InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Psychologie > Hechting: een noodzakelijke basis voor het latere leven

Hechting: een noodzakelijke basis voor het latere leven

Hechting speelt een voorname rol in de wording van elke mens. In de kindertijd wordt de basis gelegd voor het latere leven. Wat is nu juist hechting? Hoe komt het tot stand?

Wat is hechting?

Gehechtheid is een relatie, opgebouwd tussen een baby en de verzorger, die sterk emotioneel van aard en wederkerig is. Deze relatieopbouw begint kort na de geboorte en duurt twee tot drie jaar.

Wanneer men spreekt over hechting, kijkt men naar drie kenmerken:
  1. Wanneer baby’s getroost willen worden, of honger hebben, zullen ze zich richten tot de personen met wie ze een gehechtheidsrelatie hebben. Dit kunnen de ouders zijn of andere verzorgers.
  2. Daarnaast zullen baby’s gemakkelijker gekalmeerd worden door verzorgers met wie ze een hechtingsrelatie hebben opgebouwd.
  3. En ten derde vertonen ze voor deze vertrouwde personen weinig angst.

Herhaald contact is de belangrijkste voorwaarde voor veiligheid bij baby’s. Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen hechting en afhankelijkheid. Hechting is gericht naar specifieke personen, hierbij staat vervulling van wensen niet op de voorgrond. Ter verduidelijking haal ik het volgende voorbeeld aan: in de periode dat Bowlby jong was, was het de gewoonte dat bij rijkere gezinnen, de kinderen werden opgevoed door speciaal daarvoor aangenomen dienstmeisjes. Toch zag men dat deze kinderen zich toch aan hun ouders hechtten, hoewel ze er niet rechtstreeks afhankelijk van waren, want het dienstmeisje zorgde voor het kind.

Bij afhankelijkheid daarentegen, kan het kind zich richten tot willekeurige personen. Hier staat vervulling van wensen wel op de voorgrond. Bijvoorbeeld: kinderen die naar een crèche worden gebracht, wanneer de ouders overdag gaan werken, zijn afhankelijk van de werknemers in de crèche, omdat die de zorgen voor hen opneemt terwijl de ouders niet aanwezig zijn. Toch zullen ze zich meestal niet hechten aan deze personen.

Inprenting

Konrad Lorenz heeft onderzoek gedaan rond inprenting bij eenden- en kippenkuikens . Op een bepaald moment, dat door de aangeboren natuur vooraf bepaald wordt, volgen de kuikens het eerste bewegende object dat ze op dat moment zien. Meestal is dit de moedereend of –kip.

Bij kuikens ligt deze kritieke periode tussen het dertiende en zestiende uur na het verlaten van het ei. Lorenz toonde aan dat deze hechting willekeurig is. Zo hadden de kuikens zich aan zijn laarzen gehecht en volgden ze hem overal heen. Lorenz leverde dus het bewijs dat er geen aangeboren voorstelling van moederdier is, maar wel een kritieke periode waarbinnen de hechting moet plaatsvinden. Bij andere dieren bleek dit ook zo te zijn, enkel de tijdspanne en de duur ervan verschilde. Bij honden kan, eens een vriendschap met een mens of een hond ontwikkeld is, deze worden overgedragen op andere mensen of honden. Vindt deze specifieke gehechtheid niet plaats binnen een bepaalde tijdspanne, dan zal de hond deze gehechtheid niet meer ontwikkelen. Sommige dieren hebben een visuele prikkel nodig om zich te hechten, terwijl dit bij andere een auditieve stimulus is.

Harlow deed onderzoek rond hechting bij aapjes. Experimenten toonden aan dat aapjes die zich niet aan een moederdier hebben kunnen hechten, in hun volwassenheid ook niet in staat bleken om hun jongen op te voeden.

John Bowlby

Een van de pioniers die onderzoek heeft verricht omtrent hechting is John Bowlby. Hij benadert hechting vanuit ethologisch standpunt. Zijn hechtingstheorie spitst zich toe op de sociaal-emotionele gedragscomponenten. Sociaal zien we dat de relatie tussen jong kind en verzorger als doel heeft veiligheid en geborgenheid aan het kind te bieden. Deze gevoelsband tussen verzorger en kind is van blijvende aard. Het resultaat van deze band is dat het kind een subjectief gevoel van zekerheid zal ervaren rond het fysiek en emotioneel beschikbaar zijn van de verzorger wanneer het kind hier nood aan heeft. Daarnaast zal een scheiding van deze verzorgersfiguur intense angst, kwaadheid en verdriet oproepen bij het jonge kind. Gedragsmatig zien we dat het kind signaalgedrag vertoont, zoals huilen, glimlachen of vocaliseren, of toenaderingsgedrag zal doen, zoals volgen, naar de verzorger toe kruipen en zich vastklampen, om contact te hebben met de verzorgingsfiguur.

Bowlby, van opleiding zenuwarts met psychoanalytische scholing, interesseerde zich in de geestelijke gezondheidszorg van instellingskinderen. Deze kinderen vertoonden een repertoire aan gedrags- en emotionele stoornissen. Bovenal leken ze moeite te hebben met het aangaan van relaties. Hij wijt deze emotionele stoornis aan “een tekort aan een solide hechtingsband in de vroege kindertijd, of aan het plots wegvallen ervan.” Bowlby stelde dat deze primaire verzorgingsrelaties even noodzakelijk zijn als het verstrekken van voedsel, verzorging en structuur. Deze interpersoonlijke relaties zijn cruciaal om te komen tot een gezonde psychologische ontwikkeling. Twee belangrijke componenten binnen deze relaties zijn de consistentie van de verzorgers en hun sensitiviteit om de individuele noden van het kind aan te voelen.

Hij onderscheidt verschillende fasen in het hechtingsgedrag van kinderen. Baby’s zijn al vanaf de eerste weken in staat tot sociaal contact, ook al kunnen ze nog geen voorwerpen volgen met hun ogen. Dit contact bestaat uit brabbelen, huilen en glimlachen.Tussen drie en zes maanden wordt dit sociaal reactief gedrag beperkt tot een paar vertrouwde mensen. Hierbij hebben ze een duidelijke voorkeur voor een specifieke persoon.Na zes maanden zijn er een paar vertrouwde mensen vastgesteld met één persoon als centrale figuur. Kenmerkend voor deze fase is de angst voor vreemden.

Bowlby stelt in zijn trilogie over hechting vijf premissen:
  • Hechtingskwaliteiten werden losgekoppeld van andere aspecten van de relatie met de verzorger, zoals spel of leren.
  • De vorming van hechting vindt plaats in de context van een normale ontwikkeling, waarbij specifieke mechanismen werden voorgesteld.
  • Gehechtheidsontwikkeling werd gezien als intrinsiek en biologisch kenmerk in de ontwikkeling van de mens als sociaal wezen. (Het is dus niet aangeleerd d.m.v. beloning met voeding.)
  • Het cognitieve mechanisme van de interne werkmodellen werd aangevoerd als middel om te komen tot het mediëren van de langetermijneffecten van hechtingservaringen en als middel, om in de loop van de tijd, tot verandering te komen.
  • Als laatste doet Bowlby voorstellen over het verband tussen onveilige hechting en ontwikkeling van latere psychopathologieën.

Mary Ainsworth

Een andere auteur die veel werk heeft verricht op het gebied van hechting is Mary Ainsworth. Zij maakte de opsplitsing tussen veilige hechting enerzijds en onveilige hechting anderzijds. Ze stelde dat het niet gaat om een sterke of zwakke hechting, maar wel of ze al dan niet een veilig karakter heeft.

Daarnaast ontwikkelde Ainsworth een manier om de kwaliteit van deze gehechtheid te meten. Dit noemde ze de ‘Strange Situation Procedure’, of ‘Vreemde-Situatie-Procedure’. Het is een gestandaardiseerde procedure waarin een samensmelting plaatsvindt van elementen die ook in het dagelijkse leven het hechtingsgedrag oproepen. Deze drie componenten zijn: een vreemde omgeving, vreemde personen en scheiding met de moeder. Deze Vreemde-Situatie-Procedure vindt plaats in een laboratoriumsituatie. Ze bestaat uit acht episoden van elk drie minuten die in toenemende mate stressvol zijn voor het kind. Deze test wordt bij voorkeur afgenomen bij kinderen tussen de twaalf en achttien maanden, omdat op die leeftijd de objectpermanentie zich aan het ontwikkelen is.

Het onderzoek gaat als volgt :
  1. Introductie van de observator
  2. Moeder en kind bevinden zich in een onbekende omgeving, de laboratoriumsituatie. Er zijn wat speelgoed en enkele stoelen aanwezig.
  3. Een onbekende volwassene komt de kamer binnen en gaat na een korte gewenningsperiode spelen met het kind.
  4. Moeder verlaat de ruimte en laat het kind met de vreemde persoon achter.
  5. Moeder komt weer binnen. (eerste herenigingsperiode)
  6. Moeder verlaat het vertrek opnieuw. Deze keer blijft het kind alleen achter.
  7. De vreemde persoon komt de kamer binnen terwijl moeder nog afwezig is.
  8. Moeder komt weer binnen. (tweede herenigingsperiode)

  • Bij iedere episode zal men observeren hoe het kind reageert op de situatie. De resultaten van dit onderzoek zullen de hechtingskwaliteit bij het jonge kind meten.
  • Ainsworth maakt een onderscheid tussen drie types van hechting, de A-, B- en C-kinderen. Hierbij zijn de type B-kinderen veilig gehecht. Dit wil zeggen dat ze wel enigszins onrustig worden wanneer moeder weggaat en het kind met de vreemde achterlaat. Ze zijn niet echt van streek, ook al gaan ze na een poos huilen. Ze zijn snel te troosten wanneer moeder terugkomt en zetten hun spel verder.
  • A- en C-kinderen zijn allebei onveilig gehecht, maar op een verschillende manier.
  • C-kinderen zijn onzeker en klampen zich vast aan moeder en komen nauwelijks tot spelen in de aanwezigheid van een vreemde, ook wanneer moeder nog steeds in dezelfde ruimte vertoeft. Wanneer moeder hen met de vreemde in de ruimte achterlaat zijn ze meteen in paniek en achteraf heel moeilijk te troosten bij hereniging. Men noemt deze kinderen ook wel ambivalent gehechte kinderen.
  • A-kinderen lijken helemaal niet gehecht. Ze gedragen zich eerder onverschillig. Men vermoedt dat ze hun gehechtheid niet in gedrag weten om te zetten, omdat ze zich niet volledig veilig voelen in de relatie. Ze stellen dit gedrag om de gevreesde afwijzing te voorkomen. In de testsituatie lijkt het hen niet te kunnen schelen wanneer moeder de kamer verlaat en weer binnenkomt. Ook hun manier van spelen is erg vluchtig. Deze kinderen geeft men ook wel eens de naam, vermijdend gehecht.
  • Later werd door Main en Solomon nog een vierde categorie bijgevoegd, het D-type. Deze kinderen noemt men gedesorganiseerd gehecht. Zo kunnen ze intens verdriet hebben wanneer de moeder weggaat en bij hereniging “bevriezen”. Uit het gedrag van sommige kinderen blijkt dat ze bang zijn voor hun verzorger. Hierdoor ontstaat een “toenaderings-vermijdingsconflict”. Ze willen zich hechten, maar durven niet, omdat deze verzorger niet het noodzakelijke vertrouwen inboezemt. Het hechtingsgedrag is op een of andere manier vervormd van de andere types van gehechtheid.

  • Als men kijkt naar de opvoeding die deze kinderen hebben meegekregen, merkt men dat er toch een onderscheid is in de opvoedingsstijl van de ouders. Sensitiviteit en consequent reageren spelen hier een grote rol in.
  • Ouders van vermijdend gehechte kinderen (type A) zijn afwijzend in hun gedrag t.o.v. het kind. Vaak vertonen ze een rigide en zakelijke omgang met het kind, waarbij er niet veel fysiek contact is. Ze zijn geïrriteerd door weigeringen of huilen van het kind. Op het kind zijn appèl reageren ze consequent en insensitief.
  • De ouders van veilig gehechte kinderen (type B) hebben meer lichamelijk contact, houden rekening met de noden en wensen van het kind en zijn expressiever in hun mimieken naar het kind toe. Deze ouders zijn sensitief, coöperatief en toegankelijk voor het kind.
  • Als men kijkt naar de ouders van ambivalent gehechte kinderen (type C), ziet men dat deze vaak onbereikbaar zijn voor het kind op de momenten dat het kind hier nood aan heeft. Vaak zijn ze ook onvoorspelbaar. Deze ouders zijn sensitief, maar inconsequent.
  • Ouders van gedesorganiseerde gehechte kinderen (type D) zijn voor het kind onvoorspelbaar. Ze vertonen vaak bizar en incoherent gedrag dat voor het kind zeer beangstigend overkomt. Het gaat hier om een ernstig verstoord opvoedingspatroon, waarbinnen het mogelijk is dat mishandeling en/of misbruik plaatsvindt. Soms merkt men bij de ouder(s) ernstige emotionele stoornissen of psychopathologieën, zoals schizofrenie of depressie. Ook is het mogelijk dat er bij de ouders nog sprake is van onverwerkte rouw of traumata.

Psychoanalytische visie op hechting

Winnicott

Winnicott is een psychoanalyst die zich meer is gaan toeleggen op de ontwikkeling van kinderen. Vooral op vlak van spelontwikkeling en speltherapie heeft hij een grote bijdrage geleverd.

Om de stap van afhankelijkheid naar zelfstandigheid te vergemakkelijken, maken sommige kinderen soms gebruik van knuffelbeesten. Op deze manier overbruggen ze het gescheiden zijn van moeder. Knuffels worden door het kind gezien als iets wat met de moeder te maken heeft. Winnicott ziet die knuffels als transitionele objecten of overgangsobjecten. Dit is een teken dat een kind de overgang kan maken van realiteit naar fantasie. Naarmate het kind groter wordt, zal het transitioneel object geleidelijk aan zijn betekenis verliezen, tenzij het kind vast zit in zijn ontwikkeling, en deze stap niet kan maken.

Mahler

Mahler stelt in haar theorieën dat de baby eerst een periode van non-differentiatie moet hebben doorgemaakt, zodat hij zich als individu met een eigen identiteit beleeft, om zich vervolgens te kunnen hechten aan specifieke personen. Hierbij maakt ze een onderscheid tussen de verschillende fasen.

De eerste vijf maanden, bevindt de baby zich in de autistisch-symbiotische fase. De baby functioneert op een autistisch niveau. Hij is in zichzelf verzonken en ervaart de moeder en de buitenwereld als deel van zichzelf. Hij leeft nog in symbiose met de moeder. Op de leeftijd van vijf tot tien maanden, de differentiatiefase, zal het kind beginnen te experimenteren. Het begint de moeder van anderen te onderscheiden. Een duidelijk teken hiervoor is de angst voor vreemden in deze fase. Tussen de tien en de achttien maanden, de oefenfase, zal er een evenwicht tussen hechting en exploratie plaatsvinden, waarbij het kind stilaan los komt van de moeder. In de periode tussen achttien en tweeëntwintig maanden, de toenaderingsfase, leert het kind de scheiding van zijn moeder te verwerken door in sociale interactie te treden met andere volwassenen. Dit betekent dat het kind zichzelf meer ervaart als los van de moeder, dus als individu. Hier ontstaat het zelfbewustzijn.

Erik Erikson

Erikson is een psychoanalyticus die zich meer is gaan toespitsen op de ontwikkeling van mensen. Hij deelt de ontwikkeling van een mens in, in acht fasen. Deze gaan van babyleeftijd tot bejaardheid. In elk stadium moet men een crisis oplossen. Wanneer men hier goed uitkomt, gaat men door naar het volgende.

Tijdens de babyleeftijd, deze komt overeen met de orale fase van Freud, moet men leren mensen te vertrouwen, om zo een basisvertrouwen te ontwikkelen. Slaagt men hier niet in, dan zal het kind een basiswantrouwen ontwikkelen. Deze crisis doet zich meestal voor op het moment dat van borstvoeding naar flesvoeding wordt overgeschakeld. De moeder kan het kind helpen door het rustig en teder te koesteren. Hierdoor zal het kind continuïteit en erkenning ervaren vanwege de moeder.

Psychosociaal gezien, moet het kind in deze fase leren geven en nemen. De significante relatie die het kind in deze periode aangaat blijft meestal beperkt tot de verzorger, in de meeste gevallen de moeder.
© 2008 - 2019 Hermes314, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Hechting, hoe verloopt hechting bij een mens en een kind?Hechting, hoe verloopt hechting bij een mens en een kind?Een pasgeboren baby is volledig afhankelijk van de zorg van een volwassene. Daarom doet een kind van alles om de moeder…
Hechting en identiteit van een kindHechting en identiteit van een kindHechting is de emotionele band met een specifiek persoon gedurende ruimte en tijd. Hoe ontstaat deze band en welke facto…
Hechting bij een kind dat naar de kinderopvang gaatHechting bij een kind dat naar de kinderopvang gaatKunnen kinderen die naar een kinderopvang (ook wel kinderdagverblijf genoemd) gaan zich wel leren hechten? Dit is een vr…
Behoefte aan aandachtBehoefte aan aandachtMensen zijn sociale wezens, dus het is niet vreemd dat we behoefte hebben aan de aandacht van anderen. Bowlby beschreef…
Knippen en scheuren tijdens een bevallingAan een bevalling houdt een vrouw soms een knip, soms een scheur over. Andere vrouwen blijven dan weer intact. Een knip…
Bronnen en referenties
  • ROEDIGER, e.a., Psychologie, een inleiding. Gent/Academia Press, 1996. VERHOFSTADT-DENÈVE, L.,VAN GEERT, P., VYT, A., Handboek ontwikkelingspsychologie, grondslagen en theorieën. Houten-Diegem/Bohn Stafleu Van Loghum, 1995. JACOBS, D., Hechting en hechtingsstoornissen. TOKK, nr. 27, 2002. DELFOS, M.F., Ontwikkeling in vogelvlucht, ontwikkeling van kinderen en adolescenten. Lisse/Swets & Zeitlinger, 1999. KOHNSTAMM, R., Kleine ontwikkelingspsychologie I, het jonge kind. Houten-Diegem/Bohn Stafleu Van Loghum, 1993.

Reageer op het artikel "Hechting: een noodzakelijke basis voor het latere leven"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Reacties

Lotte, 15-11-2010 17:31 #4
Ik wil een eindwerk maken over hechtingsproblematiek bij volwassenen met een mentale beperking. Het doel van mijn eindwerk zou zijn handvaten aanreiken aan mijn medecollega's voor in de toekomst beter om te gaan met deze problematiek.
Voor ik daarmee aan slag ga moet ik mij de vraag stellen of mijn collega's nood hebben aan deze handvaten. Ik zoek vragenlijsten om aan mijn collega's te vragen ivm hechting. Kan iemand mij daarbij helpen of zeggen waar ik zulke vragen kan vinden?
Bedankt, Lotte

Cindy, 29-12-2009 23:06 #3
Good reading stuff!

Thanks

Jeannette Cloosterman, 23-09-2009 22:13 #2
Ik ben op zoek naar het model van Riksen-Walraven? Wie kan mij helpen?

Inge Gerberink, 24-04-2009 11:28 #1
Ik heb 6jaar internaatsleven gehad.11 tot 13 jaar en van 15-18-jaar ik zorg nu voor mijn moeder plichtmatig.
het moet, maar heb er weinig echte gevoelens bij!

Infoteur: Hermes314
Gepubliceerd: 23-02-2008
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Psychologie
Bronnen en referenties: 1
Reacties: 4
Schrijf mee!