InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Politiek > De Christelijk-Historische Unie in de periode 1908-1948

De Christelijk-Historische Unie in de periode 1908-1948

De Christelijk-Historische Unie in de periode 1908-1948 Het Christen Democratisch Appèl (CDA) is ontstaan uit het samengaan van drie christelijke politieke partijen: De Katholieke Volkspartij (KVP), de Anti-Revolutionaire Partij (ARP, meestal afgekort tot AR) en de Christelijk-Historische Unie (CHU). In 1967 was het fusieproces al begonnen, in 1977 deed het CDA voor het eerst onder die naam mee aan de verkiezingen en in 1980 was eindelijk het fusieproces officieel afgerond.

Hoofdstukken


In dit artikel aandacht voor de kleinste en misschien ook wel de minst spraakmakende van de drie partijen: de CHU (ook wel kortweg: CH genoemd). En wel in de periode vanaf haar oprichting (1908) tot 1948 toen de partij haar stem gaf aan de grondwetsherziening die oplossing van de Indonesische kwestie mogelijk moest maken en ook weer regeringspartij werd. Deze periode is gekozen omdat in een tweede artikel op Infonu.nl, mede als onderdeel van de special over de dekolonisatie van Indonesië 1945-1950, de houding van de CHU in de Indonesische kwestie wordt belicht.

Voorgeschiedenis

Groen van Prinsterer

Het spoor van de CHU leidt ons terug naar Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876). Deze orthodox-protestantse aristocraat was anti-revolutionair omdat het ongeloof volgens hem de dragende gedachte was van de (Franse) revolutie. Hij noemde zich bij voorkeur christelijk-historisch: zowel de bijbel (“Er is geschreven”) als de historie (“Er is geschied”) leren hem wat Gods plan met Nederland is, namelijk, dat Nederland bestuurd moet worden als een christelijke staat in de protestantse zin (zie onder 1.4. artikel1, lid 2 van het Program van Beginselen van de CHU).

Groen zette zich na 1857 (Wet Van der Brugghen) ook in het parlement in voor de opbouw van eigen positief-protestants onderwijs. In verband met die schoolstrijd was een sterke vertegenwoordiging van orthodox-protestanten in de Kamer nodig. Maar de aristocraat Groen was er de man niet naar om ‘het volk’ te mobiliseren. Dat deed Abraham Kuyper (1837-1920). Dr. Kuyper was een groot organisator en een man met groot gezag onder zijn ‘kleine luyden’. Hij wist de plaatselijke anti-revolutionaire kiesverenigingen te bundelen tot een nationale organisatie. In 1878 werd zijn Program van Beginselen gepubliceerd, in 1879 gevolgd door de oprichting van de Anti-Revolutionaire Partij.

De Savornin Lohman

De belangrijkste persoonlijkheid in de ARP naast Kuyper was jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman (1837-1924). Deze kwam al spoedig in verzet tegen het gezag van de alleenheerser Kuyper. Lohman vreesde dat kerk en wetenschap ondergeschikt zouden worden gemaakt aan Kuypers doel: de politieke macht vergroten. “Deze vrees werd in sterke mate gevoed door de oprichting in 1880 van de Vrije Universiteit op Gereformeerde Grondslag en door de Doleantie van 1886, die de Vaderlandse Kerk scheurde,” aldus de voorman van de CHU in de jaren 1963-‘67, H.K.J. Beernink in zijn Geschiedenis en beginsel van de Christelijk-Historische Unie (p. 10).

In de Tweede Kamer was er nogal eens gebrek aan eenheid onder de a.r.-kamerleden. Kuyper wilde die eenheid dwingend opleggen, Lohman niet. Die wilde als kamerlid vrijheid van beslissing houden en hij nam het niet dat Kuyper van buiten de kamer aan de a.r.-kamerleden de gedragslijn wilde voorschrijven. De breuk, die wel moest ontstaan, kwam tenslotte in 1894 naar aanleiding van de kiesrechtvoorstellen van Tak van Poortvliet. Kuyper was voorstander van Taks wet, die tot gevolg zou hebben dat het aantal kiesgerechtigden sterk zou groeien; Lohman was tegen.

Breuk

Toen Kuyper n 1894 in de Kamer werd gekozen, was er sprake van twee a.r.-groepen in die Kamer: één geleid door Kuyper, de andere door Lohman. Tenslotte vormde de laatste een eigen patij: de Vrij-Antirevolutionaire Partij. Deze droeg meer het karakter van een vrije samenwerking dan van een belijnde politieke organisatie

In middels was in 1897 de Christelijk-Historische Kiezersbond te Utrecht opgericht, met als bekendste figuur Dr. J.Th. de Visser. De bond bestond uit hervormden die van oordeel waren dat de ARP onder leiding van Kuyper teveel het stempel van de Doleantie droeg. Zowel de Vrij-ARP als de CH-Kiezersbond wilde wel krachtige steun geven aan het bijzonder onderwijs en steunde daarom op dat punt Kuyper.

In 1903 kwam het tot een fusie van Vrij-ARP en CH-Kiezersbond: de Chtistelijk-Historische Partij ontstond.

Christelijk-Historische Unie

In 1898 was in Friesland de Bond van Kiesverenigingen op Christelijk-Historische Grondslag opgericht, ook wel de Friese Bond genoemd. De hervormde predikant/theoloog Dr. Ph.J. Hoedemaker was de geestelijk leider. Evenals de CH-Kiezersbond was de Friese Bond tegenstander van de Doleantie en keerde zij zich ook tegen de overheersing van de gereformeerden in de ARP. Hoedemaker wilde een belijdende vólkskerk en een staat met de bijbel: “Heel de Kerk, en heel het Volk” was de titel van zijn bekendste brochure. Hij keerde zich tegen Kuypers anti-these die het volk verdeelt in twee groepen: zij die wel en zij die niet leven uit God en de Openbaring.

In 1908 verenigden de CH-Partij en de Friese Bond (die toen onder leiding stond van Dr. J. Schokking) zich in de Christelijk-Historische Unie.

De Unie van 1908 tot 1940

In 1909 verwierf de CHU twaalf zetels in de Kamer. Zij bleef altijd kleiner dan de ARP en drukte ook veel minder duidelijk haar stempel op de Nederlandse politiek dan de partij van Kuyper. Dat kwam niet alleen omdat ze kleiner was, maar ook omdat ze gematigder was in haar optreden en minder hecht georganiseerd. De strakke partijdiscipline van de ARP, nodig om macht en nvloed te verwerven, was de CHU vreemd. Ze was inderdaad meer een unie dan een partij, meer een samenwerkingsverband van regionale kiesverenigingen. Soms zelfs leek zij een samenwerkingsverband van individualisten.

J. Th. De Visser

In 1918 werden voor het eerst verkiezingen met algemeen evenredig mannenkiesrecht gehouden. De confessionele partijen verwierven toen de helft van de Kamerzetels. In dat confessionele blok, dat in het interbellum – en ook later nog vaak – het gezicht bepaalde van de Nederlandse politiek, was de CHU, hoewel weinig opvallend, een permanente factor.
Een van de bekendste c.h.-ministers was Dr. J.Th. de Visser. Hij beheerde in het eerste coalitiekabinet onder leiding van Ruys de Beerenbrouck de portefeuille van onderwijs en werkte de financiële gelijkstelling uit van bijzonder en openbaar lager onderwijs in de Wet-De Visser (1920).

D.J. de Geer

Sinds 1920 trad in dat kabinet als minister van financiën op, jhr. mr. D.J. de Geer. Tweemaal was hij daarna leider van een kabinet. Deze CHU-voorman is vooral bekend geworden als minister-president van het noodkabinet’ dat in mei 1940 naar Londen vertrok.

Meer bekende CHU-figuren

Andere bekende figuren binnen de CHU waren Dr. J. Schokking (lijstaanvoerder bij de verkiezingen in 1922), J.R. Snoeck Henkemans (sociaal nogal progressief en iemand die zich op organisatorisch gebied verdienstelijk maakte – een element dat binnen de CHU niet sterk ontwikkeld was - en Baron de Vos van Steenwijk. “De Baron” was een tijd voorzitter van de Eerste Kamer en een typische c.h.-individualist: hij beroemde zich erop dat hij voor de Tweede Kamer altijd op Colijn stemde (!) (Zie A.J. van Dulst, ed., Herinneringen aan de Unie waarin we ons thuis voelden, p.52.)

Tilanus

De man echter die zich als geen ander inzette voor zijn Unie en aan wie het waarschijnlijk te danken is dat de CHU na de Tweede Wereldoorlog bleef voortbestaan – aldus Van Dulst - , was H.W. Tilanus. Tilanus, artillerie-officier, leraar aan de KMA te Breda en later secretaris van de Onderwijsraad, werd in 1922 lid van de Tweede Kamer. Hij bleef dat tot 1963, sinds 1939 bovendien als leider van de CHU-fractie.
Hij ontplooide een activiteit die wat vreemd was aan de c.h.-mentaliteit: hij deed er alles aan om de zwakke organisatie van de CHU op te bouwen en te versterken. In zijn levensverhaal, zoals opgetekend door G. Puchinger in Tilanus vertelde mij zijn leven (1966), komt hij naar voren als een gematigde, tolerante man. Een man bovendien – en dat is typerend voor hem – die Tweede Kamerleden van verschillende politieke richtingen tot zijn vrienden rekende.

De Unie van 1940 tot 1950

In 1939 werd dus Tilanus fractievoorzitter van de CHU in de Tweede Kamer. In datzelfde jaar trad De Geer aan als minister-president van wat het laatste voor-oorlogse kabinet zou blijken te zijn.

Gegijzeld

Al in oktober voerden de Duitsers Tilanus als gijzelaar weg naar Buchenwald, samen met onder anderen de hoogleraren Geyl en B.C. de Savornin Lohman en de kamerleden Drees en Van der Goes van Naters. In 1942 werden de gijzelaars verplaatst naar “Beekvliet” (St. Michielsgestel), waar ook onder meer mensen van de Nederlandse Unie zaten. Al met al een bonte verzameling vooraanstaande Nederlandse politici en intellectuelen. De heren vermaakten elkaar met het houden van lezingen over onderwerpen op het gebied van staatkunde, geschiedenis, literatuur, theologie en dergelijke.

Zo hield professor Dr. Logemann, de latere minister van Overzeese Gebiedsdelen in het eerste na-oorlogse kabinet, lezingen over het onderwerp De staatkundige organisatie van Nederlands-Indië. “De meeste kamerleden – mij inbegrepen – wisten toch eigenlijk niets af van Indië (…) De gijzelaarstijd is voor mij in het algemeen een belangrijke leertijd geweest, maar zeker gold dit mijn kennis van Indië,” aldus later Tilanus in zijn correspondentie met G. Puchinger.

Omdat Tilanus nog steeds secretaris van de Onderwijsraad was, kon hij vrij gemakkelijk via dienstenveloppen corresponderen met zijn familie en met politieke vrienden. Zo hoorde hij ook van de terugkeer van De Geer in 1942 uit Engeland. In een brochure, De Synthese in den Oorlog, had deze opgeroepen zich neer te leggen bij de realiteit van de Duitse bezetting. Dit zette natuurlijk veel kwaad bloed en ook zijn c.h.-vrienden keerden hem de rug toe. Tilanus keurde zijn terugkomst en publicaties ook af, maar bleef wel in contact met hem.

Denken over de toekomst

Na zijn vrijlating uit het gijzelaarskamp in september 1944 begon Tilanus onmiddellijk persoonlijk contacten te leggen met c.h.-vrienden. Hij wilde er voor zorgen dat de CHU eventueel weer mee kon draaien in het politieke leven van na de oorlog. Al op 3 januari 1944 had hij vanuit St. Michielsgestel geschreven aan Mr. W.R.E. baron van der Feltz: “Na alles wat ik gehoord, gelezen en gezien heb, verwacht ik dat veel van voor 10 mei ’40 – althans de 6 of 7 groote groepeeringen die wezenlijke geestesrichtingen vertegenwoordigen – terug zullen keeren.” En ten aanzien van de CHU-aanhang constateert hij dat de ”groote massa trouw blijft aan wat was”.

De geschiedenis heeft geleerd dat Tilanus’ verwachtingen juist waren. Dat de CHU inderdaad terug zou keren was echter direct na de bevrijding nog helemaal niet zo zeker. Door de traditioneel zwakke organisatie en de geringe homogeniteit was de partij na het wegvallen van Tilanus al een min of meer slapend bestaan gaan leiden. Een deel van de aanhang ging het verzet in en werkte vaak samen met anti-revolutionairen, bijvoorbeeld bij de verspreiding van Trouw. Er was binnen de Unie een groep die zondermeer samen wilde gaan met de ARP (onder anderen prof. B.C. de Savornin Lohman). Een andere groep (met kopstukken als Van Walsum, Lieftinck en Van Rhijn) was fel anti ARP maar ook tegen een wedergeboorte van de CHU. Zij stapte na de oorlog in het kader van ‘de doorbraak’ over naar de PvdA (wat verdedigd werd als zijnde een consequentie van de verwerping van de CHU van de antithese.)

Na de bevrijding

Uiteindelijk kwam het niet tot een samengaan van de Unie met de ARP. “Kerkelijke gevoeligheden en menatliteit kúnnen niet opzij gedrongen worden,” aldus Tilanus in de al eerder geciteerde brief van Van der Feltz. Ook kwam het niet tot een leegloop naar de PvdA toe. “Het Nederlandse volk had de slecht geënsceneerde en ‘highbrow’-doorbraakoverrompeling afgewezen en had zich duidelijk uitgesproken voor de oude vertrouwde partijen,” aldus J. Hoek in zijn boek Herstel en vernieuwing. De Nederlandse politiek in de jaren 1945-1955.
Na de Tweede Wereldoorlog was de CHU tot april-mei ’48, toen zij haar stem gaf aan de grondwetsherziening die oplossing van de Indonesische kwestie mogelijk moest maken, meestal in oppositie tegen het regeringsbeleid inzake Nederlands-Indië. In augustus ’48 werd een c.h.-minister opgenomen in het eerste kabinet Drees. De CHU was zo weer, net als voor de oorlog meestal ook het geval was, regeringspartij geworden.

Grondgedachte en karakteristieken van de Unie

Grondgedachte

In artikel I van het Program van Beginselen, zoals dat opnieuw werd vastgesteld in 1951, ligt de grondgedachte der Unie besloten:
Art.1, eerste lid:
“Bij de uitoefening van het gezag in de staat behoort richtsnoer en toetssteen te zijn hetgeen in de Heilige Schrift wordt geopenbaard, ongeacht de personen, die met enig overheidsgezag zijn bekleed.”
Art.1, tweede lid:
“Ter beordeling van de vraag wat op staatkundig gebied dat richtsnoer en die toetssteen zijn, worde gelet niet alleen op de stellige uitspraken der Heilige Schrift, maar ook op het oordeel der Christelijke Kerk en op de leiding Gods in de geschiedenis der volkeren.” Commentaar van Mr. Beernink in zijn Geschiedenis en beginsel (p.30): “Wie staat zegt zegt overheid. Het wezen van de staat is gezag (…) als men het gezag ondermijnt, brengt men de staat zelf in gevaar.”
Deze opvatting maakt duidelijk dat men ook binnen de CHU de aanslag op het Nederlands gezag in Indië door de Republikeinen streng veroordeelde.

Karakteristieken

In zijn bijdrage aan Herinneringen aan de Unie waarin we ons thuis voelden, noemt A.D.W. Tilanus, zoon van de ‘oude’ Tilanus, twaalf c.h.-karakteristieken die hij ophangt aan twaalf kapstokken:

1. Beginselpartij.
De CHU wilde geen confessionele partij zijn, dat wil zeggen, wilde niet vereenzelvigd worden met de confessie van een bepaalde kerk. De unie heeft van het begin af het Evangelie zelf als beginsel gekozen en niet de door mensen gemaakte organisatorische bedding daarvoor.

2. Principiële overtuiging.
Los van enige kerk staande, heeft de CHU altijd wel willen luisteren naar wat de kerken te zeggen hadden over het maatschappelijk en staatkundige leven. Op basis daarvan en op basis van het Evangelie kon een principiële overtuiging worden opgebouwd.

3. Relativering
Benadering van maatschappelijke en staatkundige vragen op verschillende wijze was mogelijk. Daarom werd door de CHU een standpunt nooit met absolute beslistheid geponeerd.

4. Ruimte
Er was altijd ruimte om de mening te veranderen als nieuwe argumenten werden aangevoerd.

5. Eenheid in verscheidenheid
Die ruimte gaf verscheidenheid van mening, van waaruit men samen zocht naar de beste oplossing; dat gaf saamhorigheidsgevoel en eenheid.

6. Verdraagzaamheid.
Men heeft elkaar om een andere mening nooit verketterd.

7. Openheid
Het al of niet lid zijn van een kerkgenootschap en zo ja welke, was niet van belang als men lid wilde worden van de CHU. De Unie was een open partij waarin iedereen welkom was die er zich thuis voelde.

8. Heel het volk
De CHU heeft nooit groepsbelangen willen behartigen, maar de belangen van héél het volk in het oog gehouden.

9. Dienend
CH-mensen willen niet heersen, maar dienen.

10. Gouvernementeel
Geen a priori wantrouwende houding ten opzichte van de regering. Dit op basis van de grondstelling van de CHU dat de overheid Gods dienaresse is. Steun waar mogelijk, kritiek waar nodig.

11. Geen persoonsverheerlijking

12. CHU-familie
De organisatie is nooit de sterkste kant geweest van de CHU; men was, zeker tot de reorganisatie in de jaren '67-'68, nooit een echte politieke patij, maar een unie.

Tot zover, samengevat, Tilanus. Een karakteristiek die hij niet noemt, maar die er wel bijhoort: Oranjegezind.

Zo schrijft H.W. Tilanus op 31 augustus 1947 in een artikel ter gelegenheid van de verjaardag van de Koningin: “(…) Vrouwe, naar Wie ons volk vol vertrouwen en met liefde en eerbied in ’t hart opziet. Gode zij dank, dat wij zulk een Vorstin mogen bezitten.”(J. van Bruggen e.a., Wat zeggen ze ervan? CHU 9 juli 1908-3 juli 1948, p.27). Maar Oranjegezindheid kunnen we natuurlijk verwachten van een partij met historisch besef; als tenminste, zoals door de CHU, de rol van het Huis van Oranje in die historie als zeer positief voor ons land gezien wordt.

Lees verder

© 2009 - 2017 Petervandenburg, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Het Akkoord van LinggadjatiHet Akkoord van LinggadjatiLinggadjati, het is een magische naam uit het verleden. In dit Javaanse bergdorp kwamen Nederland en Indonesië zestig ja…
Vietnam; vijandbeeldenIn de Koude Oorlog maakten zowel de Svojet-Unie als de Verenigde Staten gebruik van propaganda. Hiermee verklaarde en le…
Dekolonisatie na de Tweede WereldoorlogVoor de Tweede Wereldoorlog, hadden veel Europese landen verscheidende kolonies. Na de oorlog veranderde dit echter en w…
Toerisme in IndonesiëToerisme in IndonesiëIndonesië is een schitterend land, dat je als toerist zeker een keer gezien moet hebben. Het land heeft ontzettend veel…
Instellingen van de Europese UnieDe Europese Unie heeft zeven instellingen, waarvan vier politieke instellingen en drie niet-politieke instellingen. In d…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: V.Leers, Wikimedia Commons (CC BY-SA)
  • Geraadpleegde literatuur staat in de tekst vermeld
  • www.petervandenburg.nl

Reageer op het artikel "De Christelijk-Historische Unie in de periode 1908-1948"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Petervandenburg
Laatste update: 12-05-2017
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Politiek
Bronnen en referenties: 3
Schrijf mee!