent? Kende hij de Torah niet, of slecht? Waarom grijpt het volk niet in, zoals het dat later bij Saul en Jonathan in een analoge situatie wél doet (1 Sam. 14:44v.)? Hoe komt het dat de bijbelschrijver het hele verhaal zo strak-geserreerd neerschrijft, als het ware met afgewend gelaat? Voeg al die vragen tezamen, en je constateert: wat een heidendom, wat een goddeloos zijspoor, in deze geschiedenis! En daarmee zijn we precies bij de kern van de zaak beland."

Duidelijk wordt dat de hele geschiedenis van de twaalf richters in het teken staat van de verlating van Gods verbond en de afgoderij, met alle gevolgen daarvan. Israël als Gods verbondsvolk redt het niet (om ‘de weg des te Heren houden’, 2:22), als niet de God van het verbond in gericht en genade ingrijpt. Dat is waar het om draait. Men leze verder: http://goo.gl/gl70T.

In het OT zie je steeds dat God gebruik maakt van feilbare mensen. U kunt dat maar niets vinden, maar mensen zijn nu eenmaal uit krom hout gesneden. U en ik ook. Toch is God sprekend en handelend aanwezig in het OT en werkt Hij via en door mensen, omdat Hij Zich om de mens bekommert en Zijn verlossingsplan wil volvoeren, ook al willen de mensen, ook al wil Zijn volk niet luisteren.

Leviticus 27:28: “Al het gebannene dat een man uitbant voor de Ene uit alles wat van hem is, uit mensen en vee en veld in eigendom bij hem, kan niet worden verkocht en niet worden ingelost; al wat uitgebannen is, een heiligdom van heiliging is dat voor de Ene.” Er staat nergens dat deze mensen moeten worden gedood, dat maakt u ervan.

Wat wordt er bedoeld met 'de tegenwaarde van'? Heel simpel: X heeft tegenwaarde Y. De waarde van een man die zestig jaren oud is en daarboven, zijn bijvoorbeeld vijftien sikkelen (Leviticus 27:7). Alle leeftijdsgroepen hebben een andere tegenwaarde, net zoals heden ten dage ieder aandelenpakket een andere tegenwaarde heeft. En wanneer degene die de gelofte heeft afgelegd zich het vastgestelde bedrag niet kon veroorloven, moest hij de persoon in kwestie aan de priester voorleiden. De priester stelde dan een ander bedrag voor, rekening houdend met wat degene die de gelofte heeft afgelegd zich kon veroorloven. Dan werd er kortom een andere tegenwaarde bepaald, rekening houdende met de financiële draagkracht van de persoon in kwestie. Dit is een zeer sociale regeling.

U verhaspelt twee verschillende zaken met elkaar. Leviticus 27 gaat over bepalingen omtrent het afkopen van geloften aan de HEER. Vers 2 en 3: "Wanneer iemand de HEER de tegenwaarde van een mensenleven belooft, worden de volgende bedragen berekend". Verderop: "Wanneer iemand een of ander dier dat als offer geschikt is aan de HEER belooft… " (vers 9). Dan: "Wanneer iemand zijn huis als heilige gave aan de HEER opdraagt, moet de priester bepalen hoeveel het waard is." (vers 14). Enzovoort. Leviticus 27:1-8 heeft kortom niets te maken met het offeren van mensen. Anders had er moeten staan: "Wanneer iemand een of ander mens dat als offer geschikt is aan de HEER belooft… ". Dat had dan tevens een flagrante tegenstrijdigheid opgeleverd met de vele teksten waarin dit ritueel (het offeren van mensen) wordt veroordeeld. Nogmaals: wat werd er beloofd? Antwoord: de 'tegenwaarde' van een mensenleven, niet een mensenleven.

Over Davids opmerking in de boetepsalm. David staat hier niet alleen in. Laten we eens kijken naar het zogenaamde offer van Kaïn; deze werd niet door God geaccepteerd, omdat hij geen rekening hield met Gods wensen. Het ging hem alleen maar om de vorm en om het gevoel toch iets gedaan te hebben. God laat zich niet afschepen met offers die niet uit het hart komen. Dat was in Genesis al duidelijk.

Verder heeft God aan Mozes een gedetailleerd offersysteem aangereikt. In het Bijbelboek Leviticus zijn de offerdiensten uitvoerig beschreven. De volgorde van Leviticus 1-5 laat iets zien van de prioriteiten, die God stelt. De eerste twee soorten offers zijn vrijwillige offers vanuit liefdevolle toewijding tegenover God. De laatste drie offers zijn verplichte offers om de relatie met God te herstellen wanneer die verstoord is door zonden.

Het soort offer waar God het meest naar verlangt is de liefdevolle toewijding van iemands hart (brandoffer), vanuit een afhankelijke, onderworpen grondhouding (spijsoffer). Ook dankbaarheid voor ontvangen zegeningen is van belang, omdat God wil dat zijn volk zijn vrede kent (vredeoffer). Daarna komen de offers die te maken hebben met zonde en schuld (zondoffer, schuldoffer). Deze zijn evengoed belangrijk, maar worden niet als eerste genoemd. We moeten proberen alles in het juiste perspectief te zien. (Bron: http://goo.gl/PdzFd)

In 2 Samuel 21: waarom worden een aantal van Sauls nakomelingen uitgeleverd? Een hint is te vinden in vers 1. (Daarom is het zo belangrijk om de bredere context goed te bestuderen alvorens men conclusies trekt en niet een reeks Bijbelteksten op te sommen om een punt te maken, zonder deze teksten in hun context te plaatsen en uit te leggen. Dat wordt geïsoleerd Bijbelgebruik genoemd, waarbij men heel gemakkelijk zijn eigen kijk over de teksten heen legt.) Terug naar vers 1: “Tijdens de regering van David heerste er eens drie jaar achtereen hongersnood. David wendde zich tot de HEER, en de HEER antwoordde: ‘Het komt door Saul en zijn huis van bloed, omdat hij de Gibeonieten heeft gedood.” Saul verbrak een eeuwenoud verbond (het gaat dus om een verbondsbreuk, het hele volk had destijds met de Gibeonieten een verbond gesloten en gezworen bij de Here –Jozua 9:15- dat ze hen niet doden zouden), waarbijSaul niet op zichzelf handelde, zo kunnen we uit de tekst opmaken. Ik citeer Bob Deffinbaugh:

“’It is for Saul, and for his bloody house, because he slew the Gibeonites’ (2 Samuel 21:1b, KJV). I chose to cite the Lord's answer from the King James Version because I believe it most precisely reflects the Hebrew text: “For Saul, and for [his] bloody house.” This statement solves what may look like a problem from other translations. Why does David execute Saul's sons and grandsons for the evil Saul committed? The law of Moses forbade Israel to punish children for the sins of their fathers:‘Fathers shall not be put to death for their sons, nor shall sons be put to death for their fathers; everyone shall be put to death for his own sin’ (Deuteronomy 24:16, NASV).

God's words to David seem to emphasize the fact that Saul did not act alone in seeking to annihilate the Gibeonites. He would have needed help, and who would be more likely to help than his own family? Whether any Gibeonite blood was shed by their hands or not, they must have known, and thus they became accomplices in this heinous plan.” (http://goo.gl/66HWm, lees ook: http://www.biblicallaw.net/2010/rhodes.pdf).

Het ‘huis van bloed’ (erger nog: ‘huis van bloeden’, meervoud, maar dat is in het Nederlands niet weer te geven) geeft dus een hint dat Saul hierin niet alleen stond. Ook bij zijn laatste oorlog zijn er een aantal zonen bij die dan ook al vader zijn. Maar zijn zonen zijn al gestorven…

Tegenover de teksten waarin staat dat iedereen om zijn eigen zonde moet gestraft worden, staan ook teksten waarbij God zegt dat Hij (vooral afgoderij, maar ook andere zaken) tot in het derde en vierde geslacht zal “bezoeken”, d.w.z. hen daarvoor verantwoordelijk stellen. Daarbij kunnen ze reageren, zich bekeren, afstand doen, etc. Als dat niet gebeurt, dan volgt alsnog de straf. “Onbezochte” zonden blijven hangen tussen God en mensen. Dat is duidelijk hier het geval. Misschien had dit voorkomen kunnen worden, als de familie van Saul zich had bekeerd en boete had gedaan om wat ze verkeerd hadden gedaan? Zoiets gebeurt zelfs bij Achab (1 Koningen 21:29), al wordt het daar alleen uitgesteld.

Ik las laatst bij een boekbespreking over moeilijke passages in het Oude Testament (Paul Copan: ‘Is God a Moral Monster?: Making Sense of the Old Testament God’) iets wat mij deed denken aan uw reacties: “One of the most irritating aspects of New Atheist critiques is their fundamentalist-like citation of Scripture without bothering to understand its contextual meaning.” (http://goo.gl/Omddy)

Jelmer, 07-05-2012 20:02 #2
Het artikel eindigt met de conclusie dat de bijbel ‘ondubbelzinnig’ het brengen van kinderoffers veroordeelt. Daar wordt gelijk bij gezegd dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen descriptieve en prescriptieve gedeelten van de bijbel. Alleen deze ene zinsnede al doet stevig af aan de conclusie van ondubbelzinnigheid. Als het echt ‘ondubbelzinnig’ was dan zou er ook geen onderscheid hoeven worden gemaakt tussen descriptieve en prescriptieve gedeelten van de bijbel. De bijbel zelf vertelt helaas niet welk gedeelte descriptieve is en welk gedeelte prescriptieve is. Dat is een interpretatie die mensen er aan geven, en die interpretaties verschillen nogal eens per groep en per tijdperk. Dat is de reden dat door de eeuwen heen gelovigen met de bijbel in de hand tot zulke verschillende conclusies konden komen. Denk aan het doden van heksen en homo’s, aan de lange eeuwen van slavenhandel, aan het wel (katholiek) of niet (protestant) gebruik van beelden van God/Jezus. Op basis van ‘descriptieve en prescriptieve bijbel gedeelten’ kan dus onmogelijk worden gesteld dat de bijbel ‘ondubbelzinnig’ het brengen van kinderoffers veroordeelt. Dubbelzinnigheid is nu juist het kenmerk van de bijbel, op vele vlakken, maar juist ook op dit vlak, zoals hieronder duidelijk wordt.

Quote “Deze praktijk van het brengen van kinderoffers wordt in het Oude Testament herhaaldelijk verboden”
Er worden hierbij een aantal verzen genoemd: Leviticus 18:21, Leviticus 20:2-5, Deuteronomium 12:31, Deuteronomium 18:10b en 2 Koningen 23:10 Echter, in drie van deze verzen wordt er telkens bij vermeld dat er niet mag worden geofferd aan een andere god. Als god de mensheid van alle tijden ‘ondubbelzinnig’ wil vertellen dat een mens geen kinderoffers mag brengen, ook niet aan hemzelf, dan moet hij consequent in ieder vers zeggen dat een mens geen kinderoffers mag brengen, ook niet aan hemzelf. Door te zeggen dat je aan andere goden niet mag offeren, maar wel te vragen alle eerstgeboren zonen aan hem af te staan, en ook nog eens herhaaldijk te melden dat hij een jaloerse god is, kan de indruk ontstaan dat god het alleen een probleem vindt wanneer je aan andere goden offert. Een beetje zoals ik het een probleem vind wanneer mijn partner andere mannen kust. God zaait hier onnodig verwarring. Leviticus 18:21, Leviticus 20:2-5, Deuteronomium 12:31 en 2 Koningen 23:10 kunnen we dan ook definitief schrappen van het argumenten lijstje want ze zijn NIET ondubbelzinnig om de simpele reden dat het voor de boodschap niet nodig was om die ‘andere goden’ te noemen, noch voor de mensen toen, noch voor de mensen nu.

Quote inzake Richteren 11 “… uitgezonderd Jefta die zijn dochter doodde als brandoffer, na een overhaaste belofte omdat God hem geholpen had. Toch doet dit niets af aan het feit dat een mensenoffer voor God een gruwel is en Jefta hiermee dus een gruwelijke zonde heeft begaan.”
Dit is wel een schaamteloos grove verkeerde voorstelling van zaken. Jefta deed wel een belofte, maar beloofde niet zijn dochter aan god. En hij deed zijn belofte ook niet nadat god hem geholpen had, maar voordat god hem geholpen had. Jefta beloofde voordat hij ten strijde trok (wat is hier overhaast aan?) dat als god hem de slag liet winnen hij het eerste dat bij zijn terugkomst zijn huis uit zou komen zou offeren. Hij liet als het ware de keuze aan god. Welke vreselijke zonde begaat Jefta hier? Toen Jefta terugkwam van de gewonnen slag kwam zijn dochter als eerste het huis uit. De bijbel zegt dat je je gelofte aan god gestand moet doen (en jij zegt dit zelf ook in je artikel!). Jefta deed slechts wat god opdraagt.

Quote inzake Exodus 13 “In Exodus 13 lezen we over de wet op de eerstgeborenen. Alle mannelijke eerstgeborenen behoren toe aan God. Er wordt evenwel onderscheid gemaakt in de behandeling van de eerstgeborenen van de mens en die van de dieren.”
Zoals ik vorige keer al schreef geld de opdracht om eerstgeborenen vrij te kopen pas later. Als de Israëlieten net in de woestijn zijn, en de Egyptenaren nog niet in achtervolging zijn, krijgen ze de opdracht om alles wat als eerste de moederschoot verlaat aan god af te staan: Exodus 13:1-2 “Wijd alle eerstgeborenen aan mij; alles wat bij de Israëlieten of bij hun vee als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe” Er staat niets over vrijkopen, er staat ook niets over mannelijk of vrouwelijk. ALLE eerstgeborene is ook een dochter die als eerste wordt geboren.

Quote inzake Leviticus 27:28-29 “Allereerst zij gezegd dat men nóóit slechts één vertaling moet raadplegen, ”
Ook deze zinsnede doet gelijk al stevig af aan de conclusie dat de bijbel iets ondubbelzinnigs zegt over mensen- en kinderoffers. Blijkbaar kun je als de ene vertaling niet goed uitpakt gewoon een andere vertaling pakken die gunstiger is. Als we toch meerdere vertalingen moeten raadplegen waarom dan niet ook de Good News Bible (“Not even human beings who have been unconditionally dedicated may be bought back; they must be put to death.” slaat hier ook duidelijk WEL op het voorgaande vers) of de Contemporary English Version (“In fact, any humans who have been promised to me in this way must be put to death” slaat ook hier duidelijk WEL op het voorgaande vers) of de Duitse Luthervertaling van 1545 (“Man sol auch keinen verbanten Menschen lösen / sondern er sol des todes sterben” slaat ook duidelijk WEL op het voorgaande vers).
De bijbel zelf zegt niets over welke vertaling de juiste is. Hoe kan het toch dat dit artikel spreekt over een ‘ondubbelzinnige conclusie’, terwijl er zoveel dubbels zit in al deze deze argumenten!?

Quote “Deze vertaling maakt al duidelijk dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen de verzen 28 en 29”
Dat is dus maar aan welke vertaling je de meeste waarde toekent. Andere vertalingen koppelen 28 en 29 wel. Verwijzen naar de brontekst lost natuurlijk niets op omdat al die vertalingen ook de brontekst vertalen. Blijkbaar is die brontekst niet zo eenduidig te vertalen.

Quote “In Leviticus 27:28 wordt gesproken over bezittingen die een persoon geeft aan God. Deze kunnen niet worden verkocht of teruggekocht nadat ze eenmaal zijn gegeven.”
En!? Ben je misschien vergeten dat die slaaf uit Leviticus 27:28 ook een mens is?! Kan die zonder problemen net als het vee gewoon geofferd worden? Het is makkelijk ‘ondubbelzinnige’ conclusies te trekken als je probleempunten simpelweg negeert.

Quote “Wanneer de passage in Leviticus betrekking zou hebben op rituele mensenoffers, dan is het uiterst merkwaardig dat dit niet gedetailleerd en concreet wordt behandeld.”
Wellicht voelden de Israëlitische schrijvers gêne om dit te concreet op te schrijven.

Quote “Ook kan dan de vraag gesteld worden waar de voorbeelden zijn van personen die onvoorwaardelijk aan God zijn gewijd en geslachtofferd zijn?”
Wat denk je van de dochter van Jefta? God beschouwde die dochter blijkbaar als een onvoorwaardelijk gift aan hem die hij zelf mocht uitkiezen.

Quote inzake Leviticus 27:1-8 “Hier gaat het om bepalingen omtrent het afkopen van geloften aan God. Het heeft niets te maken met het offeren van mensen.”
Wat voor geloften moeten hier dan worden afgekocht? Leviticus meldt dat de genoemde bedragen de ‘tegenwaarde van een mensenleven’ zijn. Zo’n gelofte lijkt mij dan ook een mensenleven. Dit wordt nog eens bevestigt door het bedrag voor een jongetje tussen één maand en vijf jaar. Dat bedrag is vijf sjekel. En wat staat er in Numeri 18:16? “Zodra een eerstgeborene een maand oud is, moet je hem laten vrijkopen voor een vast bedrag van vijf sjekel zilver” Vrijkopen was zoals je zelf bevestigt vrijkopen van het offeren aan god. Numeri 18:16 bevestigt door die vijf sjekel voor een eerstgeboren zoon van een maand oud dat de bedragen in Leviticus 27:1-8 inderdaad de tegenwaarde zijn van een mensenleven. Al die andere bedragen voor die andere mensen zijn dus ook letterlijk de tegenwaarde van hun levens. Mensen konden andere mensen aan god wijden, in de zin dat ze die mensen als offer aan god opdroegen. Ze hadden de mogelijkheid om iemand weer vrij te kopen, maar dat was een optie! Alleen eerstgeboren zonen moesten verplicht worden vrijgekocht. Ook hier is makkelijk ‘ondubbelzinnige’ conclusies te trekken als je probleempunten simpelweg negeert.

Quote “De zware verplichting die de gelofte aanvankelijk met zich meebracht is allengs verzacht en op den duur was het zelfs toegestaan de gelofte in te lossen door een geldstorting”
De verplichtingen van de gelofte zijn in Leviticus 27 nog helemaal vers omdat ze in Leviticus net het beloofde land hebben ingenomen. Hoezo ‘allengs verzacht’ en ‘op den duur’? En waar lezen we in de bijbel dat verplichtingen worden verzacht naarmate de tijd verstrijkt?

Quote inzake Ezechiël 20:25-26 “Maar het is dwaas om aan te nemen dat Israël ooit 'al zijn eerstgeborenen' heeft geofferd op welk tijdstip van zijn geschiedenis ook (Dr. R. de Vaux)”
Op basis van de bijbelteksten is die aanname helemaal niet dwaas. God geeft er ten slotte zelf opdracht toe! Zie Exodus 22:28-29 “Sta de eerste opbrengst van de druivenoogst zonder uitstel aan mij af, en geef mij ook je eerstgeboren zoon. Hetzelfde geldt voor de eerste jongen van je runderen en van je schapen en geiten; zeven dagen mogen ze bij hun moeder blijven, op de achtste dag moet je ze aan mij afstaan.“

Quote “De woorden van de profeet mogen dus niet letterlijk worden opgevat. Hier worden aan de oorzakelijkheid van God alle menselijke daden toegeschreven, de goede en de slechte; dit is een manier om een toelaten door God uit te drukken”
Dit lijkt mij weer wel dwaas. Als de profeet bedoelde te zeggen dat god het toeliet, waarom zegt hij dat dan niet!? De profeet zegt letterlijk dat god zijn volk slechte wetten gaf! Dat god zijn volk met hun eigen offergaven onrein maakte! Het is toch dwaasheid van deze profeet om dit zo te zeggen als dit niet zo is? Iets verderop citeer je Dekker die schrijft “Dr. J. dekker merkt op dat het geen toeval kan zijn dat Ezechiël in vers 25 óók de manlijke vorm gebruik”. Als Ezechiël zo nauwkeurig op zo’n detail let dan mogen we aannemen dat Ezechiël zich ook niet vergist als hij schrijft dat god zijn volk slechte wetten geeft. Of let Ezechiël alleen op details wanneer het jullie opvatting ondersteund, en is hij slordig wanneer het tegen jullie opvatting in gaat?

Quote “In Psalmen 51:18-19 vinden we het antwoord: "U wilt van mij geen offerdieren, in brandoffers schept u geen behagen.”
Dan had god ook niet zo uitvoerig opdracht moeten geven tot het offeren van allerlei dieren en graan. Leviticus staat van de eerste tot de laatste vers vol met goddelijke instructies hiervoor. Hoezo ‘ondubbelzinnig’?

Quote “Nergens in de Bijbel wordt een mensenoffer of kinderoffers geboden”
Dit gaat rechtstreeks in tegen wat je eerder schreef over Jefta. Verder is er ook nog 2 Samuel 21 waarin zeven mannen worden opgehangen ten overstaan van de heer. God is hier blijkbaar zeer content mee want gelijk daarna eindigt de hongersnood. Dat voldoet aan alle definities van een mensenoffer. Reactie infoteur, 09-05-2012
Men moet de Bijbel niet a-historisch lezen. De Bijbel is geen ‘christelijke koran’, een kant-en-klaar boek dat uit de hemel is neergedaald waarin God allerlei mededelingen en waarheden omtrent Zichzelf openbaart in een tijdloos dogmatisch systeem. De Bijbel moet gelezen worden als een historisch boek; God is sprekend en handelend aanwezig in de geschiedenis van Zijn volk. Zonder de notie van geschiedenis kan men de Bijbelse Godsopenbaring niet goed verstaan. Hierbij zijn overigens twee begrippen van essentieel belang voor het goed verstaan van de Bijbelse Godsopenbaring: openbaringsgeschiedenis en heilsgeschiedenis (H.G.L. Peels: Wie is als Gij? Schaduwkanten van het oudtestamentische Godsbeeld, 2007). Het voert helaas te ver om hier verder op in te gaan.

Omdat de Bijbel historisch gelezen dient te worden, moet men onderscheid maken tussen descriptieve en prescriptieve gedeelten. Dit onderscheid is vaak goed te maken. God geeft voorschriften, bijvoorbeeld: “Er mag bij u geen plaats zijn voor mensen die hun zoon of dochter als offer verbranden” (Deuteronomium 18:10b). En er staan beschrijvende verhalen in, bijvoorbeeld: over Achaz: “Achaz, de zoon van Jotam, werd koning van Juda in het zeventiende regeringsjaar van koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. Hij was twintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Hij deed niet wat goed is in de ogen van de HEER, zoals zijn voorvader David, maar volgde het voorbeeld van de koningen van Israël. Hij ging zelfs zo ver dat hij zijn zoon als offer verbrandde volgens het gruwelijke gebruik van de volken die de HEER voor de Israëlieten had verdreven” (2 Koningen 16:1-3). Desalniettemin staat ook in dit beschrijvende gedeelte vermeld dat hij niet deed wat goed is in de ogen van de HEER. Wat deed hij dan niet goed? Hij verbrandde zijn zoon als offer. Kan het nog duidelijker?

De Bijbel toont mensen zoals ze zijn, met al hun zwakheden en fouten (in prescriptieve zin, dus niet als rolmodel). Zelfs van een man als David -die God een man naar Zijn hart noemt- worden zwakheden en slechte kanten niet onder de pet gehouden. Denk maar aan het verhaal van David en Batseba (2 Samuel 11).

De Bijbel veroordeelt het brengen van kinderoffers ondubbelzinnig. Alle teksten (ook de door mij behandelde) leiden naar dezelfde conclusie: deze praktijk is pas laat ingevoerd onder invloed van de omringende volkeren en door alle vertegenwoordigers van het jahwisme is het veroordeeld, zowel door Deuteronomium als door de profeten en de priesterlijke redacteurs. Nooit ofte nimmer heeft het deel uitgemaakt van het Israëlitische offerritueel.

Er zijn verschillende tekstgedeelten die het brengen van kinderoffers categorisch afwijzen (Deuteronomium 12 :31; Deuteronomium 18:9-12; 2 Koningen 16:3; Psalmen 106:38; Jeremia 19:4-5). Reeds het verhaal van Abraham en Izaäk in Genesis 22 toont dat God niet gediend is van het kinderoffer. Het OT schrijft nergens voor en eist nergens dat mensen of kinderen geofferd moeten worden. In Leviticus 1-7 staan de vijf offers die een essentiële rol spelen in de mozaïsche cultus: het brandoffer, het spijsoffer, het vredeoffer, het zondoffer en het schuldoffer. De meeste offers betroffen dieren. Mensenoffers kwamen niet voor in de mozaïsche cultus.

U begrijpt niet of wilt niet begrijpen wat de wet van de eerstgeborenen precies inhoudt. In Exodus 13:2 zegt God tegen Mozes: “Wijd alle eerstgeborenen aan mij; alles wat bij de Israëlieten of bij hun vee als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe.” Vervolgens zegt Mozes tegen het volk: “Als de HEER u in het land van de Kanaänieten gebracht heeft, zoals hij u en uw voorouders onder ede heeft beloofd, en als hij u dat land in bezit heeft gegeven, dan moet u alles wat als eerste de moederschoot verlaat aan de HEER afstaan. Alle eerstgeboren mannelijke dieren die uw vee werpt, moeten aan de HEER gegeven worden. Elk eerstgeboren veulen van een ezel moet u vrijkopen met een lam. Koopt u het niet vrij, dan moet u het de nek breken. Ook elke eerstgeboren zoon moet u vrijkopen” (11-13).

Er wordt dus evident een verschil gemaakt tussen de eerstgeborenen van de mens en die van de dieren: allen behoren aan God, maar de eersten worden vrijgekocht en de andere worden geslachtofferd. Koop de eerstgeboren man altijd vrij, zo kunnen we uit diverse Schriftgedeelten opmaken (Exodus 13:13; 34:20; Numeri 18:15). In het betreffende Bijbelgedeelte wordt de wet op de eerstgeborenen verbonden met die van Pesach en het feest der ongedesemde broden. In de paasnacht heeft God de eerstgeborenen van Egypte geslagen en heeft Hij de met het bloed van het paaslam gemerkte huizen gespaard. De eerstgeborenen van Israël gingen niet vrijuit omdat zij beter of meer toegewijd waren dan de eerstgeborenen van Egypte, maar omdat zij hadden geschuild achter het bloed van het paaslam.

Het ging niet alleen om de op dat moment levende eerstgeborenen. In Exodus 13:1v.,11-15 lezen we dat in het vervolg alle eerstgeborenen worden ‘geheiligd’. Dit betekent: aan Zijn dienst gewijd, met dien verstande dat deze taak later werd vervangen door de Levieten (Numeri 3:13, 44-51; 8:17; 18:15-18). Wanneer een eerstgeboren zoon geslachtofferd zou worden, zou de wet van de eerstgeborenen volledig zijn betekenis verliezen, zowel als herinneringsteken als voorafschaduwing (het ritueel wijst vooruit op de noodzaak losgekocht te worden door het bloed van het Lam, Jezus). Men zou kunnen zeggen dat de eerstgeborenen van Israël schuilden achter het bloed van het paaslam, zoals de gelovigen (christenen) schuilen achter het bloed van Christus (Efeziërs 1:7; Kolossenzen 1:14; 1 Petrus 1:18v; 1 Johannes 1:7; Openbaring 1:5, enz.).

U hebt het over ‘een jaloers god’ en u trekt vervolgens een vergelijking met uw partner als die andere mannen zou zoenen en dat u dan jaloers zou zijn. U zult Bijbelse kernwoorden als ‘jaloezie’ of ‘naijver’ van God vanuit hun eigen context moeten verstaan en u moet niet uw eigen moderne, 20e eeuwse, betekeniswaarden in deze woorden stoppen, want dan vliegt u onherroepelijk uit de bocht. Het woord in kwestie is de Hebreeuwse term qin’ah en er is een principieel verschil tussen de menselijke qin’ah en de goddelijke qin’ah; zelfs in grammaticaal opzicht is al iets van dit verschil zichtbaar (zie o.a. H.G.L. Peels, 2007, p47vv).

Jefta’s gelofte geeft aan hoe bitter weinig God indertijd door de Israëlieten werd begrepen. Het brengen van mensenoffers was geliefd bij de omringende heidense volken, maar ze waren dat nooit bij de God van Israël. Abraham had dat al lang voordien begrepen en Gods wet verbood ze (Deuteronomium 12:31).

Jefta beloofde dat hij het eerste, wat uit de deur van zijn huis hem tegemoet kwam, de Here zou offeren als de Here hem de overwinning zou schenken over zijn vijanden. Het koste hem zijn enige kind. Het is een overhaaste belofte, want hij heeft duidelijk niet de consequenties ervan overzien (zie vers 34 en 35).

U stelt dat hij de keuze aan God liet. Welnu, ik citeer Tim Chaffey:

“Just because God granted him victory does not mean the Lord endorsed Jephthah’s vow. God used Jephthah as a judge to protect the people of Israel against the people of Ammon who were oppressing them. The Bible does not state that God approved of Jephthah’s vow.

Consider the alternative. If God did not empower Jephthah to win the battle, then many more Israelites would have been killed, perhaps even Jephthah and the families in places where the Ammonites would overrun. In fact, throughout the period of the Judges, God used certain men, even some ungodly men, to free the Israelites from their oppressors. Prior to this battle, the Bible reveals that Jephthah was part of a group of “worthless men” (Judges 11:3). He is never described as a godly man.1 So it seems that God would have granted the victory to Jephthah with or without a vow because He was protecting Israel.

This is a classic example of critics turning an inference into an implication. In other words, they have assumed, since God granted victory to Jephthah and the Israelites, that He must have been pleased with the vow and subsequent sacrifice as well. Yet God has often used sinful people and nations to accomplish His will without endorsing their wicked ways. He used the Babylonians to conquer Judah and to lead the people away to Babylon, but He never condoned the pagan religious of the Babylonians” (http://goo.gl/UEqh6).

Hoewel dit incident is beschreven in de Bijbel, betekent het niet dat God de handelswijze van Jefta goedkeurde. Jefta plaatste zichzelf in deze situatie door overhaast een belofte te maken, waar de Bijbel voor waarschuwt zoiets niet te doen: “Wie God ondoordacht een belofte doet en zich pas later afvraagt of hij haar kan houden, zet een valstrik voor zichzelf.” (Spreuken 20:25). Eenmaal gemaakt, moest hij of zondigen door de belofte te breken of door het offeren van zijn dochter.

Nog een andere reden waarom het offer niet deugde: “Wanneer een geboren Israëliet of een vreemdeling een offer aanbiedt, hetzij ter nakoming van een gelofte hetzij als vrijwillige gave, en het dier wordt als brandoffer aan de HEER aangeboden, dan moet hij, wil het offer aanvaard worden, daarvoor een mannelijk dier nemen zonder enig gebrek, en wel een rund, een schaap of een geit.” (Leviticus 22:18-19)

Nog afgezien van het feit dat God mensenoffers haat (zoals ik hierboven en in het artikel reeds uiteengezet heb), moet het gaan om een mannelijk dier dat bovendien zonder enige gebrek is. Zonder gebrek? Het OT stelt op diverse Schriftplaatsen klip en klaar dat niemand zonder zonde is. Volgens de Tenach (Oude Testament) zijn alle mensen zondaars, niemand is rechtvaardig (Psalm 53:2-4). De profeet Jesaja verklaart dat alle gerechtigheden van een mens zijn als een bezoedeld kleed (Jesaja 64:4). Psalm 143:2 leert ons dat geen enkele sterveling zich voor God kan rechtvaardigen. Hoe duidelijk kun je zijn?

Alleen Jezus was zonder zonde. Jezus was het perfecte offer dat God als een boetedoening voor de zonden van Zijn volk zou aanbieden (Romeinen 8:3; Hebreeën 10), daar Hij bevoegd was de straf voor onze zonde te dragen omdat Hij zonder zonde was.

Hoe kan een ethische God zich nu inlaten met dergelijke praktijken met mensen als Jefta, maar ook Simson en de rest? Hoe kunnen we het Bijbelboek Rechters begrijpen? Door allereerst de figuren uit Rechters te plaatsen in hun tijd, in de Bijbel wordt deze tijd gekenschetst als een tijd van religieuze achteruitgang en degeneratie, geenszins voldoend aan de normen van Gods wet. In‘Handboek bij de Bijbel’ staat het goed verwoord:

“Gods handelingen via mannen en vrouwen zijn per definitie onvolmaakt. Deze mensen worden niet als rolmodel opgevoerd: hun falen, zwakheden en zedeloosheid worden gewoon vermeld, niet verheerlijkt, veroordeeld of goed gepraat. Alleen hun geloof en hun moed worden geprezen. God keert zich niet af en houdt zich niet doof als Hem om hulp wordt gevraagd, zelfs in een tijd van schijnbaar hopeloze decadentie. Hij handelt ondanks gebrek aan ‘geschikte’ mensen. En omdat hij handelend optreedt, kan een ‘donkere eeuw’ als die van Richteren gevolgd worden door een tijd van werkelijke geestelijke vooruitgang.” (Pat en David Alexander (red.): Handboek bij de Bijbel, derde druk 2009, p245-246.)

God is bereid te werken met mensen van wie we dit het minst verwachten:
- Jaël (welke alle heilige wetten van gastvrijheid schendt);
- Ehud (welke zich verlaagt tot moord);
- Simson (welke een leven van seksuele uitspattingen leidt); en
- een volk dat zich verlustigt in wrede vergeldingsacties tegen de vijand.

Maar let op: in de verhalen wordt hun gedrag nooit goedgepraat, vergoelijkt of aanbevolen.

Dat men bij voorkeur de Bijbel moet lezen vanuit de grondtekst en met verschillende vertalingen naast elkaar, doet niets af aan het feit dat Gods afkeer van het heidense kinderoffer alle lagen van de Tenach doortrekt. Hier is niets dubbelzinnigs aan, zoals ik al uitgebreid heb betoogd. Bij Leviticus 27:28-29 gaat het niet om een gunstiger vertaling, maar om een vertaling die recht doet aan de grondtekst. En dan zult u zien dat er twee verschillende zaken worden besproken (en toch horen de twee verzen bij elkaar zoals ik in het artikel uitgelegd heb vanwege het gebruik van het woord ‘herem’), waarbij beide verzen niet gaan over het offeren van mensen, maar daar heb ik al uitgebreid bij stilgestaan in het artikel.

U schrijft n.a.v. Leviticus 27:1-8: “Leviticus meldt dat de genoemde bedragen de ‘tegenwaarde van een mensenleven’ zijn. Zo’n gelofte lijkt mij dan ook een mensenleven.” Het gaat er niet om wat het u toeschijnt, het gaat er om wat er mee bedoeld wordt. Dit Bijbelgedeelte handelt over bepalingen omtrent het afkopen van geloften aan de HEER. Wanneer iemand de HEER de tegenwaarde van een mensenleven belooft, worden de bedragen berekend die hier nauwkeurig vastgesteld zijn. Het gaat hier niét om mensenoffers. En wanneer degene die de gelofte heeft afgelegd zich het vastgestelde bedrag niet kon veroorloven, moest hij de persoon in kwestie aan de priester voorleiden. De priester stelde dan een ander bedrag voor, rekening houdend met wat degene die de gelofte heeft afgelegd zich kon veroorloven. U leest kortom in dit Schriftgedeelte iets wat er helemaal niet staat.

Exodus 22:28-29. Hier wordt gezegd dat de eerstgeborenen onder Israël aan God zouden worden gegeven; de eerstgeborenen (mens en dier) zouden aan God gewijd worden. De eerstgeborenen onder Israël, zijnde het eigendom des Heeren, werden later vervangen door de Levieten. Zij zouden God dienen in de tent der samenkomst (Numeri 3:11-13). De Levieten werden, in plaats van alle eerstgeborenen onder Israël, aan God gewijd. Nee, niet geslachtofferd!

Ik heb nérgens gezegd dat Ezechiël slordig is, dat maakt u ervan. Wat u doet is het oppervlakkig lezen van een passage in de Bijbel en daarin uw eigen betekenis leggen, zonder enige rekening te houden met de historische en culturele achtergrond van de schrijver, de context van de passage, het woordgebruik (en de grammaticale betekenis) en de literaire stijl. Als u beter op al deze cruciale ‘details’ let (waar ik uitvoerig op in ben gegaan in het onderhavige artikel), dan begrijpt u dat de betreffende passage retorisch bedoeld is en dat Ezechiël een corrigerend schokeffect teweeg wilde brengen bij zijn toehoorders. Hij wilde ze wakker schudden. Deze moeilijke verzen kunnen het beste begrepen worden in de geest van Romeinen 1:24, enz. (God heeft hen uitgeleverd aan de slechte dingen die zij wilden). Indien dit wordt misverstaan wordt de preek van Ezechiël een tegenstrijdige warboel. Indien men heel Ezechiël in ogenschouw neemt, dan zal de lezer ontdekken dat hij fel van leer kan trekken, soms woorden gebruikt die moeten shockeren en dat ironie één van zijn verbale werktuigen is.

De Bijbel bestaat uit 66 verschillende boeken, geschreven gedurende ruim 1.500 jaar, door meer dan 40 verschillende auteurs, van verschillende leeftijden, achtergronden en ontwikkeling, die zeer van elkaar verschillende literaire vormen gebruikten. Toch bestaat er een verbazingwekkende harmonie tussen de boodschappen van de Bijbelschrijvers met terugkerende thema’s. In Ezechiël 20:1-44 gaat Ezechiël van de allegorie over op het historische feit. De geschiedenis van Israël is een vermoeiende herhaling geweest van afgoderij, ongehoorzaamheid en opstandigheid tegenover God. Dit thema zien we vaak terug in het OT.

Jammer dat u de verzen die volgen op Psalm 51:18-19 niet hebt gelezen, want nu trekt u de verkeerde gevolgtrekking. (Ik denk erover om het artikel daarom aan te passen, misschien via een verklarende voetnoot, zodat andere lezers niet dezelfde fout maken.)

Psalm 51 is een zogenoemde boetepsalm. De psalm eindigt als volgt:

18 U wilt van mij geen offerdieren,
in brandoffers schept u geen behagen.
19 Het offer voor God is een gebroken geest;
een gebroken en verbrijzeld hart
zult u, God, niet verachten.
20 Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed,
bouw de muren van Jeruzalem weer op.
21 Dan zult u de juiste offers aanvaarden,
offers in hun geheel verbrand,
dan legt men stieren op uw altaar.

De dierlijke offers worden door David dus niét terzijde geschoven, maar David zegt dat ze voor God pas waarde hebben als er eerst een ander offer is gebracht: een gebroken geest en een verbrijzeld hart (zie ook Jesaja 57:15).

In 2 Samuel 21 kan men het verhaal lezen van een hongersnood die pas stopt na een huiveringwekkende terechtstelling. Jin-Soo Kim (die een proefschrift schreef in het kader van een groter onderzoeksproject onder leiding van prof. dr. H.G.L. Peels naar het beeld van God in het Oude Testament) zegt hierover het volgende.

“In zijn uitleg is de speciale executie van de nakomelingen van Saul een straf voor het onrecht dat deze koning tegenover de Gibeonieten had bedreven. Zo werd aan het goddelijk recht genoegdoening geschonken. Op zijn beurt wordt Sauls opvolger, koning David, door de trouw van Rizpa aan haar zonen herinnerd aan de trouw die hij ooit aan Saul had gezworen. Pas als David daaraan gehoor geeft door de nakomelingen van Saul samen te begraven, komt er een einde aan de hongersnood en komt in het Bijbelboek Samuël de verhaallijn over Saul en David definitief tot een einde.” (Bron: Oneway.nl)

Het gaat hier dus niet om mensenoffers, maar om rechtelijke genoegdoening.

Franet (infoteur), 06-05-2012 10:40 #1
Een hele duidelijke, Bijbelgetrouwe uiteenzetting over dit onderwerp. Hieruit blijkt weer duidelijk hoe onlosmakelijk het Jodendom en het Christendom met elkaar verbonden zijn. Groeten Franet.

Infoteur: Tartuffel
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Religie
Bronnen en referenties: 8
Reacties: 13
Schrijf mee!