InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Sociaal > Mondiale rechtvaardigheid

Mondiale rechtvaardigheid

Mondiale rechtvaardigheid Er bestaat nog steeds een immens groot verschil tussen de westerse wereld en ontwikkelingslanden. Waar de westerse wereld de beschikking heeft over een hondenpsycholoog, heeft de bevolking in Afrika geen schoon drinkwater. De mondiale rechtvaardigheid is op aarde nog ver te zoeken. Een paar filosofen worden behandeld om een beter beeld te krijgen bij het vraagstuk. Ook wordt getrcht een oplossing te vinden. Onlangs werd voetbalster Cristiano Ronaldo door Real Madrid (Spanje) voor een bedrag van maar liefst 94 miljoen euro van Manchester United (Engeland) overgenomen, alwaar hij een jaarsalaris van 9 miljoen euro zal verdienen. Ergens anders in Europa is een vrouw niet tevreden met de rimpels in haar gezicht en ondergaat voor vele honderden euro’s een botox-behandeling. Weer ergens anders gedraagt de hond zich van familie Janssen ietwat gestrest en daarom overweegt de familie om de hond naar de hondenpsycholoog te brengen. Voor een kleine honderd euro komt er dan iemand thuis die zich hondenpsycholoog noemt en het gedrag van de hond observeert en vervolgens een advies geeft aan de desbetreffende familie.

Op hetzelfde moment, enkele duizenden kilometers tot tienduizenden kilometers verder in Afrika, sterft er elke 3 seconden een kind omdat het geen schoon drinkwater heeft. Volgens de World Bank en de United Nations zijn er ongeveer 1,1 miljard mensen die met een inkomen met minder dan één dollar per dag moeten zien te overleven. Daarbovenop komt dat ongeveer de helft van de totale wereldbevolking leeft met een dagelijks inkomen tussen de één en twee dollar. Volgens de Wereldbank zou de extreme armoede lichtjes afnemen, maar andere onderzoeken wijzen uit dat deze trend helemaal niet positief hoeft te zijn.

Wie is verantwoordelijk?

Je zou op zijn minst kunnen zeggen dat er een groot verschil heerst tussen de westerse wereld en ontwikkelingslanden. Een verschil dat zeer zeker verkleind dient te worden, maar hoe? Kosten om armoede helemaal uit te bannen is maar een fractie van het nationaal inkomen van de rijke landen, zonder een dramatische welvaartsvermindering te veroorzaken. Toch laten de rijke landen het vooralsnog afweten. Deze onverschilligheid kan op verschillende manieren verklaard worden. Ten eerste is er de fysieke afstand. Deze maakt het lastig om ons te vergelijken met de armen. We komen nauwelijks in aanraking met ontwikkelingslanden en hebben al helemaal geen persoonlijke band met ze. De armoede raakt ons daarom niet persoonlijk. Een tweede verklaring zou kunnen zijn dat rijke mensen denken dat ze er toch niets aan kunnen veranderen. Wat zou je als individu kunnen doen om twee miljard mensen uit de armoede te helpen? Een derde reden voor de onverschilligheid van rijke mensen is dat ze zich niet verantwoordelijk voelen voor de extreme armoede. En als ze giften doneren aan hulporganisaties is dit meer uit medelijden of barmhartigheid en niet omdat het anders onrechtvaardig zou zijn. Zelfs de Verenigde Staten beweren dat ze noch legaal, noch moreel verplicht zijn de extreme armoede in wereld te bestrijden. Is de situatie van extreme armoede de verantwoordelijkheid van inwoners van rijke landen, en zo ja, hoe en waarom? Is het bestrijden van de extreme armoede in de wereld meer gebaseerd op rechtvaardigheid of eerder op liefdadigheid? Daarop verdergaand moeten we ons de vraag stellen of er dan wel een echt verschil is tussen verschillende populaties. Is er een relevant verschil tussen mensen aan de ene kant van de grens en de mensen aan de andere kant van deze lijn? Enkel een denkbeeldige lijn bepaalt meestal de morele gedachten van een persoon. Dean Inge, een Engelse auteur en anglicaanse priester, zei ooit: “a nation is a society united by a delusion about its ancestry and by a common hatred of its neighbours”. In principe ontwikkelen landen dus een moraal die nergens op gebaseerd is, waarbij ze meestal ook nog mythes ontwikkelen over zichzelf en hun unieke moraal, culturele kwaliteiten en andere prestaties. Moet deze moraal dan veranderd worden, en zo ja, hoe dan?

Diverse filosofen hebben zich al over dit vraagstuk gebogen, waaronder de filosofen Peter Singer en Thomas Pogge. Peter Singer schreef reeds in 1972 al dat de rijke mensen op de wereld de morele plicht hebben om geld te geven aan de armen. Singer gaat er van uit dat extreme armoede, het lijden en overlijden ten gevolge van een tekort aan voedsel, onderdak en medische voorzieningen, slecht is. Verder stelt hij dat er een moreel principe is dat indien het binnen onze mogelijkheid ligt om te iets slechts te voorkomen, zonder daarvoor iets op te offeren dat moreel significant is, we dan moreel verplicht zijn om dat te doen om het slechte te voorkomen. Hieruit volgt dat we al het geld dat we gebruiken voor luxe, moeten doneren aan de extreem armen. Concreet stelt Singer voor dat ieder mens het inkomen dat hij of zij overhoudt nadat zij voor zichzelf en haar familie in de basisbehoeften heeft voorzien, aan de extreem armen moet geven.

Thomas Pogge is het eens met Singer over het feit dat rijke landen de morele plicht hebben om een deel van hun inkomen aan armoedebestrijding te doneren. Echter beweert Pogge dat deze morele plicht voortkomt uit de onrechtvaardigheid die ontstaat door de causale rol die rijke burgers gespeeld hebben in het veroorzaken van deze armoede. Burgers van rijke landen zijn medeverantwoordelijk voor de extreme armoede omwille van ten minste drie factoren. Ten eerste hebben burgers van rijke landen regeringen gekozen die deze wereldwijde economische structuur op poten hebben gezet. Westerse landen schermen hun markten af voor import uit arme landen, terwijl ze de arme landen dankzij hun sterkere onderhandelingspositie weten te dwingen om hun markten te openen voor goederen die de rijke landen willen exporteren. Ten tweede wordt het verschil tussen de armoede in het Zuiden en de rijkdom in het Noorden deels verklaard door historische processen als slavernij en kolonialisme. Tenslotte stelt Pogge dat rijke landen, en de elite in arme landen, zich een te groot deel van de natuurlijke hulpbronnen toe-eigent. Bovendien is de schade aan het milieu veroorzaakt door rijke landen aanzienlijk groter dan dat van arme landen, terwijl juist de arme landen er het meest last van hebben. Hiervoor bestaat vooralsnog geen compensatie. De VS is zelfs niet bereid om de causale verantwoordelijkheid en de rechtvaardigheidsaspecten te erkennen.

Buiten het feit dat rijke landen de al dan niet morele plicht hebben om geld te doneren aan de extreem armen, moet er ook nog een of andere instantie en/of scherp beleid achter staan om het probleem op te lossen. Ook moet je de vraag stellen hoe een rechtvaardige samenleving er dan uit zou moeten zien. En op welke wijze moeten de instituties worden vormgegeven die in een dergelijke samenleving verantwoordelijk zijn voor de (her)verdeling van sociale goederen. Denk hierbij aan basisvrijheden, de mogelijkheid om talenten te ontwikkelen en de sociale voorwaarden voor respect.
Filosoof John Rawls heeft op deze vragen in zijn boek A Theory of Justice (1971) een antwoord geformuleerd. In dit boek beschrijft hij twee principes die aan de basis zouden moeten liggen van de instituties die de basisstructuur van een rechtvaardige samenleving vormen. Ten eerste heeft elk persoon een gelijk recht op het meest uitgebreide systeem van basisvrijheden, voor zover dat verenigbaar is met de vrijheid van een ander. Ten tweede zijn sociaaleconomische ongelijkheden alleen toegestaan wanneer (a) de ongelijke verdeling van goederen de minstbedeelden ten goede komt en (b) alle ambten en maatschappelijke posities op grond van kansengelijkheid voor iedereen open staan. Enigszins verwarrend is dat Rawls over twee principes spreekt, terwijl het er eigenlijk drie zijn, namelijk het principe van gelijke basisvrijheden, het verschilprincipe en het principe van kansengelijkheid.

Oplossingen

Een eerste oplossing om mondiale rechtvaardigheid te bereiken is het letterlijk afschaffen van landen en er een politieke autoriteit van te maken. Dit idee stamt al af van de Romeinen die zichzelf ‘citizens of the world’ (civis munsi) noemden. Deze stroming, die we tegenwoordig het cosmopolitanisme noemen, heeft wel enkele nadelen. Ten eerste is het moeilijk voor te stellen dat een overheid met zulke omvang ooit democratisch kan zijn. Ten tweede bestaat het risico dat de overheid tiranniek wordt. En als laatste zal de grote culturele diversiteit, die nu al voor veel problemen zorgt binnen de bestaande landsgrenzen, alleen maar voor grotere dilemma’s zorgen.
Tegenwoordig wordt de filosofische discussie over globale rechtvaardigheid gedomineerd door een viertal theorieën. Allereerst die van John Rawls, die in zijn boek Law of Peoples (1999) verder ingaat op de mondiale rechtvaardigheid. Hierin keert Rawls zich tegen het verschilprincipe. De toepassing van het verschilprincipe zou namelijk overbodig zijn, omdat de oorzaken van armoede primair in het land zelf te zoeken zijn en de herverdeling van de schaarse goederen een interne aangelegenheid is. Hiervoor in de plaats presenteert Rawls, naast zeven andere principes, het hulpprincipe. Dit houdt in dat volkeren de plicht hebben om andere volkeren te helpen die in omstandigheden leven die hen verhinderen een rechtvaardig of fatsoenlijk politiek en sociaal regime te vormen.

Een alternatief voor Rawls’ benadering is het utilitarisme. Utilitaristische denkers geloven dat van twee politieke handelingen in moreel opzicht die handeling het beste als deze voor de wereldbevolking de beste balans oplevert tussen schade en nut. Daarom hebben rijke mensen uit welvarende landen de plicht om geld te doneren aan extreme armoede. Zo kunnen ze de schade verminderen die ze met hun levensstijl veroorzaken. Een bekende aanhanger van het utilitarisme is Peter Singer. Zoals eerder gezien vindt hij dat rijke burgers een groot deel van hun inkomen en vermogens aan de armen moeten geven. Het utilitarisme gaat in vergelijking met Rawls dus meer uit van het individu.

Weer een andere kijk op mondiale rechtvaardigheid komt van Amartya Sen en Martha Nussbaum. Voor hen verwijst mondiale rechtvaardigheid naar de mogelijkheden die een individu heeft om een menswaardig bestaan te leven. Deze mogelijkheden worden ook wel capabilities genoemd. Nussbaum presenteert een lijst van tien capabilities die belangrijk zijn voor de kwaliteit van leven. Hierin zijn onder andere lichamelijke gezondheid, emoties, cognitieve vermogens als waarnemen, denken en verbeelding en een zekere mate van controle over de omgeving in opgenomen. De capabilities-benadering van mondiale rechtvaardigheid onderstreept hiermee dat iedereen in de wereld in staat zou moeten zijn om een gezond leven te leiden, iets voor andere mensen te voelen en bindingen met hen aan te gaan, zijn vijf zintuigen te gebruiken, te denken en zich iets voor te stellen, politieke invloed uit te kunnen oefenen en eigendom te verwerven.

De laatste visie komt wederom van Thomas Pogge. Zijn nieuwe visie is gebaseerd op de vorige drie theorieën, maar met kritiek op deze theorieën en is meer gerelateerd aan de praktijk. Hij vindt dat Rawls te weinig rekening houdt met het feit dat de wereldlijke institutionele orde een belangrijke betekenis heeft met het verdelingsvraagstuk. Rawls zou negeren dat mondiale instituties verantwoordelijk zijn voor de extreme armoede. Hij zou ten onrechte denken dat haar oorzaken en mogelijk oplossingen in de arme landen zelf gezocht moeten worden. Ook Peter Singer maakt deze fout, die Pogge ‘verklarend nationalisme’ noemt. Dat wil zeggen dat een oplossing voor extreme armoede moet worden gezocht in binnenlandse factoren. Ook bij de theorie van Nussbaum en Sen zijn een aantal vraagtekens te zetten stelt Pogge. Hoe zou men bijvoorbeeld een ongelijke verdeling van capabilities moeten meten? Welke criteria zijn er om te beoordelen of er aan een minimaal niveau van capabilities is voldaan? Pogge stelt dan ook voor om de verdeling te maken in capabilities te vervangen door een verdeling in termen van grondstoffen en rechten. Aan de verdeling in grondstoffen kunnen immers cijfers worden toegekend en mensenrechten bieden een morele maatstaf om erover te oordelen. Een mondiale institutionele orde is niet rechtvaardig als ze tot vermijdbare schendingen van mensenrechten leidt. Het is daarom misschien beter om een wereldwijd grondstoffenbeleid in te voeren om daarmee een internationaal fonds op te zetten ter bestrijding van de schrijnende armoede. Een heffing op de natuurlijke hulpbronnen zou op die manier een compensatie kunnen bieden voor de schade die de huidige institutionele mondiale orde bij de minstbedeelden in de wereld aanricht. Ook zouden rijke landen niet alleen de positieve plicht moeten hebben om arme landen te helpen, maar ook de negatieve plicht om deze landen geen schade te berokkenen. De negatieve plicht om geen steun te verlenen aan een mondiale orde, die bijdraagt aan het voortbestaan van de armoede, weegt veel zwaarder dan de positieve plicht om de armen hulp te bieden.

Wie van deze filosofen gelijk heeft of zal krijgen is de grote vraag, maar feit is wel dat er nog heel wat moet gebeuren om tot mondiale rechtvaardigheid te komen. Een belangrijk onderdeel hiervan is een duurzame economie te ontwikkelen en een wereldwijde poging nodig om extreme armoede uit te bannen en hoop en gezondheid te verkrijgen bij de meest armen op deze wereld. Om deze armoede te bestrijden zijn er in de westerse wereld politieke veranderingen nodig. Een daarvan is om een groter deel van het nationale inkomen te besteden aan het bestrijden van extreme armoede. Ten tweede moeten dorpen en hun bewoners de beschikking krijgen over gemeenschappelijke weilanden, waar zij hun groenten kunnen verbouwen en/of bomen planten. Ongebruikte landen van overheden zouden dan ook gebruikt mogen worden voor mensen die dit nodig hebben uit de extreme armoede te geraken. In 1980 is besloten door rijkere landen om 0,7% van hun jaarlijkse inkomen te gebruiken voor armoedebestrijding. Dit getal wordt echter helaas niet gehaald. Zo geeft de VS maar 0,16% aan de arme landen, terwijl uit cijfers blijkt dat de kosten om honger en ondervoeding uit te bannen tien keer zo laag zijn als de jaarlijkse uitgaven van de VS aan het leger, wat natuurlijk een grote tegenstrijdigheid is. De westerse wereld zou daarom moeten afspreken om het getal van 0,7% op te krikken naar 1% en dit te gebruiken om armoede uit te bannen. De mens is één soort en als een deel daarvan in de problemen zit, moet je dit zien te bestrijden.
© 2010 - 2019 Juleskerckhoffs, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Waarom vertelt de Bijbel weinig over leven na de dood?Gelooft het Jodendom in het leven hierna? Wanneer je de Tora leest dan lijkt het alsof er nauwelijks over een leven na d…
Aartsengel MichaëlAartsengel Michaël kan aangeroepen worden om rechtvaardigheid in een situatie te brengen of om te helpen uw persoonlijke…
Het bevolkingsvraagstuk in ontwikkelingslandenDe groei van een land is een beperkende factor voor de economie. Hoe meer kinderen erbij komen dan dat er mensen sterven…
Geschiedenis Jodendom: Israël als Uitverkoren VolkGeschiedenis Jodendom: Israël als Uitverkoren VolkVeel mensen begrijpen niet het begrip 'Israël als Uitverkoren Volk'. Ze denken dat Israël boven de andere volken staat.…
Wereldbank en het Internationaal Monetair FondsWereldbank en het Internationaal Monetair FondsTegen het einde van de oorlog, zo'n 60 jaar geleden is tijdens de Conferentie van Bretton Woods de Wereldbank opgericht.…

Reageer op het artikel "Mondiale rechtvaardigheid"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Juleskerckhoffs
Gepubliceerd: 03-04-2010
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Sociaal
Schrijf mee!