InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Pedagogiek > Onveilige hechting en veilige gehechtheid (kind/volwassenen)

Onveilige hechting en veilige gehechtheid (kind/volwassenen)

Onveilige hechting en veilige gehechtheid (kind/volwassenen) Onveilige hechting en veilige hechting bij kinderen en volwassenen. Hechting of gehechtheid is een duurzame affectieve relatie tussen een kind en zijn verzorgers. De mens vertoont gehechtheidsgedrag vanaf de wieg tot het graf. De vroege gehechtheidspatronen - veilig, onveilig, afwerend of vermijdend - worden verinnerlijkt en zijn van invloed op ons denken, voelen en handelen gedurende de rest van ons leven en bepalen de kwaliteit van onze partnerrelatie(s) op volwassen leeftijd. De patronen van gehechtheidsgedrag in onze kinderjaren, beïnvloeden ons vermogen intieme relaties aan te gaan of op te bouwen.

Hechting: veilig eb onveili


Wat is gehechtheid? (John Bowlby)

Gehechtheid of hechting is de term voor een relatief duurzame liefdevolle relatie tussen een kind en de personen met wie hij regelmatig interacteert. De Britse psychiater John Bowlby (1907-1990), pionier op het gebied van gehechtheid, heeft het standpunt verkondigd dat een liefdevolle en betrouwbare relatie van de verzorger met het kind even belangrijk is voor de persoonlijke groei als eiwitten en vitaminen. De hechtingstheorie van Bowlby richt zich specifiek op de eerste twee levensjaren van het kind. Een gezonde gehechtheid is de basis voor latere zelfstandigheid en het vermogen wederkerige affectieve relaties aan te gaan.

De gehechtheidsrelatie tussen kind en verzorger heeft drie belangrijke kenmerken.
  • In de eerste plaats zullen kinderen die aan een verzorger zijn gehecht proberen zo veel mogelijk in zijn directe nabijheid te blijven in tijden van verdriet, honger en angst.
  • Ten tweede wordt een kind gemakkelijker gerustgesteld en getroost door een gehechtheidspersoon.
  • Het laatste kenmerk is dat in een onbekende omgeving de gehechtheidspersoon de vertrouwde en veilige basis is van waaruit de omgeving wordt verkend.

Vooral in een onbekende omgeving zal het kind luid protesteren bij vertrek en scheiding van de gehechtheidsfiguur. Bij zijn terugkeer zal het kind blij reageren en zich even stevig aan hem vastklampen. Dit is een bekend tafereeltje op de eerste dag dat een kind naar de basisschool of een kinderdagverblijf gaat.

Fundamenteel vertrouwen - basisvertrouwen (Erik Erikson)

Is er nochtans sprake van een langdurige afwezigheid vanwege bijvoorbeeld een ziekenhuisopname of een detentie, dan zal het kind na verloop van tijd het protest laten varen. Hij voelt zich radeloos, trekt zich stilletjes terug en is nauwelijks bereikbaar voor volwassenen. Er komt wel weer een moment waarop het kind zich lijkt te herstellen. Intussen blijkt duidelijk hoe heftig de emoties van jonge kinderen al kunnen zijn bij een plotselinge langdurige verbreking van de emotionele band met de verzorger. Het verbreken van deze gevoelsband kan grote gevolgen hebben voor zijn gevoelens van veiligheid, (zelf)vetrouwen en voor zijn exploratiedrang, dat wil zeggen verkenningsdrang. De psycholoog Erik Erikson sprak in dit verband over het fundamenteel vertrouwen - basic trust - van het kind dat hem door zijn verzorger wordt gegeven. Het is volgens Erikson de eerste ontwikkelingsfase of -taak van de mens: vertrouwen versus fundamenteel wantrouwen. Dit 'conflict' moet overwonnen worden, wil het kind doorgaan naar de volgende levensfase. Klik hier voor een artikel over alle acht levensfasen.

Zorgoproepend en zorggevend gedrag

De term 'gehechtheid' verwijst naar de relatie kind-verzorger. De relatie bestaat uit twee complementaire componenten: het zorgoproepende gedrag van het kind en het zorggevende gedrag van de verzorger. Het is van cruciaal belang dat de verzorger gevoelig is voor het gehechtheidsgedrag van het kind, zoals gehuil en geroep dat bedoeld is verzorging uit te lokken en hier adequaat op reageert. Want alleen indien de verzorger sensitief is voor de signalen die het kind uitzendt en reageert op het moment dat het kind hem nodig heeft, dan zal het zich geborgen weten en kan het zich op een veilige manier hechten.

Vier soorten gehechtheid

Mary Ainsworth heeft als een van Bowlby's leerlingen een meetinstrument ontworpen - 'de vreemde situatie' genoemd - dat over de gehele wereld het standaardinstrument is geworden om iets over het gehechtheidsgedrag van kinderen te weten te komen. Kort samengevat komt het er op neer dat het kind eerst met en dan zonder zijn gehechtheidspersoon is in gezelschap van een vreemde, en men observeert hoe het zich gedraagt. Er is volgens Ainsworth sprake van drie soorten, of kwaliteiten van gehechtheid, te weten:

  • Afwerende gehechtheid. De kinderen kenmerken zich door een sterk hangen aan de verzorger. Zij komen als er behalve de verzorger ook een vreemde in de buurt is nauwelijks tot spelen. Ze zijn meteen van slag en in paniek als de verzorger hem met een vreemde achterlaat en schier ontroostbaar als hij terugkomt.

  • Vermijdende gehechtheid De psychologe Rita Kohnstamm zegt van deze kinderen dat men de indruk krijgt dat zij eigenlijk helemaal niet gehecht zijn. Zij weren afhankelijkheid af en hun gehechtheidsgedrag schijnt bij terugkomst van de verzorger nauwelijks geactiveert te zijn of te worden. Maar schijn bedriegt: het vermijdende gedrag van deze kinderen camoufleert een heftig geactiveert gehechtheidssysteem in herenigingssituaties. Deze kinderen tonen alleen geen gehechtheidsgedrag doordat ze verwachten door de verzorger gefrustreerd en teleurgesteld te worden. Ze anticiperen als het ware op een teleurstelling door vermijdend gedrag te vertonen, terwijl ze hunkeren naar warmte en geborgenheid.

  • Veilige gehechtheid Daarvan is sprake als het kind in staat is in een vreemde omgeving toch op verkenning uit te gaan en onderzoekend gedrag vertoont. Het kind mag daarbij op de verzorger steunen; het weet zich veilig. Het is de verzorger die het kind veiligheid en steun verschaft in de vreemde omgeving. Een belangrijk kenmerk van veilige gehechtheid is ook dat het kind weinig angst heeft als er vreemden in de buurt zijn en als de verzorger even weg is raakt hij niet van streek. Als de verzorger terugkeert, begroet hij de verzorger enthousiast en heeft hij behoefte aan knuffelen, nabijheid en warmte.

In de jaren tachtig werd door verschillende onderzoekers een kleine restgroep gevonden, waardoor er tegenwoordig vier hechtingsstijlen bij kinderen onderscheiden worden: veilig (secure), vermijdend (avoidant), ambivalent (ambivalent/resistant) en gedesorganiseerd/gedesoriënteerd (disorganised/disoriented). De derde correspondeert met de 'afwerende gehechtheid' van Ainsworth en de laatste is de nieuwe groep. Kinderen in deze groep vertonen de volgende kenmerk: gelijktijdige toenadering en vermijding van de verzorger. Deze tegenstrijdigheid komt voort uit het gegeven dat de verzorger door het kind tegelijkertijd als bron van veiligheid én van angst wordt ervaren.

Het kind een veilige basis bieden

Uit diverse onderzoeken is gebleken dat het belangrijk is dat verzorgers het kind een veilige basis bieden en het kind van daaruit aanmoedigen op onderzoek uit te gaan. Voor het verschaffen van een veilige basis is een invoelend begrip en sensitiviteit voor het gehechtheidsgedrag van het kind nodig en de bereidheid en de wil hieraan tegemoet te komen. Vervolgens de erkenning dat boosheid van kinderen vooral voortkomt uit frustraties van hun behoefte naar liefde, affectie en zorg. Sensitieve verzorgers ontwikkelen een veilige en stabiele band met hun kinderen, omdat ze adequaat op de wensen en behoeften van hun kinderen reageren.

Hechtingsprobleem/hechtingsstoornis

Helaas groeien een aantal kinderen op in minder gunstige omstandigheden. Veel verzorgers mishandelen of verwaarlozen hun kind of zijn ongevoelig voor de gehechtheidssignalen van het kind dat bedoeld is om verzorging uit te lokken. Het kan ook zijn dat de verzorger onverhoopt een periode opgenomen wordt in een ziekenhuis of psychiatrische inrichting of dat de verzorger gedetineerd raakt. Of de verzorger dreigt voortdurend als strafmaatregel - uit pedagogische onmacht of wreedheid - dat hij niet van het kind houdt en dat hij het kind in de steek zal laten. Of de rollen worden omgedraaid: de verzorger oefent dan druk op het kind uit om structureel als gehechtheidsfiguur op te treden voor hem. Hierdoor wordt de normale verzorger-kind-relatie omgekeerd. Bij al deze omstandigheden is er een vergrote kans dat het kind onveilige gehechtheid gaat ontwikkelen en er een hechtingsprobleem of hechtingsstoornis ontstaat.

Gehechtheid van de wieg tot het graf

Ofschoon het zich vooral tijdens de jeugd manifesteert, is het zo dat de mens gekenmerkt wordt door gehechtheidsgedrag van de wieg tot het graf. Zoals beschreven hoort daarbij geroep en gehuil, de verzorger nalopen en zich aan hem vastklampen, maar ook hevig verzet en weerstand wanneer een kind alleen bij vreemden wordt gelaten. Doch hoe ouder een mens wordt, hoe minder vaak en intens dit gedrag wordt tentoongespreid. Volwassenen leggen vooral gehechtheidsgedrag aan de dag in tijden van verdriet en ziekte, wanneer hij een arm om zich heen nodig heeft of behoefte heeft aan troostende woorden of een luisterend oor. En in situaties van angst wanneer hij een schild rondom hem nodig heeft. Het betreft situaties waarin hij kwetsbaar is.

Bowlby schrijft dat het bijzondere patroon van gehechtheidsgedrag dat een persoon meeneemt uit zijn jeugd, meestal onveranderd blijft voortbestaan in zijn verdere leven. In de interactie en omgang met anderen hanteert ieder volwassen individu cognitieve werkmodellen die voortkomen uit de (deels) veilige of onveilige relaties die hij had met de verzorgers in zijn jeugd. Zo'n cognitief werkmodel is een generalisatie van de relationele verwachtingen jegens anderen, die zijn gevormd door zijn vroegere jeugdervaringen.

Onveilige hechting en veilige hechting

Zo groeien volgens Bowlby veilig gehechte kinderen op in zekerheid en zelfvertrouwen. Ze worden later betrouwbare, coöperatieve en zorgzame mensen die in de regel intieme, wederkerige relaties kunnen aangaan en onderhouden. In een relatie is hij in staat zijn gevoelens en gedachten te uiten, een intieme band aan te gaan met zijn partner en is hij in staat zich in te leven in de ander, empathie genoemd. Hij kan desgewenst sociale steun mobiliseren en in veranderende omstandigheden kan hij van rol wisselen; de ene keer verschaft hij de veilige basis van waaruit de ander kan opereren en een andere keer kan hij terugvallen op de ander die voor hem een veilige basis kan zijn.

Daarentegen groeien onveilig gehechte kinderen op in onzekerheid en angst. Door het gehechtheidspatroon dat dergelijke personen meenemen vanuit hun jeugd, hebben ze dikwijls op latere leeftijd een gebrekkig vermogen intieme relaties aan te gaan of te onderhouden. Een dergelijk gemis komt in allerlei gradaties en vormen voor: daar horen bij een angstig zich aan iemand vastklampen, voortdurend om liefde en zorg vragen, een afstandelijke houding en een uitdagende onafhankelijkheid, en zo voort. De onveilig gehechte persoon anticipeert als volwassene op negatieve ervaringen die hij in zijn jeugd heeft opgedaan. Hij verwacht dat deze situatie zich zal herhalen in zijn huidige relatie en hij tracht dit te voorkomen door bepaald overlevingsgedrag ten toon te spreiden. Iemand die bij voorbeeld als kind in de steek is gelaten door zijn verzorger, kan zich als volwassene heel erg aan zijn partner vastklampen uit angst door hem verlaten te zullen worden. Deze afwijkende patronen van gehechtheidsgedrag zal ik in de volgende paragraaf bespreken.

Vier grondpatronen van gehechtheidsgedrag

Er zijn grofweg vier gehechtheidsstijlen te onderscheiden bij volwassenen die corresponderen met de vier stijlen die bij kinderen zijn vastgesteld: veilig/autonoom (free/autonomous), gereserveerd (dismissive), gepreoccupeerd (entangled) en gedesorganiseerd/onverwerkt (unresolved). Naast deze hoofdclassificaties bestaan er vele subclassificaties.

Hieronder worden een aantal veelvoorkomende gehechtheidspatronen besproken (in uitvergrote vorm) zoals we die kunnen waarnemen bij volwassenen. Ik volg hiermee niet bovengenoemde classificatie. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om wetenschappelijke classificaties, maar om 'klinische observaties'. De voorbeelden zijn geenszins uitputtend. Ik ontleen de eerste drie aan Bowlby (1983).

Grondpatroon 1: angstige gehechtheid

Om te beginnen is er het grondpatroon dat een individu angstige gehechtheid demonstreert. Dit komt voort uit de angst de ander te verliezen. Hierdoor klampt hij zich in relaties aan de ander vast en stelt hij zich heel afhankelijk op. Naast dit 'kleefgedrag', dat voortkomt uit de angst de ander kwijt te zullen raken, voelt hij een sterk latent verlangen naar liefde en zorg, iets dat hij in zijn kindertijd moest ontberen. In een relatie kan dit tot uiting komen door een voortdurende vraag om liefde en zorg. Hij verlangt eigenlijk van de ander dat die steeds een veilige basis voor hem is, een soort verzorger, en dat die ander hem bij voortduring bemoederd, koestert en verzorgt. Het is een verlangen naar de veiligheid en geborgenheid die hij vroeger niet heeft gehad van zijn verzorger(s). Er is geen sprake van een gelijkwaardige relatie: hij zal de ander niet in dezelfde mate liefde en zorg (kunnen) geven. Hij zal de ander geen veilige basis kunnen verschaffen als die er om vraagt.

Ook is hij bang voor emotioneel contact en nabijheid. Hij durft zich niet bloot te geven, omdat zijn vertrouwen in de wereld en de mensen om hem heen als gevolg van de onveilige gehechtheid is geschaad. Hij wantrouwt de ander en hij is bang in de steek gelaten te worden als hij zich kwetsbaar opstelt. Een diep gewortelde angst voor afwijzing en verwerping ligt hieraan ten grondslag.

De angst de ander te verliezen kan een levensverwachting worden. Hij ervaart, bijna altijd ten onrechte, triviale situaties, zoals een kleine onenigheid of een wrijving, als waarschuwingsteken dat de ander hem in de steek zal laten. Dergelijke alledaagse situaties kunnen doordat ze door hem verkeerd geïnterpreteerd worden (vanuit het cognitieve werkmodel zoals die is gevormd in zijn jeugd), alle alarmbellen doen activeren en een heftige stress- en paniekreactie uitlokken. Soms zal zo iemand ook bang zijn dat de ander, bij voorbeeld zijn partner, ontrouw pleegt. Alle situaties die zich voordoen zal hij in dit licht bezien. Dit kan extreme jaloezie tot gevolg hebben.

Het gevaar bestaat dat het afhankelijke type op een gegeven ogenblik vervalt in middelenmisbruik. Dit komt doordat hij er niet in slaagt zelf richting en sturing te geven aan zijn leven, maar te allen tijde hulp en steun verwacht van anderen. Door deze afhankelijkheid is de kans groot dat hij zijn heil gaat zoeken in middelengebruik.

Grondpatroon 2: dwangmatig zelfvertrouwen

Als tweede is er de persoon met het dwangmatig zelfvertrouwen. Een dergelijke persoon zoekt de liefde en zorg van anderen niet, maar houdt zich groot en sterk en staat er op onder alle omstandigheden zijn eigen boontjes te doppen. Zo'n persoon zal volgens Bowlby vroeg of laat bezwijken onder stress, een burn-out of een depressie. Of hij ontwikkelt allerlei psychosomatische klachten, waarmee hij na lang aandringen van zijn omgeving op het spreekuur van de huisarts komt. Het verschil met degenen die angstige gehechtheid aan de dag leggen, is dat deze personen een ander reactiepatroon vertonen op de onveilige gehechtheid; zij onderdrukken gehechtheidsgevoelens en -gedrag en ontkennen elk verlangen naar een hechte band. Deze personen koesteren een diep geworteld wantrouwen tegen intieme relaties. Ze hebben de sluimerende angst wederom afgewezen, gekrenkt en gekwetst te zullen worden en daarom stellen ze zich onbenaderbaar en onafhankelijk op. Ze leven vanuit de gedachte: 'Ik laat mij nooit meer door iemand kwetsen en pijn doen'.

In relaties nemen ze een emotioneel afstandelijke, sommigen zullen zeggen kille, houding aan en ze stellen zich uitdagend onafhankelijk op. Het zijn rigide en starre personen, met wie het niet gemakkelijk samenleven is als partner of kind. Ze kunnen ook veeleisend zijn en erg veel belang hechten aan materie of uiterlijke kenmerken en sommige juist weer aan intellectuele prestige. Hij wil naar buiten het beeld ophouden van de geslaagde man met het perfecte gezin. Hij zal echter niet veel tijd doorbrengen met zijn gezin. Hij zal bijna al zijn tijd besteden aan zijn werk, bestuursfuncties, ouderlingenambt en andere activiteiten, zodat hij niet stil hoeft te staan bij zijn gevoelsleven. Hij zal nooit zijn gevoelens of verlangens uiten - dat is in zijn ogen zwakte en zwakte wordt vroeg of laat genadeloos afgestraft - of zich geïnteresseerd tonen in die van een ander. Ook zal hij geen zorg en steun aan de ander geven of er zelf om vragen; hij houdt zich onder alle omstandigheden groot en sterk.

John Bowlby
John Bowlby

Grondpatroon 3: dwangmatig verzorgen

Een ander patroon van gehechtheidsgedrag die Bowlby beschrijft is het dwangmatig verzorgen. Iemand die dit patroon vertoont zal doorgaans vele relaties aangaan, maar steeds in de rol van degene die de zorg geeft en nimmer van degene die de zorg ontvangt. Dikwijls is de uitverkorene een hulpeloos slachtoffer dat de over hem uitgestorte zorg voor een poosje best op prijs stelt. De verzorgde vindt het meestal heerlijk een tijdje bemoederd en vertroeteld te worden, totdat het hem benauwd en hij het gevoel heeft geen kant meer uit te kunnen en klem te zitten. Hij is dan een gevangene geworden van de relatie. Hij moet de over hem uitgestorte zorg accepteren en appreciëren, wil hij niet de rancune van de verzorger op de hals halen. De dwangmatig verzorger verlangt in ruil voor zijn geven veel bewondering en erkenning. Zijn behoefte hieraan is echter onverzadigbaar omdat hij nu de aandacht en de liefde opeist die hij als kind heeft moeten missen.

De kenmerkende jeugdervaring van zulke mensen is een verzorger die, vanwege een depressie, langdurige bedlegerigheid, of om een andere reden, niet voor het kind kon zorgen, maar wel graag zelf verzorgd werd en wellicht zelfs verlangde dat de jongere broertjes en zusjes door hem geholpen en verzorgd werden.(*) Het cognitieve werkmodel van zo'n persoon houdt hem voor dat voor hem alleen relaties mogelijk zijn waarbij hij de zorgende is, en dat hij alleen zichzelf heeft om voor hem te zorgen. Als kind heeft hij al heel vroeg geleerd hoe het zich niet moet voelen en dat het zich exclusief moet richten op de behoeften van de verzorger(s), wil het de liefde van de verzorger(s) niet verliezen. Het blijkt dat kinderen die in tehuizen opgroeien zich soms ook zo ontwikkelen.

Een dwangmatig verzorger is gepreoccupeerd op het zorgen voor anderen. Hij gaat hier zo extreem in op, dat hij zichzelf geheel wegcijfert. Een dwangmatig verzorger heeft zich in zijn jeugd moeten aanpassen aan de behoeften en verlangens van zijn verzorger. Een tragisch gevolg van deze aanpassing is dat het onmogelijk wordt bepaalde eigen gevoelens of verlangens in de kindertijd en vervolgens als volwassene bewust te ervaren en ze tot uiting te brengen. Zijn onvervulde en verdrongen verlangens naar liefde en zorg schrijft hij toe aan de verzorgde, die daarom beschouwd kan worden als de plaatsvervanger van de verzorger.

Het is duidelijk dat de dwangmatig verzorger geen intieme relaties kan opbouwen die immers uitgaan van reciprociteit (wederkerigheid). Hij zal nooit zijn werkelijke gevoelens en verlangens kenbaar (kunnen) maken. Met wellicht als uitzondering gevoelens van wrok en boosheid als de zorg niet geaccepteerd of gewaardeerd wordt door de verzorgde. Hij schrijft daarentegen zijn eigen onvervulde behoeften toe aan de verzorgde. Tevens kan de verzorger niet van rol wisselen; hij kan alleen maar zorg en steun geven (ook als de ander daar niet om vraagt) en zal nooit zelf hierom vragen. De psycholoog Winnicott noemde dit het 'false self', oftewel het 'onechte zelf' of 'onechte ik'. Het kind heeft geleerd gevoelens en verlangens te verloochenen, omdat het zich moest aanpassen aan en schikken naar de wensen van zijn verzorger(s), teneinde de liefde van zijn verzorger(s) niet op het spel te zetten. Het onechte zelf anticipeert steeds op de behoeften en wensen van anderen met het doel de relatie in stand te houden, om de ander niet kwijt te raken. Dit proces zorgt bij de dwangmatig verzorger onherroepelijk voor een overheersend gevoel van vervreemding en leegte. De psychoanalytica Alice Miller zegt van dergelijke personen dat zij geen gezond narcisme hebben ontwikkeld.

Grondpatroon 4: vermijdende gehechtheid

Een persoon met vermijdend gehechtheidsgedrag heeft een sterk geactiveerd gehechtheidssysteem maar is niet in staat nabijheid en contact te zoeken, omdat het door ervaringen in het verleden - emotionele verwaarlozing - teleurstelling, afwijzing of frustratie verwacht. Aan de hand van het volgende voorbeeld zal ik dit patroon illustreren: een kind die op zijn vriendelijk toenaderingspogingen naar zijn verzorgers toe consequent met afwijzing wordt ontvangen, kan zich gaan terugtrekken van sociale interacties. Wanneer dit langere tijd doorgaat, kan hij het vervolgens moeilijk gaan vinden intieme relaties aan te gaan. Zijn cognitieve werkmodel houdt hem voor: 'Mensen wijzen mij toch alleen maar af'. Deze terugtrekking kan leiden tot een geïsoleerde levenswijze en eenzaamheid. Alcoholmisbruik ligt op de loer, aangezien alcohol de sociale omgang bevordert en remmingen helpt te overwinnen.

Tot slot

Dit waren de vier belangrijkste grondpatronen van gehechtheid bij volwassenen die het gevolg zijn van een onveilige hechting in de kindertijd. Het is duidelijk dat door deze afwijkende patronen van gehechtheidsgedrag, het vermogen intieme relaties aan te gaan of op te bouwen ernstig geblokkeerd wordt. Gelukkig hebben mensen de kracht en de mogelijkheden te veranderen en dat wat ze niet kunnen veranderen, te accepteren.

Het ultieme geluk in je leven is dat je bemind werd. Victor Hugo, schrijver/dichter (1802-1885)

Noot
(*) In de literatuur wordt dit proces wel aangeduid als 'parentificatie'; het kind wordt in zo'n geval in de rol van ouder gedrukt met alle verantwoordelijkheden en verplichtingen die daarbij horen. Het kind zorgt dan voor de ouder, de jonge(re) kinderen en draait op voor het hishouden. De gerenommeerde gezinstherapeut Minuchin noemt een dergelijk kind 'de adjudant van het gezin'; zo'n 'adjudant' neemt als vertegenwoordiger van de ouders bepaalde opvoedingstaken over. Lees: Minuchin, S. et al,. Gezinsstructuur en therapeutische technieken; Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 1993 (1983), p. 71-72.
In de literatuur wordt soms ook de term 'constructieve parentificatie' genoemd. De zorg die het kind uitvoert of de klusjes die het kind doet, zijn afgebakend. De kind krijgt voor hetgeen hij uitvoert erkenning, en de zorg is niet alleen begrensd maar ook gepast. Het kind krijgt voldoende tijd en ruimte om kind te zijn. Het moge duidelijk zijn dat dit onderscheiden moet worden van de voornoemde 'destructieve parentificatie'.

Lees verder

© 2009 - 2014 Tartuffel, gepubliceerd in Pedagogiek (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde links
Joodse identiteit en Geestelijke gezondheid.
Gerelateerde artikelen
Hechting: (on)veilig gehechte kinderenHechting: (on)veilig gehechte kinderenHechting is een onderwerp dat gaat over de emotionele band die een baby/jong kind aangaat met zijn ouder(s) of verzorger…
Hechtingsgedrag nader bekekenHechtingsgedrag nader bekekenHechting en onthechting, daar gaat het om. Voor velen twee onbekende woorden, maar toch speelt het in ieders leven mee.…
Kan een kind zich hechten in een pleeggezin?Kan een kind zich hechten in een pleeggezin?Ouders kunnen op verschillende manieren met hun kinderen omgaan. Meestal leidt dit tot een band met het kind, het kind k…
Knippen en scheuren tijdens een bevallingAan een bevalling houdt een vrouw soms een knip, soms een scheur over. Andere vrouwen blijven dan weer intact. Een knip…
Het leven van het 2,5 jarige kind: relaties van de peuterEen belangrijk onderdeel van de totale ontwikkeling van het kind is de sociale ontwikkeling. De eerste relaties die kind…
Bronnen en referenties
  • Ainsworth, M.D.S. et al., Patterns of attachment: a psychological study of the strange situation; Hillsdale: Erlbaum, 1978.
  • Bowlby, J., Attachment and loss, vol. 1: Attachment; Harmondsworth: Penquin Books, 1991 (1969).
  • Bowlby, J., Attachment and loss, vol. 2: Seperation, anxiety and anger; Harmondsworth: Penquin Books, 1978 (1973).
  • Bowlby, J., Attachment and loss, vol. 3: Loss, sadness and depression; Harmondsworth: Penquin Books, 1981.
  • Bowlby, J., Verbondenheid; Deventer: Van Loghum Slaterus, 1983.
  • Bowlby, J. et al., Gehechheid in relaties; Deventer: Van loghum Slaterus, 1987.
  • Erikson, E.H., Het kind en de samenleving; Utrecht: Het Spectrum, 1977 (1964).
  • Kohnstamm, R., Kleine ontwikkelingspsychologie; Houten: Bohn Stafleu Van Lohum, 1993 (1980).
  • Miller, Alice, Het drama van het begaafde kind;Uitgeverij het Spectrum, 2002 (1981).
  • Minuchin, S. et al,. Gezinsstructuur en therapeutische technieken; Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 1993 (1983).
  • Spitz, R., Hospitalism: Genesis of psychiatric conditions in early childhood, 1945.
  • IJzendoorn, M.H. van, et al., Opoeden in geborgenheid: Een kritische analyse van Bowlby's attachmenttheorie; Deventer: Van Loghum Slaterus, 1982.
  • http://www.empty-memories.nl/nicolai/hechting_lit.pdf
  • http://www.waarden.org/studie/hoeken/2artikelen/vreeke/#4
  • http://74.125.77.132/search?q=cache:spAD_YeZ3NcJ:users.telenet.be/lerenoverleven/Pdfs/Claessens-Depressie.pdf+onechte+ik+parentificatie&hl=nl&ct=clnk&cd=1&gl=nl

Reageer op het artikel "Onveilige hechting en veilige gehechtheid (kind/volwassenen)"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Reacties

Lonneke, 24-10-2013 11:35 #3
Beste infoteur,
Graag zou ik in de uitleg van ontwikkelingspsychologie ook dit artikel met bronvermelding willen gebruiken voor de deskundigheidsbevordering.
Wachtende op uw toestemming,
Vriendelijke groeten,
Lonneke Albers Reactie infoteur, 01-11-2013
Dat is prima!

Nien, 16-08-2012 03:02 #2
Ik vraag me af welke vorm en dus automatisch welke therapie bij mijn profiel zou kunnen passen.
extreme geboorte (ik kwam ongeveer met baarmoeder en al eruit.)
direct weggehaald bij moeder (zij lag in coma 2 wk.)
5 mnd leger des heils ziekenhuis.
zwaar slecht horend. (wat pas erkent werd toen ik 4 jr was.)
geadopteerd met 5 mnd.
pleegouders die t goed bedoelden maar mij in feite er dieper in drukten dat als ik niet voldeed ik geen liefde en veiligheid kreeg. ( vrij extreme straffen en een niet aflatende toon ; jij bent niet oke')
ik voel heel soms gevoelens. ik reageer vanuit mijn denken. ik word bang als ik wel voel. ik zie mezelf als iemand die als 0 jarige baby van 1 week al uit haar lijf en voelen is gegaan.
vraag die ik nu best behoorlijk heb is, welke therapie zou voor mij oke zijn?
ik begrijp dat dit kort door de bocht is zo, maar ik dacht aan pri, dit kan niet ivm contra indicatie, nl het ontbreken van lichaamsbewustzijn en niet voelen.

ik weet t dus niet meer zo goed nu.
weet jij missch waar ik hierover goede info zou kunnen krijgen?
ik ga vrijdag naar mijn huisarts, maar merk dat ik ook zelf wil zoeken.

ik hoop dat je een klein beetje een soort van idee hebt nu, en als je meer info wilt, of je me dat dan wilt laten weten.

groetjes, nien

M. van Leijenhorst, 16-08-2010 16:51 #1
Ik heb nu een relatie van 4 jaar met mijn partner. Hij is nu 56. Hij heeft veel lagere of kortere relatie gehad in het verleden. nu ben ik er achtergekomen dat hij de relatie altijd stukliepen op het vreemd gaan van zijn kant. In mijn ogen heeft hij een hechtingsprobleem. Is er op deze leeftijd nog wat aan te doen? Reactie infoteur, 18-08-2010
Hallo,

Belangrijkste voorwaarde voor verandering is dat de persoon inziet dat hij een probleem heeft en dat hij van binnenuit de wens heeft dit veranderen. Externe druk door bijvoorbeeld zijn partner of familie, zal echte gedragsverandering in de weg staan. Iemand zal zelf moeten (h)erkennen dat hij een probleem heeft en hij zal moeten inzien dat het hem wat oplevert als hij dat probleem aanpakt: bijvoorbeeld dat hij een betere relatie krijgt, wat meer rust krijgt in zijn leven, enz. Vervolgens kan hij in een inzichtgevende individuele therapie ontdekken welke onderliggende problematiek aan zijn gedrag ten grondslag ligt. Een meer psycho-analytische psychotherapie biedt de mogelijkheid om in een veilige omgeving belangrijke gevoelens te ervaren, te onderzoeken, te verwerken en te accepteren. Later kan dit eventueel gecombineerd met een relatietherapie, zodat problemen in de relatie aangepakt kunnen worden.

Door intensieve therapie kan men allengs het volgende onderscheid leren zien:

Geef mij, o Heer,
de berusting om te aanvaarden
wat ik niet kan veranderen,
de moed om te veranderen
wat ik kan en de wijsheid
om het verschil te kunnen zien.

Steeds weer verliefd worden en een andere relatie aangaan kan een vorm van escapisme zijn en kan verslavend werken (steeds weer dat gevoel van verliefdheid willen ervaren zoals dat in het begin van een relatie voorkomt). Daarbij is het belangrijk in te zien dat vreemdgaan een keuze is en niet iets wat een persoon 'overkomt' en dus niet verantwoordelijk voor is. De schrijfster Corrie ten Boom zei eens: "Je kan niet voorkomen dat een vogeltje op je hoofd landt, maar wel dat deze er een nestje gaat bouwen." En trouw zijn is ook een keuze.

Ik hoop dat u wat met deze informatie kunt.

Mvg, Martin

Infoteur: Tartuffel
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Pedagogiek
Bronnen en referenties: 15
Reacties: 3
Schrijf mee!