InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Sociaal cultureel > Modern Israël: Sociaal-culturele situatie in de jaren '60

Modern Israël: Sociaal-culturele situatie in de jaren '60

Modern Israël: Sociaal-culturele situatie in de jaren '60 In de jaren '60 begon Israël haar eigen identiteit te vormen. Dit deden de Joden en Arabieren elk op hun eigen wijze. Hierbij speelde de Arabische kwestie een belangrijke rol. Daarnaast groeide het onderwijs gestaag en was sprake van de ontwikkeling van een eigen Israëlische cultuur. Heel belangrijk in de jaren '60 was de vraag wie Jood is. Dit leidde tot een conflictsituatie tussen de orthodoxie en de seculiere Joden.

Cultureel – Arabische intelligentsia

De kloof tussen de Arabische en Joodse sector in Israël bleef vele jaren groter dan die tussen andere sectoren. Dit werd o.a. veroorzaakt door het wegvluchten van de Arabische intelligentsia gedurende de oorlog van 1948-'49. De nieuwe Arabische intelligentsia in Israël kreeg daar in de jaren 60 haar opleiding. Er studeerden steeds meer Arabieren af aan Israëlische universiteiten. Ook gingen Israëlische Arabieren aan universiteiten in Europa en de Verenigde Staten studeren. Tegen 1975 waren zo'n 4000 Arabieren hoogopgeleid.

Inlopen achterstand

De hoogopgeleide Arabieren voelden zich al snel gediscrimineerd. Maar voor een deel was hun geringe invloed aan henzelf te wijten. Ze droegen weinig bij aan dorpsintegratie. Ze verafschuwden zelfs openlijk de achterstand van hun eigen omgeving. Hun literaire prestaties bleven lange tijd ver onder de maat. Tot 1958 was er geen enkele Arabische roman gepubliceerd. Er waren slechts 15 dunne gedichtenbundels verschenen waarvan de kwaliteit niet hoog was. De Arabische uitgevers werden opgericht of gesubsidieerd door christelijke gemeenschappen, de vakbond Histadroet of door de Mapam en Maki partijen.

In 1954 werd het blad al-Mujtama door Michael Hadad opgericht dat een forum bood voor schrijvers en dichters. Ook de bibliotheek van de Hebreeuwse Universiteit bracht veel Arabische boeken in omloop. Op de Israëlische radio verscheen een Arabisch programma. In 1958 werden ter gelegenheid van Israël tienjarig bestaan Arabische verhalen en gedichten gepubliceerd door de vakbond Histadroet. In 1958 werd ook de Arabische Boek Sociëteit gesticht door Mapam. Die publiceerde in de 10 jaar daarna 17 boeken waarvan voornamelijk romans. Er kwamen ook Arabische drukkerijen. Halverwege de jaren 60 was een Arabisch talige theater groep succesvol in Haifa. En in Nazareth was een populair Arabisch theater.

Apolitiek

Poëzie bleef lange tijd het populairst in de Arabische sector. Poëzie was in de beginjaren apolitiek en gericht op het thema 'liefde'. Politiek en sociale problemen binnen de Arabische sector werden gemeden. Als al de problematiek aan de orde kwam werd gepleit voor samenwerking tussen Joden en Arabieren. Het Arabische korte verhaal was wel meer gericht op de realiteit. Een bekende Arabische schrijver was Samir Marid die schreef over het leven van de armen. Maja Qa'war-Farah richtte zich op menselijke emoties.

Nationalisme

Vanaf de jaren 60 richtte de Arabische literatuur zich meer op het nationalisme. Veel Arabische jongeren uitten kritiek op de staat. Zij vergeleken hun situatie niet met vroeger onder het Britse Mandaat maar met de Joodse meerderheid. Zij sympathiseerden met Nasser en het Pan-Arabisme. Zo hield het Arabisch Studenten Comité van de Hebreeuwse Universiteit zich bezig met ophitsing tijdens 'literaire' avonden.

De pers

In de pers kwam de politisering van de Arabische intelligentsia het sterkst tot uitdrukking. Kranten en politieke tijdschriften werden door Israëlische Arabieren als middel gebruikt voor hun literaire verhalen. De belangrijkste krant was al-Yawm (de Dag) die financieel gesponsord werd door de Histadroet.

Niet alle Arabische literatuur in Israël was politiek georiënteerd. Er waren ook poëzie en proza die de veranderingen beschreven van de gewoontes en tradities, de status van de vrouwen en van boeren. Toch ging het meeste over politiek en was sprake van ophitsing tegen Joden. De dorpsleiders werden openlijk beschuldigd van collaboratie met de Joden. Veel werd geschreven over de Arabische vluchtelingen die hun huizen en hun land hadden verloren. De Israëlische regering werd beschuldigd van het vervolgen van de Arabische minderheid om de Arabische landen uit te dagen wraak te nemen tegen Joden die in die Arabische landen woonden om zo Joodse emigratie naar Israël aan te wakkeren. De welvaart die de Israëlische overheid creëerde in de Arabische sector werd minachtend weggewuifd.

De invloed van de islam en het christendom werd minder en vervangen door Arabisch nationalisme. Maar de emotionele malaise die diep geworteld zat kon niet door religie of nationalisme worden opgelost.

Cultureel – cultuur jaren '60

Hoe zag Israël er in de jaren '60 uit op het gebied van sociaal-culturele voorzieningen? Onderwijs in Israël groeide in de jaren 60 gestaag door de ontwikkeling van industrie, handel, communicatie en door de uitbreiding van de overheid en de defensieve infrastructuur. In 1949 bezochten 1600 studenten de twee universiteiten die het land rijk was. In 1975 waren er inmiddels 47.000 studenten waarvan de meesten Joden. Vijftien procent van de arbeidskrachten was academisch opgeleid in 1975. Ook kenmerkte de culturele maatschappij zich door muziek, theater, musea, kranten, etc.

Technion en Hebreeuwse Universiteit

De belangrijkste universiteiten sinds de oprichting van de Joodse staat waren het Technion en de Hebreeuwse Universiteit. Het Technion is de technische universiteit van Haifa. De Hebreeuwse Universiteit staat in Jeruzalem. Op het Technion konden in de jaren 60 o.a. de volgende vakken worden gevolgd: scheikunde, nucleaire natuurkunde, luchtvaart techniek en computerwetenschappen. Aan de Hebreeuwse Universiteit werd in de jaren 60 o.a. gedoceerd in natuurwetenschappen, landbouw, medicijnen, tandheelkunde, farmacie, recht, educatie en sociale arbeid. Op het Technion studeerden in 1975 zo'n 10.000 studenten en aan de Hebreeuwse Universiteit 17.000.

Andere universiteiten

In 1956 werd de Universiteit van Tel Aviv opgericht. Vanaf 1963 groeide deze universiteit hard en kende in 1973 zo'n 10.000 studenten en 13 faculteiten.

In 1934 was al het Weizmann Instituut in Rechovot opgericht. Deze had onderzoekscentra in natuurwetenschappen. Het kende 19 departementen en men kon er ook promoveren.

In 1955 werd de religieuze Bar Ilan Universiteit opgericht door de Mizrachi beweging. Deze universiteit heeft een orthodox religieus karakter. De universiteit ligt in Ramat Gan, een buitenwijk van Tel Aviv. In 1975 had het 4000 studenten.

Begin jaren '70 werden de Universiteiten van Haifa en Beersheva autonoom. Daarvoor waren ze verbonden met de Hebreeuwse Universiteit.

Veel studenten

Het aanbod studenten was groter dan de universiteiten konden verwerken. Er was een tekort aan faculteitspersoneel. Dit kwam door een tekort aan gepromoveerde studenten. In 1975 promoveerden slechts 140 studenten. Men had echter het vijfvoudige nodig. Israël moest rekenen op Israëlische studenten die in het buitenland gepromoveerd waren en op academisch getrainde immigranten.

Technologische doorbraak

Eind jaren 50 en beginjaren 60 vond in Israël een technologische doorbraak plaats vooral op het gebied van atoomenergie. Israël wilde atoomenergie gebruiken omdat het geen natuurlijke energiebronnen had. Er werd een nucleaire reactor in Nachal Sorek en later in Dimona geopend. Israël gebruikte deze voor zowel civiele als defensieve doeleinden.

Musea

Op cultureel gebied kent Israël veel musea die gevuld worden met archeologische vondsten, kunst, etc. Het beroemdste museum is het Israel Museum in Jeruzalem. Verder kent bijna elke grote stad haar eigen museum. Ook zijn musea gevestigd in kibboetsiem (Ein Harod, Sha'ar HaGolan, Lochamei HaGhetta'ot). Er zijn veel tentoonstellingen van Israëlische kunstenaars (schilders, beeldhouwers, etc.). Velen zijn opgeleid aan de Bezalel School (Israëls nationale kunstacademie).

Muziek

In Israël is vanaf de beginjaren ook veel passie voor muziek. In 1936 werd het Palestina Orkest opgericht. Dit werd later het Filharmonisch Orkest. Deze behoort tot de top van de wereld. Het is gehuisvest in het moderne auditorium van Tel Aviv. In Jeruzalem en Haifa zijn ook symfonieorkesten. In Ramat Gan zetelt het Israëlisch Kamerorkest. Israël kent ook een jeugd symfonieorkest. Verder zijn er verschillende conservatoria.

Theater

Ook het theater is vanaf de beginjaren populair in Israël. Habima is een bekend gezelschap dat haar oorsprong had in Moskou en zich in 1931 in Tel Aviv vestigde. In 1958 werd dit het Nationale Theater van Israël. Het Cameri Theater is zelfs nog beroemder. Het werd in 1944 in Tel Aviv door Yosef Millo opgericht. De vakbond Histadroet was de sponsor van Ohel, het Israël Arbeid Theater dat in 1925 werd opgericht. Verder kent het land talloze kleinere onafhankelijke revue gezelschappen. In Tel Aviv zaten oorspronkelijk de meeste theaters, maar later kregen ook Haifa, Jeruzalem en Beersheva hun eigen theaters.

Kranten, bladen, boeken en bibliotheken

Israëliërs zijn altijd fervente krantenlezers geweest. In 1975 kende het land 24 dagbladen waarvan 13 in het Hebreeuws en 11 in een buitenlandse taal. Naast kranten waren er 400 bladen waarvan de meeste in het Hebreeuws. Er kwamen jaarlijks veel boeken uit. En in de meer dan 1000 bibliotheken die het land in 1975 kende konden meer dan 9 miljoen boeken geleend worden.

Cultureel – identiteit en orthodoxie

In de jaren '60 waren de Israëliërs ook op zoek naar een eigen identiteit. Hierbij speelde o.a. archeologie een belangrijke rol. Archeologische vondsten moesten aantonen wie de Joden waren. Archeologen waren niet alleen professionals maar ook amateurs. Alles wat gevonden werd kwam in musea terecht. Eén van de grootste vondsten waren de Dode Zee rollen in het begin van de jaren '50. Een bekende archeoloog was professor Yigael Yadin die betrokken was bij de opgraving van de Kanaänietische stad Tel Chazor en brieven van Bar Kochba. Er werden nog veel meer vondsten gedaan die de Joodse aanspraak op Israël bekrachtigden. De Israëlische identiteit werd ook bepaald door, muziek, kunst, schrijvers en de confrontatie met de orthodoxie.

Identiteit zoeken in muziek en kunst

Het zoeken naar identiteit vond ook zijn weg in de muziek en kunst. Kunst was divers. Zo hield schilder Reuven Rubin zich bezig met romantische pastorale landschappen met bomen, boerderijen en boomgaarden. Nachum Gutman schilderde paarden, wagens, gesluierde Arabische vrouwen en semi-Oriëntaalse architectuur. Mordechai Ardon gebruikte veel Bijbelse symbolen in zijn schilderijen. Moshe Castel deed dat ook en hij schilderde tevens Kabbalistische thema's.

Wat betreft muziek componeerde de eerste Palestijnse Joodse componisten liederen in de stijl van het land waar ze vandaan kwamen. De Oriëntaalse muziek, met name de Jemenitische, was populair. Roman Habenstock-Ramati combineerde Oriëntaalse muziek met westerse technieken.

Joodse literatuur

De Joodse literatuur was een invloedrijk medium voor het uitdrukken van nationalistische gevoelens. Schrijvers waren al actief tijdens de Britse Mandaat Periode. Bekende schrijvers waren: Avraham Shlonsky, Yitzchak Lamdan, Shin Shalom, Nathan Alterman, Leah Goldberg, Uri Zvi Greenberg, Chaim Hazaz en S.Y Agnon. Leah Goldberg was de bekendste dichteres. Haar gedichten waren simpel qua vorm en daardoor erg populair. Shmuel Yosef Agon was een populaire romanschrijver die schreef over het chassidische leven in het negentiende eeuwse Galicië maar ook over de Jisjoev in Palestina. In 1966 won hij de Nobelprijs voor de Literatuur. Later werd Agnon geobsedeerd door de confrontatie van het dynamische Zionisme in Palestina en het lot van de Joodse religieuze traditie in de Jisjoev. Schrijver Cahim Hazaz, die Rusland was ontvlucht en in 1932 in Jeruzalem ging wonen, schreef vooral over Jemenitische en Oriëntaalse gemeenschappen.

De “Palmach generatie”

De generatie schrijvers die in Israël geboren werd (Sabra's) liet de Diaspora onverschillig. Ze werd de “Palmach generatie” genoemd. Bekende schrijvers waren Yizhar Smilansky, Moshe Shamir, Aharon Meged, Yigal Mossinson en Natan Shacham. Bekende dichters waren Yehuda Amichai, Amir Gilboa, Yitzchak Shalev, Abba Kovner, Chaim Guri, Tuvya Riber, Carmi Tcharny en Hillel Omer. Deze schrijvers en dichters schreven over nieuwe onderwerpen. Israël was een feit geworden. Zo schreef Shamir een roman over het kibboetsleven en de sabra (in Israël geboren persoon). Ook schreven de nieuwe auteurs over oorlogen en soldaten.

De crisis van het geweten

De Arabische kwestie kwam ook aan de orde, zoals de massaslachting in Kafr Qassim waarbij 43 Arabische burgers werden gedood omdat ze niet op de hoogte waren van het instellen van de avondklok. Palestijnse vluchtelingen kwamen ook in boeken voor. De schrijvers waren kritisch op het Israëlische beleid, maar de strijd tegen de Arabieren werd niet gezien als één van goed tegenover slecht. Amos Oz en Avraham Yehoshua schreven er o.a. over.

Een andere crisis was de malaise van eindjaren '50 en beginjaren '60 die in de literatuur werd beschreven. Er vond een verschuiving van waarden binnen de maatschappij plaats: groeiend materialisme, ineenstorting van de zakelijke ethiek, onbeschoft gedrag in onderlinge verhoudingen en erosie van gezinsintegriteit. De “Palmach generatie” schreef erover. Door het Eichmann tribunaal werd de Holocaust ook een onderwerp van de literatuur.

Confrontatie met de orthodoxie

De Sabra's waren ook gevoelig voor de spirituele erfenis van het Jodendom. Er werd veel aan Bijbelstudie gedaan ook op de seculiere scholen. Het Jodendom had er immers voor gezorgd dat het Joodse volk negentienhonderd jaar in ballingschap had overleefd. Toch bleek uit een peiling in 1963 dat slechts 30% van alle Joden traditioneel was en 24% helemaal niet gelovig. Bijna de helft van de Joodse bevolking hield zich een beetje aan de traditie. Het grootste probleem vormde echter de politisering van de religie. Er deden zich verschillende incidenten voor waarbij de orthodoxie in aanvaring kwam met de overheid. Dit betrof o.a. de aanleg van een openbaar zwembad in Jeruzalem. De orthodoxen wilden deze dicht hebben op Shabbat. Ook mochten van hen vrouwen en mannen niet samen baden. Het leidde tot demonstraties. Een ander conflict was het protest van de orthodoxe Joden tegen een niet-koshere keuken op een passagiersschip van Zim. De orthodoxe Joden waren ook tegen autopsie. Hier kwam uiteindelijk een regeling voor.

Cultureel – Wie is een Jood?

Het probleem van de Joodse identiteit in Israël in de jaren 60 betrof drie overlappende juridische kwesties. De eerste betrof het burgerschap. Alle burgers waren gelijk onder de wet; Arabieren waren echter uitgezonderd van dienstplicht. De tweede kwestie betrof nationaliteit. Israël was een Joodse staat en liet alleen Joden toe. De derde kwestie betrof religie. Joden kregen niet meer privileges dan christenen en moslims. Op individueel niveau werd de religieuze wet wel toegepast. Dit had nogal wat gevolgen voor de Joden, zoals bijvoorbeeld bij het trouwen en scheiden.

Toepassing religieuze wet bij trouwen en scheiden

Een Ethiopische Jood kon niet trouwen met een Joodse vrouw tenzij hij zich tot het orthodoxe Jodendom had bekeerd. Ethiopische Joden hadden namelijk generaties geleden gemengde huwelijken gekend en werden daarom door de Joodse orthodoxie niet als Jood erkend.

Voor Joden uit Israël (B'nai Israel) was de situatie nog penibeler. Ze hadden eeuwen geïsoleerd geleefd zonder rabbinale voorschriften. Er waren twijfels over hun huwelijken en scheidingen. In 1961 werden ze officieel als Joden erkend maar er werd wel een onderzoek ingesteld als iemand van de B'nai Israel gemeenschap wilde trouwen met iemand van een andere Joodse gemeenschap. De Indiase Joden voelden zich vernederd. Ze gingen wekenlang demonstreren. Er werd een compromis bereikt door alle twijfelgevallen te onderzoeken zonder de B'nai Israel specifiek te noemen.

Wie is Joods?

Grootste probleem was de vraag: 'Wie is Joods?' De Wet op de Terugkeer had gefaald de term 'Jood' te definiëren in nationalistische zin. Zolang deze definitie ontbrak konden orthodoxe rabbijnen zelf bepalen wie wel of niet Joods was.

In 1958 deed het Hooggerechtshof een eerste poging te bepalen wie Joods was in de zaak Rufeisen. Dit was een Poolse Jood die zich bekeerd had tot het christendom en monnik was geworden. Desondanks voelde hij zich nog steeds Joods en wilde naar Israël emigreren. De Israëlische autoriteiten weigerden hem en dus stapte hij naar de rechtbank. Halachisch gezien was de man Joods omdat zijn moeder Joods was. Maar het Hooggerechtshof besliste anders omdat de man een ander geloof had aangenomen en daarom niet meer Joods zou zijn. Het Rabbinaat ging akkoord met deze beslissing.

De rechtszaak had gevolgen voor de registratie van Joodse bewoners in Israël, vooral voor Joden die uit Oost-Europa kwamen en vaak met niet-Joden waren getrouwd. Om die reden werd op de identiteitskaarten zowel religie als nationaliteit aangegeven. Sommigen vonden de nationaliteitsgegevens discriminerend voor Arabieren maar dit werd volgens de regering om veiligheidsredenen gedaan. Iedereen die verklaarde Joods te zijn werd als Jood geregistreerd zonder aanvullend bewijs. Er werd dus niet meer naar de Joodse wet gekeken. De religieuze Joden waarschuwden dat de staat bepaalde wie burger was maar niet wie Joods was. Zij vonden dat alleen de Joodse wet dit kon bepalen. Er werd een ministerieel comité ingezet om onderzoek te doen naar het probleem. Het comité hield zich vast aan het kabinetsbeleid. Daarop vertrokken twee ministers van de Nationaal Religieuze Partij. Premier David Ben Goerion beloofde dat de Joodse wet wel gehandhaafd zou blijven bij rituele zaken, trouwen en scheiden. Maar de orthodoxe partijen namen hier geen genoegen mee. De vraag wie een Joods was was eigenlijk de vraag wie het land regeerde: de Knesset of het Rabbinaat. Ben Goerion was ten einde raad en stelde een commissie in die het advies vroeg van geleerden uit Israël en elders. Deze kozen in meerderheid voor de Joodse wet.

De orthodoxe visie van nationaliteit werd de wet tot 1970 toen het Hooggerechtshof weer met een nieuwe uitspraak kwam over een Joodse marinier Benjamin Shalit die met een niet-Joodse Schotse vrouw was getrouwd. Hoewel de kinderen niet-Joods waren, waren ze wel Israëlische burgers. De man en vrouw waren atheïst en schreven 'nee' bij religie, maar wel Joods bij nationaliteit. Maar dat werd niet geaccepteerd. Een rechtszaak volgde. Die werd gewonnen door Benjamin Shalit. Weer protesteerden de orthodoxe Joden. De Knesset bepaalde dat Shalit zelf mocht bepalen wat de nationaliteit van zijn kinderen was maar dat in de toekomst geen kinderen de Joodse nationaliteit konden aannemen als hun moeder niet-Joods was. Toch kregen de seculiere Joden ook hun zin doordat niet-Joodse partners automatisch het burgerschap kregen en ook de kinderen uit een gemengd huwelijk. Dit was belangrijk omdat het burgerschap civiele en fiscale voordelen opleverde. Ook werden personen geaccepteerd als burgers die bij niet-orthodoxe rabbijnen in het buitenland Joods waren geworden. In Israël zelf was dit echter niet mogelijk. Hier zwaaiden de orthodoxe rabbijnen de scepter. Ook bepaalden zij de religieuze kwesties van huwelijk en scheiding.

Israël een bijzonder land

De hele discussie over de Joodse identiteit liet zien dat Israël nog steeds een bijzonder land was. De Zionisten wilden van de Joodse staat een 'normaal' land maken zoals andere landen in de wereld. Maar die gedachte was te voorbarig.

Cultureel – flexibelere orthodoxie?

Met de vraag 'Wie is Jood?' begonnen steeds meer Joodse Israëliërs zich in de jaren '60 te keren tegen de orthodoxie. De orthodoxe rabbijnen hadden het niet-Joodse vrouwen steeds moeilijker gemaakt zich te bekeren tot het Jodendom. Er werden meer kandidaten afgewezen dan geaccepteerd, vooral vrouwen die tot de niet-religieuze kibboetsiem hoorden. Seculiere Joden vroegen zich af hoe lang de middeleeuwse praktijken van de orthodoxe rabbijnen de vrije samenleving zouden blijven lamleggen.

Flexibeler

Begin jaren '70 werden de orthodoxe rabbijnen wat flexibeler vanwege de woede van het publiek en de dreiging van de Knesset tegen de orthodoxe overheersing wat betreft huwelijk en scheiding. In maart 1971 deed de rabbinale raad een kleine concessie wat betreft bekering. Het bekeringsproces zou wat korter gaan duren. Toch waren er nog problemen zoals de 'mamzer', een kind geboren uit een incest relatie. De rabbinale raad verwierp een beroep van een mamzer om te trouwen. In 1972 werden nieuwe rabbijnen gekozen voor de rabbinale raad. Rabbi Shlomo Goren verving rabbijn Untermann als Ashkenazische Opperrabbijn. Goren was liberaler en flexibelere dan Untermann. Maar bij de Sefardiem werd Jozef Ovadia als Opperrabbijn gekozen en deze was traditioneel. Goren zorgde er echter voor dat de mamzer toch kon trouwen.

Er waren nog meer flexibelere geluiden te horen. Binnen de Nationale Religieuze Partij werd openlijk kritiek geuit op het beleid van het rabbinaat. De kritiek was vooral te horen van B'nai Akiva en de religieuze kibboets beweging. Zij zochten vaak advies bij flexibele rabbijnen. Anderen die zich flexibel opstelden waren Pinchas Rosenblutt en professor Zvi Urbach. Een scherpe criticaster was dr. Yehayahu Leibowitz. Hij pleitte voor een scheiding van religie en staat.

Zoektocht naar spirituele alternatieven

De Amerikaanse orthodoxie was niet geïnteresseerd in het veranderen van de Israëlische status quo. Het liberale en conservatieve Jodendom konden nauwelijks een voet aan de grond krijgen in Israël. Er waren wel wat liberale en conservatieve gemeenschappen in Israël. Ze hielden diensten en financierden scholen. Maar het was vooral symbolisch en werd vanuit het verre buitenland geleid. Het liberale en conservatieve Jodendom hadden niet zo zeer moeite om huwelijken en begrafenissen te leiden maar hadden vooral moeite om populair te worden onder de Israëlische bevolking. Ze konden geen alternatieven bieden voor het orthodoxe Jodendom of het secularisme.

Een groep spiritueel rusteloze intellectuelen kwam met het tijdschrift Prozdo om hun religieuze gedachten te formuleren. Er werden artikelen gewijd aan metafysica en theologie, de strijd tussen seculier en religieus in Israël, educatie en andere algemene culturele onderwerpen. Er werden suggesties gedaan om het Joodse leven en de Joodse waarden te herstellen. Ook werd gepleit voor moderne mooie synagogen die de slecht onderhouden synagogen moesten vervangen. Nieuwe scholen moesten de slechte religieuze staatsscholen vervangen. Er werd daarnaast gepleit voor een nieuwe Joodse manier van leven in kibboetsiem, moshaviem en steden.

Na de Zesdaagse Oorlog verdween het blad Prozdor. Maar er waren al nieuwe groepen ontstaan die veranderingen brachten. Zo trachtte de groep Amanah de Joodse religie te transformeren in een vitale kracht. Frequente sprekers waren o.a. de filosofen Hugo Bergmann en Martin Buber. Een invloedrijke beweging was de Hillel Foundation aan de Hebreeuwse Universiteit van de Amerikaanse conservatieve rabbijn, dr. Jack Cohen. Hij probeerde een methode te vinden om spirituele waarden en theologische filosofie met elkaar te verzoenen. In 1961 organiseerde hij een “Verzameling van Zoekers voor een (Ware) Weg”. Er deden 70 nationale persoonlijkheden aan mee. Ze waren enthousiast in het zoeken naar spirituele alternatieven. Ze gingen op lokaal niveau verder. De Jeruzalem groep organiseerde eigen Sabbathdiensten waarbij mensen kwamen die anders nooit naar een synagoge zouden gaan.

Met de verovering van Oost-Jeruzalem kwamen de Tempelberg en de Westelijke Muur in het vizier. Deze beïnvloedden de gehele Joodse bevolking en leidden tot spirituele alternatieven. Jonge seculiere Joden realiseerden zich opeens dat ze Joods waren. De orthodoxe gevestigde orde wist daar niet goed mee om te gaan. Er ontstond een Land van Israël beweging opgericht door niet-orthodoxe intellectuelen zoals Elizer Livneh. Hij maakte een parallel tussen het wonder van 1967 en de passage in Ezechiël die de plotselinge verschijning van God beschreef.

Lees verder

© 2015 - 2018 Etsel, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Geografie Israël: verhouding Joden – ArabierenGeografie Israël: verhouding Joden – ArabierenOmdat de Israëlische Arabieren niet volledig willen integreren in de Israëlische maatschappij -zij willen niet de Wester…
Geografie Israël: demografie en territorium in IsraëlGeografie Israël: demografie en territorium in IsraëlDe relaties tussen Joden en Arabieren in Israël komen het sterkst tot uitdrukking in de demografie en het territorium. D…
Geografie Israël: de Arabische bevolking van IsraëlGeografie Israël: de Arabische bevolking van IsraëlDe Israëlische Arabieren bestaan uit moslims en christenen. De moslims zijn de meest homogene groep. Ze behoren tot de S…
Boekrecensie: Vriend of vijand – David GrossmanrecensieBoekrecensie: Vriend of vijand – David GrossmanIn 1993 kwam de bekende Israëlische romanschrijver David Grossman met een non-fictie boek over Israëlische Arabieren. He…
Centraal Galilea (Israël): demografie - Joden vs ArabierenCentraal Galilea (Israël): demografie - Joden vs ArabierenIn het vorige artikel over strijd om het land in Galilea hebben we het gehad over de grondonteigening. Deze is indirect…
Bronnen en referenties
  • A history of Israel (From the rise of zionism to our time) - Howard Morley Sachar
  • Atlas of Israel - Martin Gilbert

Reageer op het artikel "Modern Israël: Sociaal-culturele situatie in de jaren '60"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Etsel
Laatste update: 18-07-2017
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Sociaal cultureel
Special: Geschiedenis Modern Israël
Bronnen en referenties: 2
Schrijf mee!