InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Religie > Torastudie 133: Het Gouden Kalf (deel 5) –Exodus 32:31-33:20

Torastudie 133: Het Gouden Kalf (deel 5) –Exodus 32:31-33:20

Torastudie 133: Het Gouden Kalf (deel 5) –Exodus 32:31-33:20 In deze studie over het Gouden Kalf vraagt Mozes uit het boek van God gewist te mogen worden. Zijn verzoek wordt beantwoord in Parsja Tetzave waarin Mozes' naam niet genoemd wordt. Toch is Mozes juist in dit gedeelte van de Tora meer dan ooit aanwezig. Verder aandacht voor het feit dat geen mens God ooit gezien heeft of zal zien. Etsel levert hier zijn commentaar op.

Exodus 32:31-33:20

En Mozes keerde terug tot de Eeuwige en zei: ach een grote zonde heeft dit volk begaan, en zich een gouden afgod gemaakt. Welnu, zo Gij hun zonde zoudt vergeven! Maar zo niet, wis mij toch uit Uw boek, dat Gij geschreven hebt. Doch de Eeuwige zei tot Mozes: wie tegen Mij gezondigd heeft zal Ik uitwissen uit Mijn boek. En nu, ga, leid het volk waarheen Ik u gezegd heb, zie, Mijn engel zal vóór u uittrekken; en op de dag, waarop Ik straffen zal, zal Ik hen voor hun zonde straffen.


Voorts zei Hij: gij kunt Mijn aangezicht niet aanschouwen; want geen mens kan Mij aanschouwen en leven blijven.

Tekst in het Hebreeuws

לא וַיָּשָׁב מֹשֶׁה אֶל-יְהוָה וַיֹּאמַר אָנָּא חָטָא הָעָם הַזֶּה חֲטָאָה גְדֹלָה וַיַּעֲשׂוּ לָהֶם אֱלֹהֵי זָהָב. לב וְעַתָּה אִם-תִּשָּׂא חַטָּאתָם וְאִם-אַיִן מְחֵנִי נָא מִסִּפְרְךָ אֲשֶׁר כָּתָבְתָּ. לג וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה מִי אֲשֶׁר חָטָא-לִי אֶמְחֶנּוּ מִסִּפְרִי. לד וְעַתָּה לֵךְ נְחֵה אֶת-הָעָם אֶל אֲשֶׁר-דִּבַּרְתִּי לָךְ הִנֵּה מַלְאָכִי יֵלֵךְ לְפָנֶיךָ וּבְיוֹם פָּקְדִי וּפָקַדְתִּי עֲלֵהֶם חַטָּאתָם. לה וַיִּגֹּף יְהוָה אֶת-הָעָם עַל אֲשֶׁר עָשׂוּ אֶת-הָעֵגֶל אֲשֶׁר עָשָׂה אַהֲרֹן. {ס}
א וַיְדַבֵּר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה לֵךְ עֲלֵה מִזֶּה אַתָּה וְהָעָם אֲשֶׁר הֶעֱלִיתָ מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם אֶל-הָאָרֶץ אֲשֶׁר נִשְׁבַּעְתִּי לְאַבְרָהָם לְיִצְחָק וּלְיַעֲקֹב לֵאמֹר לְזַרְעֲךָ אֶתְּנֶנָּה. ב וְשָׁלַחְתִּי לְפָנֶיךָ מַלְאָךְ וְגֵרַשְׁתִּי אֶת-הַכְּנַעֲנִי הָאֱמֹרִי וְהַחִתִּי וְהַפְּרִזִּי הַחִוִּי וְהַיְבוּסִי. ג אֶל-אֶרֶץ זָבַת חָלָב וּדְבָשׁ כִּי לֹא אֶעֱלֶה בְּקִרְבְּךָ כִּי עַם-קְשֵׁה-עֹרֶף אַתָּה פֶּן-אֲכֶלְךָ בַּדָּרֶךְ. ד וַיִּשְׁמַע הָעָם אֶת-הַדָּבָר הָרָע הַזֶּה וַיִּתְאַבָּלוּ וְלֹא-שָׁתוּ אִישׁ עֶדְיוֹ עָלָיו. ה וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה אֱמֹר אֶל-בְּנֵי-יִשְׂרָאֵל אַתֶּם עַם-קְשֵׁה-עֹרֶף רֶגַע אֶחָד אֶעֱלֶה בְקִרְבְּךָ וְכִלִּיתִיךָ וְעַתָּה הוֹרֵד עֶדְיְךָ מֵעָלֶיךָ וְאֵדְעָה מָה אֶעֱשֶׂה-לָּךְ. ו וַיִּתְנַצְּלוּ בְנֵי-יִשְׂרָאֵל אֶת-עֶדְיָם מֵהַר חוֹרֵב. ז וּמֹשֶׁה יִקַּח אֶת-הָאֹהֶל וְנָטָה-לוֹ מִחוּץ לַמַּחֲנֶה הַרְחֵק מִן-הַמַּחֲנֶה וְקָרָא לוֹ אֹהֶל מוֹעֵד וְהָיָה כָּל-מְבַקֵּשׁ יְהוָה יֵצֵא אֶל-אֹהֶל מוֹעֵד אֲשֶׁר מִחוּץ לַמַּחֲנֶה. ח וְהָיָה כְּצֵאת מֹשֶׁה אֶל-הָאֹהֶל יָקוּמוּ כָּל-הָעָם וְנִצְּבוּ אִישׁ פֶּתַח אָהֳלוֹ וְהִבִּיטוּ אַחֲרֵי מֹשֶׁה עַד-בֹּאוֹ הָאֹהֱלָה. ט וְהָיָה כְּבֹא מֹשֶׁה הָאֹהֱלָה יֵרֵד עַמּוּד הֶעָנָן וְעָמַד פֶּתַח הָאֹהֶל וְדִבֶּר עִם-מֹשֶׁה. י וְרָאָה כָל-הָעָם אֶת-עַמּוּד הֶעָנָן עֹמֵד פֶּתַח הָאֹהֶל וְקָם כָּל-הָעָם וְהִשְׁתַּחֲווּ אִישׁ פֶּתַח אָהֳלוֹ. יא וְדִבֶּר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה פָּנִים אֶל-פָּנִים כַּאֲשֶׁר יְדַבֵּר אִישׁ אֶל-רֵעֵהוּ וְשָׁב אֶל-הַמַּחֲנֶה וּמְשָׁרְתוֹ יְהוֹשֻׁעַ בִּן-נוּן נַעַר לֹא יָמִישׁ מִתּוֹךְ הָאֹהֶל. {פ}

יב וַיֹּאמֶר מֹשֶׁה אֶל-יְהוָה רְאֵה אַתָּה אֹמֵר אֵלַי הַעַל אֶת-הָעָם הַזֶּה וְאַתָּה לֹא הוֹדַעְתַּנִי אֵת אֲשֶׁר-תִּשְׁלַח עִמִּי וְאַתָּה אָמַרְתָּ יְדַעְתִּיךָ בְשֵׁם וְגַם-מָצָאתָ חֵן בְּעֵינָי. יג וְעַתָּה אִם-נָא מָצָאתִי חֵן בְּעֵינֶיךָ הוֹדִעֵנִי נָא אֶת-דְּרָכֶךָ וְאֵדָעֲךָ לְמַעַן אֶמְצָא-חֵן בְּעֵינֶיךָ וּרְאֵה כִּי עַמְּךָ הַגּוֹי הַזֶּה. יד וַיֹּאמַר פָּנַי יֵלֵכוּ וַהֲנִחֹתִי לָךְ. טו וַיֹּאמֶר אֵלָיו אִם-אֵין פָּנֶיךָ הֹלְכִים אַל-תַּעֲלֵנוּ מִזֶּה. טז וּבַמֶּה יִוָּדַע אֵפוֹא כִּי-מָצָאתִי חֵן בְּעֵינֶיךָ אֲנִי וְעַמֶּךָ הֲלוֹא בְּלֶכְתְּךָ עִמָּנוּ וְנִפְלִינוּ אֲנִי וְעַמְּךָ מִכָּל-הָעָם אֲשֶׁר עַל-פְּנֵי הָאֲדָמָה. {פ}

יז וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה גַּם אֶת-הַדָּבָר הַזֶּה אֲשֶׁר דִּבַּרְתָּ אֶעֱשֶׂה כִּי-מָצָאתָ חֵן בְּעֵינַי וָאֵדָעֲךָ בְּשֵׁם. יח וַיֹּאמַר הַרְאֵנִי נָא אֶת-כְּבֹדֶךָ. יט וַיֹּאמֶר אֲנִי אַעֲבִיר כָּל-טוּבִי עַל-פָּנֶיךָ וְקָרָאתִי בְשֵׁם יְהוָה לְפָנֶיךָ וְחַנֹּתִי אֶת-אֲשֶׁר אָחֹן וְרִחַמְתִּי אֶת-אֲשֶׁר אֲרַחֵם. כ וַיֹּאמֶר לֹא תוּכַל לִרְאֹת אֶת-פָּנָי כִּי לֹא-יִרְאַנִי הָאָדָם וָחָי

Exodus 32:31

En Mozes keerde tot de Eeuwige en zeide: ach, een grote zonde heeft dit volk begaan.

heet en koud water

Wat deed Mozes? Hij ging naar God en zei: “Een grote zonde heeft dit volk begaan.” Toen God dit hoorde zei hij: “Mozes ben jij ook boos op hen? We kunnen niet allebei boos zijn. Wanneer jij Mij heet water ziet schenken, schenk jij koud water en wanneer jij Mij koud water ziet schenken, schenk jij heet...”

Exodus 32:32

Wis mij toch niet uit Uw boek dat Gij geschreven hebt.

parsja Tetzave

Mozes komt in alle parsjot van de boeken Exodus, Leviticus en Numeri voor. Genesis beschrijft de periode vóór Mozes' geboorte. En Deuteronomium wordt helemaal door Mozes zelf verteld. Alleen in parsja Tetzave (Exodus 27:20-30:10) komt de naam van Mozes niet voor. Dit kwam omdat Mozes had gezegd: “Wis mij toch niet uit Uw boek dat Gij geschreven hebt.” De censuur van een rechtvaardige persoon heeft altijd enig effect.

Mozes meer dan ooit aanwezig

In parsja Tetzave is Mozes meer dan ooit aanwezig ondanks dat zijn naam ontbreekt. Lees verder in Torastudie 132 (131).

Exodus 32:34

Op de dag waarop Ik straffen zal, zal Ik hen voor hun zonde straffen.

tegenspoed

Er is geen tegenspoed dat niet iets in zich heeft van de zonde van het Gouden Kalf.

Exodus 33:20

Gij kunt Mijn aangezicht niet aanschouwen; want geen mens kan Mij aanschouwen en leven blijven.

brandende doornbos

Mozes wilde God niet aanschouwen in het brandende doornbos (Exodus 3:6 “Toen verborg Mozes zijn aangezicht, want hij vreesde ervoor naar God te zien.”)

Jesaja 6:1

In Jesaja 6:1 staat: “In het sterfjaar van koning Oeziahoe zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon.”

Hoe valt Jesaja 6:1 te rijmen met Exodus 33:20? Al de profeten keken in een ondoorschijnend glas en zagen slechts een reflectie van het Goddelijke. Mozes keek door een helder glas.

Nadere toelichting op bovenstaande Joodse commentaren

Zelfs Mozes zag maar een glimp van God. God is niet onder menselijke termen te brengen. Dus een mens kan nooit God waarnemen. Dit houdt tevens in dat God nooit mens zal worden in de figuur van Jezus zoals het christendom beweert. Immers dan zou God wel aanschouwd kunnen worden. Het unieke van de God van Israël is juist dat wij Hem niet met onze zintuigen kunnen waarnemen maar toch ervaren dat Hij heel dichtbij ons is. We zijn met God verbonden via onze ziel. God 'kijkt' dus constant mee met alle handelingen die we verrichten. En we kunnen, ook als zien we Hem niet, elk moment contact met Hem zoeken via gebed. God luistert altijd naar onze zielenroerselen. Dat we God niet kunnen waarnemen is maar goed ook, want zo'n God zou eindig zijn en dus beperkt.

Atheïsten dagen gelovigen vaak uit door te stellen dat zolang God niet meetbaar is Hij ook niet kan bestaan (meten is weten). Maar dat is uiteraard een onzinnig argument. Zaken als liefde, elektriciteit, zwaartekracht, etc, kunnen we ook niet waarnemen en toch weten we dat ze bestaan. We moeten God leren kennen door te kijken naar wat Hij geschapen heeft en door Zijn Tora te bestuderen. De Tora schrijft ons voor wat God wil en zo zullen wij Hem leren kennen. Daar kan geen zintuiglijke waarneming tegenop.



Samenvatting - vragen

Om voor uzelf te controleren of u de tekst goed begrepen heeft volgt hier een aantal vragen. De antwoorden vindt u terug in bovenstaande tekst.
  1. Wat gebeurde er toen Mozes vroeg om zijn naam uit het boek te wissen?
  2. Was dit negatief of positief?
  3. Waar heeft tegenspoed mee te maken?
  4. Waarom kon Mozes wel een glimp van God zien en de andere profeten niet?
  5. Op welke manier kunnen we God waarnemen?

Lees verder

© 2010 - 2017 Etsel, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Torastudie 126: Vertaling Tora in het Grieks - Exodus 32:1Torastudie 126: Vertaling Tora in het Grieks - Exodus 32:1De 17de Tammoez staat in de Joodse geschiedenis bekend als rampen datum. Op deze dag brak Mozes de Stenen Tafelen omdat…
Aanmodderfakker – Gouden Kalf 2014Aanmodderfakker – Gouden Kalf 2014De Nederlandse film Aanmodderfakker heeft drie Gouden Kalveren gewonnen. Het was de grote winnaar van het Gala van de Ne…
Torastudie 125: Het Gouden Kalf (deel 1) – Exodus 32:1-6Torastudie 125: Het Gouden Kalf (deel 1) – Exodus 32:1-6Terwijl Mozes 40 dagen op de Sinaï verbleef, werd het volk ongeduldig. Zij veronderstelden dat Mozes niet meer terug zou…
Torastudie 137: Donaties voor Misjkan – Exodus 35:21-38:8Torastudie 137: Donaties voor Misjkan – Exodus 35:21-38:8Het volk bracht donaties voor de bouw van de Misjkan (het Heiligdom). Eigenlijk was het karakter van het volk onbegrijpe…
Torastudie 136: Passieve arbeid – Exodus 35:2Torastudie 136: Passieve arbeid – Exodus 35:2Waarom moet de mens werken voor zijn brood? Als God de bron is van alle zegeningen waarom moeten we dan zelf aan de kost…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Tdjgordon / Pixabay
  • Yalkut Shimoni: a collection of the Sages’ homiletical teachings
  • Baal HaTurim
  • Talmud, Sanhedrin 102a
  • Talmud, Berachot 7a
  • Talmud, Yevamot 49b

Reageer op het artikel "Torastudie 133: Het Gouden Kalf (deel 5) –Exodus 32:31-33:20"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Etsel
Laatste update: 11-12-2016
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Religie
Special: Torastudie
Bronnen en referenties: 6
Schrijf mee!