InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Filosofie > Vrije wil (Mill en Plato)

Vrije wil (Mill en Plato)

Vrije wil (Mill en Plato) Het is niet gemakkelijk om een exacte definitie over vrije wil te formuleren. Strikt genomen zijn er evenveel definities als dat er filosofen zijn. In de volgende tekst kan u de visie van John Stuart Mill en Plato over vrije wil terugvinden.

John Stuart Mill

Voordat Mill zijn mening geeft over het al dat niet bestaan van vrije wil, vestigt hij de aandacht op de reden van het denken. Hij brengt allen terug op de tegenstelling tussen goed en kwaad. De fragmenten die geciteerd worden in dit stuk, zijn allemaal uit het boek: “Over Vrijheid” en hoofdzakelijk uit het hoofdstuk “Vrijheid van denken en spreken.”

John Stuart Mill gelooft niet onvoorwaardelijk in vrije wil. Hij zegt dat, zolang de mensheid niet volmaakt is, het nuttig is dat er een verscheidenheid aan meningen en levenswijzen bestaat. “Overal waar niet iemands eigen karakter, maar de tradities en de gewoonten van anderen het gedrag bepalen, ontbreekt het hoofdbestanddeel van het menselijk geluk dat persoonlijke en maatschappelijke vooruitgang brengt.” Concreet zegt hij dat vrije wil niet altijd aanwezig is, maar wel noodzakelijk is voor geluk en bijgevolg voor vooruitgang. Toch zijn de meesten onverschillig tegenover hun vrije individuele ontplooiing. Dit komt omdat deze tevreden meerderheid niet kan begrijpen waarom de stand van zaken niet voor iedereen goed genoeg is. In zijn boek ‘Over vrijheid’ schrijft hij immers:

“Ongetwijfeld zullen deze overwegingen echter niet voldoende zijn om de mensen te overtuigen, die in de eerste plaats overtuigd moeten worden (...) - om mensen die geen vrijheid verlangen, en daar uit zichzelf niet naar streven, erop te wijzen dat zij op een voor hen herkenbare manier beloond zullen worden als zijn anderen toestaan om zonder hinder van de vrijheid gebruik te maken.”

Mill vindt het belangrijk dat mensen zelf actief betrokken zijn bij de vorming van hun karakter, omdat het karakter onlosmakelijk verbonden zit met het denken. Hij geeft drie belangrijke redenen. Ten eerste stelt hij dat gewoonten en traditie betekenen dat men zich afhankelijk maakt van ervaring. Ten tweede kunnen gewoonten en traditie onbruikbaar zijn en ten derde omdat het wezen van de mens erin bestaat dat men zelf keuzes leert maken. Daaraan doet men geen recht als men enkel gewoonten en tradities volgt. Hij benadrukt dit met een mooie vergelijking:

“De menselijke natuur is niet vergelijkbaar met een machine of robot die men precies dat werk kan laten doen waarvoor hij is gemaakt, maar met een boom die naar alle kanten moet kunnen uitgroeien, in overeenstemming met de innerlijke krachten die er een levend ding van maken.”

Ook over het verbieden of verplichten van sommige denkwijzen heeft Mill een mening, iets dat zonder twijfel een groot belang zal spelen in ons eindwerk. Wat als je denkt dat een verboden stelling juist is? Dan heeft men tegenargumenten gezocht en is men zelf tot de conclusie gekomen dat dit inderdaad zo is. Wat als je echter meent dat de verboden stelling inderdaad onjuist is? Bij gebrek aan tegenstanders verliest men in dat geval de mogelijkheid om de waarheid volledig, frequent en hevig te bediscussiëren. Wat voor Mill het belangrijkste is, is dat je vrije wil getraind kan worden.

“Mentale en morele krachten gaan alleen vooruit als men ze gebruikt, net als spierkracht. Iemands geestvermogens hoeven zich niet in te spannen, als hij iets doet louter omdat anderen het doen, of als hij gelooft omdat anderen het ook geloven.”

Vrij denken wordt volgens hem beïnvloed door karakter, tradities en gewoonten. We kunnen ter besluit stellen dat Mill er een compatibilistische visie op nahoudt. Compatibilisten zijn er van overtuigd dat vrije wil en determinisme elkaar niet uitsluiten en zoeken een manier om de twee compatibel te maken. Vrijheid is volgens hen kunnen doen wat je wil, of spontaneïteit, en bestaat soms wel, soms niet: soms zijn er hindernissen, soms niet.

Plato

Om Plato’s mening over vrije wil juist te interpreteren, is het belangrijk Plato in het juiste tijdperk te schetsen. Het zou bijzonder dwaas zijn om aan te nemen dat een dergelijk gewichtige definitie over de vrije wil door de eeuwen heen niet zou wijzigen door verschillende factoren zoals sociale omgeving, gemeenschap, waarden en deugden. Kortom, het is belangrijk omdat “de vrije wil” zoals wij die nu bestempelen, zich situeert in een zeer modern tijdperk. Onder staande citaten zijn gebaseerd op het boek “Vrije wil” en we citeren hierbij:

“...Vrije wil is bij ons de idee van de mens als onafhankelijk individu met een eigen geweten, de mens die voor zichzelf moet bepalen wat hij belangrijk vindt en die zelf de wil moet hebben om morele keuzes te maken. “

Zouden we echter dezelfde vraag stellen ten tijde van Plato, dan werd deze vraag een beetje anders opgenomen. In die tijd maakte het menselijke deel uit van een politieke gemeenschap. Laten we u er aan herinneren dat Plato leefde in het oude Griekenland ten tijde van de Polis . Zulke stadstaten waren exclusieve en autonome gemeenschappen waarbij een onderscheid gemaakt werd tussen burgers en niet-burgers. Men ziet zichzelf als onderdeel van de politieke gemeenschap en wordt gebonden aan een gemeenschappelijk moraal. De klassieke Griekse filosofen dachten dus heel anders dan wij over de manier waarop mensen hun beslissingen namen. Dit toont reeds aan dat de gemeenschappelijke situering een belangrijke impact heeft op de benadering van de vrije wil en de juiste interpretatie van dit onderwerp. Als besluit kunnen we dus duidelijk stellen dat men ten tijde van Plato een totaal vrij individu dus nooit zomaar kon loskoppelen van de staat. Men kan dus leren dat factoren van buitenaf een invloed kunnen hebben op de vrijheid van het denken. In het werk van Plato gaat de gedachte een rol spelen dat verkeerde dingen verleidelijk kunnen zijn, zelfs wanneer je weet dat ze eigenlijk onjuist zijn. Hij verdeelt de ziel van de mens onder in drie delen en vergelijkt ze met een tweespan: Ten eerste is er de paardenmenner. Hij is het “redelijke” deel en heeft inzicht in al het goede. Ten tweede heb je het edel en gehoorzame paard. Dit is het eerzuchtige en gedisciplineerde deel. Tot slot is er het ongehoorzame paard, gericht op verleiding. Dit deel staat voor lust. Volgens Plato gaat het als volgt te werk: de paardenmenner moet de teugels in de hand houden en wordt hierbij geholpen door het gehoorzame paard om het ongehoorzame in bedwang te houden. Of in concretere termen: de taak van de rede is om gesteund door discipline en plichtsgevoel onze lusten te beheersen. Alles wat volgens Plato zou uitkomen op “immoreel” gedrag, zou dus simpelweg gebrek aan inzicht zijn. Dit illustreert hij als volgt:

“Er is een man met een slecht been die een trap op wil lopen. Je weet wel dat je in zo een situatie eigenlijk een helpende hand moet uitsteken, maar omdat je gehaast bent komt deze bedenking niet eens in je op. Je kan dus uiteindelijk wel de algemene kennis van het goede hebben, maar je bent niet in staat om te zien dat die kennis in die specifieke geval van toepassing is.”

Plato vat het zo op dat vrije wil en determinisme niet samengaan. Hij verdedigt dat op de volgende manier: “sommige gebeurtenissen kennen geen oorzaak, andere zijn veroorzaakt door niet-deterministische partijen, nog anderen door een externe partij.” Dit is een indeterministische mening, die hij deelt met onder meer Epicurus, Kant en Sartre. Uit Plato zijn Ideeënleer en de “mythe van de grot” is het dus duidelijk dat Plato veel belang hecht aan “het goede”, het inzicht dat de paardenmenner in de hand heeft. Het is echter zo dat Plato “kennis” en het “goede” met elkaar gelijkstelt. Diegenen met de meeste kennis, zullen logischerwijs diegenen zijn die het dichtste “het goede” nastreven. Deze theorie werkt Plato uit in zijn ideeënleer. Volgens Plato bestonden er twee werelden: een van de ideeën (oerbeelden, oertypes) en een van de waarneembare dingen ( de wereld waarin we leven). Voor elk voorwerp op aarde is er een “Idee”. De hoogste Idee is de Idee van het Goede. De dingen die wij op aarde via onze zintuigen waarnemen zijn eigenlijk minderwaardige kopieën van de originele ideeën, die geheel los van de waarneembare wereld in een “ideeënwereld” bestaan. Dit houdt in dat zijn ontdaan zijn van alle bijkomstigheden zoals vorm, kleur, plaats, smaak... Al die bijkomstigheden, die aan onze zintuigen en niet aan ons verstand appelleren, leiden ons immers alleen maar af van de essentie. De vraag die Plato hier dus vooral stelde, is:"Hoe moet een mens leven?" Om echt goed te kunnen leven is kennis en inzicht van de wereld om ons heen van essentieel belang. In het volgende fragment gaat Plato in op de vraag hoe het volgens hem met de kennis van veel mensen is gesteld en hoe het mogelijk is wel juiste kennis te verwerven. Het fragment “de mythe van de grot” komt uit Plato's hoofdwerk “Politea” (“Constitutie”) en gaat als volgt:

“Stel je een aantal mensen voor in een onderaardse, grotachtige woning, met een naar het daglicht toegekeerde ingang langs de volle breedte van de grot. Ze zijn daar van jongs af aan opgesloten, aan handen en voeten en aan hun nek geboeid, zodat ze daar moeten blijven en alleen recht voor zich uit kunnen kijken, want vanwege die boeien zijn ze niet in staat zich om te draaien. Verder is er licht van een vuur dat hoog en ver boven hen brandt, in hun rug, en tussen het vuur en de gevangenen een weg in de hoogte, waarlangs je je moet voorstellen dat een muurtje is aangelegd, zoals bij een poppenkast vóór het publiek een scheidingswand staat waarboven de poppen worden vertoond. Langs dat muurtje moet je nu mensen allerlei voorwerpen zien dragen, gemaakt van steen en hout en van allerlei ander materiaal, waarbij sommigen van die mensen natuurlijk praten en andere zwijgen.”

Wanneer je dit tafereel goed in je hoofd hebt geprent, moet het volgende dus duidelijk zijn:
deze mensen moeten ons, de gewone mens, voorstellen. Ze zitten daar hun hele leven opgesloten en kennen niks anders dan de schaduwen op de muur die voor hen verschijnen. Omdat ze dus in staat zijn met elkaar te praten, denken ze ongetwijfeld dat ze praten over de dingen die ze op die muur zagen. Als er in de grot ook een echo was van die tegenoverliggende wand, wanneer een van de voorbijgangers zou spreken dan zou men waarschijnlijk denken dat het geluid werd gemaakt door de passerende schaduw. Zulke mensen zullen er van uitgaan dat de werkelijkheid niets anders is dan de schaduwen van die voorwerpen. De grot is een gevangenis van de onwetendheid.

Wanneer we nu de genezing voorstellen van die mensen, of met andere woorden de bevrijding van hun onwetendheid dan is er de vraag hoe men zou reageren op de volgende scenario’s. Als iemand eerst werd losgemaakt en werd gedwongen plotseling op te staan en zijn hoofd te draaien. Als hij vervolgens werd gedwongen naar de uitgang van de grot te lopen en daar gedwongen werd naar het licht te kijken. Terwijl hij weet dat al die handelingen hem pijn zouden doen en hij door de schittering niet in staat zou zijn de voorwerpen te onderscheiden waarvan hij eerder enkel de schaduwen had gezien. Hoe zou men dus reageren als men hem zou vertellen dat alles wat hij tot op dat moment had gezien, allemaal onechtheden waren? Dat hij juist nu dichter bij de werkelijkheid was en een juistere kijk had op de dingen omdat zijn blik nu was gericht op echte voorwerpen. Wat kunnen we verwachten van zijn reactie als men hem dan ook nog eens elk voorwerp dat langs kwam zou aanwijzen en hem zou dwingen vragen te beantwoorden over wat dat voorwerp precies was. De kans is reëel dat hij totaal verdwaasd zou zijn en zou denken dat wat hij tot dusver had gezien in zijn leven eerder echt was dan wat men hem nu aanwees. Hij zou zich eerder afwenden en vluchten naar de dingen die hij wel kan onderscheiden, omdat die echter en duidelijker zijn dan dat wat men hem aanwees. Daarna zou men hem uit die grot meesleuren tot in het licht van de zon. Waarschijnlijk zou hij zich dan verschrikkelijk voelen en zich er enorm over opwinden dat hij zo wordt meegetrokken. Wanneer hij in het daglicht komt, zouden zijn ogen natuurlijk door de felle schittering zijn verblind en hij zou helemaal niets onderscheiden van wat men hem nu als de werkelijkheid voorhield. Er zal een gewenningsproces nodig zijn voordat hij de dingen daarboven in het licht kan zien. In het begin zou hij het gemakkelijkst schaduwen kunnen onderscheiden. Daarna zouden weerspiegelingen in het water van mensen en voorwerpen volgen, en nog later al die dingen zelf. Als hij daar dan uiteindelijk staat en terugdenkt aan zijn eerste woning, aan de kennis daar en aan zijn medegevangenen van toen, zou hij dan met de verandering in zijn situatie niet gelukkig zijn en die andere mensen beklagen?

Volgens Plato absoluut wel. Aan de hand van dat kleine besluit wil hij zijn mening over een hiërarchie onderbouwen, waarin de filosofen dus aan de top staan.
Hij haalt deze hypothese hiervoor aan:

“Stel dat er daar toen een bepaalde hiërarchie was geweest, waarbij de hoogste functies waren weggelegd voor de mensen die de dingen die voorbijkwamen het scherpst konden onderscheiden, een goed geheugen hadden voor de volgorde waarin ze plachten te verschijnen en op grond daarvan dus met het meeste succes konden voorspellen wat er zou komen. Denk je dan dat hij daaraan nog behoefte zou hebben of jaloers zou zijn op de status van de mensen die daar in de gevangenis de hoge posten bekleden? Zou hij niet eerder het gevoel hebben dat Homerus beschrijft, veel liever “op aarde een knecht te zijn van een onbemiddeld man”? Zou hij niet alles liever meemaken dan een leven met zulke waanideeën?”

Voor Plato zijn dit natuurlijk retorische vragen. Er gaat niets boven het bezitten van ware kennis, ongeacht iemand zijn stand. Wie de Idee van het goede kent, hoort automatisch bij de hoogste stand van de samenleving. Ter verduidelijking staat hieronder een korte vergelijking wat betreft de mythe van de grot en Plato’s ideeënleer. De zintuiglijk waarneembare wereld komt overeen met die woning in de gevangenis en het licht van het vuur met het vermogen van de zon. Als je in die tocht omhoog en de aanblik van de dingen daarboven de weg ziet waarlangs de psyche opstijgt naar de wereld van het denken, dan heb je begrepen wat Plato’s verwachtingen zijn. Alleen god zal echter weten of ze met de werkelijkheid overeenstemmen. Is de mens in staat de juiste kennis te leren? Ja! Om het vermogen tot abstract denken te verkrijgen, wat dus noodzakelijk is voor deze ideeënleer, stelt Plato een praktisch lesprogramma voor. Het begint met de lagere school en daarna enkele jaren muziekonderwijs, intensieve sporttraining en militaire dienst volgen. Daarna, tot het twintigste levensjaar, volgt een systematische studie van rekenkunde, meetkunde, stereometrie, astronomie en harmonieleer. Vanaf het dertigste levensjaar begint men met vijf jaar filosofie en vervolgens vijftien jaar stage in openbare functies. Als bekroning volgt op het vijftigste levensjaar een studie in de psychologie en de studie van de “waarde”. Dit is de loopbaan die een mens minstens zou moeten doorlopen om abstract te kunnen denken. Mensen die volgens Plato de meeste kennis verwerven, en dus ook het beste begrijpen wat “het goede” inhoudt, zijn het volgens hem waard om een samenleving te besturen. Deze mensen zijn volgens Plato de filosofen. Zij horen aan de top van de maatschappij te staan wegens hun uitgebreide kennis. Deze staatsleer heeft hij ook volledig uitgewerkt, namelijk in zijn boek “de Politeia’’. Hier gaan we echter niet verder op in, aangezien dit meer te maken heeft met “vrije wil door beperking van de staat” en dus beter past bij ons tweede deel van ons onderzoek.

Een mens heeft geen absolute vrije wil aangezien hij altijd de goede gedachtestroom zal moeten volgen en zijn onjuiste stroom onderdrukken. Een mens zal immoreel denken altijd proberen te onderdrukken Mocht een mens zich hier toch toe laten verleiden, dan heeft deze persoon simpelweg een gebrek aan inzicht.

Vergelijking Mill en Plato

Voor deze algemene vergelijking met de vraag over “vrije wil”, hebben we ons gebaseerd op het voorgaande corpus en op twee treffende citaten die hun grootste gedachtes weergeven.

“This city is what it is, because our citizens are what they are.”
-Plato-

“If all mankind minus one were of one opinion, mankind would be no more justified in silencing that one person than he, if he had the power, would be justified in silencing mankind.”
-Mill-

Hieruit wordt ons duidelijk dat Plato de manier van vrij denken aan de staat toeschrijft. De manier van denken is te plaatsen bij de staat. Mill daarentegen legt de ontwikkeling van de vrijheid van denken bij de individuele vrijheid. Een persoon is zelf verantwoordelijk voor zijn individuele ontwikkeling. In verband met de vrijheid van staat, kunnen we het zelfs doortrekken tot communisme (Plato) en het kapitalisme (Mill).
© 2014 - 2019 Mvg2011, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
John Stuart Mill - Over vrijheid of versus overheid?Al in 1859 publiceerde de bekende filosoof John Stuart Mill zijn boek: Over vrijheid. In zeer filosofische taal zet hij…
Glenn Mill SchoolAl een tijdje werkt Amerika met een nieuw systeem om delinquente jongeren weer op het rechte pad te krijgen. Niks lijkt…
Nationale Bevrijdingsdag5 mei staat bekend als Bevrijdingsdag. Op deze dag worden er door het hele land allerlei activiteiten georganiseerd. Het…
Arts of geneesheer?De huidige geneeskunde laat zich graag voorstaan op professionele beroepshouding, patiëntgerichtheid en wetenschappelijk…
Hoe Plato dacht over alcoholMannen en vrouwen mogen niet gedronken hebben als ze een kind willen verwekken. Overdag mag niemand drinken, behalve tij…
Bronnen en referenties
  • "On Libery" van John Stuart Mill
  • "De Politeia" van Plato

Reageer op het artikel "Vrije wil (Mill en Plato)"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Mvg2011
Gepubliceerd: 19-04-2014
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Filosofie
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!