InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Psychologie > Wie niet liegen wil moet maar voelen!

Wie niet liegen wil moet maar voelen!

De invloed van zelfmisleiding op hoe gelukkig je bent. Mensen die zichzelf voorliegen zullen zich vaak beter voelen.

Inleiding

Mensen zijn dieren met een moraal. Deze moraal dwingt mensen ertoe dingen in de wereld in te delen in termen van ‘goed’ en ‘slecht’. Aan de ene kant is het voor mensen belangrijk en wordt het als ‘goed’ gezien om gelukkig te zijn en aan de andere kant vinden mensen het vaak ‘slecht’ om te liegen of de waarheid te verdoezelen.

De ultieme vorm van liegen is het liegen tegen jezelf, het zelfs voor jezelf verdoezelen van de waarheid is heeft een veel grotere impact dan het verdoezelen ervan ten opzichte van anderen. Dat het liegen tegen jezelf vaak onbewust gaat is vanzelfsprekend, maar doet in moreel opzicht niet echt ter zake. De menselijke moraal zorgt ervoor dat je bepaalde zaken (zoals liegen) ziet als iets slechts en zorgt er ook voor dat je je slecht voelt als je je niet aan de moraal houdt. Mensen vinden liegen iets slechts, maar liegen toch vaak (met name tegen zichzelf) en hebben dat ook nodig als afweermechanisme. Het gegeven dat zij liegen terwijl zij dat slecht vinden, zou wanneer zij dat onder ogen zagen veel negatieve gevoelens kunnen oproepen. Het komt regelmatig voor dat mensen niet willen toegeven dat zij zichzelf voorliegen omdat het toegeven daarvan te veel negatieve gevoelens op roept. Ze zouden dan immers moeten toegeven dat zij iets ‘slechts’ deden. Het is dan ook niet ongebruikelijk dat mensen zichzelf voorliegen over het zichzelf voorliegen. Het niet willen toegeven dat je jezelf voorliegt, demonstreert vaak juist het wezen van de zelfmisleiding.

Jezelf voorliegen

In het dagelijks taalgebruik wordt er met ‘jezelf voorliegen’ meestal bedoeld dat een persoon iets gelooft over zichzelf of de wereld dat niet klopt, maar wat wel aangenamer is om te geloven (de persoon doet dit zonder zich dat bewust te zijn omdat de persoon het anders niet meer zou geloven). Bekend is dat vrijwel alle mensen geloven dat zij boven gemiddeld scoren op allerlei positieve persoonlijkheidseigenschappen, het zal duidelijk zijn dat het in de werkelijkheid niet mogelijk is dat vrijwel iedereen boven gemiddeld scoort, dat betekent dat dus ongeveer de helft van de mensen ten onrechte zo’n positief beeld van zichzelf heeft. Dit geeft ook aan dat zelfmisleiding niet iets is dat alleen een enkeling karakteriseert, maar dat het iets is dat mensen in het algemeen kenmerkt. Het is namelijk onwaarschijnlijk dat de mensen die werkelijk hoog scoren op diverse karaktertrekken dit op alle karaktertrekken doen, aannemelijker is het dat praktisch iedereen zichzelf op sommige vlakken overwaardeert en op andere vlakken ook werkelijk hoog scoort.

Gur en Sackeim (1979) hebben een definitie voor het fenomeen zelfmisleiding bedacht. Zij zeggen dat er sprake is van zelfmisleiding als een persoon twee tegengestelde dingen gelooft en deze tegengestelde dingen tegelijkertijd geloofd worden. Daarnaast moet de persoon zich niet bewust zijn van het geloven van een van de twee dingen en moet welk ding wel bewust geloofd wordt en welk ding niet, gemotiveerd zijn. Als een persoon bijvoorbeeld tegelijkertijd gelooft dat hij een goed mens is en gelooft dat hij geen goed mens is en zich uitsluitend bewust is van het geloven dat hij wel een goed mens is (omdat geloven dat hij geen goed mens is hem te veel pijn doet), dan is er sprake van zelfmisleiding.

Het voorliegen van jezelf is een strategie die eigenlijk ten grondslag ligt aan alle verdedigingsmechanismen. De reden voor het ontstaan van deze mogelijkheid in de mens zou kunnen zijn dat het directe waarde heeft voor het overleven, er is reden aan te nemen dat zelfmisleiding de psychische gezondheid ten goede komt. Volgens Goleman (1989) is het voordelig jezelf voor te liegen als er een gevaar is dat erg groot is en waar je niets of nauwelijks iets tegen kan beginnen. Het onder ogen zien van de waarheid zou in zo’n geval zoveel angst en onrust veroorzaken waar niets mee te beginnen is dat het voordeliger wordt een strategie aan te nemen die niet al die nare gevoelens tot gevolg heeft, die strategie is dan: jezelf voorliegen, jezelf voorhouden dat de zaken anders zijn dan ze werkelijk zijn.

Gelukkig worden door zelfmisleiding

Volgens de definitie van Gur en Sackeim (1979) van zelfmisleiding is er alleen sprake van zelfmisleiding als het niet bewust zijn van een tegengesteld idee gemotiveerd is. Een belangrijke motivatie voor zelfmisleiding zou kunnen zijn dat het helpt om je goed te voelen.

Over het goed voelen van mensen zijn de theorieën grofweg in te delen in twee soorten: top-down en bottom-up. De top-down theorie gaat ervan uit dat mensen gelukkig zijn omdat zij voorbestemd zijn positief te reageren op gebeurtenissen en omstandigheden in hun leven. De bottom-up theorie gaat ervan uit dat mensen gelukkig zijn omdat zij veel gelukkige momenten in hun leven ervaren. Het verschil tussen beide theorieën zit hem met name in de rol die aan de persoonlijkheid wordt toegeschreven. Beide theorieën zeggen echter niets over de manier waarop persoonlijkheid van invloed is op het gelukkig zijn (Erez, Johnson & Judge, 1995). Erez, Johnson en Judge (1995) stellen dat zelfmisleiding de link is die de concepten persoonlijkheid en gelukkig zijn verbindt. Zij hebben een onderzoek verricht waarin gemeten werd hoe sterk proefpersonen geneigd waren zichzelf voor te liegen en hoe gelukkig zij waren door hen vragenlijsten te laten invullen. Ter controle lieten zij ook bekenden van de proefpersonen vragenlijsten over de proefpersonen invullen zodat de invloed van sociaal wenselijke antwoorden geminimaliseerd werd. De antwoorden die de proefpersonen hadden gegeven op de vragen naar zelfmisleiding en naar hoe gelukkig zij waren gaven aan dat de gelukkigste mensen diegenen waren die ook het hoogst scoorden op zelfmisleiding. Het onderzoek van Erez, Johnson en Judge (1995) suggereert dat zelfmisleiding inderdaad van grote invloed is op het gelukkig zijn.

Gur en Sackeim (1979) hebben getracht uitgaande van de eerder genoemde definitie een situatie te vinden waarin zelfmisleiding aangetoond kon worden. Zij hebben twee experimenten uitgevoerd waarin proefpersonen moesten luisteren naar bandopnamen met hun eigen stem en de stem van andere mensen. De proefpersonen moesten bij iedere stem die zij hoorden aangeven of het hun eigen stem was of die van iemand anders. Zelfmisleiding kon worden aangetoond als de proefpersonen fouten maakten in het beoordelen van de stemmen omdat naast hun beoordeling ook hersenactiviteit en huidweerstand gemeten werd. Uit eerder onderzoek is gebleken dat zowel hersenactiviteit als huidweerstand een heel ander patroon vertonen bij het horen van de eigen stem dan bij het horen van andere stemmen. In de experimenten van Gur en Sackeim kon men dus zien dat op een bepaald niveau van begrijpen ook de proefpersonen die fouten maakten wel wisten wat het goede antwoord was. Ook al zeiden zij en geloofden zij dat de stem die zij hoorden niet van hen was, hun lichaam gaf duidelijk aan dat dat wel zo was en dat ze dat eigenlijk op een bepaalde manier ook wisten. De reden waarom zij hun eigen stem niet bewust herkenden zou kunnen zijn omdat het horen van de eigen stem een aversie in hen oproept die onaangenaam is en waardoor zij zich minder goed voelen; daarmee is een motivatie voor zelfmisleiding ontstaan.

Het idee van Sackeim en Gur (1979) dat het aversieve van zelfconfrontatie de motivatie is voor zelfmisleiding wordt tegengesproken door Gibbins en Douglas (1985). In hun onderzoek waarin ook stemmen herkend moesten worden, maar dan die van bekenden van de proefpersonen (die overigens niet dezelfde fysiologische reacties oproepen als de eigen stem) werden ook fouten gemaakt. Zij menen dat het waarschijnlijker is dat de mensen die fouten maakten in het herkennen van hun eigen stem of die van anderen dit deden uit een soort onverschilligheid die ook ten grondslag ligt aan het weinig aandacht besteden aan negatieve gebeurtenissen in het leven (wat door Gur en Sackeim geïnterpreteerd werd als een neiging tot zelfmisleiding). Zij zien deze onverschilligheid als een overkoepelende karaktertrek die sommige mensen hebben en die er voor zorgt dat zij weinig aandacht besteden aan negatieve gebeurtenissen in hun leven en die er daarnaast voor zorgt dat zij veel fouten maken bij de opdracht stemmen te herkennen.
Je zou echter onverschilligheid ook kunnen zien als een vorm van jezelf voorliegen omdat het inhoudt dat je de volledige feiten niet in wilt zien. Onverschilligheid zorgt ervoor dat je geen ernst in een zaak ziet, ook al is de zaak misschien wel ernstig. Het is mogelijk dat het niet inzien van de ernst van een ernstige zaak resulteert in minder heftige gevoelens omtrent die zaak. Onverschilligheid zou als het gemotiveerd werd door de behoefte aan minder heftige (negatieve) gevoelens een manifestatie kunnen zijn van zelfmisleiding.

Sackeim en Gur (1985) hebben aangegeven dat zij niet beweren dat de omstandigheid in hun experiment zou leiden tot de enige vorm van zelfmisleiding en daarnaast geven zij aan dat bekenden van de proefpersonen niet bepaald neutrale stimuli zijn, het zou volgens hen juist goed kunnen dat Gibbins en Douglas een andere situatie hebben ontdekt waarin zelfmisleiding aan te tonen valt.
In een onderzoek van Robinson en Ryff (1999) werd gekeken naar de rol van zelfmisleiding op ideeën van mensen over hun geluk in het verleden, het heden en de toekomst. Als uitgangspunt hadden zij het uit eerder onderzoek verkregen gegeven dat zelfmisleiding gemaximaliseerd wordt als er een gebrek is aan concrete informatie en er een grote motivatie toe is. Vanuit dit uitgangspunt vermoedden zij dat de ideeën die mensen hebben over hun geluk in de toekomst zich bij uitstek lenen voor zelfmisleiding, over de toekomst is immers de minste concrete informatie en de motivatie om een onrealistisch positief beeld over de toekomst te hebben is over het algemeen ook het grootst. De resultaten van het onderzoek van Robinson en Ryff (1999) ondersteunen het idee dat zij er van tevoren over hadden: er bleek dat mensen de neiging hebben te geloven dat zij gelukkiger en meer tevreden zullen zijn met verschillende aspecten van hun leven in de toekomst dan in het verleden of in het heden.
Het is in de praktijk niet mogelijk dat dit voor alle mensen ook zo zal zijn, maar het is erg makkelijk vast te houden aan het geloof dat alles beter zal worden als er nauwelijks gegevens zijn die het tegendeel impliceren, daarnaast is het veel aangenamer te geloven dat je gelukkiger en meer tevreden zal worden. Het idee dat je het in de toekomst beter zal hebben maakt dat je in het heden nare dingen beter kunt verdragen. Als je je voorstelt dat je het in de toekomst erg naar gaat hebben en denkt dat je nooit gelukkiger zult zijn, zal dat je stemming op het moment dat je je dat voorstelt niet ten goede komen. Dit is iets dat mensen die klinisch depressief zijn en die vaak zulke dingen wel denken, zullen beamen. Het lijkt erop dat de invloed van het jezelf voorliegen op hoe gelukkig je je voelt erg groot is. Uit de verschillende onderzoeken die hiervoor beschreven zijn blijkt dat mensen die zichzelf voorliegen zich beter voelen.

De invloed van andere mensen op zelfmisleiding

Zelfmisleiding is intrinsiek gemotiveerd, mensen gebruiken de strategie puur voor zichzelf, meestal om zich beter te voelen. Het voorliegen van jezelf werkt met name goed als er geen storende informatie is. Het wordt moeilijker om zelfmisleiding te gebruiken als je met tegengestelde informatie geconfronteerd wordt en het wordt nog moeilijker als je weet dat andere mensen anders zullen denken over hetgeen waarover je jezelf zou willen voorliegen.

In een onderzoek van Baumeister en Cairns (1992) werd gekeken naar de invloed van een publiek op het gebruiken van zelfmisleiding. Proefpersonen moesten vragen over zichzelf invullen waarvan de antwoorden door een computer omgezet zouden worden in een persoonlijkheidsprofiel. De proefpersonen kregen willekeurig een overwegend positief of een overwegend negatieve persoonsbeschrijving te zien. De proefpersonen werden daarnaast willekeurig toegewezen aan condities waarin hen verteld werd dat zij de enige zouden zijn die de persoonsbeschrijving lazen of waarin hen verteld werd dat de persoonsbeschrijving aan hun ‘partner-proefpersoon’ zou worden laten zien. De proefpersonen die een negatieve persoonsbeschrijving kregen in de conditie waarin zij alleen waren besteedden tamelijk weinig tijd aan het verwerken van de informatie, terwijl de proefpersonen die dachten dat de persoonsbeschrijving ook aan iemand anders zou worden laten zien er veel meer aandacht aan besteedden. De proefpersonen die alleen waren hadden ruim de mogelijkheid de negatieve informatie niet in zich op te nemen, omdat er verder toch niets mee gedaan zou worden. De proefpersonen die dachten dat hun ‘partner-proefpersoon’ de negatieve omschrijving ook zou lezen, moesten zich echter bezig houden met dat nare vooruitzicht. De resultaten van het onderzoek suggereerden dat de proefpersonen die dachten dat de persoonsbeschrijving ook door anderen gelezen werd zichzelf minder misleid hadden, wat zou kunnen worden afgeleid uit het feit dat zij zich naderhand nog meer negatieve dingen konden herinneren en meer tijd besteed hadden aan het verwerken van de negatieve gegevens.

Het onderzoek van Baumeister en Cairns (1992) illustreert hoe andere mensen het gebruik van zelfmisleiding tegen gaan, het kan echter ook zo zijn dat andere mensen zelfmisleiding stimuleren. Welles (1986) geeft aan dat zelfmisleiding een grote rol speelt in veel sociale relaties. Hij benadrukt de invloed van de groep op het in stand houden en vergroten van zelfmisleidende ideeën in het individu. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het geloven in de superioriteit van het type mensen waar je jezelf toe rekent, dit geloof kan onder invloed van een groep met hetzelfde geloof versterkt worden. Het resultaat is dan een tamelijk standvastig geloof omdat het door de hele groep gedeeld wordt, wat als gevolg heeft dat leden van de groep zich beter voelen.

Het lijkt er op dat zelfmisleiding zowel bevorderd als tegengewerkt kan worden door de aanwezigheid van andere mensen. Waarschijnlijk ligt het aan de relatie die iemand met die andere mensen heeft en aan of die andere mensen er hetzelfde over denken welke invloed de aanwezigheid van anderen heeft op de zelfmisleiding. Er is eerder aangegeven dat zelfmisleiding makkelijker is als er geen concrete informatie is, nog makkelijker wordt het waarschijnlijk als er bevestigende informatie is van andere mensen. Vermoedelijk voelen mensen zich nog beter door hun zelfmisleiding als deze door de omgeving als ‘waar’ wordt gezien.

Conclusie

Zelfmisleiding lijkt een strategie die inderdaad veel gebruikt wordt door mensen om zich beter te voelen. Het lukt mensen om tegelijkertijd twee verschillende ideeën te geloven en het vervelendste idee van die twee uit het bewustzijn te houden. De meeste mensen lijken veel minder bezig met het onder ogen zien van de waarheid dan met het zich goed voelen. Vooral als hun zelfbeeld in gevaar komt gaan mensen snel over tot zelfmisleiding. Als andere mensen hun zelfmisleidende ideeën aanmoedigen worden zij nog standvastiger in hun leugen. De mate waarin mensen gelukkig zijn lijkt groter te worden naarmate zij zichzelf beter voor kunnen liegen.

In onze maatschappij is het erg belangrijk jezelf voor te liegen: wie zichzelf zo min mogelijk wenst voor te liegen of dit niet goed kan is niet erg gelukkig en wie niet erg gelukkig is, is niet in orde en soms zelfs ziek. Zelfmisleiding is een adaptieve strategie, gelukkig zijn helpt je beter te functioneren en de waarheid doet in dat opzicht niet ter zake. Wie vanuit idealisme of moreel besef toch meer waarde hecht aan hoe het ‘echt’ is, zal daarvoor moeten betalen met geluk. Wie niet liegen wil moet maar voelen!
© 2012 - 2019 Ilja, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Liegen en leugens: pathologisch liegen of waanbeelden hebbenLiegen en leugens: pathologisch liegen of waanbeelden hebbenEen leugentje om je bestwil is gauw verteld, bijvoorbeeld als te laat bent op een afspraak. Dat er ook mensen zijn die h…
Pathologische leugenaarZe hebben een drang om te liegen en vaak weten ze niet meer of wat ze zeggen nou waar is of niet. Ze leven in een fantas…
Waarom kinderen liegenWaarom kinderen liegenKinderen liegen wel eens. Niet alle kinderen doen dit opzettelijk. Liegen bij kinderen kun je eenvoudig verhelpen, door…
Negatieve gedachtenNegatieve gedachten“Het is de schuld van iemand anders,” of “Het gaat toch wel fout,” zijn bekende uitroepen van iemand vol met negatieve g…
Wat is geluk? Vier definities van het begrip 'geluk'Wat is geluk? Vier definities van het begrip 'geluk'Hoe word ik gelukkig? Op welke manier bereik ik het ware geluk? Wat is geluk eigenlijk? Deze vragen kunnen alleen beantw…
Bronnen en referenties
  • Baumeister, R. F., & Cairns, K. J. (1992). Repression and self-presentation: When audiences interfere with self-deceptive strategies. Journal of personality and social psychology, Vol. 62, No. 5, 851-862.
  • Erez, A., Johnson, D. E., & Judge, A. (1995). Self-deception as a mediator of the relationship between dispositions and subjective well-being. Personality and individual differences, Vol.19 (5), 597-612.
  • Gibbins, K., & Douglas, W. (1985). Voice recognition and self-deception: A reply to Sackeim and Gur. Journal of personality and Social Psychology, Vol. 48, No 5, 1369-1372.
  • Goleman, D. J. (1989). What is negative about positive illusions? When benefits for the individual harm the collective. Journal of Social and Clinical Psychology. Vol. 8 (2), 190-197.
  • Gur, R. C., & Sackeim, H. A. (1979). Self-deception: a concept in search of a phenomenon. Journal of personality and social psychology, Vol. 37, No. 2, 147-168.
  • Robinson, M. D., & Ryff, C. D. (1999). The role of self-deception in perceptions of past, present, and future happiness. PSPB, Vol. 25, No. 5, 595-606.
  • Sackeim, H. A., & Gur, R. C. (1985). Voice recognition and the ontological status of self-deception. Journal of personality and social psychology, Vol. 48, No 5, 1365-1368.
  • Welles, J. F. (1986). Self-deception as a positive feedback mechanism. American Psychologist. Vol. 41 (3), 325-326.

Reageer op het artikel "Wie niet liegen wil moet maar voelen!"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Ilja
Gepubliceerd: 31-01-2012
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Psychologie
Bronnen en referenties: 8
Schrijf mee!