InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Religie > Gereformeerden onder het kruis - bevindelijk en gereformeerd

Gereformeerden onder het kruis - bevindelijk en gereformeerd

Een zijstroom van de Afscheiding van 1834 (een afscheiding van orthodoxe leden van de Nederlandse Hervormde Kerk) werd gevormd door de zogenaamde Gereformeerde Kerken onder het Kruis, het begin van de huidige bevindelijke orthodox-gereformeerde kerkgenootschappen.(Wat trouwens onverlet liet dat er in de Herv. Kerk ook een bevindelijk-gereformeerde groep blééf; sinds 1916 binnen de modaliteit der Gereformeerde Bond). Maar ook de zijstroom van ‘kruisgezinden’ splitste zich weer in verschillende stromen. Het waren van oorsprong op zichzelf staande gemeenten/groepen, maar er ontstonden spoedig ook verbanden van meerdere kerken. Die dan soms ook weer uit elkaar vielen en zich weer met anderen verenigden. Kortom er ontstond een, zeker voor de buitenstaander, moeilijk te doorgronden patroon van gereformeerde kerken. In 1907 vond een belangrijke vereniging plaats waardoor de huidige Gereformeerde Gemeenten ontstonden, het grootste kerkgenootschap binnen de bevindelijk gereformeerde kerken.

Hoofdstukken


Wie waren de kruisgezinden?

Op zoek naar de oorsprong van de zogenaamde kruisgezinden komen we terecht bij de geschiedenis der Afscheiding. De eerste orthodoxe afscheiding van wat toen nog de nationale, bevoorrechte kerk hier te lande was, de Nederlandse Hervormde, vond plaats in 1834 in het Noord-Groningse Ulrum onder leiding van ds. H. de Cock. Spoedig vond die actie in heel Nederland navolging en ontstonden er overal afgescheiden gemeenten. Tegen de verdrukking in, want de overheid probeerde door strenge maatregelen het tij te keren; daaronder gedwongen inkwartiering van soldaten bij afgescheidenen en hoge boetes voor hen bij wie samenkomsten aan huis gehouden werden.

Om de rechtmatige voortzetting van de Gereformeerde Kerk

De genomen maatregelen van de overheid hadden echter niet het gewenste effect. Zij besloot medio 1836 al dat de vervolgde gemeenten vrijheid en erkenning konden verkrijgen, mits ze aan een aantal voorwaarden voldeden: ze konden voor kosten inclusief het onderhoud der armen geen beroep doen op de diaconie (van de Hervormde Kerk) en ze moesten afzien van het gebruik van de naam “Gereformeerd”. Met andere woorden, de overheid beschouwde haar ‘eigen’ kerk, de Nederlandse Hervormde, als de enige wettige voortzetting van de oude vaderlandse nationale kerk die (vóór 1816) altijd de naam Gereformeerde Kerk had gedragen. En ze wenste daarom niet te accepteren dat die naam nu toegeëigend werd door een, in haar ogen, verwerpelijke groepering van ‘drijvers’ en 'bekrompen lieden'.

Liever ‘onder het kruis’

Maar dat was nu net het leidende principe van de afgescheidenen: de huidige Nederlandse Hervormde Kerk is niet de ware kerk, met andere woorden zij is niet meer de oude Gereformeerde Kerk. In tegendeel de Hervormde Kerk heeft het rechte pad verlaten en is daarom de ‘valse kerk’ geworden – wij zijn juist wél de voortzetting van de aloude, ware, Gereformeerde Kerk.

De meerderheid besloot zich te schikken naar de wil van de overheid en vormde het verband van de “Christelijke Afgescheiden Gemeenten” - die dus met die naam zo ongehinderd haar gang kon gaan. Een minderheid echter wenste ‘niet te buigen voor de aardse koning’ en verkoos vervolging boven het opgeven van haar principes - zij waren dan nog liever ‘onder het kruis’ (der vervolging). Zij werden ‘kruisgezinden’ genoemd en vormden de zogenaamde ‘kruisgemeenten’. Ook de benamingen ‘Dordtsgezinden’ en ‘Zwolsen’ komen voor.

Onderlinge geschillen en het gebruik van de naam “gereformeerde kerk onder het kruis”

Vanaf welk jaar die naam officieel zó gebruikt werd, is niet duidelijk. In 1836 vond de eerste synode van afgescheiden gemeenten plaats. Toen kwamen al duidelijke onderlinge geschilpunten naar voren, met name betreffende de doop, de kerkorde en de positie van de oefenaars (niet tot predikant geordende voorgangers). Niet lang daarna was er sprake van een richting die we ‘kruisgezind’ kunnen noemen; 1837 zou daarom aangehouden kunnen worden als startjaar voor die richting. Toch is er veel voor te zeggen om 1838 daarvoor te nemen. Toen namelijk werd de splitsing concreet in die zin dat kruisgemeenten te samen kwamen in Nieuwleusen, in de regio rond Kampen-Zwolle waar relatief veel kruisgezinde gemeenten waren. Zij maakten zich toen los van het bestaande verband van afgescheidenen. (Het ging om afgesplitste groepen en groepjes, waarvoor overwegend - zo ook hier verder - de aanduiding ‘gemeenten’ gebruikt wordt.) In 1840 kwamen vertegenwoordigers van een dertigtal gemeenten bijeen in Mastenbroek (gelegen tussen Zwolle en Kampen). Zij noemden zich vertegenwoordigers van “de kerk onder het kruis” – de naam “Gereformeerde kerken onder het Kruis” wordt hier verder gebruikt voor het verband van die kerken. De puristen onder hen noemden zich trouwens de “Gereformeerde Kerk”.

Scheidingen na de Afscheiding en richtingen binnen de kerkgenootschappen

Het is dus duidelijk dat de geschiedenis van de Afgescheidenen van 1834 al snel gekenmerkt werd door onderlinge meningsverschillen die vaak leidden tot nieuwe afscheidingen en daarmee tot het ontstaan van aparte gemeenten en van aparte verbanden van die gemeenten. (Daarin lijken ze op de doopsgezinden in de periode 16e-18e eeuw.)

Gescheiden wegen

Het was dus niet lang na de Afscheiding van 1834 duidelijk: er waren (weer) twee gescheiden groepen ontstaan: christelijke afgescheidenen en kruisgezinden. Maar binnen de betreffende gemeenten en dan met name die der kruisgezinden waren ook weer de nodige aparte richtingen, op zichzelf staande groepen en voorgangers/leiders; zij hadden van de hoofdgroep afwijkende opvattingen en droegen die ook uit. Dat betrof dan vooral de opvatting over de juiste bijbeluitleg, de juiste kerkorde en liturgie, de juiste bediening der sacramenten en ook verschillen ten aanzien van theologische zaken als ‘de toe-eigening van het heil’ (de manier waarop de mens het heil van God verkrijgt). Vanwege tuchtmaatregelen of omdat men uit zichzelf opstapte werden veelvuldig gescheiden wegen ingeslagen. Bij dit alles dient ook bedacht te worden dat er ook wel sprake was van terugkeer naar ‘het oude nest’ en natuurlijk ‘wisselingen van nest’. Dit alles maakt een geschiedenis van de kruisgemeenten nogal gecompliceerd - in de loop der tijd steeds gecompliceerder zelfs.

‘Enigheid’

Ondanks alle verschil in opvattingen en splitsingen was er één ding dat al die gereformeerde groepen naast de Bijbel (in de aloude Statenvertaling) gemeen hadden: ze onderschreven de Drie Formulieren van Enigheid. Dat zijn: de Nederlandse Geloofsbelijdenis van 1561, de Heidelbergse Catechismus van 1563 en de Leerregels van Dordrecht van 1618-'19. Wie pretendeerde orthodox te zijn, dat wil zeggen, recht in de leer, moest sowieso die geschriften zonder mitsen en maren kunnen onderschrijven. Echter, de geschiedenis heeft laten zien dat het onderschrijven van die drie formulieren niet een garantie voor ‘enigheid’ was – in tegendeel.

Orthodox-gereformeerd en bevindelijk: terug naar de Nadere Reformatie

De voormalige kruisgezinden kunnen gerekend worden tot de orthodox-gereformeerde geloofsrichting in ons land (met zusterkerken in de emigratielanden, met name in Noord-Amerika). Daarnaast was er een aantal die niet alleen orthodox waren maar ook ‘bevindelijk’ (de term ‘piëtistisch’ zou ook gebruikt kunnen worden). Beide kenmerken zijn geworteld in de zogenaamde Nadere Reformatie. Die beweging ontstond in Nederland na de Synode van Dordrecht (1618-’19). Toen namelijk was wel de léér gezuiverd maar velen eisten een voortgaande reformatie van het godsdienstig en openbare léven. Daarbij werden persoonlijke heiliging en vrome levenspraktijk van het grootste belang geacht.

Bevindelijk-gereformeerd

Eerst zij opgemerkt dat een groot deel van orthodox-gereformeerde kerkgenootschappen niet tot de bevindelijke richting behoren; daaronder de meerderheid van hen die afstammen van de christelijke afgescheidenen. De kruisgezinden waren behalve orthodox dus ook ‘bevindelijk’. Een gelovige die bevindelijk is legt veel nadruk op de innerlijke vroomheid en daarbij dan met name op de persoonlijke geloofservaring. Die ervaring, bevinding, geeft de christen de zekerheid dat hij/zij uitverkoren is tot zaligheid. Maar dat gaat bepaald niet vanzelf, integendeel, aan die kennis van verlossing gaat veel strijd en droefenis over de zondige staat waarin de mens van nature verkeert vooraf. Mocht dan blijken dat dat wonder van bekering en wedergeboorte ‘aan een zondaar is geschied’ dan is er reden tot grote dankbaarheid, want er zijn ‘weinigen uitverkoren’.

Aantallen, politieke partij en PKN

De bevindelijk gereformeerde richting omvat in Nederland volgens de meeste onderzoekers een groep die rond 300.000 personen telt (bron: www.refoforum.nl). Bovendien betreft het kerken die, in tegenstelling tot de meeste andere nog steeds groeien. Het gaat dus om een bevolkingsgroep die qua omvang bepaald relevant is wat betreft kerk, geloof en maatschappij. Politiek vindt zij onderdak bij de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) waarmee de naam van voormalige ‘kruisdominee’ G.H. Kersten onlosmakelijk verbonden is – over hem later meer. En tenslotte, om misverstand te voorkomen, ook onder de orthodoxe gemeenten der voormalige Nederlandse Hervormde Kerk – waarvan tegenwoordig een deel is aangesloten bij het in 2004 door fusie ontstane kerkgenootschap de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) – is een flink aantal dat gerekend wordt tot de bevindelijk-gereformeerde richting.

Ledeboer en ledeboerianen

Rol van de conventikels

Het ontstaan van een op zichzelf staande gemeente in de tijd van de Afscheiding van 1834 hing vaak samen met het optreden van een bepaalde voorganger die als voortrekker/leider optrad. Dat kon een kerkelijk geordende predikant betreffen, maar vaker nog een (lerend) ouderling of oefenaar – die was dan meestal voorganger in een gezelschap (ook conventikel genoemd). Nu was het zo, dat er in de 18e eeuw en zeker ook in de 19e eeuw een druk ’gezelschapsleven’ bestond. Binnen die gezelschappen vonden vele aanhangers der orthodoxie het geestelijk voedsel dat ze begeerden en in de ‘grote kerk’ naar hun smaak niet kregen. Die smaak vond men dan vaak wel in de conventikels die in de loop der tijd steeds vaker en meer op zichzelf, apart van de bestaande (hervormde) kerk waren komen te staan. Dat er na de afscheiding in Ulrum in 1834 al zo snel, zoveel en overal in het land afgescheiden gemeenten ontstonden, hangt ongetwijfeld samen met het bestaan van de conventikels: het waren functionerende groepen, die dus relatief makkelijk omgezet konden worden in afgescheiden gemeenten.

Ds. Ledeboer (1808-1863)

Een bekend voorbeeld van categorie ‘afgescheiden, geordende predikanten die apart kwamen te staan’ was ds. L.C.G. Ledeboer. Hij was in 1838 predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk geworden, Benthuizen was z’n eerste standplaats. Hij scheidde zich – vergelijkbaar met collega-predikanten zoals ds. H. de Cock – af van de Hervormde Kerk. Hij had in Leiden theologie gestudeerd. Z’n eerste (hervormde) gemeente was die van Benthuizen. Daar maakte hij een overgangsproces door van ‘vrijzinnig’ naar streng orthodox-gereformeerd, puriteins en bevindelijk, waarbij hij zich graag liet leiden door ‘ingevingen’. Ook hij scheidde zich dus af, zoals meer collega’s, maar hij was in de praktijk van zijn optreden wel meer eigengereid dan gemiddeld en zeker controversieel. Zoals meestal met dergelijke persoonlijkheden werd hij door sommigen verguisd en door anderen hoog gewaardeerd. Gedurende zijn verdere leven was hij doorlopend in conflict met mensen en instanties. Hij werd door de Hervormde Kerk eerst geschorst en in ’41 afgezet. Bovendien zat hij langdurig in de gevangenis omdat hij weigerde de hem opgelegde boetes (wegens het ongeoorloofd houden van godsdienstoefeningen) te betalen.

Ledeboeriaanse gemeenten

Z’n hele verdere leven na 1841 bleef hij in Benthuizen ‘herder en leraar’ van zijn volgelingen. Daarnaast stichtte hij veel nieuwe groepen met name in Zeeland, maar ook wel elders in wat tegenwoordig ‘de bible belt’ genoemd wordt. In 1851 kwam het tot de vorming van een kerkverband waarvan de leden Ledeboerianen genoemd werden. Meestal ging in die gemeenten een lerend-ouderling of oefenaar voor.

Op St. Philipsland was P. van Dijke (1812-1883), na een bekering, samenkomsten gaan organiseren. Hij had in eerste instantie wel erkenning aangevraagd bij de overheid en verkregen en zo werd hij voorganger van de Chr. Afgescheiden Gemeente van St. Philipsland. Vervolgens kwam hij in contact met ds. Ledeboer, kreeg spijt van zijn ‘knieval voor de aardse koning’ en sloot zich met zijn gemeente in 1851 aan bij de groep gemeenten rond ds. Ledeboer. Na het overlijden van Ledeboer in 1863 was ds. Van Dijke de voorman van de Ledeboeriaanse gemeenten geworden. In 1869, toen er een vereniging plaatsvond van een groot deel van de Kerken onder het Kruis en Christelijke Afgescheiden Gemeenten – de verenigde kerken noemden zich “Christelijke Gereformeerde Kerk” – gingen de Ledeboeriaanse gemeenten met Van Dijke als voorman daarin niet mee. Toen hij overleed in 1883 had hij een twintigtal gemeenten bij elkaar weten te houden. De gemeente in St. Philipsland waar hij zijn arbeid begon behoort nu (2016) tot het verband van de Oud-Gereformeerde Gemeenten in Nederland.

Vergelijkbaar met de gang van zaken rond P. van Dijke is die rond ds. D. Bakker (1821-1885). Ook hij werd na een bekering voorganger bij Ledeboeriaanse gemeenten. Maar hij kwam in conflict met Van Dijke zodat er in 1864 een splitsing ontstond binnen die gemeenten. Er waren nu ‘Dijkiaanse’ en ‘Bakkeriaanse’ gemeenten. In 1907 sloten de ‘Bakkerianen’, de nog bestaande kruisgemeenten en een aantal zogenaamde ‘vrije gemeenten’ zich aaneen tot de huidige “Gereformeerde Gemeenten” (daarover later meer).

C. van den Oever (1802-1877)

Tot nu toe passeerde al een aantal markante persoonlijkheden de revue. En er waren er meer bij de kruisgezinden en verwante groeperingen. Soms waren ze ook omstreden. Bijvoorbeeld ds. C. van den Oever te Rotterdam. Hij was zoals zoveel collega-voorgangers van de kruisgemeenten na een bekering – hij kreeg ‘liefde tot de waarheid’ – oefenaar geworden. Dat was rond 1838, van een afgescheiden gemeente in Rotterdam. Hij kwam in aanraking met kruisgezinden en in 1844 sloot hij zich bij hen aan met een zestigtal volgelingen. Zelf werd hij binnen dat verband van gemeenten bevestigd als predikant. Hij wordt door H.A. Hofman, aan wiens boek over de kruisgezinden en ledeboerianen veel gegevens over dit onderwerp ontleend zijn, een krachtfiguur genoemd. Ter illustratie: hij stichtte onder meer een tiental nieuwe gemeenten, werd dertien keer beroepen als predikant, leidde veel studenten op tot predikant (binnen de kruisgemeenten), stelde dertien gebouwen in gebruik en liet 137 preken drukken. Hij had grote invloed en veel gezag en werd ‘de paus der kruisgezinden’ genoemd.

Conflicten rond C. van den Oever en nieuwe splitsingen

Maar rond zijn persoon heeft zich ook een aantal heftige conflicten afgespeeld. Onder meer in verband met een van zijn twee zonen die beiden ook predikant waren geworden. Het betrof A. van den Oever: vader werd beschuldigd van niet-reglementair handelen in verband met de bevestiging van de zoon als predikant. Het geschil liep zo hoog op dat C. van den Oever in 1858 buiten het verband van de Gereformeerde Kerken onder het Kruis kwam te staan. Toen ging hij zelfstandig verder, samen met een aantal gemeenten inclusief zijn zonen. Wel handhaafde hij de naam “Gereformeerde Kerk onder het Kruis”. Later ontstond er in zijn gemeente een rel toen hij werd beschuldigd vanwege een affaire met een meisje. Nu kwam hij geheel geïsoleerd te staan. (Of de beschuldiging terecht was is altijd onduidelijk gebleven; feit is in ieder geval dat hij nogal wat vijanden had, ook binnen zijn eigen gemeente.) Hij moest als het ware weer helemaal van onder op met een nieuwe gemeente beginnen (in Rotterdam). Dat lukte; hij kocht een gebouw en begon een zelfstandige gemeente. Daarin was hij nog zeven jaar volop actief.

Meer voorgangers bij de kruisgezinden

J.C. van der Does noemt in zijn boek Kruisgezinden en Seperatisten Noordwijk aan Zee de bakermat der kruisgemeenten. Dat moge zo zijn, maar neemt niet weg dat er ook elders in het land niet lang na de Afscheiding van 1834 gemeenten ontstonden die tot de kruisgezinden gerekend kunnen worden. Vaak onder leiding van een voorganger die in meer of mindere mate (soms tijdelijk) z’n eigen gang ging.

D. Hoksbergen

Zo was daar Derk Hoksbergen (1800-1870) die een boerderij ten zuiden van Kampen had. Hij behoorde tot de ‘verontrusten’ in de Hervormde Kerk en kwam in contact met ds. De Cock te Ulrum. Toen deze in 1835 een rondreis maakte in Noordwest-Overijssel logeerde hij op de boerderij van Hoksbergen en stichtte in Kampen een afgescheiden gemeente. Hoksbergen was er ouderling en ging ook voor als oefenaar. Spoedig speelde hij een vooraanstaande rol in de kring van afgescheidenen in de regio. Hij trad op als afgevaardigde van Overijssel bij de landelijke kerkvergaderingen van afgescheidenen in 1836, ’37 en '40 (zie onder Onderlinge geschillen (…). Hij hoorde bij de richting der kruisgezinden en in ’38 scheidde hij zich samen met de vertegenwoordigers van de gemeenten van Zwolle, Zalk, Deventer, Mastenbroek en Rouveen af. Hij behoorde nu, met het merendeel van zijn Kamper gemeente, bij het verband van de Gereformeerde Kerken onder het Kruis (de rest van zijn aanhang in Kampen voegde zich bij het verband der Christelijke Afgescheiden Gemeenten).

D. Hoksbergen komt apart te staan

Hoksbergen was ook present op de al genoemde bijeenkomst van kruisgemeenten in Mastenbroek in 1840. Maar na ’40 kwam hij alleen te staan. Op die bijeenkomst werd namelijk voorgesteld om een aantal voorgangers tot predikant binnen het verband der kruisgemeenten te ordenen. Dat betrof W.W. Smit van Zalk, Schouwenberg van Zwolle, D. Hoksbergen en D.J. Van der Werp (Ulrum-Houwerzij). Echter, Hoksbergen weigerde. Hij vond, principieel, dat een ouderling alleen in zijn eigen gemeente tot predikant geordend kon worden. Zo kwam hij, met een deel van zijn gemeente in Kampen, (weer) apart te staan: de ‘Klumpieskarke’ werd die op zichzelf staande (‘vrije’) gemeente in de volksmond genoemd. Binnen die gemeente ontstond later ook tweespalt. Een deel sloot zich aan bij het in 1869 tot stand gekomen verband van de Christelijke Gereformeerde Kerk (zie ook hiervoor onder Ledeboeriaanse gemeenten), het andere deel kan tot de “vrije gemeenten” gerekend worden (zie hier verderop). Binnen die laatste groep deden zich op den duur ook weer de nodige problemen voor; een deel van die vrije gemeente vormde het begin van wat nu ter plaatse de Oud-Gereformeerde Gemeente is.

D.J. van der Werp

Sinds de bijeenkomst in Mastenbroek in ’40 was Hoksbergen dus met een deel van zijn gemeente op zichzelf komen te staan. Op die bijeenkomst was dus ook Douwe van der Werp (1811-1876) aanwezig. Hij was hulponderwijzer geweest in Houwerzijl, vlakbij Ulrum. Hij had zich aangesloten bij de afgescheiden gemeente van ds. H. de Cock en gaf blijk van zijn orthodox-gereformeerde opvattingen in woord en geschrift (naderhand ontving hij ook theologisch onderricht van De Cock). Dat bracht hem in aanvaring met de schoolopziener P. Hofstede de Groot, tevens professor in de theologie te Groningen en als predikant in Ulrum de voorganger van De Cock. Wat er vervolgens gebeurde laat zich makkelijk raden: Van der Werp werd ontslagen als hulponderwijzer. Hij ging nu optreden als oefenaar bij afgescheidenen groepen in het noorden. Hij koos aanvankelijk voor de kruisgezinden. Echter ook hij haakte af na de bijeenkomst van vertegenwoordigers van kruisgezinde gemeenten in Mastenbroek in ’40 en sloot zich (weer) aan bij de Christelijke Afgescheidenen. Binnen hun verband werd hij predikant. Zijn eerste gemeente was in 1844 de afgescheiden gemeente in Leeuwarden, waar hij voordien vanaf ‘42 optrad als oefenaar. In 1864 vertrok hij naar Noord-Amerika, naar Michigan, waar hij werkte onder de daarheen geëmigreerde gereformeerden.

Kruisgemeenten in de periode 1869-1907

Hiervoor kwam, onder Ledeboeriaanse gemeenten, al aan de orde dat er in 1869 een vereniging plaats vond van de Gereformeerde Kerken onder het Kruis en Christelijke Afgescheiden Gemeenten – de Christelijke Gereformeerde Kerk ontstond. Maar niet alle kruisgemeenten gingen daarin mee, een deel bleef apart staan. Er waren onderling wel in meer of mindere mate contacten en die zin kan in zekere zin van ‘verbanden’ gesproken worden, maar hecht waren die niet. En er waren ook kruisgemeenten die geheel op zich zelf bleven staan; die worden wel “vrije gemeenten” genoemd. (Wat de indeling in ‘soorten’ betreft wordt hier voornamelijk het al eerder genoemde boek van H.A. Hofman aangehouden.)

E. Fransen en zijn gemeenten

Elias Fransen werd in 1827 geboren in Twello. Hij werkte eerst op de boerderij van zijn vader en trad in de regio op als oefenaar. Na het overlijden van D. Hoksbergen in ‘70 werd hij door diens gemeente in Kampen beroepen. Daarmee werd hij predikant van een aparte kruisgemeente die wel contacten had met naburige kruisgemeenten en waarvan de predikant (Fransen dus) elders ook gemeenten institueerde. In 1886 nam hij een beroep van de gemeente te Lisse aan. Door zijn activiteiten had hij een bindende functie tussen de kruisgemeenten en kan hij ook gezien worden als een van de grondleggers van de vereniging van 1907 waaruit de Gereformeerde Gemeenten ontstonden. Dat hij een aansprekende predikant was blijkt ook uit het feit dat sinds zijn komst het kerkbezoek in Lisse fors toenam. Wel kwam hij later in conflict met de kerkenraad; in verband daarmee scheurde de gemeente en vertrok Fransen naar Barneveld. Hij overleed er in 1898.

Meer samenbindende voorgangers bij de kruisgemeenten

De geschiedenis van kruisgemeenten, vrije gemeenten, hun voorgangers, onderlinge twisten, scheuringen en herenigingen in de periode 1869-1907 is een welhaast onoverzichtelijk geheel, zoals al eerder aangegeven. En om het nog gecompliceerder te maken: bij dit alles kwamen de christelijke afgescheidenen en zelfs nog een afscheiding van de Hervormde Kerk in 1886, de zogenaamde Doleantie o.l.v. A. Kuyper, ook nog wel eens in beeld bij gemeentevorming en het overgaan van voorgangers van de ene naar de andere groep. Wel waren er samenbindende voorgangers die het nodige voorwerk deden voor de vereniging van 1907. Wat dat betreft moet niet alleen ds. Fransen genoemd worden. Ook ds. A. Janse is in dat verband belangrijk. Adriaan Janse (1858-1920) was onderwijzer geweest en als dominee aangenomen in de ‘dolerende kerken’ van A. Kuyper op grond van art. 8 Dordtse Kerkorde (waarin geregeld wordt dat mannen met ‘singuliere gaven’ zonder theologische opleiding na een kerkelijk examen als predikant geordend kunnen worden). Hij kon zich echter niet verenigen met de leer van Kuyper en nam in 1893 een beroep aan naar de zgn. ‘Dortsch Gereformeerde Gemeente‘ te Kampen (een deel van de kruisgemeente van ds. Fransen die na diens vertrek uiteen was gevallen). Onder Janse keerde de rust in zijn Kamper gemeente terug en werden er contacten gelegd met andere kruisgemeenten en Ledenboeriaanse gemeenten. Na er vijf jaar gewerkt te hebben ging Janse naar Barneveld als opvolger van Fransen. Ook elders op de Veluwe ging hij voor in samenkomsten van gelijkgezinden. In de vereniging van 1907 had ds. Janse een werkzaam aandeel, aldus Hofman.

Ds. G.H. Kersten (1882-1948)

Als er toch namen genoemd worden in een hoofdstuk over kruisgemeenten en zeker ook in verband met de vereniging van 1907 dan mag die van ds. Kersten niet ontbreken. Gerrit Hendrik Kersten werd in 1882 geboren in Deventer. Het gezin verhuisde naderhand naar ’s- Gravenhage. Henri ging naar de kweekschool en begon zijn loopbaan als onderwijzer, maar zijn hart lag bij het bevindelijk gereformeerde geloof en hij trad op als oefenaar van de kruisgemeente te Meliskerke, waar hij enige jaren later als predikant bevestigd werd. Later was hij predikant van de gereformeerde gemeente in Rotterdam-Centrum (ds. C. Ledeboer had nog aan de wieg van deze kerk gestaan). Hij spande zich in om losse groepen kruisgezinden en ‘vrije gemeenten’ toe te voegen aan het verband van de Kruisgemeenten en na 1907 aan het verband der Gereformeerde Gemeenten.

Vrije gemeenten

Hiervoor viel al enige keren de aanduiding ‘vrije gemeenten(n)’. (Met kleine letter geschreven als met die aanduiding niet een officiële benaming bedoeld wordt; hoofdletters worden gebruikt - en dat geldt hier ook voor andere gemeenten/groepen – als de officiële benaming bedoeld is.) Het indelen in de juiste categorie wat betreft kruisgemeenten ‘binnen het verband’ (van die kerken) en kruisgemeenten die op zichzelf bleven staan en zeker ook de gemeenten van dezelfde richting die zich ‘vrije gemeente’ noemden, is een gecompliceerde zaak; dit te meer omdat men ook nog wel eens wisselde van categorie. Dat laatste gebeurde ook wel omdat een bepaalde voorganger zijn gemeente daarbij op sleeptouw nam.

Hofman rekent tot de ‘vrije gemeenten’ gemeenten die gevormd werden door kruisgezinden die in 1869 niet wensten toe te treden tot de toen gevormde Christelijke Gereformeerde Kerk of daar weer mee braken vooral omdat ze bij die kerken de bevindelijke prediking misten. Ze vormden dan op zichzelf staande, vrije gemeenten. Dat gebeurde onder andere in Dirksland, Kampen, Rijssen, Giesendam, Scheveningen en Enkhuizen. Later was er met de vereniging van 1907 een vergelijkbare gang van zaken: ook toen waren er gemeenten die niet mee gingen en ‘vrij’ bleven (en zich dan later nogal eens tot een apart verband aaneensloten – zo onderscheiden we tegenwoordig de Oud-Gereformeerde Gemeenten, de Zelfstandige Oud-Gereformeerde Gemeenten en de Vrije Oud-Gereformeerde Gemeenten).

Ontwikkelingen binnen de vrije gemeenten

Dat gemeenten op zich zelf bleven staan of zich (weer) afsplitsten heeft er ongetwijfeld ook mee te maken dat er vaak voorgangers met uitgesproken opvattingen aan verbonden waren, markante persoonlijkheden. In die categorie kan onder anderen ook L. Boone (1860-1935) geplaatst worden. Laurens Boone was oefenaar binnen de ‘Dijkiaanse gemeenten’ (zie hierboven onder Ledeboeriaanse gemeenten). Zijn opvattingen over leer en leven kunnen als voorbeeld dienen van de gangbare opvattingen binnen de richting van de oud-gereformeerden. Hij was sterk bevindelijk gericht en wenste te blijven bij ‘het oude van de godzalige predikanten Ledeboer, Van Dijke en Bakker’. Ook stelde hij hoge eisen aan de zeden van ‘Gods volk’; hij legde, zoals ook ds. Ledeboer en andere voorgangers van deze gemeenten hadden gedaan, veel nadruk op een nauwgezette levensheiliging en ‘de oordelen Gods’. Daarnaast was hij principieel voor het gebruik van de oude psalmberijming van Petrus Datheen uit de 16e eeuw en hij droeg hij, zoals de meeste voorgangers die zich navolgers van ds. Ledeboer wisten, het oude ambtsgewaad, bestaande uit kuitbroek, mantel, bef en steek (de driekantige hoed). Met de vereniging van 1907 ging Boone, die toen in St. Philipsland stond, niet mee. Met andere gemeenten vormde hij toen een kerkverband dat aan de wieg stond van de huidige Oud-Gereformeerde Gemeenten. (De grootste van deze gemeenten zijn tegenwoordig te vinden in Barneveld, Krimpen aan den IJssel, St. Philipsland, Stavenisse, Rijssen en Urk.)

Gereformeerde Gemeenten, Oud-Gereformeerden Gemeenten en andere sporen der kruisgezinden

Al enige keren kwam hier naar voren dat kerken zich in 1907 verenigden waardoor het verband van de Gereformeerde Gemeenten ontstond. Globaal gesproken verenigden zich toen dus kruisgemeenten en Ledeboeriaanse gemeenten. De eerste groep werd gevormd door 13 en de tweede door 22 gemeenten. Dat het vaak om kleine groepen ging blijkt wel uit het aantal predikanten: zeven mannen – waarbij wel bedacht moet worden dat er bij die kerken/groepen altijd veel oefenaren actief waren. Natuurlijk duurde het enige tijd voor de voorheen aparte kerken zich in het verband thuis voelden – het moest groeien, zoals zo vaak bij fusies. Het blad voor de Gereformeerde Gemeenten werd dan ook toepasselijk de ”Saambinder” genoemd. Dat samenbinden lukte, zoals al aangegeven, niet altijd – er waren later weer splitsingen. En er bleven na 1907 vrije kerken die we tegenwoordig terugvinden in met name de al genoemde drie soorten Oud-Gereformeerde Gemeenten.

Nogmaals: ds. Kersten

Kersten speelde dus een centrale rol bij de vorming van de Gereformeerde Gemeenten. Ook is zijn naam verbonden met sporen die van de kruisgezinden leiden naar het huidige maatschappelijk leven: hij was de eerste eindredacteur van het blad de Saambinder en mede-oprichter van de Staatkundig Gereformeerde partij (SGP) in 1918. Voor die partij zat hij in de Tweede kamer en het is in dat verband dat zijn naam ook nog altijd voortleeft in politiek en staatkunde, vanwege de zogenaamde ‘nacht van Kersen’ (1925).

De erfenis van de kruisgezinden

Kerkelijk gezien kunnen we de erfenis van de kruisgezinden vooral vinden binnen de huidige Gereformeerde Gemeenten en de (Zelfstandige/Vrije) Oud-Gereformeerde Gemeenten. Daarbij dient nog aangetekend te worden dat na 1907 de eenheid niet bewaard bleef bij de Gereformeerde Gemeenten. Zo was er in 1953 een splitsing waarbij de “Gereformeerde Gemeenten in Nederland” apart kwamen te staan (49 gemeenten in Nederland en 4 verwante kerken in Noord-Amerika). Vervolgens was er binnen de Geref. Gemeenten in 1960 weer een splitsing. Dat alles neemt niet weg dat de Gereformeerde Gemeenten (de twee afsplitsingen niet meegerekend) 107.299 leden hebben (situatie per 1 januari 2015; bron: Wikipedia/bevindelijk gereformeerden). Ze zijn daarmee in Nederland, na respectievelijk de PKN en de Gerefomeerde Kerken Vrijgemaakt, qua aantal leden het derde protestantse kerkgenootschap (bron: Wikipedia / religie in Nederland). Bovendien blijven ze, in tegenstelling tot de meeste andere kerkgenootschappen sinds eind 20e eeuw, toenemen in aantal. Met andere woorden, de richting der voormalige kruisgezinden (inclusief Ledeboerianen) maakt een substantieel deel uit van de Nederlandse samenleving, zeker wat betreft het godsdienstig, maar ook het politiek en maatschappelijk leven.

Lees verder

© 2016 - 2019 Petervandenburg, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De Kerkelijke Kaart van NederlandIn Nederland struikelt men over de vele verschillende kerkgenootschappen. Gereformeerd, Nederlands Hervormd, Protestante…
Vermaning in Ballum op Ameland - Doopsgezinde kerkVermaning in Ballum op Ameland - Doopsgezinde kerkHet dorp Ballum op Ameland heeft twee kerken, een hervormde en doopsgezinde, die ook wel Vermaning wordt genoemd. In 201…
Doopsgezinden in Ulrum en Houwerzijl - getalsverminderingIn de achttiende eeuw deed zich een opvallende achteruitgang voor in aantal leden van de doopsgezinde gemeenten in Neder…
Winkelen op Internet – Kerkmarkt.nl van VKBWinkelen op Internet – Kerkmarkt.nl van VKBEr wordt meer en meer gewinkeld via internet. Zelfs kerkgebouwen wisselen via het wereld wijde web van eigenaar. Kerkeli…
Gereformeerden - wereldwijdMet de Afscheiding van 1834 in Ulrum ontstonden de kerken die zich 'gereformeerd' noemen (of noemden – bedoeld worden de…
Bronnen en referenties
  • www.wikipedia.org/wiki/Bevindelijk_gereformeerden
  • H. A. Hofman, Ledeboerianen en Kruisgezinden (uitg. De Banier, Utrecht 1977)
  • J. Wesseling, De Afscheiding van 1834 - in Overijssel (Uitg. De Vuurbaak, Groningen 1984)
  • J.C. van der Does, Kruisgezinden en separatisten (uit. Wever, z.j. Franeker)
  • J. van Raalte, Wat was de Gereformeere kerk in Nederland? De geschiedenis van de “Kruisgezinden”(uitg.Oosterbaan & le Cointre, 1954)
  • www.dbnl.org/tekst/melis te velde (over A. Brummelkamp)
  • www.kerkzoeker.nl
  • www.oudgergeminfo.nl

Reageer op het artikel "Gereformeerden onder het kruis - bevindelijk en gereformeerd"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Petervandenburg
Laatste update: 15-03-2019
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Religie
Bronnen en referenties: 8
Schrijf mee!