InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Filosofie > Het begrip medelijden in de 'Zarathoestra' van Nietzsche

Het begrip medelijden in de 'Zarathoestra' van Nietzsche

Het begrip 'medelijden' is een van de centrale thema's in de filosofie van Friedrich Nietzsche ( 1844-1900). In dit artikel wordt onderzocht hoe aan dit medelijden in Nietzsche's 'Aldus sprak Zarathoestra' verdere invulling kan worden gegeven

De thematiek van Also sprach Zarathoestra

Om de thematiek van ‘Also sprach Zarathoestra’ te belichten wil ik een passage uit ‘Ecce Homo’ citeren. In deze passage staat Nietzsche kort stil bij de figuur Zarathoestra: ‘Zarathoestra is de eerste geweest om in de strijd van goed en kwaad de eigenlijke drijfveer te zien in het raderwerk der dingen; het overbrengen van de moraal in het metafysische vlak, als kracht, oorzaak, doel in zichzelf, is zijn werk. Maar deze vraag zou eigenlijk reeds het antwoord zijn. Zarathoestra heeft deze allernoodlottigste dwaling, de moraal, in het leven geroepen: derhalve moet hij ook de eerste zijn om haar te doorzien. […] De overwinning van de moraal op zichzelf door middel van waarachtigheid, de overwinning op zich zelf van de moralist door middel van zijn tegendeel- door middel van mij- dat is in mijn mond de betekenis van de naam Zarathoestra.’

De meeste Nietzsche-commentatoren zijn het er over eens dat met het boek ‘Ecce Homo’ als autobiografie voorzichtig moet worden omgesprongen. Ik wil dan ook in het midden laten of de persoon Nietzsche wel in alle opzichten het tegendeel van de moralist was. Ten aanzien van Zarathoestra echter ligt het meer voor de hand om hem te kenschetsen als degene die het klaarspeelt om de overwinning van de moraal op zichzelf te laten halen. Veel belangrijke stijlfiguren die Nietzsche introduceert en alle leringen in AsZ worden gebruikt voor dat doel. Alle stadia die de menselijke geest doorloopt en die dit doel dreigen te verhinderen, of het nu ‘de lijfsverachters’, ‘de medelijdenden’ of bijvoorbeeld ‘de geest der zwaarte’ betreffen worden bekritiseerd, maar zijn wel noodzakelijk voor het bereiken van dit doel. Overigens is de overwinning op de moraal nog niet bereikt in de fase waarin de kameel tot leeuw is geworden. Pas als men heeft leren lachen om zichzelf en tot een kind is geworden met zijn ‘onschuld’, ‘spel’, als ‘een uit zichzelf voortrollend rad’ is de bovengenoemde overwinning bereikt. Tot op zekere hoogte blijkt echter Zarathoestra ook slechts iemand die een verder weg gelegen doel moet voorbereiden, namelijk de komst van de Uebermensch. Daarvoor is de overwinning van de moraal op zichzelf onontbeerlijk.

Rol van plaats en functie van het medelijden in AsZ

Ik wil kort de rol van de plaats en functie van paragraaf 3 van boek II ‘Van de medelijdenden’ in de AsZ onderzoeken. In deel I wordt door Zarathoestra meerdere keren naar het medelijden verwezen. In Zarathoestra’s voorrede zegt hij terwijl hij spreekt over de Uebermensch al:’Wat is mij aan mijn medelijden gelegen?’ En in de paragraaf ‘van de predikers des doods’ bijvoorbeeld : ‘Medelijden is nodig- zo zeggen derden’. Waarom wordt het medelijden als zelfstandig thema pas in deel II behandeld? In deel I zien we Zarathoestra met name optreden als leraar. Hij lijkt te denken zich zijn leer al volledig eigen te hebben gemaakt. Hij roept zichzelf weliswaar niet uit tot Uebermensch, maar lijkt wel zonder mankementen en zwakke plekken te zijn. In deel II wordt dit beeld enigszins verstoord. Met name in paragraaf 9, 10 en 11 wordt Zarathoestra weer een lijdend mens, iemand die worstelt, die twijfelt en die zichzelf ontmaskert. In plaats van leraar wordt hij weer leerling van het leven. Zarathoestra blijft de rest van de AsZ geplaagd door het medelijden. Een van de meest centrale thema’s uit het hele IVe Deel van AsZ lijkt het medelijden te zijn. Als aanhef van het IVe deel wordt immers een citaat uit deel II gebruikt dat gaat over het medelijden. Daarin zegt Zarathoestra o.a. ‘Ook God heeft zijn hel: dat is zijn liefde tot de mensen.’ In het IVe deel zal een aantal door Zarathoestra als ‘hogere mensen’ geschetste figuren hun opwachting maken. We zien achtereenvolgens een waarzegger, twee koningen, een gewetensvolle des geestes, een tovenaar, een paus buiten dienst, de lelijkste mens, een vrijwillige bedelaar en Zarathoestra’s schaduw voorbijkomen. Het lijkt erop dat ook Zarathoestra zijn hel heeft en dat is zijn liefde tot de ‘hoogste mens’. Zo zal de waarzegger Zarathoestra verleiden tot zijn laatste zonde: het medelijden; Zarathoestra heeft behoefte om met de vurigheid waarmee de koningen over het geluk van hun vaderen spreken te spotten, maar hij doet het niet; Zarathoestra schrikt van het bloed langs de arm van de gewetensvolle des geestes en houdt hem medelijdend vast; Zarathoestra helpt de tovenaar zich op te richten nadat uit hem een ontzettende noodkreet was gekomen en geloofde aan zijn nood toen hij het hoofd van de tovernaar met beide armen vasthield; Zarathoestra ziet de oude paus buiten dienst en dat ‘verdroot hem geweldig’, tevens vraagt hij aan de tovenaar of het waar is dat het medelijden de mens aan het kruis geworgd heeft; Ook met de laatste mens heeft Zarathoestra medelijden. ‘Hoe arm is deze mens! dacht hij [Zarathoestra] in zijn hart, hoe lelijk, hoe reutelend, hoe vol van verborgen schaamte.’ ; En Zarathoestra wil ook de vrijwillige bedelaar helpen, omdat hij vreest dat deze iets geleden heeft ‘dat bezwaarlijk door het medelijden van koeien kon worden verholpen.’ Als Zarathoestra hoort over de doelloosheid van zijn schaduw wordt hij ‘vol treurigheid’ en wijst hem als ‘rustplaats’ zijn grot. Pas op de laatste bladzijde van het boek roept Zarathoestra uit dat zijn medelijden (met de hogere mens) zijn tijd heeft gehad.

Korte samenvatting van de paragraaf ‘Van de medelijdenden’

In genoemde paragraaf brengt Zarathoestra medelijden allereerst in verband met schaamte. Daarom zegt ‘de inzichtige’ dat de mens ‘het dier dat rode wangen heeft’ is. Schaamte is immers iets dat degene die lijdt heeft. Wanneer men lijdt probeert men zich te verbergen. Het kwalijke aan het betonen van medelijden is dat men de schaamte van degene die lijdt niet eert. De ‘edele’ mens houdt rekening met die schaamte, maar de ‘barmhartige’ niet. Vervolgens zegt Zarathoestra
dat het beter is je te verheugen dan medelijden te hebben en iets te doen voor de lijdenden. Het probleem met medelijden is namelijk dat het niet helpt; het verdubbelt het lijden in de wereld. Juist wanneer we ons verheugen zullen we minder geneigd zijn anderen ‘pijn te doen en pijnlijks uit te denken.’ Zarathoestra meent dat, wanneer wij lijden, ( bijvoorbeeld aan medelijden met anderen) wij ons daarvoor schadeloos willen stellen door anderen pijn te bezorgen. Vanuit het gezichtspunt van degene met wie anderen medelijden hebben is het ook niet raadzaam om dat medelijden aan te nemen, want ‘grote verplichtingen maken niet dankbaar, doch wraakzuchtig.’ En bedelaars moet men afschaffen, want ‘men ergert zich als men hun geeft en men ergert zich hun niet te geven. Zarathoestra spreekt over de ‘kleine gedachten’ die zijn als een ‘zwam’. Even later geeft Zarathoestra de volgende raad: ’ Hebt gij echter een lijdende vriend, weest dan een rustplaats voor zijn lijden, doch gelijk een hard bed, een veldbed’. Het zou van kleine gedachten getuigen als ik helemaal zou meegaan in het lijden van die vriend. Daardoor zouden hij en ik ‘verflensen door de kleine zwammen’. Maar alle ‘grote liefde’ ontstijgt vergeving en medelijden, aldus Zarathoestra. De opmerking dat de duivel tot Zarathoestra gesproken zou hebben: ‘Ook God heeft zijn hel, dat is zijn liefde tot de mensen’ lijkt een prelude te zijn op het hoofdstuk op de paus buiten dienst, maar zou zelfs gezien kunnen worden als prelude op heel deel IV van de Zarathoestra. Nietzsche lijkt hier bij monde van Zarathoestra te willen verwijzen naar Jezus die stierf aan het kruis voor de zonden der mensheid. Aan het eind van de paragraaf blijkt dat we om in staat te zijn om te kunnen ‘scheppen’ medelijden moeten overwinnen. Ten behoeve van dat ‘scheppen’ is het noodzakelijk dat Zarathoestra zichzelf én zijn naasten opoffert.

Wat bedoelt Nietzsche met medelijden met de hogere mens?

Nietzsche laat Zarathoestra verkondigen dat men hard moet worden. Nietzsche doet in zijn ‘Nagelaten fragmenten’ deel IV ( juli 1882-winter 1883/1884) de volgende uitspraak: ‘Bij medelijdende mensen is hardheid een deugd.’ De uitspraak van Zarathoestra zou wellicht als een maxime gelezen kunnen worden voor Nietzsche zelf. Als dit zo is dan is dat op zekere hoogte opmerkelijk: Halverwege de jaren zestig breekt Nietzsche immers al met het christendom van zijn jeugd. Nietzsche bespeurt in het christendom, afgezien van o.a. de wraakzucht die er in verscholen ligt, een neiging om het medelijden te verheerlijken. Begin jaren zeventig verwijdert Nietzsche zich gaandeweg ook van een aantal beginselen van de filosofie van Schopenhauer. Allereerst bekritiseert hij in ‘De Geboorte van de Tragedie’ ( 1872) voorzichtig de esthetica van Schopenhauer. Weliswaar schrijft hij daarna als onderdeel van zijn ‘Oneigentijdse beschouwingen’ ( 1874) het boek ‘Schopenhauer als Opvoeder’, waarin hij deze nog lof toezwaait. In ‘Menselijk-al te menselijk’ ( 1878) gaat Nietzsche openlijker kritiek leveren op Schopenhauer en ook diens positieve waardering voor het medelijden vindt niet langer genade. Toch lijkt Nietzsche in ‘Voorbij goed en kwaad’ , dat ruim een jaar later dan de AsZ wordt geschreven weer regelmatig (of nog steeds) met de kwalijke kanten van het medelijden te worstelen. Rüdiger Safranski stelt in het boek ‘Nietzsche, een biografie van zijn denken’ dat medelijden bij Nietzsche geen van Schopenhauer overgenomen dogma is, zoals hij zichzelf en anderen soms wijsmaakt. Nietzsche zou zich een tweede natuur hebben aangemeten, waarin hij wel tot vijandschap en overwinning van het medelijden in staat is in tegenstelling tot zijn eerste natuur of eigen aard. Dit zou kunnen verklaren waarom hij rond 1884 nog niet van zijn medelijden is verlost. Safranski maakt daar echter geen onderscheid tussen de verschillende gezichtspunten van waaruit Nietzsche het medelijden bekijkt. Een verrassend gezichtspunt van Nietzsche vinden we bijvoorbeeld in het hoofdstuk ‘Wat is voornaam’, no. 290 in ‘Voorbij Goed en Kwaad’. Daar verklaart hij dat hij banger is begrepen te worden dan verkeerd begrepen: ‘ Onder het laatste lijdt wellicht zijn ijdelheid; onder het eerste echter zijn hart, zijn meegevoel dat altijd zegt: ‘ach, waarom willen jullie het even moeilijk hebben als ik?’’ In het derde hoofdstuk ‘De godsdienstige natuur’, no. 62 zegt hij op vehemente toon over de ontaarding en verkwijning van de mens zoals de christelijke Europeaan Pascal: ‘ ‘O, jullie lummels, jullie arrogante medelijdende lummels, wat hebben jullie gedaan! Was dat een werk voor jullie handen! Hoe hebben jullie mijn mooiste steen verprutst en verknoeid! Wat hebben jullie je aangematigd! ‘- Ik bedoel hiermee: het christendom is tot dusverre de noodlottigste vorm van zelfverheffing geweest. Mensen, niet hoogstaand en hard genoeg om als kunstenaars de mens vorm te geven.’

Nietzsche waardeerde Pascal hogelijk en ervoer ‘ de verderfenis van Pascal, die geloofde dat zijn rede door de erfzonde verdorven was terwijl zij in feite door zijn christen-zijn verdorven was’ als iets verschrikkelijks. Nietzsche wordt in ‘Voorbij Goed en Kwaad’ no. 269 verstikt door zijn medelijden met de ‘hogere mensen’, die te gronde worden gericht door de kudde, door de alledaagse mensen. Het is voor Nietzsche onverdraaglijk dat het type mens dat er een slavenmoraal op na houdt in de geschiedenis lijkt te hebben getriomfeerd over het type mens dat een herenmoraal huldigt. Het type van de slavenmoraal is nota bene ook het type dat het medelijden predikt. Nietzsches medelijden heeft hier niks (meer) te maken met medelijden met concrete individuen in zijn omgeving, zijn moeder, zijn zus of vrienden, maar met diegenen die hij zag als ‘de hogere mensen’ in de Europese cultuurgeschiedenis. Dat zou nog een andere verklaring kunnen geven voor het feit dat Nietzsche nog rond 1884 door het medelijden geplaagd wordt dan op grond van Safranski’s onderscheid tussen eerste en tweede natuur: Het medelijden komt steeds weer terug in een andere vorm, het neemt steeds een andere gedaante aan. Net als Zarathoestra lijdt hij nu aan een ander soort medelijden dan voorheen. Safranski’s onderscheid tussen eerste en tweede natuur houdt geen rekening met enige ontwikkelingsgang, zoals we die bij de drie gedaanteverwisselingen in AsZ zien. Zarathoestra heeft zich de in deel I van de AsZ al genoemde leer van het medelijden met de hogere mens nog niet volledig eigen gemaakt. Men zou kunnen stellen dat dit in deel II vervolgens nog niet lukt. We zien dat Zarathoestra nog medelijden heeft met de ‘hogere mens.’ Het medelijden als zodanig is overigens niet als volledig negatief te kwalificeren. In ‘Van de hogere mens’ van Deel IV zegt Zarathoestra namelijk tegen de hogere mensen:’ Gij lijdt mij nog niet genoeg! Want gij lijdt aan uzelf, gij leedt nog niet aan de mens […] Gij allen lijdt niet, waaraan ik leed.’ Zarathoestra heeft kennelijk ook niet alleen geleden aan zijn medelijden met bepaalde individuen, maar aan de mens. Nietzsche heeft geleden aan de mens, omdat hij in de gang van Westerse cultuurgeschiedenis ziet hoe de mens steeds kleiner gemaakt wordt. Daarom verzet hij zich zo tegen democratiseringstendensen en gelijkheidsideeën. Daar heeft Zarathoestra in AsZ al mee afgerekend. De laatste moet alleen nog verlost raken van zijn medelijden met de hogere mens. Het lijkt erop dat de hogere mensen slechts een voorbode kunnen zijn van de Uebermensch, omdat ze zelf nog niet hebben geleden aan de mens. Zarathoestra neemt een andere positie in dan de hogere mensen, want hij lijdt aan medelijden met de hogere mens. Pas op het moment dat Zarathoestra van zijn medelijden met de hogere mens is verlost en pas nadat de hogere mens de ervaring achter de rug heeft van het medelijden hebben met de mens en daarvan is verlost is de komst van de Uebermensch mogelijk.

We zouden tenslotte nog de vraag kunnen stellen wat de betekenis is van de hogere mens bij Nietzsche persoonlijk. Waar zijn de hogere mensen voor Nietzsche zelf symbool van? Gesteld zou kunnen worden dat bijvoorbeeld de tovenaar de symbolisatie is van Wagner. De waarzegger zou dan de symbolisatie kunnen zijn van Schopenhauer. Toch gaat dit maar ten dele op. Want de hogere mensen zouden slechts symbool kunnen zijn van de ervaring van Nietzsche met het werk van Schopenhauer en de ervaring Wagner. Dan zou het medelijden met de hogere mens eigenlijk zelfmedelijden zijn: Ze maken onderdeel uit van een persoonlijke belevenis. Nietzsche is voor zoverre het persoonlijke ervaringen zijn zelf alle hogere mensen!

Conclusie van het onderzoek naar het medelijden in de AsZ

Op grond van ons onderzoek naar het gebruik van het medelijden in de AsZ en in andere werken van Nietzsche kan opgemerkt worden dat er verschillende vormen lijken te bestaan waarin het medelijden zich kan voordoen. Op grond van de drie gedaanteverwisselingen in AsZ zou de hypothese kunnen worden opgeworpen dat in het stadium van de kameel het medelijden nog als plicht fungeert zoals de mens die via overlevering ontvangen heeft en waarvan hij zich moet bevrijden. Vervolgens verandert het medelijden in de leeuwfase, waarin de mens zich bevrijdt heeft van de plicht medelijden, tot medelijden met de mens. In de leeuwfase zou men het medelijden met de mens die steeds kleiner wordt gemaakt ( denk aan Pascal) te boven komen. Uiteindelijk zal de mens om tot kind te kunnen worden ook het medelijden met ‘de hogere mens’ achter zich moeten laten. Het is dan ook niet onaannemelijk te veronderstellen dat in de laatste fase, de ‘kind’fase met zijn ‘onschuld’, zijn ‘spel’, als een ‘voortrollend rad’ pas alle vormen van medelijden zijn overwonnen.
© 2010 - 2019 Pietercornelis, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Nietzsche over MedelijdenDe filosoof Friedrich Nietzsche heeft net zoals de meeste filosofen stukken geschreven over deugd, ethiek en moraal. Zo…
Foucault en Nietzsche: De overeenkomsten en de verschillenIn de filosofie zie je eigenlijk altijd dat filosofen op voorgaande filosofen voortbouwen. Zo is het ook met Foucault. I…
recensieNietzsches TranenNietzsches Tranen is de titel van een boek van psychiater en schrijver Irvin D. Yalom. Van dit boek verscheen in februar…
Biografie van Friedrich NietzscheFriedrich Wilhelm Nietzsche werd op 15 oktober 1844 geboren in Weimar, Duitsland. Zijn vader was een dominee, die overle…
Het Grote Filosofie Boek, Stuart ClarkrecensieHet Grote Filosofie Boek, Stuart ClarkDe mens is altijd op zoek geweest naar kennis en wijsheid en antwoorden op levensvragen. In Het Grote Filosofie Boek (Ne…
Bronnen en referenties
  • Aldus sprak Zarathoestra, Ned. vertaling P. Endt en H. Marsman, Wereldbibliotheek Amsterdam, vijftiende druk F. Nietzsche, Ecce Homo ( 1908), Ned. vertaling Pé Hawinkels De Arbeiderspers Amsterdam, 1983 ‘De Antichrist’( 1895), Ned. vertaling Pé Hawinkels, bewerkt door Michel van Nieuwstadt, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 1997

Reageer op het artikel "Het begrip medelijden in de 'Zarathoestra' van Nietzsche"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Reactie

Robert Jan Kelder, 23-11-2014 21:11 #1
In zijn latere werken en vooral"De anti-Christ" sprak niet meer Nietzsche zelf, maar de anti-Christ die bezit van hem had genomen, waardoor hij een van de eerste schrijvers werd van een hem navolgende stoet. die dat zelf niet door hebben. Iemand die dat wel door had was Rudolf Steiner, de stichter van de antroposofie, en in zijn kielzog ook Valentin Tomberg die in zijn 9de beschouwing "Rechters en Koningdom uit het nog te verschijnen boek "Jezus van Nazareth en het Mysterie van de Heilige Graal - Antroposofische Beschouwingen over het Oude Testament " het volgende over deze tragische bezetenheid het volgende (in mijn vertaling) schreef:
"Een herwaardering van alle waarden is het gevolg van de nieuwe manas-kennis [manas is het eerst deel van de hogere driegelede mens], die echter positief of negatief kan uitpakken. In de 19de eeuw vond voor de ogen van de wereld zulk een herwaardering plaats, maar dan op een tragische en negatieve wijze: de herwaardering van alle waarden door Friedrich Nietzsche. Dit was een herhaling van de Salomonische herwaardering. Eigenlijk was het Nietzsche’s grootse taak om zijn toenmalige cultuur tot een bezinning te brengen in de zin van schuldbewustzijn en boetevaardigheid, maar in de plaats daarvan bracht hij het ideaal van de Übermensch naar voren. Deze Übermensch is beslist niet Zarathustra, maar veeleer een soort Salomofiguur die zich heeft bevrijd van de banden van de angst voor het gericht. Men stelle zich Salomo voor, bevrijd van de angst voor Godsgericht, opgegroeid in de eeuw van Darwin en Haeckel, en men zal hem terugvinden als Nietzsche’s “Zarathustra.” Men vindt alle motieven van Prediker terug in Nietzsche’s werk “Also sprach Zarathustra.” Ook zijn “vrolijke wetenschap, ” bevrijd van de “geest van zwaarte” is niet alleen maar een uitwerking en een verder voeren van het laatste advies van Salomo: “wees dan vrolijk in Uw jeugd, laat Uw jeugdige hart opgaan in vreugde…”
Salomo’s leer: “Wat gebeurde er vroeger? Hetzelfde wat nog zal gebeuren. Wat heeft men vroeger gedaan? Hetzelfde zal men opnieuw doen. Er gebeurt niets nieuws onder de zon.” (Pred. 1:9) komt bij Nietzsche’s idee van de “eeuwige wederkeer van het gelijke” terug in een nieuwe optimistische vorm.
De opstanding van Prediker in Nietzsche’s “Zarathustra” gaat zelfs zover, dat ook de volgende woorden van Salomo: “ En ik heb gevonden, dat bitterder nog dan de dood is; de vrouw, want zij is een vangnet, waarin gij uw hart verstrikt en haar handen zijn uw boeien … onder duizend heb ik slechts één man gevonden [die ik de moeite waard vond], maar een vrouw heb ik onder alle vrouwen niet gevonden.” (Pred. 7:26 - 28) bij Nietzsche terug zijn te inden.
Op deze manier maakt Prediker het mogelijk om Nietzsche te begrijpen, aan de hand van beide figuren ziet men de tragiek van de Luciferische manas-kennis, een kennis die uiteindelijk aan Ahriman ten prooi valt. Prometheus bracht het hemelvuur. Salomo verbrandde met dit vuur alle menselijke waarden, en Nietzsche metamorfoseerde dit vuur in een vuur dat in het inwendige van de aarde brandt: het vuur van de haat. Het vuur van het werk getiteld de “Antichrist” van Nietzsche is niet het vuur van het berouw om de mensheid dat Prometheus bezielde; ook niet het vuur van de ontgoocheling van Salomo, maar het vuur van de haat tegen Christus. De teleurstelling van Salomo verwerd tot de haat, die Nietzsche’s hand leidde bij het schrijven van zij “Antichrist.” Dit is een onthutsend voorbeeld van een weg van degeneratie van het Luciferische berouw om de mensheid vervallen tot de Ahrimanische macht. Wat in de vijfde beschouwing werd beschreven als algemene waarheid, is hier historie geworden."

Tomberg komt nogmaals op deze tragische figuur terug in de eerste beschouwing van zijn werk over het Nieuwe Testament, waar hij de verzoeking van Jezus Christus in de woestijn behandeld en stelt dat Nietzsche een grote verkondiger en ingewijde van de geest had kunnen worden, maar dat hij aan de verzoeking ten prooi is gevallen. Daarin schrijft hij (o.m.):
"Er leefde in de negentiende eeuw een man die voor aller ogen zichtbaar, in het middelpunt van het toneel van de Europese cultuurgeschiedenis, de tragiek van verwoesting en vereenzaming doormaakte zonder de mogelijkheid te hebben gevonden om zich over te geven aan die impulsen die de woestijn, die deze ziel omgaf, in een bloeiend paradijs zou hebben kunnen veranderen. Deze mens droeg een onmetelijke rijkdom aan openbaringsmogelijkheden van de geestelijke wereld in zich; zijn hele menselijke organisme was rijp voor de geestelijke wereld; er was alleen een deemoedige opname van liefde vanuit de geestelijke wereld nodig, opdat een van de grootste ingewijden van de geest en een verkondiger van de geestelijke wereld had kunnen opgestaan; een groot ziener en verkondiger van de geest zou de wereld hebben kunnen verrijken, wanneer een deemoedige overgave aan de liefdesimpuls van de wereld de geestelijke oren en ogen van Friedrich Nietzsche had kunnen ontsluiten. Want Nietzsche kende de woestijn en trof de verzoeking van de woestijn, maar hij bezweek ervoor. "

Infoteur: Pietercornelis
Laatste update: 16-06-2010
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Filosofie
Bronnen en referenties: 1
Reacties: 1
Schrijf mee!