InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Pedagogiek > Seksualiteit bij jongeren met een verstandelijke beperking

Seksualiteit bij jongeren met een verstandelijke beperking

Seksualiteit bij jongeren met een verstandelijke beperking Het onderwerp seksualiteit speelt een steeds grotere rol onder jongeren met een verstandelijke beperking. Waar dit eerder nog zonder pardon verboden werd, krijgen ook deze jongeren nu seksuele voorlichting en worden voorbereid op wat hen te wachten staat, in de voornamelijk voor hen steeds bedreigendere, maatschappij.

Inhoudsopgave

  • de (seksuele) ontwikkeling van jongeren
  • fysieke ontwikkeling
  • cognitieve ontwikkeling
  • sociale en persoonlijkheidsontwikkeling
  • seksuele ontwikkelingsfasen
  • de (seksuele) ontwikkeling van jongeren met een verstandelijke beperking
  • cognitieve ontwikkeling
  • fysieke ontwikkeling
  • sociale en persoonlijkheidsontwikkeling
  • het verschil in de (seksuele) ontwikkeling tussen mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een verstandelijke beperking
  • kennis van seksualiteit bij mensen met een verstandelijke beperking
  • conclusie

Om de seksuele ontwikkeling van jongeren met een verstandelijke beperking te kunnen verduidelijken is het van belang om allereerst een overzicht te hebben van de ontwikkeling bij jongeren zonder verstandelijke beperking. Deze wordt hieronder stapsgewijs weergegeven. Waarbij de fysieke-, cognitieve-, sociale & persoonlijkheids- en seksuele ontwikkeling(sfasen) aan bod zullen komen.

De (seksuele) ontwikkeling van jongeren

Fysieke ontwikkeling

In de adolescentie kan de toename van lengte en gewicht erg snel gaan. Binnen een paar maanden kan een adolescent talloze centimeters groeien. In een periode die slechts vier jaar beslaat ondergaan jongens en meisjes als het ware een transformatie. Fysiek is dit goed waar te nemen, ze groeien van kind zijn naar jong volwassen. Met deze groeispurt begint ook de puberteit, de periode waarin de geslachtsorganen zich volledig ontwikkelen, bij meisjes gebeurt dit eerder dan bij jongens. De puberteit begint bij meisjes rond de leeftijd van elf – twaalf jaar, bij jongens daarentegen rond de leeftijd van dertien – veertien jaar. Uitzonderingen daargelaten, er kunnen natuurlijk grote onderlinge verschillen bestaan tussen de verschillende individuen.
De puberteit bij meisjes: De menarche, het begin van de menstruatie is slechts een van de veranderingen die verband houden met de ontwikkeling van de primaire en secundaire geslachtskenmerken. Primaire geslachtskenmerken zijn onder andere de organen en structuren van het lichaam die rechtstreeks betrekking hebben op de voortplanting. Secundaire geslachtskenmerken zijn zichtbare tekenen van seksuele rijping die geen directe betrekking hebben op de geslachtsorganen. Bij meisjes vindt deze ontwikkeling onder andere plaats doordat borsten en schaamhaar beginnen te groeien.
De puberteit bij jongens: De seksuele rijping bij jongens vindt in een iets ander tempo plaats dan bij meisjes. De primaire geslachtskenmerken, zoals de penis en het scrotum beginnen rond het twaalfde jaar in een versneld tempo te groeien en bereiken na drie of vier jaar de volwassen omvang. Gelijktijdig met het groeien van de penis beginnen ook de prostaatklier en de zaadballen, die het zaad produceren, te groeien. Dit maakt plaats voor de eerste zaadlozing, ook wel spermarche genoemd. Deze treedt meestal op rond het dertiende jaar, vanaf dat moment is een jongen geslachtsrijp. Tegelijkertijd begint ook de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken. Het schaamhaar begint te groeien op een leeftijd van ongeveer twaalf jaar, dit wordt gevolgd door de groei van oksel- en gezichtshaar. Tenslotte wordt de stem van de jongens lager omdat hun stembanden langer worden en het strottenhoofd groeit. De toename van de hormoonproductie die de aanzet vormt voor het begin van de adolescentie kan ook leiden tot snelle stemmingswisselingen. Zo kunnen jongens zich bijvoorbeeld sneller boos of geërgerd voelen ten gevolge van een hogere hormoonspiegel.
Maar ook bij meisjes kan die hormoonspiegel zorgen voor gevoelens van boosheid en depressiviteit (Feldman, 2005). Wanneer de jongeren bijna volwassen zijn (16-18 jaar) is het lichaam seksueel volgroeid (Rutgersnissogroep, 2010).

Cognitieve ontwikkeling

Ook de hersenen maken een ontwikkeling door in de periode dat de rest van het lichaam dit ook doet. Het aantal neuronen, de cellen in het zenuwstelsel, blijft namelijk groeien en de onderlinge verbindingen ertussen worden complexer. Een specifiek gedeelte van de hersenen dat zich in de adolescentie sterk ontwikkelt is de prefrontale cortex, die pas rond het twintigste levensjaar in zijn geheel volgroeid is. Met dit deel van de hersenen denken, oordelen en maken mensen complexe inschattingen. Ook zorgt dit gedeelte voor de beheersing van impulsen. Een individu met een volledig ontwikkelde prefrontale cortex laat emoties niet de vrije loop, maar is in staat om deze te kunnen beheersen. Tijdens de adolescentie is deze prefrontale cortex nog niet helemaal volgroeid. Dit leidt tot bepaald risicovol en impulsief gedrag dat kenmerkend is voor de adolescentie. De adolescent is nu ook in staat om abstract en absoluut te kunnen denken, hun denken wordt niet meer alleen beperkt tot het zwart – wit denken (Feldman, 2005).

Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling

In de adolescentie beginnen vragen als ‘wie ben ik?’, ‘waar hoor ik bij?’ en ‘wat verwacht men van mij?’ een belangrijke rol te spelen. De reden van deze vragen kan verklaard worden doordat de intellectuele vermogens van adolescenten ‘meer volwassen’ zijn geworden, ze zijn nu in staat om abstracte zaken te begrijpen. De adolescentie brengt vaak grote veranderingen met zich mee in het zelfbeeld en de eigenwaarde van jongeren.

Ook vormen ze zich een eigen identiteit, volgens Erik Erikson (1963) ook wel het stadium van identiteit – versus - identiteitsverwarring genoemd. In dit stadium proberen jongeren erachter te komen wat hen uniek maakt en wat hen onderscheidt van anderen. Ook gaan ze op ontdekking naar de rol die het beste bij hun zal passen in hun toekomstige leven, nadat ze ontdekt hebben wat hun specifieke sterke en zwakke punten zijn. Voor adolescenten is het in deze periode van belang om te kunnen begrijpen wie ze zijn. Dit doen ze door keuzes te maken die betrekking hebben op hun persoonlijke, beroepsmatige, seksuele maar ook politieke overtuigingen. Niet bij alle adolescenten verloopt dit even gemakkelijk, ze kunnen sociaal onaanvaardbare of afwijkende rollen aannemen. Ook kunnen ze later in het leven problemen krijgen met het aangaan en in stand houden van langdurige en hechte relaties. Er zijn ook adolescenten die het wel lukt om een geschikte identiteit te ontwikkelen. Ze komen erachter wat hun sterke punten zijn en ontwikkelen een goed besef van wie ze zijn (Feldman, 2005).

Seksuele ontwikkelingsfasen

0-4 jaar:
  • 0 – 8 maanden: waarneming van de wereld via zuigen, grijpen en voelen. Huidcontact is erg belangrijk. Er is geen sprake van egogrenzen, d.w.z. geen verschil aan kunnen brengen tussen zichzelf en de ander.
  • 8 – 14 maanden: ontdekking van het eigen lijf, handen / voeten, oren, neus, geslachtsorganen, e.d. Ontdekken dat het ene plekje lekkerder voelt dan het andere. Knuffelen en strelen spelen een grote rol. Daarnaast wordt het ik versus de buitenwereld ontdekt en zal er een eigen identiteit ontwikkelt worden.
  • 14 – 36 maanden: er bestaat een grote interesse in poepen en billen (anus is een bron van prettige gevoelens). Ook wordt er veel ‘kliederspel’ gedaan met zand, water, maar ook met ontlasting. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen vies en schoon. Daarnaast leert het kind zich te beheersen, ook met betrekking tot zindelijkheid uit zich dit in het vasthouden en loslaten. Kinderen ervaren knuffelen en bloot lopen als prettig, daarnaast ontdekken ze het geslachtsverschil tussen jongens en meisjes. Kinderen kunnen op deze leeftijd openlijk masturberen, zonder zich hiervoor te schamen. Ook zullen ze vragen stellen over het verschil tussen jongens en meisjes en dan voornamelijk m.b.t. de geslachtsorganen.
  • 3 – 4 jaar: Er vindt een ontwikkeling plaats van sekse – identiteit en sekse – rolgedrag. Daarna vinden de eerste genitaal gerichte verkenningen plaats, voornamelijk bij zichzelf, maar later ook bij het lichaam van andere kinderen, het spelen van doktertje is hier een goed voorbeeld van. Ze zullen nog steeds openlijk masturberen, maar rond het vierde jaar wordt dit meer stiekem gedaan, want op deze leeftijd begint de ontwikkeling van het schaamtegevoel. Kinderen in deze leeftijdsfase zijn trots op hun eigen lichaam.

4-6 jaar:
In deze periode gaan de seksuele verkenningen door, niet zoveel in het openbaar, want ze ontwikkelen een schaamtegevoel. Ze experimenteren met grenzen, zoals waar je iemand aan mag raken en waar niet. Het kind leert namelijk dat volwassenen deze spelletjes afkeuren en ze vinden het vaak spannend om dit in een verborgen hoekje te doen. Kinderen kennen hun sekse – identiteit, maar weten niet altijd zeker welk gedrag dat daar bij hoort. Dit wordt voor hen in de loop der tijd steeds duidelijker, waardoor ze ook duidelijke stereotype ideeën ontwikkelen over gedrag. Er kan sprake zijn van verliefdheid op verzorgers en later ook gericht op onderwijzers. Het kind kan de wereld interpreteren in termen en gebeurtenissen die het zelf heeft meegemaakt. Ze zijn geïnteresseerd in het krijgen van baby’s, maar ze verbinden dit niet met seksualiteit waardoor ze het voortplantingsverhaal ook nog niet begrijpen.

6-8 jaar:
De verliefdheid zet ook in deze fase door. Dit gegeven wil nog niet zeggen dat de beleving van verliefdheid op deze leeftijd vergelijkbaar is met die van volwassenen, ze worden nog niet gekoppeld aan lichamelijke seksuele gevoelens. Rond het achtste jaar kunnen kinderen het verschil benoemen tussen verliefdheid en het gevoel bij knuffelen. Ook het verschil tussen verliefdheid en vriendschap is duidelijk.

8-10 jaar:
Het logisch kunnen denken komt op gang, er kan onderscheid gemaakt worden in oorzaak en gevolg. Steeds meer lichamelijke gevoelens kunnen gekoppeld worden aan verliefdheid en er ontstaan veel fantasieën over. Zelfbevrediging wordt in deze fase belangrijker dan eerst. Het verhaal omtrent de voortplanting wordt begrepen, maar dit heeft niets te maken met de eigen seksuele beleving. Daarnaast ontstaan er fantasieën over volwassen seksualiteit, hoe dit zou kunnen zijn? Schuldgevoelens die ook betrekking kunnen hebben op seksualiteit gaan steeds meer een rol spelen. Verkenningen van seksuele gerichtheid kunnen in deze periode ontstaan. Het doktertje spelen wordt ingeruild door het bekijken en betasten van elkaars geslachtsdelen.

10-12 jaar:
In deze periode worden de verliefdheden emotioneler beleefd. De seksuele gerichtheid ontwikkelt zich verder, de belangstelling voor volwassen seksualiteit neemt toe naast een toenemende preutsheid. Ze willen er dan ook zo min mogelijk met opvoeders over praten. De seksuele rijping gaat bij meisjes sneller dan bij jongens. Daarnaast ontwikkelen ze onzekere gevoelens over hun eigen lichaam, ze gaan zichzelf heel kritisch bekijken. Veel kinderen doen in deze fase hun eerste ervaring op met tongzoenen.

12 – 13 jaar:
Jongeren hebben aandacht voor de veranderingen aan hun lichaam, waarbij een onzekerheid bestaat (wat is normaal?). Jongeren krijgen meer seksuele fantasieën. Er ontstaat een nieuwsgierigheid t.o.v. de andere sekse. In de meeste gevallen is er nog geen sprake van daadwerkelijk seksueel contact, 1 op de 3 tongzoent en 1 op de 5 streelt onder de kleding. Ook is er sprake van masturbatie, 40% van de jongens en 20% van de meisjes doet dit op deze leeftijd wel eens.

14 – 15 jaar:
Het leggen van contact wordt spannend maar ook ingewikkeld, ook ontstaat er het verlangen om met de ander iets te willen. Daarentegen is er onzekerheid over de seksuele identiteit. Jongeren beginnen met het maken van individuele toenaderingspogingen, 1 op de 2 streelt onder de kleding, 1 op de 4 gaat naakt vrijen (zonder geslachtsgemeenschap). Ook maakt de ervaring met masturbatie een snelle stijging.

16 – 17 jaar:
Jongeren maken zich in deze fase zorgen over het wel of niet ‘goed’ te doen en over het ‘hoe ver’ te gaan. Sommige homo of lesbische jongeren beleven hun coming – out. De verkering wordt geïntroduceerd, er is sprake van kortdurende verkeringen waarin vrijen stap voor stap wordt uitgeprobeerd: zoenen – (laten) strelen van de borsten - (laten) aanraken van de geslachtsorganen, de periode van de eerste zoen tot het hebben van geslachtsgemeenschap duurt gemiddeld vier jaar. Van de jongeren vrijt 1 op de 2 naakt (zonder geslachtgemeenschap), 38% heeft geslachtsgemeenschap, 75% laat weten wat wel/niet lekker te vinden. 79% van de jongens en 45% van de meisjes masturbeert.

18 – 19 jaar:
Jongeren gaan meer in op het relationele aspect van de verkering, er ontstaat een grote emotionele betrokkenheid. Bij masturbatie voelen 1 op de 8 jongens en 1 op de 5 meisjes zich erna in zekere mate schuldig. Jongeren hebben een of zelfs meerdere langdurige relaties, de helft van de meiden en een kwart van de jongens heeft vaste verkering. Van de jongeren heeft 61% ervaring met geslachtsgemeenschap, daarnaast masturbeert 82% van de jongens en 55% van de meisjes vanaf 18 jaar, in de volwassenheid zullen de percentages ongeveer gelijk blijven.
(Heemelaar, 2008)

De (seksuele) ontwikkeling van jongeren met een verstandelijke beperking

Cognitieve ontwikkeling

Mensen met een verstandelijke beperking hebben een aangeboren of later optredende beperking in het intellectueel functioneren, die gepaard gaat met beperkingen op verschillende ontwikkelingsgebieden. In de DSM-IV is het niveau van intellectueel functioneren als volgt onderverdeeld:
  • zwakbegaafd: IQ 70/75-85/90
  • lichte verstandelijke beperking: IQ 50/55-70
  • matige verstandelijke beperking: IQ 35/40-50/55
  • ernstige verstandelijke beperking: IQ 20/25-35/40
  • diepe verstandelijke beperking: IQ lager dan 20/25 (Minderaa, 2000)

De kenmerken waaraan men mensen met een verstandelijke beperking kan herkennen, zijn afhankelijk van de leeftijd en per individu verschillend. De beperking uit zich op verschillende ontwikkelingsgebieden, de belangrijkste zijn:
  • Motorische ontwikkeling: personen met een verstandelijke beperking bewegen trager en hebben soms problemen met een fijne motoriek. Ook gaat de coördinatie van bewegingen moeilijker, waarbij evenwichtsstoornissen vaak een rol spelen.
  • Leermogelijkheden: mensen met een verstandelijke beperking leren traag en moeizaam. Hun denken beperkt zich tot concreet denken, ze nemen weinig initiatieven en hebben moeite met plannen.
  • Communicatie: het verbale contact is lastig en blijft oppervlakkig. Mensen met een verstandelijke beperking hebben ook moeite om te voldoen aan de normale sociale eisen.(Brysbaert, 2006).

Fysieke ontwikkeling

Bij de meeste jongens met een verstandelijke beperking verloopt de fysieke ontwikkeling tijdens de puberteit min of meer normaal. Ook worden deze jongens als mannen normaal vruchtbaar.
Bij meisjes daarentegen laat de fysieke ontwikkeling grote onderlinge verschillen zien met betrekking tot het begin van de puberteit, vruchtbaarheid en de menopauze (Gijs, 2004).

Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling

Kinderen met een verstandelijke beperking lijken relatief laat te zijn wat betreft de ontwikkeling van de genderidentiteit, daarbij voltrekt dat proces zich ook minder volledig. Daarnaast hebben zij minder kennis over hun eigen lichaam, wat ook lijkt te gelden voor de seksuele ontwikkeling. Algemeen kan worden gesteld dat wanneer de verstandelijke beperking minder ernstig is, de seksualiteit zich weliswaar wat trager, maar ook weer niet zo heel anders ontwikkelt dan die van jongeren zonder een verstandelijke beperking. Ook bestaat er een verschil tussen de beleving van seksualiteit tussen mannen en vrouwen. Vrouwen blijken zich namelijk vooral te richten op wat mannen wensen en niet op hun eigen plezier. Slechts weinig vrouwen met een verstandelijke beperking masturberen, velen weten zelfs niet dat er zoiets als een clitoris bestaat. Het seksueel contact dat vrouwen hebben is dan ook voornamelijk gericht op geslachtsgemeenschap.
Een persoon met een verstandelijke beperking heeft een beperking van de cognitieve vermogens, dit is weer van invloed op de sociaal – emotionele ontwikkeling. In een volwassen lichaam kan namelijk iemand schuilgaan die een emotionele leeftijd heeft van twee tot drie jaar en daarbij een verstandelijke leeftijd van bijvoorbeeld negen jaar. Met name in de puberteit kan het voorkomen dat seksualiteit bij mensen met een verstandelijke beperking tot bijzondere problemen zal leiden. Dit vanwege de discrepantie tussen de fysieke groei en de psychosociale vermogens om daarmee om te kunnen gaan. Daarnaast worden deze problemen in veel gevallen versterkt doordat er bij een verstandelijke beperking vaak grote hiaten zijn in de kennis over verschillende aspecten van seksualiteit (Gijs, 2004).

Het verschil in de (seksuele) ontwikkeling tussen mensen met een verstandelijke beperking en mensen met een verstandelijke beperking

In de literatuur komt naar voren dat er geen aantoonbaar verschil is tussen de seksualiteitsontwikkeling van iemand met een verstandelijke beperking en van iemand zonder verstandelijke beperking. Iemand met een verstandelijke beperking is namelijk wel lichamelijk volwassen, maar verstandelijk niet. Net zoals dit geldt voor de beleving van kinderen is het bij mensen met een verstandelijke beperking niet duidelijk hoe de verschillen in cognitie ook doorspelen in de beleving van seksualiteit.
Toch zijn er twee aspecten van belang bij het uiten van intieme en seksuele gevoelens bij mensen met een verstandelijke beperking. Ten eerste is het lichaam een communicatiemiddel dat hierbij het meest voor de hand liggend is. Ten tweede is iemand met een verstandelijke beperking zich niet bewust van wat hoort en wat niet hoort in een bepaalde omgeving of verhouding; de impulscontrole zou bij mensen met een verstandelijke beperking minder ontwikkeld zijn, waardoor opgewonden gedrag directer kan leiden tot seksueel roekeloos gedrag (Heemelaar, 2008. Douma, 2000). Door de beperking van hun verstandelijke vermogens kunnen mensen met een verstandelijke beperking moeilijker hun gevoelens verwoorden. Daarnaast blijft het lastig om in te kunnen schatten in hoeverre iemand met een verstandelijke beperking psychisch gezien in staat is om een liefdesrelatie aan te gaan.
(Heemelaar, 2008).

Kennis van seksualiteit bij mensen met een verstandelijke beperking

Mensen met een verstandelijke beperking hebben minder kennis over seksualiteit dan niet – verstandelijk beperkte leeftijdgenoten. Gordon en Schroeder concluderen dat mensen met een verstandelijke beperking de (seksuele) kennis missen om:
  • intieme relaties aan te gaan
  • zich bewust te zijn van de gevolgen van hun gedrag
  • te beseffen hoe zij zelf kunnen voorkomen dat zij slachtoffer worden van seksueel misbruik
Daarmee wordt ook meteen duidelijk dat mensen met een verstandelijke beperking nog steeds sterk afhankelijk zijn van anderen. Onder andere op het gebied van kennis vergaren, het vormen en uiten van voorkeuren en het leren vormgeven aan relaties.
Tevens heeft Brantlingen een onderzoek gedaan naar de manier waarop mensen met een verstandelijke beperking aan hun seksuele kennis komen. Hij concludeert dat deze informatie afkomstig is van vriendjes / leeftijdsgenootjes en broertjes / zusjes, televisie en pornobladen. Als de persoon met de verstandelijke beperking de seksuele kennis op deze manier tot zich krijgt en zonder enige begeleiding verwerkt zal dit tot gevolg hebben dat de informatie die hij op die manier gekregen heeft incompleet en onjuist is. Op deze manier kan er een verkeerd beeld ontstaan over wat seksueel ‘normaal’ of acceptabel is (Gijs, 2004). Daarom is het juist voor mensen met een verstandelijke beperking van belang dat ze een gedegen seksuele voorlichting krijgen om dergelijke misverstanden uit te sluiten.

Conclusie

Over het algemeen kan gesteld worden dat de ontwikkeling van seksualiteit bij mensen met een verstandelijke beperking trager, maar ook weer niet zo heel anders verloopt dan die van mensen zonder verstandelijke beperking. Het lichaam ontwikkelt zich normaal ten aanzien van de leeftijd, welke niet altijd overeenkomt met de emotionele leeftijd van de verstandelijk beperkte. Hier ontstaat dan ook een duidelijke discrepantie tussen de fysieke groei en de psychosociale vermogens. Problemen die zich voordoen m.b.t. seksualiteit worden versterkt door de grote hiaten in hun kennis.

Mensen met een verstandelijke beperking hebben minder kennis van seksualiteit dan niet beperkte leeftijdsgenoten. Ze missen de kennis om: intieme relaties aan te gaan, zich bewust te zijn van de gevolgen van hun gedag en te beseffen hoe zij zelf kunnen voorkomen dat ze slachtoffer worden van seksueel misbruik. De informatie met betrekking tot seksualiteit die ze al hebben, is meestal verworven via vriendjes, school en porno. Met betrekking tot seksualiteit hebben de jongeren behoefte aan concrete en duidelijke informatie, veel beelden die ze zien nemen ze letterlijk. Bij de informatie die ze krijgen moet ervoor gezorgd worden dat er niets aan hun verbeelding overgelaten wordt, hier kunnen ze niet mee omgaan.
© 2010 - 2019 Redflower, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Verstandelijke beperkingVoor heel veel mensen is het verschil tussen een lichamelijke en een verstandelijke beperking niet altijd duidelijk. Ze…
Mindfulness en een licht verstandelijke beperkingMindfulness en een licht verstandelijke beperkingJe hoort het tegenwoordig steeds vaker, kinderen, jongeren en volwassenen met een beperking krijgen les in mindfulness.…
Licht verstandelijk beperktenLVB'ers, licht verstandelijk beperkten. Een brede doelgroep met veel onduidelijkheden, elke beperking is namelijk weer a…
Ontwikkeling bij een verstandelijke beperkingOntwikkeling bij een verstandelijke beperkingMensen met een verstandelijke beperking doorlopen net als ieder ander een ontwikkeling. Maar door hun verstandelijke bep…
Begeleid (zelfstandig) wonenWat is begeleid (zelfstandig) wonen? Voor wie is begeleid wonen bedoeld? Wat zijn de voorwaarden? Wat zijn de kosten van…
Bronnen en referenties
  • - Brysbaert, M. (2006). Psychologie. Gent: Academia Press.
  • - Douma, J., Van den Bergh, P. & Hoekman, J. (1998). Verstandelijke handicap en seksueel misbruik. Lemniscaat Publishers.
  • - Feldman, R. (2005). Ontwikkelingspsychologie. Pearson Education Benelux.
  • - Gijs, L. (2004). Seksuologie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
  • - Heemelaar, M. (2008). Seksualiteit, intimiteit en hulpverlening. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
  • - Minderaa, R. (2000). Zorg voor mensen met een verstandelijke handicap. Uitgeverij van Gorcum. Editie 5.
  • - Rutgers nisso groep (12-01-2010). Beschikbaar: http://www.rutgersnissogroep.nl/professionals/onderwijs-en-jongerenwerk/jeugd-en-jongerenwerk/seksuele-ontwikkelingsfasen

Reageer op het artikel "Seksualiteit bij jongeren met een verstandelijke beperking"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Redflower
Gepubliceerd: 20-08-2010
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Pedagogiek
Bronnen en referenties: 7
Schrijf mee!