mijn kijk opNeutraal onderwijs bestaat niet, alleen bijzonder onderwijs
Bestaat er zoiets als neutraal onderwijs of is onderwijs altijd normatief? De seculier humanistische filosoof Floris van den Berg trekt in zijn essay ‘Bevrijding van onderwijs en opvoeding van het religieuze juk’ ten strijde tegen religieuze scholen. Hij pleit voor neutraal onderwijs, maar bestaat dat wel? Dringt hij niet zijn eigen ideologie op aan kinderen onder het mom van 'neutraal' onderwijs, dat daarmee de schijn heeft van objectiviteit en onpartijdigheid?
Humanistische brainwash
Floris van den Berg schrijft in een essay: “Kinderen moeten de mogelijkheid hebben om uit de levensbeschouwelijke koker van hun ouders en omgeving te stappen. Neutraal openbaar onderwijs waarin belangrijke levensbeschouwingen aan bod komen, maken goed geïnformeerde meningsvorming mogelijk, zodat kinderen als zij (bijna) volwassen zijn zelf kunnen kiezen of zij de religie van hun ouders willen overnemen of niet.” Hij heeft het niet zo op met religie. In een aanvullend artikel zegt hij:
“De houding van de overheid tegenover religie zou dezelfde moeten zijn als die de overheid sinds enige jaren inneemt tegenover roken: actieve ontmoediging.” Van den Berg bepleit een 'a-religieuze eenheidsschool', maar critici stellen dat in een dergelijke school alle kinderen onder het predicaat ‘neutraal’ in feite een seculier humanistische brainwash ondergaan en in een levensbeschouwelijk koker zitten.
Indoctrinatie
In antwoord op een oud-onderwijzer van een RK basisschool die stelt:
“Neutrale standpunten bestaan niet: juist een openbare school werkt met haar seculiere klimaat zodanig op kinderen in, dat van een ontvankelijkheid voor levensbeschouwing weinig of niets terecht komt,” zegt hij volmondig:
“ja, dat klopt (…). In de praktijk zal dat ertoe leiden dat niet veel mensen vrijwillig kiezen voor een religie.” Van den Berg wil de secularisatie een handje helpen door kinderen in ieder geval op school te onttrekken aan de geloofsopvoeding van hun ouders en ze dwingend (want van bovenaf door de overheid opgelegd) het seculiere wereldbeeld van de autonome mens op te leggen. Dat lijkt verdacht veel op de totalitaire aanpak van mensen die denken de waarheid in pacht te hebben en die menen dat ze 'het onverlichte deel der natie' mogen dwingen hun kinderen aan het infuus van de waarheid te leggen in de secteschool der seculieren.(1) De filosoof heeft de mond vol van religieuze indoctrinatie, maar hij ziet de balk in zijn eigen oog niet, zo stellen critici.
Wetenschappelijke antwoorden geven
“De kennis die op scholen wordt overgedragen, dient wetenschappelijk te zijn. (…) Als leerlingen aan een onderwijzer(es) vragen: Bestaat god? Dan dient zij/hij het wetenschappelijke antwoord te geven: ‘Er zijn geen wetenschappelijke argumenten te geven voor het bestaan van god.’ Het onderwijs dient seculier te zijn, dat wil zeggen dat religie zich niet mag mengen met onderwijs. Seculier onderwijs is geen atheïstische indoctrinatie. Het gaat erom dat onderwijs zo eerlijk en objectief mogelijke kennis overdraagt. Dus ook over religies,” aldus de filosoof die religie en het geloof in God in het bijzonder beschouwt als een reliek uit lang vervlogen tijden, reeds lang en breed achterhaald door de uitkomsten van de moderne wetenschap.
Wetenschap is begrensd
Wetenschap heeft haar grenzen. Mensen maken morele oordelen, de wetenschap niet. Vraagstukken over wat is goed en wat is fout, kan de wetenschap geen antwoord op geven. Bekende voorbeelden zijn de kwesties omtrent euthanasie of abortus. Wetenschappers kunnen je van alles uitleggen over de ontwikkeling van het leven en hoe de dood in fysieke zin in zijn werk gaat, enzovoorts, maar of het al dan niet geoorloofd is om een leven te beëindigen en zo ja, in welke situaties, kan de wetenschap geen antwoord op geven. Datzelfde geldt voor de universele rechten van de mens: hebben mensen rechten en zo ja, welke? Ook kan de wetenschap geen esthetische oordelen geven. Welke kleur is mooier? Is dit televisieprogramma leuk of oersaai? Is deze muziek oorstrelend of te lelijk om aan te horen? Ook kan de wetenschap je niet vertellen hoe je gebruik zou moeten maken van wetenschappelijke kennis, alhoewel wetenschappers daar vaak uitgesproken ideeën en opvattingen over hebben. Voor vrijwel alle belangrijke wetenschappelijke doorbraken, kan men zich zowel positieve als negatieve manieren bedenken waarop deze kennis kan worden gebruikt. Wetenschap helpt ons te beschrijven hoe de wereld is, maar het is aan de mens om te beslissen hoe we die kennis inzetten. Daarnaast komt de wetenschap ook niet met antwoorden op vragen over het bovennatuurlijke. De gereedschapskist van een wetenschapper bevat alleen de natuurlijke wetten van het universum;
bovennatuurlijke vragen vallen buiten hun bereik. Dit houdt overigens niet in dat je geen gebruik kunt maken van de
resultaten van modern wetenschappelijk onderzoek om te beargumenteren dat God bestaat.
Laten we met deze grenzen van de wetenschap in ons achterhoofd, bedenken wat Van den Berg zou antwoorden op de volgende vraag van een leerling: 'In veel landen is het heel gewoon dat meisjes niet naar school gaan of er al binnen een paar jaar weer van af worden gehaald. Zouden deze landen ook moeten voldoen aan het Kinderrechtenverdrag, waar in artikel 28 staat dat elk kind recht heeft op onderwijs?' De filosoof zou -als hij consequent is- antwoorden: 'Het is niet aan de wetenschap om met een moreel oordeel te komen'.
Voorlopige waarheid
De wetenschapsfilosoof Karl Popper gaat er bovendien vanuit dat alle wetenschappelijke uitspraken slechts het karakter hebben van een hypothese, een theorie, die een waarschijnlijkheid of vermoeden uitdrukken, maar niet dé waarheid. De zoektocht naar de waarheid is in feite een oneindig voortdurend proces. Wetenschappelijke waarheid is altijd voorlopige waarheid, dat wil zeggen een (nog niet weerlegde) theorie die dé waarheid tot op heden het dichtst is of lijkt te zijn genaderd.
Godsargumenten maken ook gebruik van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek
Je kunt Gods bestaan niet bewijzen, wel kun je aan de hand van argumenten het bestaan van God aannemelijk maken, onder meer aan de hand van de resultaten van modern wetenschappelijk onderzoek. Een zo wetenschappelijk (objectief) mogelijk antwoord op de vraag 'bestaat God?' kan aldus luiden: 'Als God bestaat is Hij geest en staat Hij buiten tijd en ruimte. God kan niet onderzocht worden zoals een bioloog een fruitvliegje, een
paardenbloem of andere natuurlijke elementen onderzoekt. Het bestaan van God kan daarom bewezen noch weerlegd worden. Iedereen die denkt dat dat wel mogelijk is, maakt een categoriefout: God is immers geest en geen fysiek wezen. De vraag naar het bestaan van God valt niet onder het domein van de wetenschap. Wel zijn er wetenschappers en filosofen die beweren dat de wetenschap aanwijzingen oplevert tegen of juist voor het bestaan van God of een hogere Intelligentie, zoals het fine-tuning argument. De laatste tientallen jaren zijn er vele nieuwe argumenten voor het bestaan van God bijgekomen, onder meer door het werk van Alvin Plantinga, Richard Swinburne, William Alston, Alexander Pruss, Robert Koons en Joshua Rasmussen. Deze en andere Godsargumenten zijn compatibel met de moderne wetenschappen. Sterker nog, volgens de filosoof Emanuel Rutten maken vaak ze juist vaak gebruik van de resultaten van modern wetenschappelijk onderzoek. Deze argumenten voor of tegen het bestaan van God kunnen meer of minder aannemelijk zijn, maar beide stromingen zullen nooit met echte (sluitende) bewijzen kunnen komen. Het antwoord op de vraag naar het bestaan van God kan strikt genomen niet door de wetenschap gegeven worden, maar moet in een voorwetenschappelijk (metafysisch of religieus) kader gezocht worden. De geloofskeuzes die een mens daarin maakt, zal niet alleen zijn wetenschappelijke arbeid beïnvloeden, maar ook zijn kijk op de wereld en de mensen om hem heen. Ieder mens gaat uit van premissen, dat is onvermijdelijk, maar je moet ze wel (h)erkennen en open kaart spelen.'
Sciëntistisch wereldbeeld
Van den Berg komt met een zeer eenzijdig 'wetenschappelijk' antwoord op de vraag of God bestaat. Hij gaat uit van verborgen vooronderstellingen. Zijn antwoord komt voort uit een sciëntistisch wereldbeeld. Sciëntisten verwerpen het idee dat er buiten de wetenschap om ware kennis kan worden verworven. En vaak proberen ze ook de regels van de wetenschap toe te passen in gebieden waar deze manier van werken niet opgaat. Sciëntisme is echter zelfweerleggend. Sciëntisme vertelt ons dat we alleen moeten geloven wat wetenschappelijk bewezen kan worden. Maar hoe zit het met deze propositie zelf? Het kan niet wetenschappelijk worden bewezen. Daarom moeten we het afwijzen. Sciëntisme schiet zichzelf in de voet.
Van den Berg verwijt de theologie uit te gaan van het bestaan van God als premisse, maar hij bedient zich ondertussen zelf van een voorwetenschappelijke aanname. Sciëntisten zijn fundamentalistische materialisten. Zij gaan ervan uit dat het bovennatuurlijke volgens hen niet kan bestaan. Sciëntisme is zelfweerleggend en materialisme is een niet bewezen positie. Van den Berg speelt echter geen open kaart over zijn eigen vooronderstellingen, die hij onder het mom van 'objectiviteit' en 'wetenschap' het onderwijs wil binnensmokkelen. Alle scholieren verplicht blootstellen aan een seculiere ideologie is welbeschouwd atheïstische indoctrinatie.
"De natuurwetenschappen willen zich beperken tot hetgeen te meten en te berekenen valt. Dat is hun paradigma, daar zijn ze goed in. Maar dat idee van 'meten = weten' is langzamerhand overgebracht op andere terreinen van het menselijk leven. Dan is liefde 'niets anders' dan een chemisch proces en een boom 'niets anders dan een zuurstoffabriek', zoals Herman Finkers in zijn show Na de pauze opmerkte. De empirie van de natuurwetenschappen hoort bij de natuurverschijnselen, maar moet niet als kennismethode gaan dienen van de metafysische basis van de gehele werkelijkheid." (Frank G. Bosman, theoloog en verbonden aan de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg)
Religieuze grondmotieven
De kennis die op scholen wordt overgedragen dient dus volgens de filosoof wetenschappelijk te zijn en wetenschap staat voor neutraliteit en objectiviteit. Is dat zo? Geenszins: onbevooroordeelde, objectieve, neutrale wetenschap bestaat niet en zal nooit bestaan. Net zomin als er onbevooroordeelde, objectieve, neutrale mensen bestaan. (W.J. Ouweneel) De wetenschapsfilosoof Karl R. Popper verwoordt het in zijn boek ‘De groei van kennis’ zeer treffend: “Wat wij echter moeten doen is dit: wij moeten het idee van de uiteindelijke bronnen [waarneming/verstand] van onze kennis opgeven en erkennen dat alle kennis menselijk is; dat het met onze fouten, onze vooroordelen, onze dromen en verwachtingen is vermengd.(…).” (2)
Bron: Ansichtkaart Bussum School met den Bijbel Het denken en handelen van de mens wordt ten diepste bepaald door geloofsovertuigingen en -opvattingen, door de filosoof H. Dooyeweerd ‘
religieuze grondmotieven' genoemd. Deze grondmotieven beheersen onze wilsbesluiten, onze strevingen, ons drift- en gevoelsleven, alsook onze verstandelijke overwegingen. Het onderscheid tussen geloof en wetenschap is daarom een bedrieglijke scheiding. Wetenschap zonder geloofsuitgangspunten is ten enenmale ondenkbaar.
Intellectuele schizofrenie
Ieder mens laat zich leiden door geloofsuitgangspunten die van invloed zijn op hoe hij wetenschap bedrijft. Deze geloofsaannames worden 'voorwetenschappelijk' genoemd; ze zijn niet wetenschappelijk te funderen, maar ook niet wetenschappelijk te ontkrachten. Ze zijn echter wel van invloed op het denken en handelen en daarmee op de werkzaamheden van de wetenschapper. Deze uitgangspunten gaan zogezegd aan iedere wetenschapsbeoefening vooraf. Het is dan ook niet de gelovige wetenschapper die lijdt aan wat Van den Berg ‘intellectuele schizofrenie’ noemt, maar hijzelf, door een ondoordringbare muur te plaatsen tussen geloof en verstand en deze tegen elkaar uit te spelen. Hij is echter een patiënt zonder ziekte-inzicht, die bovendien erg overtuigd is van zijn eigen gelijk en dat zijn vaak de gevaarlijkste patiënten voor hun omgeving.
Het gaat niet om de tegenstelling tussen geloof en wetenschap, maar om de tegenstelling tussen geloof en ongeloof. Dit zijn de twee meest fundamentele en diametraal tegengestelde geloofsuitgangspunten.
Waardenoverdracht
Op een school wordt niet alleen maar neutrale kennis zoals de tafels overgedragen aan kinderen. De inhoud van een aantal lessen kan 'feitelijk-inhoudelijk' omstreden zijn; denk aan de
evolutietheorie of intelligent design (ID). De keuze om bijvoorbeeld in de lessen aandacht te besteden aan de evolutietheorie en niet of nauwelijks aan ID of de evolutietheorie als feitelijk juist en bewezen te presenteren, is geen neutraal-wetenschappelijke keuze. Hier gaan geloofsopvattingen aan vooraf, ofschoon deze vaak met een wetenschappelijk (lees: materialistisch) laagje worden afgedekt.
Een school doet niet alleen aan overdracht van kennis en kunde - dat zoals we geconstateerd hebben niet altijd even neutraal is - maar ook aan waardenoverdracht. Er zijn een aantal basale liberale waarden, die alle scholen – ongeacht hun ‘kleur’ – actief zouden moeten uitdragen en praktiseren. De belangrijkste is de ontwikkeling van kritische vermogens die autonomie bevorderen. Autonomie houdt in dat concepties van het goede op een kritische wijze geaccepteerd, bijgesteld of verworpen worden. (3) Door het ontwikkelen van autonomie kan een kind later gebruik maken van zijn of haar
individuele vrijheidsrechten. Iedere school zou doordesemd moeten zijn van deze algemene liberale noties, die een vrije samenleving mogelijk maken en daaraan ten grondslag liggen.
Doch een school ontkomt er niet aan, als dat al gewenst wordt, dat rechtstreeks of zijdelings ook
substantiële waarden of opvattingen van het goede leven uitgedragen worden. Deze waarden kunnen betrekking hebben op de zin van het leven (‘waartoe zijn wij op aarde’), op zaken als liefde, seksualiteit en relaties (samenwonen / huwelijk / homoseksualiteit), medisch-ethische thema’s (abortus /
euthanasie) en andere onderwerpen. Een openbare school zal deze onderwerpen op geheel andere wijze voor het voetlicht brengen dan bijvoorbeeld een katholieke of protestantse school. Ook een openbare school doet aan waardenoverdracht en is zeker niet zonder levensbeschouwelijke kleur. Zij nemen dikwijls de kleur aan van de dominante stroming(en) in de samenleving en gaan dan uit van algemeen aanvaardbare waarden.
Kortom, een docent is geen neutrale doorgeefluik van louter objectieve kennis en zal het ook nooit kunnen zijn. Iedere leerkracht leeft vanuit normen en waarden.
De wetenschap is begrensd. Wetenschap kan alleen maar vaststellen wat is en niet wat zou moeten zijn. (A. Einstein) Daar hebben we levensbeschouwing, filosofie en religie voor.
Kleur bekennen
Is God de grondlegger en bevestiger van waarden of zijn gedachten over het goede louter het domein van de autonome mens. Dit zijn twee radicaal verschillende en diametraal tegengestelde uitgangspunten die grofweg tot uitdrukking komen in respectievelijk christelijke en openbare scholen, ofschoon ik mij terdege besef dat heel wat christelijke scholen heden ten dage ‘humanistisch’ genoemd kunnen worden, omdat er - op wat uiterlijke kenmerken na – weinig meer over is van het oorspronkelijke christelijke gedachtegoed. Dat terzijde. Het punt is dat ook openbare scholen geenszins neutraal te noemen zijn. Het zou goed zijn als openbare scholen kleur bekennen en hun levensbeschouwelijke uitgangspunten, visie en identiteit expliciet formuleren en op schrift stellen. In de praktijk bestaat geen neutraal onderwijs, maar is al het onderwijs levensbeschouwelijk - en bijgevolg bijzonder. Scholen zouden duidelijk moeten zijn over hun identiteit, zodat het álle ouders vrij staat die school te kiezen, die hun kinderen opvoedt in de door hen gewenste geest.
Artikel 23 van de Nederlandse Grondwet
Regelt onder andere de vrijheid van onderwijs; de gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs.
Artikel 23, lid 1
Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
Artikel 23, lid 2
Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
Artikel 23, lid 3
Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
Artikel 23, lid 4
In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven.
Artikel 23, lid 5
De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
Artikel 23, lid 6
Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
Artikel 23, lid 7
Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
Artikel 23, lid 8
De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
Citaten over de vrijheid van onderwijs
De Amsterdamse christelijke werkliedenvereniging 'Patrimonium', in het jaar 1876 opgericht, schreef indertijd in hun blad 'De Bazuin' het volgende over 'de schoolkwestie' (de schoolstrijd):
"Wij zijn voorstander van vrijheid van onderwijs en ontkennen dat de staat gerechtigd zou zijn, zijdelings zoodanig in die vrijheid in te grijpen, dat iemand, tegen zijn geweten in, verplicht wordt zijn kinderen staatsonderwijs te laten ontvangen, dat, ook met den oprechtsten toeleg, niet neutraal kan zijn en 't - naar getuigenis van tot oordelen bevoegden van onverdachten huize - ook niet is."
Langedijk, D. De Schoolstrijd, 1935, p. 158.
***
"Toch zijn de ouders, tegenstanders van eene school met den bijbel of van eene roomsch-katholieke school, wel gedwongen hun kinderen - wier verstand nog onontwikkeld is, wier gemoed nog ongevormd is - door voor hen geheel onbekende menschen voor het leven te laten opvoeden. En dit is van te meer betekeenis, omdat niet betwist wordt, dat het in de school niet te doen is om het bijbrengen van een zekere dosis kennis alleen, maar het geven van eene bepaalde plooi en richting aan geest en karakter. Die ouders moeten alzoo hun kinderen toevertrouwen aan de zorg van onderwijzers, wier godsdienstige en politieke beginselen meestal in geen enkel opzicht overeenkomen met die van vader en moeder."
Wilde, H. de, De Anti-revolutionaire Partij en haar Program van Beginselen, Vada, Wageningen, 1903, p. 224-225.
***
Alexander Frederik de Savornin Lohman, voorman van de christelijk-historischen begin twintigste eeuw, riep over de schoolkwestie:
"Wij vragen geen christelijke scholen aan den staat. Die wachten wij alleen van God. Van den staat vragen wij slechts vrijheid!"
Een openbare school voor hen die geen andere school hadden, achtte De Savornin Lohman volkomen legitiem. Het verderfelijke was zijns inziens hierin gelegen dat de openbare school en de richting van die school gemaakt was tot de richting van het Nederlandse volk. (Rede Tweede Kamer, 23 augustus 1889).
Suttorp, L.C., Jhr Mr Alexander Frederik de Savornin Lohman 1837 - 1924, Zijn Leven en Werken, A.A.M. Stols, 's-Gravenhage, 1948, p.317.
***
De SDAP-er A.H. Gerhard verklaarde in 1917 in de Tweede Kamer:
"Neutraliteit is een levensbeschouwing geworden. Dus als wij de openbare school met die levensbeschouwing door de staat laten betalen, waarom dan de bijzondere niet?"
Jong Ozn., K. de, De Seculiere Grote Mond, Het Goede Leven, 15-22 augustus 2008, p.18.
Voetnoten:
(1) De voorman van de CHU (Christelijk Historische Unie; een voorloper van het CDA) De Savornin Lohman noemde de openbare school smalend ‘de secteschool der modernen’ vanwege het veelal moderne karakter van de openbare school.
(2) Popper, Karl R., De groei van kennis, Boom Meppel/Amsterdam, (1963) 1983, p. 53.
(3) Ger Snik & Johan de Jong, Moet een liberale overheid bijzondere scholen bekostigen? Pedagogiek, 21e jaargang, nr. 3, 2001, 242-258.
Lees verder