Paulus de tentenmaker en het tentenmakersprincipe
De apostel Paulus predikte na zijn bekering waar hij maar kon over Jezus. Hij maakte verschillende zendingsreizen. In sommige steden waar hij kwam om van het evangelie te vertellen liet hij zich onderhouden door zijn volgelingen aldaar. In andere steden voorzag hij zelf in zijn eigen onderhoud. Paulus werkte als tentenmaker. Sommigen zijn ervan overtuigd dat hij stof aan het weven was voor tenten, anderen denken meer aan het bewerken van leer, waarvan dan een tent wordt gemaakt. Het tentenmakersprincipe is van Paulus werkwijze afgeleid. In de moderne zending zijn tentenmakers onmisbaar.
De zending van de apostelen
De apostelen werden door Jezus de wereld in gezonden om overal het evangelie te verkondigen. Jezus zei tegen hen: 'Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen' (Matteüs 28: 19a). De apostelen trokken eropuit na het Pinksterfeest, toen ze de Heilige Geest ontvangen hadden. Ze werden zendelingen die opweg waren van de ene stad naar de andere. Maar hoe onderhielden ze zichzelf? Hoe kwamen ze aan genoeg geld om te eten? In de eerste christelijke gemeente onderhield men elkaar. Zoals er in het Bijbelboek Handelingen beschreven staat.
Niemand onder hen leed enig gebrek: wie een stuk grond of een huis bezat, verkocht het, bracht de opbrengst naar de apostelen en legde die aan hun voeten neer, waarna het geld naar behoefte onder de gelovigen werd verdeeld (Handelingen 4: 35-35).
Paulus en zijn financiële onafhankelijkheid
Paulus werkte regelmatig om geld te verdienen en om zo geen extra last te leggen op de jonge christelijke gemeentes. Zo weten we dat hij in onder andere Korinthe en Thessaloníki zelf werkte om financieel onafhankelijk te zijn. In zijn tweede brief aan de gemeente van Thessaloníki schrijft hij daarover.
U weet zelf wat het betekent ons na te volgen. Toen we bij u waren, hebben we ons dagelijks werk niet verwaarloosd en op niemands kosten geleefd. Integendeel, we hebben ons ingezet en ingespannen, dag en nacht hebben we gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Niet dat we geen aanspraak konden maken op uw ondersteuning, maar we wilden onszelf tot voorbeeld stellen, zodat u ons zou navolgen. Toen we bij u waren, hebben we herhaaldelijk gezegd dat wie niet wil werken, niet zal eten. We horen dat sommigen van u hun werk verwaarlozen, dat ze zich niet nuttig maken maar zich slechts onledig houden met nutteloze bezigheden. (2 Thessalonicenzen 3: 7-11).
Paulus over zijn verblijf in Korinte
Ook in de brief die Paulus aan de gemeente van Korinte schrijft, benadrukt hij dat hij niet op kosten van de christelijke gemeente aldaar heeft geteerd. Toen hij in geldnood zat was het de christelijke gemeente uit Macedonië die hem ondersteunde. Paulus heeft van recht om onderhouden te worden door de gemeente geen gebruik gemaakt. Er waren daar in Korinte blijkbaar andere predikers werkzaam die dat wel deden. Hij verwijt de gemeente van Korinte dat zij dat zomaar slikken.
Of heb ik soms een misdaad begaan door u zonder enige vergoeding Gods evangelie te verkondigen? Wanneer ik me daarmee vernederd heb, was het alleen om u te verheffen. Andere gemeenten heb ik geplunderd door geld aan te nemen om u van dienst te kunnen zijn. Maar tijdens mijn verblijf bij u heb ik niemand om hulp gevraagd toen ik in geldnood kwam; het zijn de broeders uit Macedonië geweest die me hebben geholpen. Ik heb er altijd voor gewaakt u iets te kosten, en zal dat blijven doen (2 Korintiërs 11: 7-9).
Paulus over zijn verblijf in Efeze
Als Paulus in Milete is laat hij de leiders van de christelijke kerk van Efeze roepen. In zijn afscheidstoespraak aan hen wijst hij er expliciet op dat hij zich financieel niet door de gemeente van Efeze liet ondersteunen, want het is beter te geven dan te krijgen.
Geld of kleding heb ik van niemand verlangd; u weet wel dat ik eigenhandig heb voorzien in mijn levensonderhoud en dat van mijn metgezellen. In alles heb ik u getoond dat u de zwakken zo, door hard te werken, moet steunen, indachtig de woorden van de Heer Jezus, die immers gezegd heeft: “Geven maakt gelukkiger dan ontvangen" (Handelingen 20:33-35).
Paulus de tentenmaker: leerbewerker of wever
Toen Paulus Athene verliet en naar Korinte ging, leerde hij daar Aquila en Priscilla kennen. 'Paulus bracht hen een bezoek, en omdat ze hetzelfde ambacht uitoefenden als hij – ze waren leerbewerker van beroep – trok hij bij hen in en ging bij hen werken' (Handelingen 18:3). De vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap van 1951 heeft het in plaats van leerbewerker over het beroep tentenmaker. Het begrip tentenmaker heeft een bredere bekendheid gekregen dan de term leerbewerker. Het is mogelijk dat Paulus in zijn werk als tentenmaker bezig was met het weven van stoffen of het bewerken van leer.
Paulus als wever
De traditionele opvatting is dat Paulus een wever is geweest die stof weefde voor het maken van tenten. Daarvoor hoefde hij geen zwaar weefgetouw met een weversboom mee te slepen. Er bestonden ook heel simpele, horizontale weefgetouwen. Dat waren dan twee stokken, waarop de schering gespannen was en die met een paar pinnen in de grond op hun plaats werden gehouden. Zo'n weefgetouw gebruikte waarschijnlijk Delila toen ze Simsons haar vlocht. Simson rukte het geval met pin en al uit de grond (Rechters 16:14). Aangezien weven vooral vrouwenwerk was in de oudheid, vinden veel Bijbelgeleerden dat we bij het tenten maken van Paulus meer moeten denken aan het bewerken van leer.
Paulus als leerbewerker
Paulus was waarschijnlijk een leerbewerker, waarbij het leer bewerkt werd voor het maken van een tent. Leer werd in die tijd veel gebruikt als grondstof voor het maken van een tent. Bovendien was het werken in leer draagbaar, wat handig was voor het vele reizen dat Paulus deed, aangezien men slechts verschillende messen nodig had. Paulus werkte vaak in een werkplaats die rustig genoeg voor Paulus was om met andere mensen in het gesprek over het evangelie te gaan.
Het tentenmakersprincipe
In recente tijden hebben protestantse of evangelische zendingsorganisaties het principe van Paulus, namelijk om tijdens de zendingsreizen zichzelf in het levensonderhoud te voorzien, toegepast. Een zendeling wordt dan uitgezonden om zijn seculiere beroep uit te oefenen en om het evangelie te delen. Er wordt dan gesproken over het tentenmakers principe. Een van de eerste moderne evangelisten die op deze manier te werk gingen was William Carey (1761-1831). Hij ging als tentenmaker aan de slag in India. Hij werkte daar onder andere in een fabriek en aan de universiteit. Tegelijkertijd was hij een evangelist die het goede nieuws van Jezus verkondigde. Het voorbeeld van Paulus' werkwijze geeft een Bijbelse onderbouwing aan het tentenmakersprincipe.
De voordelen van het tentenmakersprincipe
Het tentenmakersprincipe heeft voor de moderne zending een aantal voordelen. Zo biedt het tentenmakerswerk toegang tot landen die evangelisatie en zending verbieden. Door hun eigen beroep uit te oefenen kunnen christenen dus in landen komen die missionaire activiteiten niet toestaan. Het biedt de mogelijkheid om op een natuurlijke en niet geforceerde wijze contact te krijgen met de lokale bevolking en zo te getuigen van het geloof. Aangezien veel van deze contacten aan het werk gerelateerd zijn, gaat het vaak om duurzaam contact. Een ander voordeel is dat er minder geld noodzakelijk is om een zendeling uit te zenden, deze verdient immers (voor een deel) zijn eigen salaris. Het tentenmakersprincipe biedt meer mensen de mogelijkheid om de zending in te gaan. Er is niet alleen vraag naar speciaal opgeleide zendelingen en theologen, maar juist ook christenen met hun eigen beroep kunnen als tentenmaker aan de slag om het evangelie te verspreiden.