InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Religie > Torastudie 48: Jozef ontmoet broers - Genesis (42:1-24)

Torastudie 48: Jozef ontmoet broers - Genesis (42:1-24)

Torastudie 48: Jozef ontmoet broers - Genesis (42:1-24) In Genesis 42:1-24 ontmoet Jozef zijn broers. Zij werden door Jakob naar Egypte gestuurd omdat er koren was in Egypte, terwijl er hongersnood was in Kanaän. Jozef wist dat zijn broers zouden komen. Hij herkende ze, maar zij herkenden hem niet. Jozef beschuldigde zijn broers spionnen te zijn. Hij sommeert ze om hun jongste broer Benjamin op te halen en neemt Simon gevangen.

Genesis 42:1-24

Toen Jakob vernam, dat er in Egypte koren was, zei hij tot zijn zonen: Waarom ziet gij elkander aan! Voorts zei hij: Zie, ik heb gehoord, dat er in Egypte koren is; trekt daarheen en koopt daar koren voor ons, opdat wij in leven blijven en niet sterven...Vanwaar komt gij? Zij zeiden: Uit het land Kanaän, om voedsel te kopen. Jozef herkende zijn broeders wel, maar zij herkenden hem niet...Op de derden dag nu zei Jozef tot hen: Doet dit, opdat gij in leven blijft; ik vrees God. Indien gij eerlijke lieden zijt, laat dan één broeder van u gevangen blijven in het huis van bewaring, maar gij gaat heen, neemt koren mee voor de honger uwer gezinnen. Doch dan moet gij uw jongste broeder tot mij brengen, opdat uw woorden waarheid mogen blijken en gij niet sterft...Nu wordt zijn bloed van ons geëist. Zij wisten echter niet, dat Jozef hen verstond, want zij gebruikten een tolk. Toen wendde hij zich van hen af en weende. Daarna keerde hij tot hen terug en sprak met hen; hij nam Simeon uit hun midden en liet hem in hun bijzijn binden.

De tekst in het Hebreeuws luidt:

א וַיַּרְא יַעֲקֹב כִּי יֶשׁ-שֶׁבֶר בְּמִצְרָיִם וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב לְבָנָיו לָמָּה תִּתְרָאוּ. ב וַיֹּאמֶר הִנֵּה שָׁמַעְתִּי כִּי יֶשׁ-שֶׁבֶר בְּמִצְרָיִם רְדוּ-שָׁמָּה וְשִׁבְרוּ-לָנוּ מִשָּׁם וְנִחְיֶה וְלֹא נָמוּת. ג וַיֵּרְדוּ אֲחֵי-יוֹסֵף עֲשָׂרָה לִשְׁבֹּר בָּר מִמִּצְרָיִם. ד וְאֶת-בִּנְיָמִין אֲחִי יוֹסֵף לֹא-שָׁלַח יַעֲקֹב אֶת-אֶחָיו כִּי אָמַר פֶּן-יִקְרָאֶנּוּ אָסוֹן. ה וַיָּבֹאוּ בְּנֵי יִשְׂרָאֵל לִשְׁבֹּר בְּתוֹךְ הַבָּאִים כִּי-הָיָה הָרָעָב בְּאֶרֶץ כְּנָעַן. ו וְיוֹסֵף הוּא הַשַּׁלִּיט עַל-הָאָרֶץ הוּא הַמַּשְׁבִּיר לְכָל-עַם הָאָרֶץ וַיָּבֹאוּ אֲחֵי יוֹסֵף וַיִּשְׁתַּחֲווּ-לוֹ אַפַּיִם אָרְצָה. ז וַיַּרְא יוֹסֵף אֶת-אֶחָיו וַיַּכִּרֵם וַיִּתְנַכֵּר אֲלֵיהֶם וַיְדַבֵּר אִתָּם קָשׁוֹת וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם מֵאַיִן בָּאתֶם וַיֹּאמְרוּ מֵאֶרֶץ כְּנַעַן לִשְׁבָּר-אֹכֶל. ח וַיַּכֵּר יוֹסֵף אֶת-אֶחָיו וְהֵם לֹא הִכִּרֻהוּ. ט וַיִּזְכֹּר יוֹסֵף אֵת הַחֲלֹמוֹת אֲשֶׁר חָלַם לָהֶם וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם מְרַגְּלִים אַתֶּם לִרְאוֹת אֶת-עֶרְוַת הָאָרֶץ בָּאתֶם. י וַיֹּאמְרוּ אֵלָיו לֹא אֲדֹנִי וַעֲבָדֶיךָ בָּאוּ לִשְׁבָּר-אֹכֶל. יא כֻּלָּנוּ בְּנֵי אִישׁ-אֶחָד נָחְנוּ כֵּנִים אֲנַחְנוּ לֹא-הָיוּ עֲבָדֶיךָ מְרַגְּלִים. יב וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם לֹא כִּי-עֶרְוַת הָאָרֶץ בָּאתֶם לִרְאוֹת. יג וַיֹּאמְרוּ שְׁנֵים עָשָׂר עֲבָדֶיךָ אַחִים אֲנַחְנוּ בְּנֵי אִישׁ-אֶחָד בְּאֶרֶץ כְּנָעַן וְהִנֵּה הַקָּטֹן אֶת-אָבִינוּ הַיּוֹם וְהָאֶחָד אֵינֶנּוּ. יד וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם יוֹסֵף הוּא אֲשֶׁר דִּבַּרְתִּי אֲלֵכֶם לֵאמֹר מְרַגְּלִים אַתֶּם. טו בְּזֹאת תִּבָּחֵנוּ חֵי פַרְעֹה אִם-תֵּצְאוּ מִזֶּה כִּי אִם-בְּבוֹא אֲחִיכֶם הַקָּטֹן הֵנָּה. טז שִׁלְחוּ מִכֶּם אֶחָד וְיִקַּח אֶת-אֲחִיכֶם וְאַתֶּם הֵאָסְרוּ וְיִבָּחֲנוּ דִּבְרֵיכֶם הַאֱמֶת אִתְּכֶם וְאִם-לֹא חֵי פַרְעֹה כִּי מְרַגְּלִים אַתֶּם. יז וַיֶּאֱסֹף אֹתָם אֶל-מִשְׁמָר שְׁלֹשֶׁת יָמִים. יח וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם יוֹסֵף בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי זֹאת עֲשׂוּ וִחְיוּ אֶת-הָאֱלֹהִים אֲנִי יָרֵא. יט אִם-כֵּנִים אַתֶּם אֲחִיכֶם אֶחָד יֵאָסֵר בְּבֵית מִשְׁמַרְכֶם וְאַתֶּם לְכוּ הָבִיאוּ שֶׁבֶר רַעֲבוֹן בָּתֵּיכֶם. כ וְאֶת-אֲחִיכֶם הַקָּטֹן תָּבִיאוּ אֵלַי וְיֵאָמְנוּ דִבְרֵיכֶם וְלֹא תָמוּתוּ וַיַּעֲשׂוּ-כֵן. כא וַיֹּאמְרוּ אִישׁ אֶל-אָחִיו אֲבָל אֲשֵׁמִים אֲנַחְנוּ עַל-אָחִינוּ אֲשֶׁר רָאִינוּ צָרַת נַפְשׁוֹ בְּהִתְחַנְנוֹ אֵלֵינוּ וְלֹא שָׁמָעְנוּ עַל-כֵּן בָּאָה אֵלֵינוּ הַצָּרָה הַזֹּאת. כב וַיַּעַן רְאוּבֵן אֹתָם לֵאמֹר הֲלוֹא אָמַרְתִּי אֲלֵיכֶם לֵאמֹר אַל-תֶּחֶטְאוּ בַיֶּלֶד וְלֹא שְׁמַעְתֶּם וְגַם-דָּמוֹ הִנֵּה נִדְרָשׁ. כג וְהֵם לֹא יָדְעוּ כִּי שֹׁמֵעַ יוֹסֵף כִּי הַמֵּלִיץ בֵּינֹתָם. כד וַיִּסֹּב מֵעֲלֵיהֶם וַיֵּבְךְּ וַיָּשָׁב אֲלֵהֶם וַיְדַבֵּר אֲלֵהֶם וַיִּקַּח מֵאִתָּם אֶת-שִׁמְעוֹן וַיֶּאֱסֹר אֹתוֹ לְעֵינֵיהֶם.

Genesis 42:1

Toen Jakob zag, dat er koren was in Egypte, zei Jakob tot zijn zonen: "waarom ziet gij elkander aan?"

voedsel

Waarom zouden zij de indruk geven aan de kinderen van Ismaël en de kinderen van Ezau dat jullie verzadigd zijn? Want in die tijd hadden zij nog voedsel.

vasten

Onze rabbi's hebben geleerd: Als men reist van één plek waar ze niet vasten naar een plek waar ze vasten, moet hij met hen vasten...Als hij het vergat en at en dronk, hoorde hij het niet openbaar te maken, nog mocht hij toegeven aan lekkernijen, want er staat geschreven: "En Jakob zei tot zijn zonen: waarom ziet gij elkander aan?"

Genesis 42:3

Hierop daalden tien broeders van Jozef af, om koren te kopen uit Egypte.

Jozefs broers

Waarom worden ze Jozefs broers genoemd en niet Jakobs zonen? In het begin behandelden zij hem niet met broederlijke liefde maar verkochten hem; vervolgens hadden ze er echter spijt van. Elke dag zouden zij zeggen 'Laat ons gaan en informatie over hem zoeken en hem terugbrengen naar zijn vader.' En toen Jakob hen verzocht naar Egypte te gaan probeerden ze allemaal broederliefde te tonen (en trachten hem te vinden).

Genesis 42:4

En Benjamin, de broer van Jozef, zond Jakob niet mede met zijn broeders, want hij zei: "dat hem geen ongeluk overkome!"

Rachel

Jakob was bang dat de kinderen van Rachel het noodlot trof om te sterven op de wegen. Hij zei tegen zichzelf: hun moeder stierf op de weg; Jozef stuurde ik weg en keerde nooit terug; misschien overkomt Benjamin hetzelfde noodlot.

Genesis 42:5

En de zonen van Israël kwamen, om koren te kopen, te midden van hen, die kwamen.

gevangenis

Jozef wist dat zijn broers naar Egypte kwamen. Wat deed hij? Hij plaatste bij de tien poorten van de stad bewakers en verzocht hen de namen te noemen van hen die binnenkwamen. In de avond brachten zij hem hun lijsten. Eén leest "Ruben de zoon van Jakob"; een ander "Simon de zoon van Jakob", en zo verder. Hij beval dat alle opslagplaatsen zouden worden gesloten met uitzondering van één, en hij gaf hun namen aan de ambtenaar die de opslagruimte beheerde en instrueerde hem: "Wanneer deze mannen hier komen, breng ze naar mij."

Verschillende dagen passeerden maar zij kwamen niet. Hij zond zijn mannen om hen te zoeken en zij vonden hen in de straat van de hoeren. Wat deden ze daar? Zij dachten: "Misschien omdat Jozef knap van uiterlijk was, was hij in een hoerentent." Zij werden gearresteerd en naar Jozef gebracht.

Jozef nam zijn glazen bol, tikte het en riep uit: "Jullie zijn spionnen."
"Wij zijn rechtvaardige mannen", antwoorden ze.
"Waarom kwamen jullie niet allemaal door één poort binnen?"
"Onze vader verzocht ons dat te doen?"
"En wat deden jullie in de hoeren straat?"
"We hadden iets verloren en zochten er naar."
"Ik zie in mijn glazen bol dat twee van jullie een grote stad hebben vernietigd en dat jullie je broer aan de Arabieren hebt verkocht" zei hij tegen hen.
Zij trilden onmiddellijk van angst en riepen uit: "We zijn met twaalf."
"Waar zijn de ander twee dan?"
"Eén is dood en de ander is met onze vader"
"Ga dan en brengt hem bij me."
Hij nam Simon en bond hen voor hun ogen, omdat hij het was die hem in de put had gestopt, en scheidde hem van Levi, uit vrees dat zij een complot tegen hem hadden.
Simon zei tegen zijn broers :"Zo deden jullie tegen Jozef en zo wensen jullie met mij te doen."
"Wat kunnen we doen?" vroegen zij. "Moeten onze leden van het gezin sterven van de honger?"
'Doe wat je wilt", zei hij tegen hen. "Nu zal ik zien wie me in de gevangenis zal gooien."

Jozef zond toen een verzoek naar Farao: "Stuur me 70 van je machtige mannen, want ik heb rovers gevonden en verlang ze in kettingen te boeien." Toen hij ze zond, keken Jozefs broers naar wat hij zou doen. "Gooi deze man in de gevangenis," beval Jozef hen. Maar als zij hem benaderden, schreeuwde Simon luid naar hen; bij het horen van zijn stem vielen zij op hun gezichten en hun tanden braken.

Nu zat Manasse voor zijn vader, en zijn vader zij tegen hem: "Sta op." Onmiddellijk stond Manasse op, gaf hem een klap en gooide hem in de gevangenis. Simon zei: "Dit is een klap van onze familie."

Genesis 42:6-9

Nu kwamen de broers van Jozef en wierpen zich voor hem met het aangezicht ter aarde....Toen herinnerde Jozef zich de dromen, die hij van hen gedroomd had en hij zei tot hen: verspieders zijt gij.

eed en vloek

Veel van de commentatoren stellen de vraag: Waarom merkte Jozef zijn vader niet op in al die jaren toen hij leefde? Misschien was er geen manier dat hij dat kon doen in de dertien jaar dat hij slaaf en gevangen was, maar hij kon het zeker toen hij bestuurder was van Egypte (een positie die hij verkreeg 9 jaar voor hij zijn reünie had met zijn vader).

Verschillende commentaren citeren Midrash Tanchoema die een 'eed en vloek' (cherem) beschrijft welke de negen broers, die Jozef hadden verkocht, iedereen verbood hun daad aan hun vader te openbaren. Omdat men een tiende deelnemer nodig had om de cherem te effectueren (Ruben was niet aanwezig bij de verkoop van Jozef), maakten zij God als partner tot hun eed. En God werkte met hen samen, want de verkoop van Jozef was een integraal onderdeel van Zijn 'ontzagwekkend' plan de Kinderen van Israël naar Egypte te brengen. Zie hier. (Rashi verklaart dat dit is waarom Izaäk die, een profeet zijnde, wist wat er gebeurde, de waarheid niet aan Jakob openbaarde met als reden: "Hoe kan ik het openbaren, als God het hem niet wil openbaren?"). Omdat het loslaten van een cherem de partijen vereist die het oplegden, moest Jozef zichzelf eerst aan zijn broers openbaren en met hen verzoenen.

De "Wijzen van de Tosafot" -commentaar geeft ook de volgende verklaring: Jozef was bang dat als hij zijn vader informeerde over wat hem overkomen was, zouden zijn broers vluchten uit schaamte voor hun vader en angst voor Jozefs wraak; dat zou het einde betekenen van de Joodse natie. Dus eerst moest Jozef zichzelf met hen verzoenen en hen en zijn vader overtuigen dat het allemaal van Boven was ingesteld.

twee dromen

Jozef had twee dromen gehad -één waarin zijn elf broeders schoven naar hem bogen en een tweede droom waarin de zon, maan en elf sterren naar hem bogen. Hij wist dat zij zowel ingesteld werden om exact te vervullen als voorspeld, als in de volgorde waarin de dromen aan hem verschenen.

Dit verklaarde waarom Jozef handelde zoals hij deed. Want men mag afvragen: omdat Jozef al lange tijd in Egypte was genesteld en hij daar een hoge ambtenaar en minister was, waarom hij geen enkele brief naar zijn vader zond om hem te troosten? Hebron is slechts zes dagen reizen van Egypte! Zeker zijn vader zou losgeld voor hem hebben betaald. Maar de dromen dicteerden dat zij voor hem zouden buigen -iets dat Jozef begreep dat in Egypte zou plaats vinden, de plaats waar hij soevereiniteit en macht kreeg. De dromen dicteerden ook dat op de eerste plaats alleen zijn broers voor hem zouden buigen en dat pas op de tweede gelegenheid zijn hele familie voor hem zou buigen, inclusief zijn vader en (adoptieve moeder) Bilha. Als Jozef zijn vader had geïnformeerd dan zou Jakob onmiddellijk naar hem zijn gekomen in tegenspraak tot de dingen die bepaald waren in zijn dromen.

Dus Jozef wachtte op zijn broeders die naar Egypte zouden komen om eten te kopen. Maar toen zij kwamen en voor hem bogen waren er slechts tien van hen, dus hij wist dat zijn eerste droom nog niet vervuld was. Daarom verzocht hij Benjamin te laten komen, zonder zijn identiteit bekend te maken. Slechts nadat Benjamin was gekomen en samen met zijn broers boog, kon Jozef zijn vader oproepen en zo werd zijn tweede droom vervuld.

Ook de andere zaak die hij verzon, door de beker in Benjamins zak te stoppen, was niet om hen lijden te brengen, maar om er zeker van te zijn dat zijn broers niet jaloers zouden worden op Benjamin vanwege hun vaders voorkeur voor hem. Hij moest daarom hun liefde en toewijding richting Benjamin testen voor hij hem toe kon staan met hem mee te gaan.

Genesis 42:6-7

En nu kwamen de broeders van Jozef, en wierpen zich voor hem....maar hij hield zich als een vreemde voor hem.

nederlaag

Dit was het moment, voorspeld door Jozefs droom, waar zijn broers zich tegen hadden verzet en tegen hadden gevochten. Als zij bewust waren dat de persoon voor wie ze bogen Jozef was, dan hadden zij dat als nederlaag ervaren. Dit is waarom Jozef zichzelf niet onmiddellijk openbaarde -hij kon het niet opbrengen hen zo te vernederen.

Genesis 42:8

Jozef nu herkende zijn broeder, maar zij herkenden hem niet.

baard

Omdat hij hen had achtergelaten door een baard getekend, terwijl hij nu geen baard had.

roeping

De broeders konden Jozefs manier van dienen van God niet begrijpen. Net zoals hun vaders voor hen, waren Jakobs broeders schaapherders -een roeping die een persoon ver van het tumult van de maatschappij houdt naar een leven met gemeenschap met de natuur. Daarom konden zij hun rug keren naar wereldse zaken van de mens, de majesteit van God overpeinzen, en Hem dienen met een heldere geest en rustig hart.

Zij konden niet begrijpen hoe Jozef een man van de wereld kon zijn, in handel en politiek, en tegelijkertijd geheel verbonden bleef met God in elk ogenblik.

Genesis 42:9

En hij zei tot hen: verspieders zijt gij.

spionnen

Er is een Misdrasj dat zegt dat de broers een plan beraamden om Jozef te doden om de geboorte van Jeroboam ben Nebat -één van de zondigste en meest destructieve persoonlijkheden in de Joodse geschiedenis (I Koningen, hoofdstuk 10), die een afstammeling van Jozef was, te voorkomen.

Dus toen Jozef hen beschuldigde spionnen te zijn -zij waren onschuldig, maar het refereert aan de zonde van de spionnen van waar hun afstammelingen schuldig zouden zijn in de tijd van Mozes toen ze het land Kanaän bespioneerden, realiseerden zij hun fout.

(Dit verklaart ook waarom Jakob Ruben niet verantwoordelijk stelde voor Benjamins veiligheid, maar Juda. Als de broers moesten betalen voor de zonde van de spionnen, was Juda de enige die hen kon redden, omdat Kaleb, de spion van de stam Juda, de spionnen samenzwering niet steunde.)

Genesis 42:11

We allen zijn de zoon van één man.

dezelfde man

Een vonk van profetie werd in hen aangestoken en zij zeiden tegen hem: jij en wij zijn de zonen van dezelfde man.

Genesis 42:17

En hij hield hen in de gevangenis drie dagen.

Sichem

Dit correspondeert met de drie dagen waarin zij de vernietiging van Sichem hadden beraamd en uitgevoerd.

Zij hadden de inwoners van Sichem overtuigd zichzelf te besnijden om hen te doden; Jozef had het tegenovergestelde gedaan; hij verplichtte de Egyptenaren zichzelf te besnijden en redden hun levens.

Genesis 42:24

En nam van hem Simon en bond hem voor hun ogen.

zalven

Alleen voor hun ogen bond hij hem vast; maar spoedig nadat ze weg waren, bracht hij hem naar buiten, gaf hem te eten en te drinken en waste en zalfde hem.



Samenvatting - vragen

Om voor uzelf te controleren of u de tekst goed begrepen heeft volgt hier een aantal vragen. De antwoorden vindt u terug in bovenstaande tekst.
  1. Wat wordt bedoeld met de uit spraak: "En Jakob zei tot zijn zonen: waarom ziet gij elkander aan?"
  2. Waarom worden ze Jozefs broers genoemd en niet Jakobs zonen?
  3. Waarom zochten de broers van Jozef hem in een hoerentent?
  4. Waarom merkte Jozef zijn vader niet op in al die jaren toen hij leefde?
  5. Waarom werkte God mee aan het plan van de broers Jozef te verkopen?
  6. Waarom zond Jozef geen brief naar zijn vader om hem te troosten?
  7. Waarom stopt Jozef een beker in de zak van Benjamin?
  8. In welk opzicht verschilde het dienen van God door Jozef met die van zijn broers?
  9. Waarom was Juda verantwoordelijk voor de veiligheid van Benjamin en niet Ruben?

Lees verder

© 2008 - 2017 Etsel, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Torastudie 56: Studiehuis in Egypte - Genesis 46Torastudie 56: Studiehuis in Egypte - Genesis 46In Genesis 46 wordt verteld dat Jakob naar Egypte verhuist en Juda vooruit stuurt om een studiehuis te vestigen voor het…
Joodse Bijbel: Jozef en zijn broersJoodse Bijbel: Jozef en zijn broersJozef is de favoriete zoon van Jakob. Dit wekt veel jaloezie op bij de andere broers. Ze gaan hem nog meer haten wanneer…
Tora lezing - Parasha: GenesisDe Tora lezing in de synagoge begint met het Bijbelboek Genesis. De volgende parashot komen aan de orde: Parsha Bereishi…
Joodse Bijbel: Jakob en zijn familie naar EgypteJoodse Bijbel: Jakob en zijn familie naar EgypteJakob is overdonderd wanneer hij van zijn zoons verneemt dat Jozef nog in leven is. Hij aanvaardt de uitnodiging om in E…
De twee dromen van Jozef (Genesis 37) en hun betekenisDe twee dromen van Jozef (Genesis 37) en hun betekenisGenesis 37 beschrijft de twee dromen die Jozef krijgt. In de eerste droom buigen de elf graanschoven van zijn broers voo…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Tdjgordon / Pixabay
  • Rashi
  • Talmoed, Taanit 10b
  • Midrash Rabbah
  • Midrash HaChefetz
  • Tanchuma
  • Nachmanides
  • Rabbi Levi Yitzchak van Berditchev
  • Rabbi Schneur Zalman van Liadi
  • Meloh HaOmer
  • Zohar

Reageer op het artikel "Torastudie 48: Jozef ontmoet broers - Genesis (42:1-24)"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Etsel
Laatste update: 10-02-2016
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Religie
Special: Torastudie
Bronnen en referenties: 11
Schrijf mee!