InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Communicatie > Wittgenstein en het Augustijnse beeld van de taal
mijn kijk op

Wittgenstein en het Augustijnse beeld van de taal

Ludwig Wittgenstein begint zijn boek Philosophische Untersuchungen met een citaat van Sint Augustinus. Aan de hand hiervan beschrijft hij wat volgens hem het Augustijnse beeld van de taal is. Vervolgens levert hij argumenten om te laten zien dat dit beeld niet strookt met de werkelijkheid. Ik zal bespreken waar het Augustijnse beeld van de taal uit bestaat, en of Wittgenstein’s argumenten sterk genoeg zijn om het beeld inderdaad te weerleggen.

Het Augustijnse beeld van de taal

Wat is het Augustijnse beeld van de taal? Augustinus beschrijft in het citaat voornamelijk de manier waarop hij als kind de taal heeft geleerd. Dit gebeurde met ‘ostensieve training’: de ouder wijst een object aan en noemt het bij de naam, waarna het kind hetzelfde zegt. Zo leerde Augustinus wat de woorden betekenden: de objecten waar ze voor stonden. En zo leerde hij de taal, die hij vervolgens kon gebruiken. Wittgenstein leidt uit deze informatie af dat het Augustijnse beeld van de taal de volgende vier aannames doet: mensen leren de taal met ostensieve training, elk woord heeft een betekenis, er zijn geen verschillen tussen soorten woorden, en de betekenis van een woord is het object waar het voor staat.

Waarom Augustinus?

Maar reflecteert dit beeld echt wat Augustinus gelooft? Het boek waar Augustinus’ citaat uit komt is niet een boek dat gaat over wat taal is, en Augustinus lijkt geen theoretische verklaring te willen geven van hoe het leren van de taal precies in zijn werk gaat of wat woordbetekenis precies inhoudt. Augustinus is daarnaast ook geen filosoof op het gebied van taalfilosofie. Als we aannemen dat Augustinus wel probeert de taal te analyseren, dan levert dit inderdaad een vreemde theorie van de taal op, waar geen enkele filosoof het mee eens zou zijn en Augustinus zelf waarschijnlijk ook niet. Immers, zinnen bestaan volgens dit idee uit alleen maar namen, en er is geen onderscheid tussen soorten woorden. Waarom valt Wittgenstein deze positie aan, als niemand hem eigenlijk serieus neemt?

Wittgenstein lijkt eigenlijk iets anders te willen doen dan Augustinus of het Augustijnse beeld van de taal aan te vallen. Volgens Warren Goldfarb is Wittgenstein bewust aan het proberen een reactie bij de lezer los te maken. Als mensen het citaat van Augustinus lezen, zien ze geen probleem, hij geeft simpelweg een beschrijving van hoe kinderen woorden leren. Maar Wittgenstein schrijft: “These words, it seems to me, give us a particular picture of the essence of human language.” Dan gaan de lezers op een andere manier naar Augustinus’ woorden kijken. Ze waren het ermee eens, maar zijn ze het dan ook eens met het filosofische idee erachter? Dit kan toch niet de essentie van de taal zijn? Het citaat van Augustinus lijkt in eerste instantie kloppende dingen te zeggen, maar niet als je het beschouwt als filosofische theorie over de taal, wat het ook niet pretendeert te zijn. Toch probeert Wittgenstein zijn lezers zo naar de woorden te laten kijken. Wat is het doel hiervan?

Een antwoord op deze vraag zou kunnen zijn dat Wittgenstein met een voorbeeld dat goed te begrijpen is, een breder standpunt probeert te verdedigen. Niemand zou zeggen dat wat Wittgenstein beschrijft als het Augustijnse beeld van de taal, een kloppend beeld is. Wittgenstein kan dus uitleggen hoe zo’n wrang beeld van de taal tot stand is gekomen, en de oorzaken die hij vindt gebruiken als argumenten tegen andere theorieën van de taal, die volgens Wittgenstein op dezelfde manier de fout in gaan, maar waarvan het voor de lezers niet zo overduidelijk is dat ze een onjuist beeld van de taal geven. Zo’n oorzaak is bijvoorbeeld dat je niet iets algemeens over taal kan zeggen, op basis van een geïsoleerd voorbeeld. Augustinus schrijft dan ook in een verder deel van zijn boek: “A main cause of philosophical disease—a one sided diet: one nourishes one’s thinking with only one kind of examples.” Wittgenstein valt dus niet Augustinus aan in zijn tekst, maar toont een denkfout aan die ook in veel andere theorieën van de taal een rol speelt.

De bouwvakkers

Nu zal ik verder gaan met de originele vraag: heeft Wittgenstein het Augustijnse beeld van de taal weerlegd? Dit klinkt erg waarschijnlijk, nu we erachter zijn dat het Augustijnse beeld van de taal niet echt volgt uit een filosofische theorie en ook niet door belangrijke denkers wordt aangehouden. Ik zal de vier al eerder genoemde aannames van het Augustijnse beeld van de taal volgens Wittgenstein één voor één bespreken. Maar ik begin met een argument dat Wittgenstein heeft tegen Augustinus’ gehele beschrijving van de taal.

Volgens Wittgenstein is Augustinus’ beschrijving te beperkt om alle vormen van taal te kunnen beschrijven, omdat hij bijvoorbeeld alleen maar woorden die namen zijn toelaat in de taal, terwijl wij zelf ook andere woorden in onze taal hebben, wat ook betekent dat er verschillende woordsoorten in onze taal bestaan. Wittgenstein noemt een voorbeeld van een primitieve taal die volgens hem wel voldoet aan de beschrijving van Augustinus. Deze taal is die van twee bouwvakkers, waarvan de één verschillende soorten stenen aan de ander moet geven. De enige woorden die zij nodig hebben zijn: ‘blok’, ‘pijler’, ‘plaat’ en ‘balk’. Deze roept de bouwer naar de aangever, die ze vervolgens aangeeft.

Voorbeeld klopt niet

Dit is waar Goldfarb een probleem aansnijdt. Is deze taal van de bouwvakkers wel echt een voorbeeld van hoe Augustinus de taal omschrijft? Hij zegt dat woorden namen zijn van objecten, maar de woorden uit deze taal werken anders, ze zijn eerder uitroepen, codes of bevelen. Ze lijken niet hetzelfde te zijn als woorden die namen zijn van objecten uit onze taal. In tegenstelling tot het voorgaande zegt Goldfarb ook dat het moeilijk te verdedigen is dat een blok in deze taal geen ‘blok’ heet, als er met ‘Blok!’ om gevraagd wordt.

Maar volgens mij verdedigt Wittgenstein dat standpunt zelf, als hij zegt dat de betekenis van een woord de functie ervan is. De woorden uit de taal van de bouwvakkers werken alleen als bevelen, niet zoals veel woorden uit onze taal, die de namen zijn van objecten en niets anders doen dan naar die objecten verwijzen. Nog explicieter schrijft Wittgenstein: “But what about this: is the call ‘Slab!’ in example (2) a sentence or a word?—If a word, surely it has not the same meaning as the like sounding word of our ordinary language, for in §2 it is a call.” Hij zegt hier ook dat een woord uit de taal van de bouwvakkers niet zomaar met een woord dat de naam is van een object uit onze taal te vergelijken is. Later concludeert hij dat ‘Plaat!’ in de taal van de bouwvakkers hetzelfde betekent als “Breng me een plaat!” in onze taal. De woorden uit deze taal zijn dus geen namen van objecten, en het is daarom vreemd dat Wittgenstein eerst zegt dat de taal van de bouwvakkers een taal is die aan de beschrijving van Augustinus voldoet. Dat sluit natuurlijk niet uit dat er een andere primitieve taal is te verzinnen die wel binnen Augustinus’ beschrijving valt.

Dit is geen taal

Goldfarb gaat nog verder met het voorbeeld van de bouwvakkers. Wittgenstein schrijft: “We could imagine that the language of §2 was the whole language of A and B.” Volgens Goldfarb is de taal van de bouwvakkers ook voor te stellen als niet volledige taal, subtaal, de taal die wordt gebruikt in operatiekamers bijvoorbeeld, en die bestaat uit uitroepen als ‘Scalpel!’ en ‘Hechting!’. Maar als het de volledige taal van de bouwvakkers is, als de mannen niets anders kunnen verwoorden dan hun vier bevelen, dan kijken we op een heel andere manier naar deze taal dan naar de taal in operatiekamers. “It’s natural now to think of the builders as cavemen, slow and ponderous, with blank expressions. And then the question, or challenge, or objection, arises: can we take them to be speaking, to be using words with understanding? Isn't it just like the dances of bees? Isn't it just too mechanical, too much an automatism?” Goldfarb’s conclusie is dat we ons af moeten vragen of deze ‘taal’ die de bouwvakkers spreken eigenlijk wel een taal te noemen is.

Wittgenstein zelf schrijft in Zettel dat het inderdaad zin heeft je af te vragen of de bouwvakkers wel een taal spreken, en zijn reden hiervoor is dat je het je af kan vragen of de bouwvakkers wel kunnen denken. “You are just tacitly assuming that these people think; that they are like people as we know them in that respect; that they do not carry on that language-game merely mechanically. For if you imagined them doing that, you yourself would not call it the use of a rudimentary language.” Goldfarb legt uit waarom we zo redeneren. We denken dat taal gesproken wordt door mensen die al gedachten hebben, dat het denken ervoor zorgt dat taal ontstaat. Immers, denken en taal zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als je dan een beeld hebt van bouwvakkers die bijna als automaten werken, zo primitief, zouden die dan wel kunnen denken, en dus taal kunnen spreken? We moeten volgens Goldfarb inzien dat het best zo kan zijn dat denken soms niet verder gaat dan het spreken en handelen op zich, ofwel, we stellen ons er teveel bij voor. Dat zou betekenen dat het denken misschien ook wel volgt uit de taal, in plaats van andersom. De grote vraag is: denken de bouwvakkers? Alleen dan kunnen we erachter komen of ze een taal spreken. Maar dit is precies wat we niet weten. Dit is ook Wittgenstein’s conclusie. Er is zoiets als primitief denken, en dat past bij het primitieve gedrag en de primitieve taal van de bouwvakkers. Dus het zou kunnen dat ze zouden denken, maar het is niet zeker.

Kritiek bouwvakkers

Goldfarb heeft dus argumenten gegeven tegen het gebruik van het voorbeeld van de bouwvakkers ter illustratie van een taal die volgens Augustinus’ regels zou werken. Zijn eerste argument is dat de regel dat de woorden uit de taal namen zijn van objecten, niet opgaat voor de taal van de bouwvakkers. Dit lijkt me een sterk punt, ook omdat Wittgenstein zelf benoemt dat de uitspraken van de bouwvakkers niet de namen zijn van objecten, maar opdrachten die ze geven. Het tweede argument van Goldfarb is dat je je kan afvragen of de bouwvakkers eigenlijk wel taal spreken, omdat ze misschien wel te primitief zijn om te kunnen denken. Hier is moeilijk wat over te zeggen, omdat er niet zo gemakkelijk criteria te vinden zijn over wat denken is. Wel is relevant dat het mogelijk is dat denken niet voorafgaat aan taal, en dat het ook niet complex hoeft te zijn, dus dat een primitief soort denken eigenlijk wel goed bij het voorbeeld van de bouwvakkers past en dus de mogelijkheid open laat dat ze wel taal spreken.

Dit alles maakt Wittgenstein’s argument dat het Augustijnse beeld van de taal te beperkt is om alle taal te beschrijven natuurlijk niet ongeldig. Het lijkt mij een sterk argument dat laat zien dat er ergens iets mis is met het Augustijnse beeld van de taal.

De vier aannames van het Augustijnse beeld van de taal

Ostensieve training

Dan zal ik nu beginnen met de analyse van de kritiek van Wittgenstein op de vier verschillende onderdelen van het Augustijnse beeld van de taal, waarvan ik nu de eerste zal weergeven: het idee dat we de taal leren met ostensieve training.
Ostensieve training betekent dat een kind de taal leert door te luisteren en kijken naar iemand die een voorwerp aanwijst en de naam ervan geeft. Het probleem dat Wittgenstein hier ziet, is dat niet alle woorden die we gebruiken zomaar ‘aan te wijzen’ zijn. Als je naar een voorwerp wijst, hoe maak je dan het verschil tussen het wijzen naar de vorm, de kleur, de functie of welke andere eigenschap ervan dan ook? “So one might say: the ostensive definition explains the use –the meaning– of the word when the overall role of the word in language is clear.” Dit betekent volgens Wittgenstein dat iemand al iets moet weten of moet kunnen doen om via ostensieve training te kunnen leren. Later beschrijft hij ostensieve training als de manier waarop iemand de taal leert die al een beeld van taal heeft, de manier waarop iemand in een vreemd land een vreemde taal leert. Je kan dus met ostensieve training een taal leren, maar je moet al een beeld van taal hebben en kunnen ‘denken’ in taal.

Bij deze argumentatie vallen wat voetnoten te plaatsen. Wittgenstein maakt duidelijk dat er geen verschil is tussen het wijzen naar onder andere de vorm of de kleur van iets. Dat is een argument voor het niet de taal kunnen leren met alleen ostensieve training. Het klopt zeker dat een kind gaat denken dat het woord ‘cirkel’ verwijst naar klok, als iemand daarnaar wijst om ‘cirkel’ uit te leggen. Maar de leraar zal vaker naar verschillende soorten cirkels wijzen om het woord ‘cirkel’ uit te leggen, en zo kan het kind erachter komen wat alle cirkels gemeen hebben, en wat dus wordt bedoeld met ‘cirkel’. Het is dus niet nodig voor ostensieve training om een verschil te kunnen maken tussen het wijzen naar de vorm en het wijzen naar de kleur, bijvoorbeeld. De conclusie die Wittgenstein trekt, dat iemand al iets moet weten of moet kunnen doen om via ostensieve training te kunnen leren, is echter wel een waarheid. Hij volgt echter niet uit dit argument, maar uit bijvoorbeeld het voorbeeld dat Wittgenstein geeft van het eerst moeten kennen van de functie van een stuk in een spel, om te kunnen begrijpen wat het betekent om over een stuk uit een schaakspel te zeggen: “Dit is de koning.”

Het kind moet al iets begrijpen over taal, om het met ostensieve training te kunnen leren. Stanley Cavell komt tot dezelfde conclusie, door verder te gaan met een ander punt dat Wittgenstein maakt over wat namen inhouden: “It will often prove useful in philosophy to say to ourselves: naming something is like attaching a label to a thing.” Cavell zegt dat deze analogie inderdaad serieus genomen moet worden. Iemand moet al iets weten, of kunnen doen, om een label ergens op te kunnen plakken, wat nodig is bij het leren van de taal met ostensieve training. En wat je moet weten is bijvoorbeeld wat het ding waar het om gaat is, wat een label is en waarom je een label ergens op zou plakken. Ostensieve training alleen is dus niet genoeg om de taal te leren. Er is meer nodig.
Leren we dus de taal met ostensieve training? Het feit dat we geen onderscheid kunnen maken in wijzen naar vorm, functie of kleur, hoeft niet te betekenen dat ostensieve training iemand geen taal kan leren. Een kind kan immers raden waarnaar gewezen wordt, en als hij hiermee fout zit, zal hij daar vanzelf achterkomen en de misvatting kunnen oplossen. Toch heeft Wittgenstein gelijk. Ostensieve training alleen is niet genoeg, het kind moet ook een algemeen begrip hebben van hoe taal werkt en wat bijvoorbeeld de functie is van het naamgeven. Ostensieve training is dus een belangrijk onderdeel in het leren van de taal, maar zeker niet het enige.

Betekenis

De tweede aanname van het Augustijnse beeld van de taal, die ik zal bespreken, is dat elk woord een betekenis heeft. Om hiertegen te argumenteren vergelijkt Wittgenstein de betekenis van verschillende woorden in verschillende contexten met elkaar. Je zou kunnen zeggen dat de betekenis van ‘plaat’ het object is waar het woord naar verwijst. Dit zou je doen in het geval je het van een ander object zou willen onderscheiden. Ook kan je zeggen dat de betekenis van een bepaald teken, een getal is. Dit zou je doen als je getallen van objecten zou willen onderscheiden. Maar van hetzelfde teken zou je weer zeggen dat de betekenis ervan een specifiek getal is, als je het van een ander getal zou willen onderscheiden. We geven de betekenis van verschillende woorden in verschillende situaties op verschillende manieren. Wat betekent het hebben van betekenis dan nog, als dat in allerlei gevallen een heel ander soort beschrijving inhoudt?

Wittgenstein vergelijkt de uitspraak “Alle woorden hebben betekenis,” met “All tools serve to modify something.” Je zou kunnen zeggen dat elk gereedschap iets verandert. Maar de hamer verandert de positie van de spijker, het liniaal onze kennis van de lengte van een ding en de spijkers de stevigheid ervan. Als we een uitspraak zo algemeen begrijpen dat we hem op van alles kunnen toepassen, wordt hij betekenisloos. En zo zegt Wittgenstein: “When we say: ‘Every word in language signifies something’ we have so far said nothing whatever; unless we have explained exactly what distinction we wish to make.” De uitspraak: “Elk woord heeft een betekenis,” is dus zinloos.

Woordsoorten

Dan is er de aanname van Augustinus dat er geen verschillende soorten woorden bestaan. Wittgenstein schrijft: “Augustine does not speak of there being any difference between kinds of word.” Het lijkt me ten eerste een beetje overhaast om nu meteen te zeggen dat Augustinus het verschil tussen woorden niet erkent. Laten we daar echter niet verder op in gaan, omdat we al hebben geconstateerd dat het Augustijnse beeld van de taal geen beeld is dat serieus genomen moet worden, of dat Wittgenstein echt tegen Augustinus aan het argumenteren is.

Het eerste argument om de verschillen tussen woorden te laten zien is eigenlijk al gegeven toen ik het over betekenis had. Als je zegt dat elk woord een betekenis heeft, dan geef je verschillende woorden in verschillende contexten verschillende soorten betekenissen. Dit laat zien dat niet alle woorden hetzelfde zijn, omdat de betekenis ervan niet op dezelfde manier kan worden gegeven.

Verder ligt het voor de hand dat getalwoorden, kleurwoorden en ‘dit’ en ‘dat’, aanwijzende voornaamwoorden, verschillende soorten woorden zijn. Wittgenstein toont dit aan door te beschrijven hoe deze woorden met ostensieve training aangeleerd kunnen worden. Zo leer je de namen van voorwerpen door te kijken naar welke voorwerpen de leraar wijst. De getallen kunnen op soortgelijke manier aangeleerd worden, door naar groepen van voorwerpen te wijzen. En kleurwoorden kunnen weer gegeven worden door naar verschillende voorwerpen te wijzen met dezelfde kleur. Maar hoe zit het met de aanwijzende voornaamwoorden? “Are ‘there’ and ‘this’ also taught ostensively?—Imagine how one might perhaps teach their use. One will point to places and things—but in this case the pointing occurs in the use of the words too and not merely in learning the use.” Bij het aanleren van de namen van voorwerpen, kleuren, en getallen, wijst men naar hetgeen waar het woord naar verwijst, maar bij ‘dit’ en ‘dat’ moeten de woorden gebruikt worden in de ostensieve training. Er is dus een duidelijk verschil te zien tussen namen van objecten, kleuren en nummers, in de ostensieve training, en al helemaal tussen deze drie soorten woorden en de aanwijzende voornaamwoorden.

Wittgenstein geeft twee belangrijke argumenten voor het bestaan van verschillende soorten woorden. De betekenis ervan wordt op verschillende manieren gegeven en ook worden ze op een verschillende manier aangeleerd. Dit lijken mij sterke argumenten. Natuurlijk zijn er nog veel meer verschillen te bedenken en is het iedereen duidelijk dat er verschillende woorden bestaan, net als Goldfarb ook schrijft: “No one can deny that there are all sorts of differences in kinds of words: nouns, adverbs, verbs, articles.” Het spreekt voor zich.

Woorden als namen

De laatste aanname die ik zal bespreken is de volgende: “This meaning is correlated with the word. It is the object for which the word stands.” Wittgenstein zegt dat volgens Augustinus alle woorden in de taal de namen van objecten zijn. Dit kan natuurlijk niet het geval zijn. Het is duidelijk dat zinnen niet uit alleen maar namen bestaan. Hier blijkt weer eens dat het Augustijnse beeld van de taal niet erg geloofwaardig is.

Wittgenstein begint bij de functie van het geven van namen aan objecten. Augustinus schrijft: "We name things and then we can talk about them: can refer to them in talk." Maar er zijn natuurlijk veel meer functies van woorden. Zelfs kan een woord als ‘water’, waarvan je meteen denkt dat het de naam van een ‘object’ is, als uitroep gebruikt worden in plaats van als verwijzing in gesprek. Denk aan andere uitroepen als ‘Help!’ en ‘Au!’. Hoe zijn dit namen van objecten? Volgens Wittgenstein komt de betekenis van woorden, als ze al een betekenis hebben, waar we het eerder over gehad hebben, uit de rest van de taal om deze woorden heen, en zijn woorden niet te isoleren. Zo vergelijkt hij taal met een mechanisme in een auto. “’I set the brake up by connecting up rod and lever.’—Yes, given the whole of the rest of the mechanism. Only in conjunction with that is it a brake-lever, and separated from its support it is not even a lever; it may be anything, or nothing.” Volgens Wittgenstein ligt de betekenis van een woord dan ook in het gebruik ervan. “Don't you understand the call "Slab!" if you act upon it in such-and-such a way?”

Een andere manier om het probleem te bekijken is door de aanname op een andere manier te formuleren. “De betekenis van een woord is het object waar het naar verwijst,” is hetzelfde als: “Een woord heeft geen betekenis als het niet naar een object verwijst.” Maar hoe zit het dan met namen van mensen die dood zijn? Het ‘object’ waar ze naar verwijzen verdwijnt, maar deze woorden zijn toch niet betekenisloos?

Wittgenstein zegt dus, al geeft hij wel toe dat er veel woorden zijn die namen van objecten zijn, en naar objecten verwijzen, dat dit niet voor alle woorden geldt. Immers, de betekenis van een woord ligt in het gebruik ervan, en woorden worden op veel verschillende manieren gebruikt. Ook zijn er veel woorden die echt niet naar een ding verwijzen, zoals de namen van mensen die dood zijn, en die toch een betekenis hebben. De aanname van Augustinus klopt dus niet.

Conclusie

Wat betekent dit alles? Heeft Wittgenstein het Augustijnse beeld van de taal weerlegd? Dit beeld bestaat uit vier aannames: mensen leren de taal met ostensieve training, elk woord heeft een betekenis, er zijn geen verschillen tussen soorten woorden, en de betekenis van een woord is het object waar het voor staat.

Het eerste argument dat Wittgenstein tegen het Augustijnse beeld heeft, is dat de beschrijving van Augustinus te beperkt is om alle taal te kunnen beschrijven. Hij geeft een voorbeeld van een primitieve taal die wel binnen de beschrijving zou vallen, maar deze blijkt er eigenlijk niet aan te voldoen. Het voorbeeld is dus niet op zijn plaats, maar het argument dat de beschrijving van Augustinus te beperkt is blijft staan.

Dan zijn er argumenten die de vier aannames van het Augustijnse beeld apart aanvallen. Zo leren we de taal niet alleen met ostensieve training, maar hebben we ook algemeen begrip hebben van hoe taal werkt nodig. Het idee dat elk woord een betekenis heeft is volgens Wittgenstein onzinnig, omdat van verschillende woorden op zulke verschillende manieren de betekenis wordt gegeven, dat ‘betekenis’ nietszeggend is geworden. Dan zijn er ook verschillende soorten woorden, wat bijvoorbeeld te zien is aan de verschillende manier van betekenis geven ervan, en aan de verschillende manier van het leren van de woorden. Als laatst verwijzen niet alle woorden naar objecten. Immers, sommige woorden zijn uitroepen die nergens naar verwijzen, en ook kan er naar ‘niet bestaande’ dode mensen verwezen worden.

Nu is het heel duidelijk dat ‘het Augustijnse beeld van de taal’ weerlegd is, maar dat is eigenlijk geen verassing. Het is namelijk geen theorie van de taal, en geen beeld waar een taalfilosoof achter staat. De verklaring die ik hiervoor heb gegeven is dat Wittgenstein, door uit te leggen wat er mis is met het beeld dat Augustinus schetst van de taal, de mensen bepaalde dingen wil laten zien die mis kunnen zijn met een theorie van de taal. Zo is één van de problemen bij het Augustijnse beeld van de taal, dat niets algemeens over taal worden gezegd, op basis van een geïsoleerd voorbeeld. En dit is iets waar ook serieuzere theorieën van de taal zich schuldig aan maken.
© 2014 - 2019 Juliaheerink, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De relatie tussen taal, denken en werkelijkheidDe relatie tussen taal, denken en werkelijkheidTaal, het verwerven van taal en deze te gebruiken voor onderlinge communicatie is dat wat de mens onderscheidt van de di…
Een wintervertelling uit Buenos Aires; Sylvia IparraguirrerecensieEen wintervertelling uit Buenos Aires; Sylvia IparraguirreBij Uitgeverij De Geus verscheen in 2011 de roman Een wintervertelling uit Buenos Aires van de Argentijnse schrijfster S…
Filosofie voor beginners: de MiddeleeuwenIn de middeleeuwen staat de wereld van de filosofie op een laag pitje. De middeleeuwen wordt vaak gezien als een lange d…
Bekende conceptuele kunstenaars uit de jaren zeventigBekende conceptuele kunstenaars uit de jaren zeventigHoewel conceptuele kunst niet ontstaan is in de jaren zeventig, kennen deze jaren wel het hoogtepunt van de conceptuele…
Levenskunst: een goed leven met zorg voor jezelfLevenskunst: een goed leven met zorg voor jezelfLeven leer je met vallen en opstaan, wordt altijd gezegd. De een lijkt dat beter af te gaan dan de ander. Hoe kan dat? I…
Bronnen en referenties
  • Cavell, Stanley. The Claim of Reason. Oxford: Oxford University Press, 1979.
  • Goldfarb, Warren. Wittgenstein’s Philosophical Investigations. http://sydney.edu.au/arts/philosophy/documents/Goldfarb/GoldfarbLect2.pdf (geraadpleegd 14-06-2014).
  • Wittgenstein, Ludwig. Philosophical Investigations. Vertaald door G. E. M. Anscombe. Oxford: Basil Blackwell, 1986.

Reageer op het artikel "Wittgenstein en het Augustijnse beeld van de taal"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Juliaheerink
Gepubliceerd: 16-06-2014
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Communicatie
Bronnen en referenties: 3
Mijn kijk op…
Deze rubriek bevat artikelen welke naast objectieve informatie ook een mening en/of ervaring beschrijven.
Schrijf mee!