InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Religie > Torastudie 50: Tweede reis broers Jozef -Genesis (43:8-34)

Torastudie 50: Tweede reis broers Jozef -Genesis (43:8-34)

Torastudie 50: Tweede reis broers Jozef -Genesis (43:8-34) In Genesis 43:8-34 wordt verteld hoe Juda Jakob ompraat om Benjamin mee te laten gaan naar Egypte zoals Jozef, de bestuurder van Egypte, had bevolen. Jozef raakt ontroerd bij het zien van Benjamin. Alle broers eten samen met Jozef, niet wetende dat het Jozef is.

Genesis 43:8-34

"En Juda zei tot zijn vader Israël: Laat de jongen toch met mij meegaan; dan zullen wij ons gereed maken en op reis gaan, opdat wij in leven mogen blijven en niet sterven, zowel wij als gij en onze kinderen. Ik blijf borg voor hem; van mijn hand moogt gij hem eisen; indien ik hem niet tot u breng en vóór u stel, dan moge ik te allen tijde tegenover u als schuldige staan. Hadden wij niet getalmd, dan zouden wij zeker al tweemaal terug zijn. Toen zei hun vader Israël tot hen: Indien het zo gesteld is, doet dan dit: neem van het fijnste des lands in uw zakken en brengt die man een geschenk: een weinig balsem en een weinig honing, gom en hars, terpetijnnoten en amandelen....Toen die man hen in Jozefs huis gebracht had, gaf hij water om hun voeten te wassen, en hij gaf voeder aan hun ezels. Daarop legden zij het geschenk gereed tegen het ogenblik, waarop Jozef in de middag zou komen, want zij hadden gehoord, dat zij daar een maaltijd zouden gebruiken...En zij zaten voor zijn aangezicht, de eerstgeborenen naar zijn eerstgeboorte en de jongste naar zijn jeugd, zodat de mannen elkander verbaasd aanzagen. En men bracht hun van de gerechten die vóór hem stonden, en het gerecht voor Benjamin was vijfmaal zo groot als het gerecht van ieder van hen. Zo dronken zij en werden dronken met hem."

De tekst in het Hebreeuws luidt:

ח וַיֹּאמֶר יְהוּדָה אֶל-יִשְׂרָאֵל אָבִיו שִׁלְחָה הַנַּעַר אִתִּי וְנָקוּמָה וְנֵלֵכָה וְנִחְיֶה וְלֹא נָמוּת גַּם-אֲנַחְנוּ גַם-אַתָּה גַּם-טַפֵּנוּ. ט אָנֹכִי אֶעֶרְבֶנּוּ מִיָּדִי תְּבַקְשֶׁנּוּ אִם-לֹא הֲבִיאֹתִיו אֵלֶיךָ וְהִצַּגְתִּיו לְפָנֶיךָ וְחָטָאתִי לְךָ כָּל-הַיָּמִים. י כִּי לוּלֵא הִתְמַהְמָהְנוּ כִּי-עַתָּה שַׁבְנוּ זֶה פַעֲמָיִם. יא וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם יִשְׂרָאֵל אֲבִיהֶם אִם-כֵּן אֵפוֹא זֹאת עֲשׂוּ קְחוּ מִזִּמְרַת הָאָרֶץ בִּכְלֵיכֶם וְהוֹרִידוּ לָאִישׁ מִנְחָה מְעַט צֳרִי וּמְעַט דְּבַשׁ נְכֹאת וָלֹט בָּטְנִים וּשְׁקֵדִים. יב וְכֶסֶף מִשְׁנֶה קְחוּ בְיֶדְכֶם וְאֶת-הַכֶּסֶף הַמּוּשָׁב בְּפִי אַמְתְּחֹתֵיכֶם תָּשִׁיבוּ בְיֶדְכֶם אוּלַי מִשְׁגֶּה הוּא. יג וְאֶת-אֲחִיכֶם קָחוּ וְקוּמוּ שׁוּבוּ אֶל-הָאִישׁ. יד וְאֵל שַׁדַּי יִתֵּן לָכֶם רַחֲמִים לִפְנֵי הָאִישׁ וְשִׁלַּח לָכֶם אֶת-אֲחִיכֶם אַחֵר וְאֶת-בִּנְיָמִין וַאֲנִי כַּאֲשֶׁר שָׁכֹלְתִּי שָׁכָלְתִּי. טו וַיִּקְחוּ הָאֲנָשִׁים אֶת-הַמִּנְחָה הַזֹּאת וּמִשְׁנֶה-כֶּסֶף לָקְחוּ בְיָדָם וְאֶת-בִּנְיָמִן וַיָּקֻמוּ וַיֵּרְדוּ מִצְרַיִם וַיַּעַמְדוּ לִפְנֵי יוֹסֵף. טז וַיַּרְא יוֹסֵף אִתָּם אֶת-בִּנְיָמִין וַיֹּאמֶר לַאֲשֶׁר עַל-בֵּיתוֹ הָבֵא אֶת-הָאֲנָשִׁים הַבָּיְתָה וּטְבֹחַ טֶבַח וְהָכֵן כִּי אִתִּי יֹאכְלוּ הָאֲנָשִׁים בַּצָּהֳרָיִם. יז וַיַּעַשׂ הָאִישׁ כַּאֲשֶׁר אָמַר יוֹסֵף וַיָּבֵא הָאִישׁ אֶת-הָאֲנָשִׁים בֵּיתָה יוֹסֵף. יח וַיִּירְאוּ הָאֲנָשִׁים כִּי הוּבְאוּ בֵּית יוֹסֵף וַיֹּאמְרוּ עַל-דְּבַר הַכֶּסֶף הַשָּׁב בְּאַמְתְּחֹתֵינוּ בַּתְּחִלָּה אֲנַחְנוּ מוּבָאִים לְהִתְגֹּלֵל עָלֵינוּ וּלְהִתְנַפֵּל עָלֵינוּ וְלָקַחַת אֹתָנוּ לַעֲבָדִים וְאֶת-חֲמֹרֵינוּ. יט וַיִּגְּשׁוּ אֶל-הָאִישׁ אֲשֶׁר עַל-בֵּית יוֹסֵף וַיְדַבְּרוּ אֵלָיו פֶּתַח הַבָּיִת. כ וַיֹּאמְרוּ בִּי אֲדֹנִי יָרֹד יָרַדְנוּ בַּתְּחִלָּה לִשְׁבָּר-אֹכֶל. כא וַיְהִי כִּי-בָאנוּ אֶל-הַמָּלוֹן וַנִּפְתְּחָה אֶת-אַמְתְּחֹתֵינוּ וְהִנֵּה כֶסֶף-אִישׁ בְּפִי אַמְתַּחְתּוֹ כַּסְפֵּנוּ בְּמִשְׁקָלוֹ וַנָּשֶׁב אֹתוֹ בְּיָדֵנוּ. כב וְכֶסֶף אַחֵר הוֹרַדְנוּ בְיָדֵנוּ לִשְׁבָּר-אֹכֶל לֹא יָדַעְנוּ מִי-שָׂם כַּסְפֵּנוּ בְּאַמְתְּחֹתֵינוּ. כג וַיֹּאמֶר שָׁלוֹם לָכֶם אַל-תִּירָאוּ אֱלֹהֵיכֶם וֵאלֹהֵי אֲבִיכֶם נָתַן לָכֶם מַטְמוֹן בְּאַמְתְּחֹתֵיכֶם כַּסְפְּכֶם בָּא אֵלָי וַיּוֹצֵא אֲלֵהֶם אֶת-שִׁמְעוֹן. כד וַיָּבֵא הָאִישׁ אֶת-הָאֲנָשִׁים בֵּיתָה יוֹסֵף וַיִּתֶּן-מַיִם וַיִּרְחֲצוּ רַגְלֵיהֶם וַיִּתֵּן מִסְפּוֹא לַחֲמֹרֵיהֶם. כה וַיָּכִינוּ אֶת-הַמִּנְחָה עַד-בּוֹא יוֹסֵף בַּצָּהֳרָיִם כִּי שָׁמְעוּ כִּי-שָׁם יֹאכְלוּ לָחֶם. כו וַיָּבֹא יוֹסֵף הַבַּיְתָה וַיָּבִיאּוּ לוֹ אֶת-הַמִּנְחָה אֲשֶׁר-בְּיָדָם הַבָּיְתָה וַיִּשְׁתַּחֲווּ-לוֹ אָרְצָה. כז וַיִּשְׁאַל לָהֶם לְשָׁלוֹם וַיֹּאמֶר הֲשָׁלוֹם אֲבִיכֶם הַזָּקֵן אֲשֶׁר אֲמַרְתֶּם הַעוֹדֶנּוּ חָי. כח וַיֹּאמְרוּ שָׁלוֹם לְעַבְדְּךָ לְאָבִינוּ עוֹדֶנּוּ חָי וַיִּקְּדוּ וישתחו (וַיִּשְׁתַּחֲווּ). כט וַיִּשָּׂא עֵינָיו וַיַּרְא אֶת-בִּנְיָמִין אָחִיו בֶּן-אִמּוֹ וַיֹּאמֶר הֲזֶה אֲחִיכֶם הַקָּטֹן אֲשֶׁר אֲמַרְתֶּם אֵלָי וַיֹּאמַר אֱלֹהִים יָחְנְךָ בְּנִי. ל וַיְמַהֵר יוֹסֵף כִּי-נִכְמְרוּ רַחֲמָיו אֶל-אָחִיו וַיְבַקֵּשׁ לִבְכּוֹת וַיָּבֹא הַחַדְרָה וַיֵּבְךְּ שָׁמָּה. לא וַיִּרְחַץ פָּנָיו וַיֵּצֵא וַיִּתְאַפַּק וַיֹּאמֶר שִׂימוּ לָחֶם. לב וַיָּשִׂימוּ לוֹ לְבַדּוֹ וְלָהֶם לְבַדָּם וְלַמִּצְרִים הָאֹכְלִים אִתּוֹ לְבַדָּם כִּי לֹא יוּכְלוּן הַמִּצְרִים לֶאֱכֹל אֶת-הָעִבְרִים לֶחֶם כִּי-תוֹעֵבָה הִוא לְמִצְרָיִם. לג וַיֵּשְׁבוּ לְפָנָיו הַבְּכֹר כִּבְכֹרָתוֹ וְהַצָּעִיר כִּצְעִרָתוֹ וַיִּתְמְהוּ הָאֲנָשִׁים אִישׁ אֶל-רֵעֵהוּ. לד וַיִּשָּׂא מַשְׂאֹת מֵאֵת פָּנָיו אֲלֵהֶם וַתֵּרֶב מַשְׂאַת בִּנְיָמִן מִמַּשְׂאֹת כֻּלָּם חָמֵשׁ יָדוֹת וַיִּשְׁתּוּ וַיִּשְׁכְּרוּ עִמּוֹ.

Genesis 43:8-9

En Juda zei tot Israël, zijn vader:...zal ik altijd tegen u gezondigd hebben.

verbanning

Een decreet van verbanning (nidduy), zelfs als zelf opgelegd, en zelf als gemaakt op een voorwaarde dat het niet wordt vervuld, vereist vergiffenis. Vanwaar wordt dit ontleend? Van Juda. Want er staat geschreven: En Juda zei tot Israël: '...Als ik hem niet naar jou breng, en voor je plaats, dan zal ik schuldig zijn tegenover jou in alle eeuwigheid.'" Vanwege deze woorden, de gehele veertig jaar dat Israël in de woestijn verbleef, werden Juda's beenderen geschud in hun kist, totdat Mozes opstond en smeekte voor genade namens hem (ondanks het feit dat Juda Benjamin levend en gezond terugbracht).

Genesis 43:16

(En Jozef) zei tot hem die over zijn huis was gesteld: "breng de mannen in het huis, slacht en richt aan, want bij mij zullen de mannen deze middag eten."

geslacht

"Slacht een dier" ontbloot voor hen de nek (om te laten zien dat het juist is geslacht); "en maak het klaar" -verwijder de heupzenuw in hun aanwezigheid.

Genesis 43:23

Uw geld is tot mij gekomen.

geld

Dit blijkt anders te zijn dan de waarheid, omdat Jozef het geld in feite aan hen had teruggegeven? De Midrasj zegt dat de reden waarom de hongersnood werd ingesteld, die veroorzaakte dat alle rijkdom van de wereld naar Egypte stroomde, was om de vervulling van de Goddelijke belofte aan Abraham te vervullen. In Genesis 15:14 staat: "en daarna zullen zij (de kinderen van Israël) met grote have uittrekken (uit Egypte)."

Daarom beval Jozef het geld aan hen terug te geven: waarom geld van het nemen, als het geld voor hen wordt verzameld?
Dit is de ware betekenis van "Je geld is naar mij gekomen" -het geld dat naar me komt vanuit de hele wereld is in werkelijkheid jouw geld.

Genesis 43:27-28

Gaat het uw oude vader wel, waarvan gij gesproken hebt? Leeft hij nog?

vader

Rabbi Chiyya de Oudste (die was verhuist van Babylonië naar het Heilige Land) ontmoette een Babyloniër en vroeg hem: "Hoe is uw vader?" Hij antwoordde: "Je moeder heeft naar je geïnformeerd." (Dus hij maakte voorzichtig bekend dat Rebbi Chiyya's vader dood was.)

Op dezelfde wijze, toen Jozef vroeg: "Gaat het uw oude vader wel?" informeerde hij naar Jakob; "De oude man van wie je sprak?" was een verwijzing naar Izaäk. Naar wie zij antwoordden: "Je dienaar onze vader is wel, hij is nog steeds levend." (Izaäk stierf tien jaar eerder, een jaar voor Jozef uit de gevangenis werd vrijgelaten).

Genesis 43:30

En hij ging in het binnenvertrek en weende daar.

Izaäk

Hij weende ook over Izaäk aan wie hij niet zijn laatste vriendelijkheid betaalde.

Genesis 43:32

Want de Egyptenaren kunnen niet met de Hebreeërs een maaltijd nuttigen, daar het een gruwel is voor de Egyptenaren.

schaap

Omdat de Hebreeërs het dier (het schaap) eten die wordt aanbeden door de Egyptenaren.

Genesis 43:33

En zij zaten vóór hem, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte en de jongste naar zijn jeugd; en de mannen verwonderden zich onder elkander.

moeder

Toen zij kwamen om te rusten (bij de maaltijd) nam hij het kopje, en verklaarde: "Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon zijn de zonen van één moeder. Waar zijn ze? Breng ze en laat ze samen zitten. Dan en Naftali zijn de zonen van één moeder; breng ze en laat ze samen zitten. Gad en Asjer zijn de zonen van één moeder; breng ze en laat ze samen zitten." Dus Benjamin bleef over. Hij zei: "Hij is zonder moeder en ik ben zonder moeder, dus hij en ik zullen samen zitten."

Genesis 43:34

En het geschenk van Benjamin was vijfmaal groter dan hun aller geschenken; en zij dronken en werden beschonken bij hem.

wijn

Vanaf de dag dat Jozef zijn broers verliet proefde hij geen wijn, en zij proefden ook geen wijn, tot deze gelegenheid.

berouw

Waarom dronken de broers, die niet wisten dat zij herenigd waren met hun verloren broer? Maar toen zij zagen dat zij geen jaloezie gevoelens hadden richting Benjamin, die een voorkeursbehandeling kreeg van Jozef, begrepen zij dat zij de grondoorzaak van Jozefs verkoop hadden overwonnen en berouwden volledig hun zonde.



Samenvatting - vragen

Om voor uzelf te controleren of u de tekst goed begrepen heeft volgt hier een aantal vragen. De antwoorden vindt u terug in bovenstaande tekst.
  1. Wat vereist vergiffenis en van wie is dat dat ontleend?
  2. Waarom moet de heupzenuw worden verwijderd bij het slachten van een dier?
  3. Waarom was er hongersnood?
  4. Hoe informeerde Jozef naar Jakob?
  5. Tot welk dier baden de Egyptenaren?
  6. Waarom berouwden de broers hun zonden volledig?

Lees verder

© 2008 - 2017 Etsel, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Torastudie 56: Studiehuis in Egypte - Genesis 46Torastudie 56: Studiehuis in Egypte - Genesis 46In Genesis 46 wordt verteld dat Jakob naar Egypte verhuist en Juda vooruit stuurt om een studiehuis te vestigen voor het…
Joodse Bijbel: Jozefs broers opnieuw naar EgypteJoodse Bijbel: Jozefs broers opnieuw naar EgypteOmdat de hongersnood nog niet voorbij is in Kanaän wordt Jakob wel gedwongen om zijn zonen samen met Benjamin terug te l…
Joodse Bijbel: Jozef openbaart zijn identiteitJoodse Bijbel: Jozef openbaart zijn identiteitOpnieuw test Jozef zijn broers. In hoeverre zijn ze bereid zichzelf op te offeren voor de ander? Jozef laat zijn 'magisc…
Joodse Bijbel: Jozefs broers komen naar EgypteJoodse Bijbel: Jozefs broers komen naar EgypteOmdat er ook hongersnood heerst in Kanaän, gaan de broers van Jozef op weg naar Egypte om er graan te halen. Jozef verwa…
Torastudie 59: Jakobs laatste jaren - Genesis (47:28-31)Torastudie 59: Jakobs laatste jaren - Genesis (47:28-31)In Genesis 47:28-31 kunnen we lezen hoe Jakob de zeventien laatste jaren van zijn leven in Egypte doorbrengt. Het zijn j…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Tdjgordon / Pixabay
  • Talmoed, Makot 11b
  • Talmoed, Choelin 91a
  • Rabbi Menachem van Amshinov
  • Midrash Rabbah
  • Midrash HaChafetz
  • Oenkelus
  • Talmoed, Shabbat 139a
  • Kav Chen

Reageer op het artikel "Torastudie 50: Tweede reis broers Jozef -Genesis (43:8-34)"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Etsel
Laatste update: 14-02-2016
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Religie
Special: Torastudie
Bronnen en referenties: 9
Schrijf mee!