InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Onderwijs > De sociale status tijdens de basisschoolperiode

De sociale status tijdens de basisschoolperiode

De sociale status tijdens de basisschoolperiode Kinderen vervullen in een klaslokaal verscheidende rollen. In de basisschoolperiode leert een kind (al dan niet bewust) hoe het is om deel uit te maken van een groep en wat zijn of haar rol is binnen deze groep. In deze periode worden sociale relaties met leeftijdsgenoten voor een kind steeds belangrijker. Kinderen gaan vrienden maken en willen ‘erbij horen’. Voor kinderen kan dit ‘erbij willen horen’ erg lastig zijn en hier kan een kind erg mee gaan zitten. Het toewijzen van een sociale status aan een bepaald kind kan op verschillende manieren. Hier wordt ook in het onderwijs gebruik van gemaakt.

Sociale status

De sociale status houdt de rol die een kind vervult in een bepaalde context in. Deze wordt door andere kinderen toegewezen aan het desbetreffende kind. Een kind kan een hoge of lage sociale status hebben (Scholte, Engels, Haselager & de Kemp, 2004). Sociale status kan op verschillende manieren gebruikt worden. Vroeger werd het vooral gedefinieerd als de mate van geliefdheid van een bepaald persoon. Dit werd in een klas vaak sociometrische populariteit genoemd, hier zal verderop verder op in gegaan worden. Tegenwoordig wordt sociale status meer gedefinieerd als iemands zichtbaarheid, respect en invloed op anderen. Dit wordt waargenomen populariteit genoemd (Van der Horst, De Keijzer, Maat &Vrugteveen, 2016). Waargenomen populariteit hangt vaak samen met een hoge dominantie en leiderschap, aangezien deze kinderen veel invloed uitoefenen op andere kinderen. Volgens Hawley (1999; 2006) (Hawley, 1999) wordt sociale dominantie geassocieerd met een succesvolle toegang tot gewenste hulpbronnen (Van der Horst & collega’s, 2016). Deze hulpbronnen worden ook wel resources genoemd en deze resources kan een kind inzetten om meer invloed uit te oefenen op andere kinderen. Doordat kinderen met veel resources veel invloed kunnen uitoefenen op andere kinderen, leidt een hoge sociale dominantie vaak tot een hogere mate van agressief en pestgedrag. Kinderen met een lage sociale dominantie en dus weinig middelen zijn in tegenstelling tot kinderen met een hoge sociale dominantie minder populair en hebben een grotere kans op het worden van slachtoffer bij pestgedrag (Van der Horst & collega’s, 2016).

Resource control theory

Zoals vermeld heeft een persoon volgens Hawley een hogere sociale dominantie als deze veel resources tot zijn beschikking heeft en deze resources ook kan behouden. Hawley beschrijft dit in zijn Resource Control Theory en noemt dit verkrijgen en behouden van resources resource control (Van Atten, Mons, Neunman & De Sousa Fortes, 2012). Een kind kan zijn middelen gebruiken om andere kinderen voor zich te winnen. Zo kan een kind met veel vrienden (een van de resources) deze vrienden inschakelen om een ander kind het leven zuur te maken. Tegenover de kinderen met veel resources zijn er ook kinderen die deze resources niet of in mindere mate bezitten. Iemand met weinig resources zal minder macht hebben in de klas, aangezien dit kind niet de mogelijkheid heeft om zijn resources wel of niet te delen. Een kind met weinig macht zal zich dan eerder aan gaan passen aan anderen en aan de situatie. Er zijn een aantal manieren waarop een kind deze resources kan verkrijgen: coërcitief (direct agressief), prosociaal (coöperatief) of een combinatie hiervan. Met coërcitief gedrag wordt bedoeld dat het kind agressie gebruikt, denk aan pestgedrag of dreigen. Terwijl met prosociaal gedrag gewenst gedrag wordt bedoeld, zoals ruilen of simpelweg netjes vragen om een bepaald object (Van der Horst & collega’s, 2016).

Typen strategieën

Op basis van deze twee strategieën (coërcitief en prosociaal) kunnen vijf typen kinderen onderscheiden worden: prosociale controllers, de coërcitieve controllers, de bistrategen, de noncontrollers en de typicals (Van der Horst & collega’s, 2016).

Prosociale controllers
Prosociale controllers passen vooral prosociale strategieën toe. Andere kinderen vinden hen aardig en scoren gemiddeld tot bovengemiddeld op waargenomen populariteit. Volgens Hawley (e.g. 2003a; 2003b; 2007) scoren deze kinderen bovengemiddeld op resource control. Terwijl Olthof en collega’s (2011) juist hebben gevonden dat zij lager scoorden op de mate van resource control tegenover onderzoeken van Hawley.

Coërcitieve controllers
De coërcitieve strategen hanteren juist coërcitieve strategieën. Deze kinderen blijken laag te scoren op sociometrische populariteit, maar scoren hoog op resource control en waargenomen populariteit.

Bistrategen
Het derde type, de bistrategen, hanteren zowel coërcitieve als prosociale strategieën. Deze kinderen zijn tegenover de andere typen het meest sociaal dominant, ze hebben de meeste resources en scoren zowel op de waargenomen als sociometrische populariteit hoog.

Noncontrollers
De noncontrollers passen eigenlijk beide strategieën weinig toe. Deze kinderen hebben een lage sociometrische en waargenomen populariteit en scoren het laagst op resource control.

Typicals
De laatste groep, de typicals, is een restgroep en scoort benedengemiddeld tot gemiddeld op resource control. Wordt ook benedengemiddeld tot gemiddeld aardig gevonden door andere kinderen en scoort gemiddeld op waargenomen populariteit.

Effectiviteit van de strategieën
Er is onderzoek gedaan naar de effectiviteit van de verschillende strategieën (Van Hoek, Doldersum, Hereijgers, Asatouri, 2016). Uit het onderzoek van Olthof, Goossens, Vermande, Aleva en Van der Meulen (2011) blijkt dat de bistrategen significant hoger scoren op resource control dan de andere kinderen met andere strategieën. Ook is uit dit onderzoek gebleken dat de coërcitieve controllers significant hoger scoren dan de typical controllers, de prosociaal controllers en de non-controllers. Wat hier wel vermeld moet worden is dat dit onderzoek alleen gedaan is bij kleuters en dus misschien niet bij elke leeftijdscategorie geldt. Het onderzoek van Hawley heeft in tegenstelling tot het onderzoek van Olthof en collega’s (2011) ook onderzoek gedaan naar adolescenten met een leeftijd van gemiddeld 14 jaar. Uit dit onderzoek blijkt dat prosociale en bistrategen aardig gevonden worden door hun leeftijdsgenoten. Deze resultaten zijn verkregen door zelfrapportage en de betrouwbaarheid kan hierdoor in twijfel getrokken worden, aangezien deze kinderen sociaal wenselijk geantwoord kunnen hebben. Er zijn dus een aantal onderzoeken gedaan naar deze soorten strategieën, toch is het merkwaardig dat uit verschillende onderzoeken verschillende resultaten zijn gekomen. Hierdoor is het van belang om een allesomvattend longitudinaal onderzoek te doen naar deze strategieën om hier meer kennis over te vergaren.

Soorten resources

Hawley maakt onderscheid tussen drie soorten resources: materiële, sociale en informationele. Bij materiële bronnen worden bijvoorbeeld voedsel en kleding bedoeld, bij sociale bronnen wordt vriendschap bedoeld. Informationele bronnen maken het makkelijker om materiële of sociale bronnen te verkrijgen. De waarde van iedere resource hangt af van hoeveel iemand er afhankelijk van is (Van Hoek & collega’s, 2016).

Als kinderen deze resources dus kunnen verkrijgen en behouden hebben ze de mogelijkheid om macht uit te oefenen op andere kinderen door deze resources wel of niet te delen met andere kinderen

Sociometrische en waargenomen populariteit

Zoals hierboven vermeld wordt populariteit onderscheiden in twee soorten; sociometrische en waargenomen populariteit. Overeenkomsten tussen deze twee soorten is dat beide soorten populaire kinderen fysiek aantrekkelijk zijn, veel vrienden hebben en prosociaal gedrag vertonen. Verschillen tussen deze twee soorten zijn dat sociometrisch populaire kinderen hiernaast ook nog coöperatief en betrouwbaar zijn. Ook is de inzet van sociometrisch populaire kinderen op school relatief hoog. Waargenomen populaire kinderen vertonen in tegenstelling tot de sociometrisch populaire groep vaker agressieve eigenschappen, zijn zichtbaarder, zelfingenomen, arrogant en invloedrijk (Van Hoek & collega’s, 2016).

Meten waargenomen populariteit

De verschillende soorten populariteit vergen ook verschillende methoden om deze populariteit te meten. Bij waargenomen populariteit wordt aan de kinderen in de klas gevraagd welke kinderen zij populair en welke kinderen zij niet populair vinden. Hier wordt dus niet gekeken naar of het kind deze kinderen wel of niet aardig vindt, maar gaat het puur om reputatie.

Meten sociometrische populariteit

Sociometrische populariteit wordt gemeten door de mate van geliefdheid te bepalen. Dit wordt gemeten door aan kinderen te vragen hoe aardig of onaardig ze de kinderen in de klas vinden. Zo kan er een indeling gemaakt worden van de verschillende soorten kinderen: populair (geliefd), afgewezen (niet geliefd), controversieel (zowel geliefd als niet geliefd) of genegeerd (weinig genoemd).
© 2018 Demies, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Rolverdeling in sportteamsRolverdeling in sportteamsBinnen sportteams heeft elke speler zijn eigen rol. Bij deze rol horen ook verwachtingen over hoe deze persoon zich gedr…
Welke bijdrage kan HR leveren aan een organisatiestrategie?Welke bijdrage kan HR leveren aan een organisatiestrategie?Human resource (HR), en human resource management (HRM), zijn binnen organisaties om verschillende redenen essentieel. D…
Theorie van geredeneerd gedrag (Theory of Reasoned Action)De theory of reasoned action (vaak afgekort tot TRA) werd in 1975 ontwikkelt door Icek Azjen & Martin Fishbein. De theor…
Sociale lening aanvragenSociale lening aanvragenHoe vraag ik een sociale lening aan? Bij een sociale kredietbank kun je een sociale lening aanvragen. Als je tot de mini…
De beste sneltoetsen: vlugger werkenDe beste sneltoetsen: vlugger werkenWanneer je veel gebruik maakt van de computer, kunnen sneltoetsen uitkomst bieden. Met sneltoetsen kan je bepaalde hande…
Bronnen en referenties
  • Hawley, P. H. (1999). The ntogenesis of social dominance: a strategy-based evolutionary perspective. Developmental Review, 19(1), 97-132. doi:10.1006/drev.1998.0470
  • Scholte, R., Engels, R., Haselager, G., & De kemp, R. (2004). Stabiliteit in pesten en gepest worden: associaties met sociaal functioneren op de basisschool en middelbare school. Retrieved from file: /Downloads/225-248-1-PB%20(2).pdf
  • Van Atten, A., Mons, M., Nuenman, D., & De sousa fortes, C. (2012, June 14). Sociale status van daders van pesten, slachtoffers van pesten en nietbetrokkenen op de basisschool. Retrieved from /Bachelorthesis%20Mons,%20MA-3534707%20en%20Atten,%20A%20van-3488942%20en%20Nueman,%20DMS-3366782%20en%20Sousa%20Fortes,%20C%20de-3534715.pdf
  • Van der Horst, M., De Keijzer, N., Maat, J., & Vrugteveen, I. (2016, June 16). Sociale dominantie en sociale vaardigheden van resource control typen. Retrieved from Bachelorthesis%20Keijzer,%20Nde-4168089%20en%20Maat,%20AJ-4210336%20en%20Vrugteveen,%20I-5719038%20en%20Horst,%20MVvander-4094093.pdf
  • Van hoek, M., Doldersum, I., Hereijgers, S., & Asatouri, C. (2016, June 24). Resource control groepen en peer status. Retrieved from Bachelorthesis%20Hoek,%20MJCAvan-5753058%20en%20Doldersum,%20I-5756782%20en%20Hereijgers,%20SCM-5861241%20en%20Asatouri,%20C-4018540.pdf

Reageer op het artikel "De sociale status tijdens de basisschoolperiode"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Demies
Gepubliceerd: 02-08-2018
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Onderwijs
Bronnen en referenties: 5
Schrijf mee!