InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Religie > Liefdesgedicht Hooglied: Je borsten zijn als druiventrossen

Liefdesgedicht Hooglied: Je borsten zijn als druiventrossen

Liefdesgedicht Hooglied: Je borsten zijn als druiventrossen Het bijbelboek Hooglied is een niet zo bekend bijbelboek. Er zal niet snel uit worden voorgelezen aan tafel of in de kerk. Dat komt vanwege de erotische lading in het boek, dat een liefdesdialoog is tussen een jonge man en een jonge vrouw. Hooglied kan letterlijk worden opgevat, maar ook allegorisch waarbij de personages en het (lichamelijke) verlangen vergeestelijkt worden. Zo ontdoe je de tekst van erotiek en heeft het weer een vertrouwde religieuze inhoud. Kunnen we opgelucht ademhalen.

Liefdesgedicht Hooglied: Je borsten zijn als druiventrossen


Klik hier voor een artikelenreeks over poëzie in de bijbel: chiasme of kruisstelling, parallellisme en acrostichon.

Lied der liederen

Het hooglied heet in het Hebreeuws 'Sjier hasjieriem', hetgeen 'Lied der liederen' betekent. De term 'hooglied' is afgeleid van een vertaling van de door de kerkhervormer Luther geïntroduceerde benaming 'Hohelied'. Lied der liederen, het allermooiste lied: daarmee wordt uigedrukt dat het allerheerlijkste op aarde wordt bezongen, namelijk de liefde. Hooglied is een liefdeslied, een gedicht in de vorm van een tweespraak tussen geliefden, vaak erotisch en hartstochtelijk van aard. Het gaat om een jonge vrouw en een jonge man die om beurten spreken en soms afgewisseld worden door 'meisjes van Jeruzalem' (5:8). Door de liefde die zich ontwikkelt is er sprake van een spanningsopbouw.

Datering en auteurschap

Hooglied staat ook bekend als het 'Lied van Salomo'. Net als de bijbelboeken Prediker en Spreuken wordt Hooglied verbonden met Salomo. Er is discussie over de ouderdom van het boek. De dateringen van geleerden lopen uiteen van de tijd van Salomo tot na de ballingschap of in de hellenistische periode. Er is Egyptische liefdespoëzie uit het einde van het tweede millennium bekend; er is weinig reden - ook in het boek zelf - voor een late datering.

Structuur

Volgens sommige commentatoren en schriftuitleggers is er bij het Hooglied niet sprake van een duidelijke compositie. Hooglied wordt wel gezien als een beschrijving van een liefdesrelatie - van verkering tot het huwelijk en daarna - tussen een jonge man en een jonge vrouw. Vanuit dit perspectieg bezien is het huwelijk en de huwelijksvoltrekking de kern van het gedicht, zoals te lezen in Hooglied 3:6 tot 5:1.(*)

Volgens modern onderzoek kan Hooglied onderscheiden worden in zeven delen, die een concentrische opbouw laten zien. En elk van deze delen bestaat ook weer uit een zorgvuldige compositie. De volgende zeven delen worden tegenwoordig onderscheiden:
  • inleiding (1:2-2:7);
  • vertelling van de omstandigheden (2:8-3:5);
  • centrale gedeelte met uiteenzetting van de hoofdpersonen en hun toenaderingspogingen (3:6-5:1; 5:2-6:3 en 6:4-7:6), met het bereiken van het hoogtepunt (5:5) en de gevolgen daarvan;
  • de (on)mogelijkheden om de relatie te verdiepen en voort te zetten (7:7-8:4);
  • zij stuurt hem weer weg in het laatste deel (8:5-14).(**)

Allegorische verklaring

Doordat Hooglied niet duidelijk religieus is, maar wel erotisch van aard, heeft het (preutse) bijbeluitleggers voor problemen geplaatst. Ze zochten hun toevlucht in een allegorische (symbolische) verklaring van Hooglied. In het traditionele jodendom slaat het Hooglied op de verhouding van de God van Israël tot Zijn volk. Om die reden is Hooglied een feesttekst tijdens het Pesach-feest. Hooglied wordt op de achtste dag van het Pascha (Pesach) voorgelezen. De rabbijnen waren tegen een letterlijke uitleg van Hooglied als liefdeslied. Op aandringen van Rabbi Aqiba werd het rond 100 na Chr. definitief opgenomen in de canon, dat wil zeggen gezaghebbende boeken die tot de bijbel behoren. Dit echter op voorwaarde dat Hooglied zou worden uitgelegd op een allegorische wijze.

In christelijke kring is de liefde tussen bruidegom en bruid dikwijls opgevat als zou het gaan over Christus in relatie tot tot Zijn gemeente of de liefde tussen God en de gelovige. Een duidelijk voorbeeld van en allegorische verklaring is het commentaar van kerkvader Gregorius de Grote (ca. 540-604) op Hooglied, het Expositio in Canticum canticorum.

Het commentaar van Greogorius de Grote

Gregorius legt de bruid en de bruidegom uit als Christus en de kerk, alsook voor "iedere ziel afzonderlijk". Hij beschouwt het Hooglied als het hoogtepunt van de bijbel: "Hooglied is een lied waarmee we onze band met God bezingen." Hij vond het vanzelfsprekend om Hooglied geestelijk op te vatten. In de eeuwen na hem was dat ook gebruikelijk. Zo staan de jonge vrouwen volgens Gregorius voor "de jeugdige zielen die door hun frisse enthousiasme volwassen aan het worden zijn".(***) De vrienden van de bruidegom staan voor engelen die aan mensen verschijnen of voor al die volmaakte mannen in de kerk die de waarheid verkondigen. Wijn staat voor de kerkvader voor de kennis van de wet en de profeten. Borsten staan in de allegorische verklaring van Gregorius voor 'de nederige vormen van verkondiging van Zijn menswording'. Uit deze voorbeelden wordt duidelijk dat de allegorie tot in de kleinste details wordt doorgetrokken.

De allegorie verschaft onze ziel, die zich ver van God bevindt, een soort hefboom die haar in staat stelt om zich tot God te verheffen. (Greogorius de Grote)

Terug naar de tekst

Een ver doorgeschoten allegorische verklaring en een verontachtzaming van de letterlijke betekenis, doet geen recht aan de eerste betekenis van de tekst; nergens in het Hooglied vinden we sterke aanwijzingen of aanknopingspunten voor een allegorische verklaring. Het is van belang om bij het lezen van de bijbel de tekst op te vatten zoals die tot ons komt; het gaat dan allereerst om de primaire bedoeling van de tekst. Dit neemt niet weg dat we op hoofdgedachten een allegorische interpretatie mogen toepassen, doch wel met de nodige voorzichtigheid en terughoudendheid. In de volgende teksten vinden we ondersteuning voor de vergelijking tussen het huwelijk tussen mensen en Gods liefde voor zijn volk: Hosea 2; Jeremia 2:2; Efeziërs 5:22-23; Openbaring 21:2. Deze afzwakking van de allegorische interpretatie wordt typologische interpretatie genoemd: de liefde tussen bruidegom en bruid representeert een type van de liefde tussen God en de gelovige. De vergelijking is bij de typologische verklaring slechts op een aantal plaatsen aanwezig, in plaats van tot in de kleinste details zoals bij de allegorische interpretatie. Bij de typologische opvatting wordt ervan uitgegaan dat Hooglied ons allereerst iets leert over de liefde van God voor de mens; dat is de moraal van het verhaal.

Een liefdesgedicht

We kunnen Hooglied ook letterlijk lezen en in dat geval is het een beschrijving van de liefde tussen bruidegom en bruid. Deze uitleg doet recht aan de eerste bedoeling van Hooglied, een gedicht waarin de liefde tussen een jonge vrouw en een jonge man wordt bezongen. Twee geliefden die gelijkwaardig aan elkaar zijn, geheel in lijn met de oorspronkelijke bedoeling van hun Schepper. Genesis 1:27 drukt het aldus uit: "God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen."

Hooglied is eerst en vooral een puur liefdesgedicht. Het Hooglied is een getuigenis van de liefde tussen twee personen van de verschillende geslachten, waarbij hunkering, verlangen en liefde - zowel de hartstochtelijke als de tere, kwetsbare kant ervan - een plaats hebben. In de liefde is niet alleen het hart maar ook het lichaam betrokken. Zoals God het bedoeld heeft: de menselijke seksualiteit behoort tot het scheppingsplan van God. "Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt." (Genesis 2:24) Seksualiteit tussen een man en een vrouw die zich tot de dood hen scheidt hechten aan elkaar is een heilig Godsgeschenk. Hooglied verkondigt geen losse moraal maar laat een bruilofslied horen en bevestigt op euforische wijze het door God ingestelde huwelijk als plaats waarbinnen seksualiteit beleefd mag worden.

Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk,
liefde en verrukking, dat ben jij.
Als een palm is je gestalte,
je borsten zijn als druiventrossen.
Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen,
ik wil zijn bladeren grijpen.
Laten jouw borsten
als trossen van de wijnstok zijn,
je adem als de geur van appels,
je tong als zoete wijn
waarin mijn kussen baden,
mijn lippen en tanden gedompeld zijn.
(7:7-10)



Verder lezen:



Voetnoten:
  1. Gordon McConville: Oude Testament in hoofdlijnen; Uitgeverij Boekencentrum, Zoetrmeer, 2001, p.141-142. Zo kunnen we lezen in 'Commentaar op de Heilige Schrift', samengesteld onder redactie van dr. J.A. vor der Hake (1956): "Een compositieplan dat als leidraad bij de samenstelling van de gehele bundel gediend heeft, is niet te ontdekken, al zijn hoogtepunten van de bruilofsviering wel duidelijk vertegenwoordigd (...)." (p.504)
  2. Gregorius de Grote: Je borsten zijn zoeter dan wijn ~ Commentaar op Hooglied [Expositio in Canticum canticorum]; Vertaald en van aantekeningen voorzien door Joost van Neer en Anke Tigchelaar, ingeleid door Gerard Bartelink, p.11-12.
  3. Ibid, p. 65.



HET HOOGLIED VAN SÁLOMO.

Statenvertaling

Hooglied 1
1 Het Hooglied, hetwelk van Salomo is.
2 Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.
3 Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief.
4 Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief.
5 Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.
6 Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.
7 Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen?
8 Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen.
9 Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao.
10 Uw wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren.
11 Wij zullen u gouden spangen maken, met zilveren stipjes.
12 Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk.
13 Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht.
14 Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi.
15 Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen.
16 Zie, gij zijt schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede.
17 De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cipressen.

Hooglied 2
1 Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen.
2 Gelijk een lelie onder de doornen, alzo is Mijn vriendin onder de dochteren.
3 Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.
4 Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.
5 Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde.
6 Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
7 Ik bezweer u, gij, dochteren van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste!
8 Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!
9 Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp der herten; ziet, Hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de traliën.
10 Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom!
11 Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan;
12 De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land.
13 De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom!
14 Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.
15 Vangt gijlieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes.
16 Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën,
17 Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden; keer om, mijn Liefste! wordt Gij gelijk een ree, of een welp der herten, op de bergen van Bether.

Hooglied 3
1 Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide:
2 Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.
3 De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij: ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?
4 Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft.
5 Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! die bij de reeën of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste!
6 Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers?
7 Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israël;
8 Die altemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege den schrik des nachts.
9 De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon.
10 De pilaren derzelve maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem.
11 Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! den koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten.

Hooglied 4
1 Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van den berg Gileads afscheren.
2 Uw tanden zijn als een kudde schapen, die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al te zamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos.
3 Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.
4 Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden der helden.
5 Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden.
6 Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden, zal Ik gaan tot den mirreberg, en tot den wierookheuvel.
7 Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.
8 Bij Mij van den Libanon af, o bruid! kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amana, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.
9 Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals.
10 Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer oliën dan alle specerijen!
11 Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon.
12 Mijn zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein.
13 Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus;
14 Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen.
15 O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien!
16 Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten!

Hooglied 5
1 Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten!
2 Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.
3 Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen?
4 Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat der deur; en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil.
5 Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handvaten des slots.
6 Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet.
7 De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij.
8 Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem! indien gij mijn Liefste vindt, wat zult gij Hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde.
9 Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o gij schoonste onder de vrouwen! wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, dat gij ons zo bezworen hebt!
10 Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend.
11 Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf.
12 Zijn ogen zijn als der duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes der ringen.
13 Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre.
14 Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren.
15 Zijn schenkelen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.
16 Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!

Hooglied 6
1 Waar is uw Liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken?
2 Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen.
3 Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is mijn, Die onder de leliën weidt.
4 Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren.
5 Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren.
6 Uw tanden zijn als een kudde schapen, die uit de wasstede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen, en onder dezelve is geen jongeloos.
7 Uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.
8 Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal.
9 Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige harer moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen.
10 Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren?
11 Ik ben tot den notenhof afgegaan om de groene vruchten der vallei te zien; om te zien, of de wijnstok bloeide, de granaatbomen uitbotten.
12 Eer ik het wist, zette mij mijn ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk.
13 Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.

Hooglied 7
1 Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, gij prinsendochter! de omdraaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.
2 Uw navel is als een ronde beker, dien geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet met leliën.
3 Uw twee borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree.
4 Uw hals is als een elpenbenen toren, uw ogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damaskus ziet.
5 Uw hoofd op u is als Karmel, en de haarband uws hoofds als purper; de koning is als gebonden op de galerijen.
6 Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, in wellusten!
7 Deze uw lengte is te vergelijken bij een palmboom, en uw borsten bij druif trossen.
8 Ik zeide: Ik zal op den palmboom klimmen, ik zal zijn takken grijpen; zo zullen dan uw borsten zijn als druif trossen aan den wijnstok, en de reuk van uw neus als appelen.
9 En uw gehemelte als goede wijn, die recht tot mijn Beminde gaat, doende de lippen der slapenden spreken.
10 Ik ben mijns Liefsten, en Zijn genegenheid is tot mij.
11 Kom, mijn Liefste! laat ons uitgaan in het veld, laat ons vernachten op de dorpen.
12 Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; daar zal ik U mijn uitnemende liefde geven.
13 De dudaim geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn Liefste! die heb ik voor U weggelegd.

Hooglied 8
1 Och, dat Gij mij als een Broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder! dat ik U op de straat vond, ik zou U kussen, ook zouden zij mij niet verachten.
2 Ik zou U leiden, ik zou U brengen in mijner moeders huis, Gij zoudt mij leren; ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappelen.
3 Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
4 Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve lust!
5 Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder den appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uw moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft.
6 Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN.
7 Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten.
8 Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal?
9 Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken.
10 Ik ben een muur en mijn borsten zijn als torens. Toen was ik in Zijn ogen als een, die vrede vindt.
11 Salomo had een wijngaard, te Baäl-hamon; hij gaf dezen wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor deszelfs vrucht duizend zilverlingen.
12 Mijn wijngaard, dien ik heb, is voor mijn aangezicht; de duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo! maar tweehonderd zijn voor de hoeders van deszelfs vrucht.
13 O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen.
14 Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen.
© 2009 - 2014 Tartuffel, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde links
Nog meer over de bijbel.
Gerelateerde artikelen
De bijbel: Psalmen, Spreuken, Prediker, Hooglied en JonaDe bijbel: Psalmen, Spreuken, Prediker, Hooglied en JonaDe bijbel is geen makkelijk boek om zo maar te lezen. Interessant en de moeite waard is het zeker wel. Hieronder tref je…
Boekrecensie: Liefdesverhalen Samuel Josef Agnon'Liefdesverhalen' (1990) is een bundeling van 6 korte verhalen die de klassieke prozaschrijver van de moderne Hebreeuwse…
Bijbel 8: Hooglied, Ruth, Klaagliederen, Prediker en EstherIn dit artikel aandacht voor de 5 megillot: Hooglied, Ruth, Klaagliederen, Prediker en Esther. Hooglied heeft als groot…
Joodse keuken: charoset voor PesachCharoset is een typische Pesach maaltijd uit de Joodse keuken dat herinnert aan het goede en zoete tijdens de slavernij…
Geschiedenis Jodendom: De wijzen van IsraëlDe wijzen van Israël behoorden tot een soort gilde dat de taak had om 'raad' te geven (Jeremia 18:18). De wijzen hadden…
Bronnen en referenties
  • http://www.ontmoetingskerkonline.nl/archief/albums/userpics/10001/20080601o.pdf
  • http://www.jv-theofilus.nl/content/pdf/inl036.pdf
  • http://nl.wikipedia.org/wiki/Hooglied
  • Nieuwe Bijbel Vertaling (NBV)
  • Statenvertaling
  • 'Commentaar op de Heilige Schrift', samengesteld onder redactie van dr. J.A. vor der Hake (1956).
  • Gordon McConville: Oude Testament in hoofdlijnen; Uitgeverij Boekencentrum, Zoetrmeer, 2001.
  • Gregorius de Grote: Je borsten zijn zoeter dan wijn ~ Commentaar op Hooglied [Expositio in Canticum canticorum]; Vertaald en van aantekeningen voorzien door Joost van Neer en Anke Tigchelaar, ingeleid door Gerard Bartelink.

Reageer op het artikel "Liefdesgedicht Hooglied: Je borsten zijn als druiventrossen"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Tartuffel
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Religie
Bronnen en referenties: 8
Schrijf mee!