InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Religie > Profetieën over de komst van Jezus

Profetieën over de komst van Jezus

Met kerst vieren we traditioneel de geboorte van Jezus. Al meer dan tweeduizend jaar zijn mensen gefascineerd door het verhaal van het kind dat geboren werd in armoede maar uitgroeide tot de invloedrijkste persoon uit de menselijke geschiedenis. Veel mensen twijfelen aan de boodschap van Jezus dat hij de Messias (de Christus) was. Die boodschap wordt echter onderstreept door tientallen profetieën over de komst van de Messias die ver voor de geboorte van Jezus werden uitgesproken en die in hem zijn vervuld.

De mens die Satan overwint

Al vlak nadat de mens door de verleiding van Satan tot zonde was vervallen voorzegde God dat er uit het menselijk nageslacht iemand zou voortkomen die Satan uiteindelijk z'n kop zou kosten: "En ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar nageslacht; dat zal u de kop vermorzelen, en u zult het de hiel vermorzelen" (Genesis 3:15 HSV). Maar geen mens is in staat om Satan uit te schakelen. Een mens kan slechts standhouden tegen zijn aanvallen, door gebruik van de geestelijke wapenrusting (Efeziërs 6:11-17). De enige die Satan definitief kan overwinnen is God zelf. Daaruit volgt onmiddellijk dat de Messias uit God moet zijn. Welk mens in de wereldgeschiedenis voldoet aan dit criterium? Jezus claimde niet alleen deze persoon te zijn, maar toonde het ook aan door alles wat hij zei en deed.

De geliefde Zoon van God

Het Bijbelboek Psalmen bevat veel teksten die niet alleen betrekking hebben op de oorspronkelijke schrijver en zijn situatie, maar die ook lijken te verwijzen naar de Messias die men verwachtte. In een van deze psalmen, geschreven door koning David (zie Handelingen 4:25), spreekt God: "Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt" (Psalm 2:7 NBV). Ongeveer duizend jaar na David, toen Jezus werd gedoopt, sprak Gods stem uit de hemel vergelijkbare woorden: "Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde" (Matteüs 3:17 NBV; Marcus 1:11; Lucas 3:22).

Later in het leven van Jezus klonken deze woorden opnieuw (Matteüs 17:5; Marcus 9:7; Lucas 9:35). Dat Jezus de Zoon van God was werd door vriend en vijand erkend: door Johannes de Doper (Johannes 1:34), Petrus (Matteüs 16:16), Natanaël (Johannes 1:49), Marta (Johannes 11:27), Tomas (Johannes 20:28), en andere leerlingen (Matteüs 14:33), maar ook door Satan (Matteüs 4:3,6; Lucas 4:3,9), door demonen (Matteüs 8:29; Marcus 3:11, 5:7; Lucas 4:41, 8:28), en door de Romeinse soldaten die de wacht hielden bij het kruis (Matteüs 27:54; Marcus 15:39).

Geboren uit specifieke voorouders

Door meerdere profetieën is voorzegd uit welke voorouders de Messias zou komen. In de loop van de eeuwen voor de geboorte van Jezus werden de profetieën steeds specifieker:

Abraham (circa 2000 voor Christus)
God sprak tot Abraham: "In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u mijn stem gehoorzaam geweest bent" (Genesis 22:18 HSV; ook Genesis 12:3). De apostel Paulus wijst er in zijn brief aan de Galaten terecht op dat het hier niet gaat om nakomelingen in het algemeen, maar om een specifiek persoon: de Messias (Galaten 3:16).

Isaak (zoon van Abraham)
God koos ervoor om het aan Abraham beloofde nageslacht te laten voortkomen uit zijn zoon Isaak (voorvader van Israël en het jodendom) en niet uit de oudere zoon Ismaël (voorvader van de Arabieren en uiteindelijk de islam): "Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht" (Genesis 21:12 NBV). Als Isaak groot geworden is bevestigt God zijn eerdere belofte aan Abraham ook rechtstreeks aan hem: "In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden" (Genesis 26:4 HSV).

Jakob (zoon van Isaak)
God koos ervoor om het aan Isaak beloofde nageslacht te laten voortkomen uit zijn zoon Jakob (hij wordt later Israël genoemd, zie Genesis 32:28/29, 35:10) en niet uit de iets oudere tweelingbroer Esau (voorvader van de Edomieten): "In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden" (Genesis 28:14 HSV). Later, toen het volk Israël vanuit Egypte op weg was naar het land Kanaän, sprak de ziener Bileam namens God over de komende Messias: "Wat ik zie is niet in het heden, wat ik waarneem is niet nabij. Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël" (Numeri 24:17 NBV).

Juda (vierde van de twaalf zonen van Jakob)
Vlak voor zijn dood sprak Jakob een zegen uit over elk van zijn zonen. Over Juda zei hij: "In Juda's handen zal de scepter blijven, tussen zijn voeten de heersersstaf, totdat hij komt die er recht op heeft, die alle volken zullen dienen" (Genesis 49:10 NBV). Jakob profeteerde daarmee dat het koningschap over Israël zou toekomen aan de nakomelingen van Juda, en uiteindelijk de Messias.

David (eerste koning van Israël uit de stam Juda)
David was een man naar Gods hart (1 Samuël 13:14). God beloofde hem door de profeet Natan: "Uw huis en uw koninklijke macht blijven bestaan voor altijd; uw troon staat voor eeuwig vast" (2 Samuël 7:16 WV; zie ook Psalm 89:5,30,37; 132:11-12). De belofte van eeuwig koningschap verwijst naar de Messias en zijn eeuwig vrederijk. Dat de Messias zou voortkomen uit het nageslacht van David was algemeen bekend (Matteüs 12:23, 22:42; Marcus 11:10, 12:35; Lucas 20:41; Johannes 7:42).

Uit de minimaal negentien zonen van David (1 Kronieken 3:1-9) koos God in principe Salomo (de tiende zoon) om zijn belofte van eeuwig koningschap mee voort te zetten: "En u, wanneer u voor mijn aangezicht wandelt, zoals uw vader David met een volkomen hart en in oprechtheid gewandeld heeft, door te handelen overeenkomstig alles wat ik u geboden heb, en u mijn verordeningen en bepalingen in acht neemt, dan zal ik de troon van uw koningschap over Israël voor eeuwig bevestigen, zoals ik met betrekking tot uw vader David gesproken heb" (1 Koningen 9:4-5 HSV; 2 Kronieken 7:17-18; zie ook Gods beloften aan David: 2 Samuël 7:12-16; 1 Kronieken 17:11-14; en David's woorden aan/over Salomo: 1 Koningen 2:1-4; 1 Kronieken 22:7-10, 28:5-7).

Hoewel de beloften aan Abraham, Isaak, Jakob, Juda, en David onvoorwaardelijk waren, was de belofte aan Salomo onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat hij God trouw zou blijven dienen. Zijn vader David herinnerde hem daar ook aan (1 Koningen 2:1-4). Maar Salomo bleef niet trouw, met als gevolg dat God uiteindelijk tot hem sprak: "Omdat het met u zo ver gekomen is (...) zal ik het koninkrijk van u wegnemen" (1 Koningen 11:11 WV). Na hem werd zijn koninkrijk verscheurd in het tienstammenrijk Israël en het tweestammenrijk Juda (1 Koningen 11-12). De meeste van de vele koningen na Salomo deden wat kwaad is in de ogen van God. Met Jechonja, de laatste koning uit het nageslacht van Salomo, was de maat voor God zodanig vol dat hij via de profeet Jeremia sprak: "Stel deze man als kinderloos te boek, schrijf dat zijn leven mislukt is, want geen van zijn nakomelingen zal ooit op Davids troon zitten en over Juda regeren" (Jeremia 22:30 NBV).

Kort daarna herbevestigde God zijn belofte aan David: "De tijd komt dat ik een wettige telg van David laat opstaan" (Jeremia 23:5 WV). Toen God ongeveer zes eeuwen later via de engel Gabriël aan Maria liet weten dat zij een zoon zou baren zonder toedoen van een man, sprak hij: "Je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven" (Lucas 1:31-32 NBV). Maria was een nakomeling van David's zoon Natan (zie het lijfelijke geslachtsregister van Jezus via Maria's vader Eli, in Lucas 3:23-38). Maria trouwde met Jozef, die een nakomeling was van Salomo (zie het wettelijke geslachtsregister van Jezus via Jozef, in Matteüs 1:1-16).

Tijdens zijn bediening werd Jezus vaak aangesproken als de 'Zoon van David' (Matteüs 9:27, 12:23, 15:22, 20:30-31, 21:9,15; Marcus 10:47-48; Lucas 18:38-39). Zowel via zijn echte moeder als via zijn adoptievader was Jezus inderdaad een nakomeling van David. Maar de belangrijkste reden waarom hij zo werd genoemd is dat velen hem erkenden als de beloofde Messias. Toen Jezus aan de hem vijandige Joodse geleerden van zijn tijd vroeg, "Wat denkt u van de Messias? Van wie is hij de zoon?", antwoordden ze hem zonder twijfel "Van David" (Matteüs 22:42 WV). Aan het begin van de eerste eeuw verwachtten de Joden de Messias kennelijk uit David, maar niet meer via zijn zoon Salomo. Vanwege de afvalligheid van Salomo was het koningschap van zijn nakomelingen weggnomen.

Geboren in een specifieke tijd

In de zesde eeuw voor Christus diende de profeet Daniël als Joodse balling aan het hof van verschillende Babylonische en Medo-Perzische koningen. Nadat hij een tijdlang in gebed was geweest en de ontrouw van zijn volk beleden had, kreeg hij bezoek van de engel Gabriël, die namens God sprak: "Vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden. Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten" (Daniël 9:25 HSV).

Het Hebreeuwse woord voor 'week' (geschreven met de letters Shin-Bet-Vav-Ayin) is gebaseerd op het stamwoord 'zeven' (Shin-Bet- Ayin) en betekent een periode van zeven. De Joden waren zowel bekend met perioden van zeven dagen (de normale week) en, naar analogie daarvan, perioden van zeven jaar (Leviticus 25), ofwel 'jaarweken'. In deze profetie gaat het om het tweede. Uitgaande van het 'profetisch jaar' van 360 dagen in plaats van de natuurkundige 365,25 dagen in een jaar, hebben we het hier dus over (7 + 62) x 7 x 360/365,25 = 476 jaar. Het startpunt voor deze periode is het tijdstip waarop het decreet werd uitgevaardigd om de verwoeste stad Jeruzalem te herbouwen. Dat gebeurde door de Perzische koning Artaxerxes I, in de maand Nisan van zijn twintigste regeringsjaar (Nehemia 2:1-8). Deze koning regeerde vanaf 465 voor Christus, zodat het decreet stamt uit 445-444, en met de maandaanduiding komen we uit op maart/april 444 voor Christus. Omdat er geen jaar 0 bestaat (1 voor Christus wordt gevolgd door 1 na Christus), was het einde van de 476-jarige periode dus maart/april in het jaar 33 van onze jaartelling.

De profetie van de engel Gabriël aan Daniël houdt in dat de Messias in het jaar 33 uitgeroeid (gedood) zou worden. Dat is zeer waarschijnlijk het jaar dat Jezus werd gekruisigd. Maar ook als men sceptisch staat tegenover deze interpretatie bevat de profetie voldoende aanwijzing. Na de dood van de Messias zou de stad Jeruzalem met de Tempel verwoest worden door een ander volk. De stad en het heiligdom zijn in het jaar 70 na Christus inderdaad verwoest door de Romeinen. De Tempel is sindsdien nooit meer herbouwd. Wie anders dan Jezus is vóór het jaar 70 als de Messias aan de mensheid openbaar geworden?

Geboren uit een maagd

In de tijd van koning Achaz, de twaalfde koning uit het nageslacht van David, trokken de koning van het tienstammenrijk Israël en de koning van Aram ten strijde tegen Jeruzalem. Maar God liet door de profeet Jesaja aan Achaz weten dat ze gered zouden worden, als ze maar standvastig geloofden. Hij zei ook dat Achaz om een teken mocht vragen, maar Achaz weigerde dat. Daarop besloot God zelf een teken van redding te geven: "Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een zoon baren en hem de naam Immanuel geven" (Jesaja 7:14 HSV).

De naam Immanuel betekent 'God met ons'. Ofwel, God zou zelf in de beloofde zoon naar de mens toekomen om redding te brengen. Deze profetie is doorgaans opgevat als een voorzegging van de Messias. Andere uitspraken in de profetie lijken inderdaad te wijzen op een vervulling veel verder in de toekomst (Jesaja 7:16). Er is in de geschiedenis geen mens geweest die de profetie meer vervuld heeft dan Jezus (Matteüs 1:23). Zowel de maagdelijke geboorte als de naam en de missie van Jezus werden door de engel Gabriël aangekondigd (Matteüs 1:20-21; Lucas 1:26-35). De oorspronkelijke Hebreeuwse naam van Jezus (Yeshua) betekent 'God redt'.

Tegenstanders van deze interpretatie wijzen erop dat het Hebreeuwse woord (almah) voor de moederfiguur in de grondtekst van deze profetie niet per se 'maagd' betekent maar voor elke huwbare of zelfs pasgehuwde vrouw kan worden gebruikt. Bovendien is er een ander Hebreeuws woord (betulah) dat specifiek 'maagd' betekent (een meisje dat nog op geen enkele manier verbonden is geweest met een man), maar dat wordt hier niet gebruikt. Dat is echter precies wat je zou verwachten: Maria, de moeder van Jezus, was namelijk al in ondertrouw met Jozef.

Geboren in Betlehem

Toen koning Herodes vlak na de geboorte van Jezus aan de hogepriesters en de schriftgeleerden vroeg waar de Messias geboren zou worden, wisten ze hem onmiddellijk te antwoorden: "In Betlehem in Judea" (Matteüs 2:5). Ook het gewone volk in Israël wist dat (Johannes 7:40-42). Het was namelijk al zo'n zevenhonderd jaar eerder voorzegd door de profeet Micha: "U, Betlehem in Efrata, al bent u klein onder Juda's stammen, toch zal er, zeg ik, iemand uit u voortkomen die over Israël gaat heersen. In het verre verleden ligt zijn oorsprong, in lang vervlogen dagen" (Micha 5:1 WV). Hoeveel mensen kunnen zeggen dat ze in Betlehem geboren zijn? Het is altijd een kleine stad geweest. Maar Jezus kwam uit Betlehem (Matteüs 2:1; Lucas 2:4-7), net als zijn voorvader koning David (1 Samuel 17:12), uit wiens nageslacht de Messias zou voortkomen.

Geëerd door herders en magiërs

De evangelisten Matteüs en Lucas beschrijven hoe Jezus vlak na zijn geboorte werd bezocht en geëerd door herders en magiërs. Sommige Bijbeluitleggers hebben hierin de vervulling gezien van specifieke wensbeden uit Psalm 72. Hoewel historisch van toepassing op koning Salomo, kunnen de woorden van deze psalm ook worden toegepast op de Messias. Zoals de steppebewoners zouden neerknielen voor de koning (Psalm 72:9), zo knielden de herders voor Jezus (Lucas 2:1-20). En zoals de koningen van Seba en Saba (Arabië) schatten zouden aanvoeren voor de koning (Psalm 72:10), zo brachten de magiërs uit het oosten geschenken voor Jezus (Matteüs 2:1-11).

Behoed voor de moordpartij in Betlehem

Koning Herodes was door de magiërs getipt over de geboorte van de nieuwe koning van de Joden. Herodes was zeer achterdochtig en gewelddadig en had al heel wat mensen en zelfs familieleden ter dood laten brengen waarvan hij vermoedde dat ze een bedreiging vormden voor zijn heerschappij. Ook deze pasgeboren koning moest uit de weg worden geruimd. Daarom liet hij in Betlehem en omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger ombrengen (Matteüs 2:16). De jammerklacht van de moeders van deze kinderen moet hartverscheurend zijn geweest.

Ongeveer zeshonderd jaar eerder sprak de profeet Jeremia namens God over diezelfde landstreek: "Luister naar het klagen in Rama, het droeve geween: Rachel jammert om haar kinderen en wil niet worden getroost, omdat ze er niet meer zijn" (Jeremia 31:15 WV). Deze profetie stamt uit de tijd dat het volk Israël uit zijn land was weggevoerd door de koning van Babel. Maar God beloofde dat het volk weer zou terugkeren en herstellen (Jeremia 30:3, 31:10). Gods bedoeling ging echter veel dieper: hij beloofde ook opnieuw de komst van de Messias als de nieuwe koning David (Jeremia 30:9,21 en 33:15) en geestelijk herstel door vergeving van zonden (Jeremia 33:8).

Door Gods leiding ontkwam de jonge Jezus gelukkig aan de moordpartij van Herodes. Een engel gaf Jozef de opdracht om met het kind en zijn moeder te vluchten naar Egypte en daar te blijven tot nader order (Matteüs 2:13-15). Na de dood van Herodes verscheen opnieuw een engel van God aan Jozef, die hem opriep om weer terug te keren naar het land Israël (Matteüs 2:19-20). De vlucht van Jezus naar Egypte en zijn terugtocht naar het beloofde land doen sterk denken aan wat het volk Israël zelf zo'n anderhalf duizend jaar eerder had meegemaakt. Ten tijde van de profeet Hosea, toen het volk en zijn koningen vervallen waren tot afgoderij, keek God met weemoed terug, en tegelijk ook vooruit: "Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen" (Hosea 11:1 WV).

Opgegroeid in Nazaret

Nadat het gevaar geweken was keerden Jozef en Maria met de jonge Jezus terug naar waar ze vandaan kwamen: Nazaret, een onbeduidend gehucht in Galilea. Daar groeide Jezus op tot aan het begin van zijn bediening. De evangelist Matteüs wijst erop dat dit gebeurde "opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeten gezegd is: Hij zal Nazoreeër genoemd worden" (Matteüs 2:23 WV). Er is geen profetie bekend waarin letterlijk staat dat de Messias 'Nazoreeër' genoemd zal worden. Maar dat kan Matteüs ook niet bedoeld hebben, aangezien de beweging van de Nazoreeërs waarschijnlijk pas in de tijd van Jezus opkwam (Handelingen 24:5).

Een mogelijke interpretatie is dat Matteüs heeft willen verwijzen naar het Bijbelboek Richteren, dat in de Hebreeuwse Bijbel (Tenach) wordt gerekend onder de Profeten (Nevi'iem), zonder dat daar de naam van één bepaalde profeet aan verbonden is. De meest prominente richter, met Messiaanse trekken, is Simson. Van hem werd door een engel voorzegd dat hij een 'Nazireeër' zou zijn, een aan God gewijd persoon (Richteren 13:5,7). Matteüs zou volgens deze interpretatie slechts een woordspeling hebben willen maken: zoals Simson een Nazireeër was, zo was Jezus een Nazoreeër. Dit doet echter geen recht aan het feit dat Matteüs suggereert dat meerdere profeten aan de Messias een specifieke bijnaam hebben gegeven.

Een andere interpretatie is dat Matteüs een verband heeft willen leggen tussen de voorzeggingen dat de Messias geminacht zou worden (bijvoorbeeld Psalm 22:7-8 en Jesaja 53:3), en dat men in de tijd van Jezus neerkeek op alles wat uit Nazaret kwam (Johannes 1:46/47), en dat Jezus de Nazoreeër in de aanloop naar zijn kruisiging inderdaad geminacht werd (Matteüs 27:28-31 en Marcus 15:29-32). Maar in vrijwel alle gevallen waarin Jezus Nazoreeër wordt genoemd is dat niet minachtend bedoeld. Zelfs zijn discipelen (Handelingen 2:22, 3:6, 4:10, 26:9) noemden Jezus zo, en ook Jezus zelf bevestigde dat hij een Nazoreeër was (Johannes 18:5; Handelingen 22:8).

De meest voor de hand liggende verklaring is het verband tussen de stadsnaam Nazaret en de titel Nazoreeër. In het Aramees, de taal die destijds in Palestina werd gesproken, werd de stad Natserat genoemd (geschreven met de letters Nun-Tsade-Resh-Tav). Die naam heeft dezelfde oorsprong als het Aramese woord natseraj, waarvan Nazoreeër (Grieks nazoraios) is afgeleid. Die oorsprong is waarschijnlijk het woord netser (geschreven als Nun-Tsade-Resh), wat de betekenis heeft van 'spruit', 'scheut', 'rijsje', 'telg', een bijzondere nakomeling. De profeet Jesaja had de Messias inderdaad letterlijk zo genoemd als nakomeling van Isaï (vader van David): "Uit de stronk van Isaï schiet een telg op, een scheut van zijn wortels komt tot bloei" (Jesaja 11:1 NBV). En in nog zes andere profetieën, door drie verschillende profeten (Jesaja 4:2, 53:2; Jeremia 23:5, 33:15; Zacheria 3:8, 6:12), wordt de Messias zo genoemd (met een ander woord maar met dezelfde betekenis).

Overzicht van de besproken profetieën

  1. Genesis 3:15 - En ik zal vijandschap teweegbrengen...
  2. Genesis 12:3 - En in u [Abraham] zullen alle geslachten...
  3. Genesis 21:12 - Alleen de nakomelingen van Isaak...
  4. Genesis 22:18 - En in uw [Abraham] nageslacht...
  5. Genesis 26:4 - In uw [Isaak] nageslacht zullen alle volken...
  6. Genesis 28:14 - In u [Jakob] en uw nageslacht...
  7. Genesis 49:10 - In Juda's handen zal de scepter blijven...
  8. Numeri 24:17 - Een ster komt op uit Jakob...
  9. 2 Samuël 7:16 - Uw [David] huis en uw koninklijke macht...
  10. Psalm 2:7 - Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt...
  11. Psalm 72:9 - De steppebewoner knielt voor hem neer...
  12. Psalm 72:10 - De koningen van Seba en Saba...
  13. Jesaja 4:2 - Op die dag zal de spruit van de HEERE...
  14. Jesaja 7:14 - Zie, de maagd zal zwanger worden...
  15. Jesaja 11:1 - Uit de stronk van Isaï schiet een telg op...
  16. Jesaja 53:2 - Hij is als een rijsje voor zijn aangezicht...
  17. Jeremia 23:5 - De tijd komt dat ik een wettige telg...
  18. Jeremia 31:15 - Luister naar het klagen in Rama...
  19. Jeremia 33:15 - Ik zal voor David een spruit doen opkomen...
  20. Daniël 9:25 - Vanaf de tijd dat het woord uitgaat...
  21. Hosea 11:1 - Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen...
  22. Micha 5:1 - U, Betlehem in Efrata, al bent u klein...
  23. Zacharia 3:8 - Ik zal mijn dienaar, de telg, laten komen...
  24. Zacharia 6:12 - Daar is de man die de telg heet...
  25. Lucas 1:32 - Hij [Jezus] zal een groot man worden...
© 2014 - 2019 Verus, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Messiaanse teksten: Doel, beroep, belang Messiaanse profetieMessiaanse teksten: Doel, beroep, belang Messiaanse profetieMessiaanse profetie, Messiaanse teksten. In het Nieuwe Testament doen de apostelen een beroep op twee aspecten in het le…
Dertien geloofspunten Maimonides 6: Profetie – profetenIn het Oude Israël kende men duizenden Profeten. Zij hadden de gave om het Woord van God over te brengen naar de gewone…
Stille tijd op weg naar PasenStille tijd op weg naar PasenVolgens verschillende mensen is Jezus Christus niet de zoon van God. Jezus zou ook niet zijn opgestaan uit de dood. Petr…
De profetie van Jesaja en de bevrijding van Gods volkDe profetie van Jesaja en de bevrijding van Gods volkJesaja beschrijft in hoofdstuk 9 vers 5 een vergezicht in de toekomst. Jesaja krijgt van God de opdracht om de geboorte…
Jezus' echte verjaardagJezus' echte verjaardagDe vroege christenen besloten om het heidense Yule feest om te dopen tot het feest van Jezus' geboorte: kerstfeest. Zijn…
Bronnen en referenties
  • De Bijbel. Zie http://www.debijbel.nl/ voor de online versie van verschillende Bijbelvertalingen. In deze special is voornamelijk gebruik gemaakt van de Willibrordvertaling (WV), de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV), en de Herziene Statenvertaling (HSV).
  • J. McDowell. The New Evidence that Demands a Verdict: Evidence I & II Fully Updated in One Volume to Answer Questions Challenging Christians in the 21st Century. Thomas Nelson, Nashville, TN, USA, 1999.
  • N. L. Geisler en T. Lowe. The Big Book of Bible Difficulties. Baker Books, Grand Rapids, MI, USA, 2008.
  • F. P. Miller. Isaiah's use of the word "Branch" or Nazarene. Online versie op 15 december 2014. http://www.ao.net/~fmoeller/nazer2.htm
  • J. C. Plooy. De betekenis van het woord 'nazoreeër'. Online versie op 15 december 2014. http://www.jcplooy.nl/jezus/docs/betekenis_nazoreeen.html
  • J. C. Plooy. De datum waarop Jezus gekruisigd is. Online versie op 20 december 2014. http://www.jcplooy.nl/jezus/docs/datering_kruisiging.html
  • S. Rudd. Extra-Biblical Oral Tradition Arguments Refuted. Online versie op 15 december 2014. http://www.bible.ca/sola-scriptura-pro-tradition-nazarene-matthew-2-23.htm

Reageer op het artikel "Profetieën over de komst van Jezus"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Verus
Gepubliceerd: 23-12-2014
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Religie
Bronnen en referenties: 7
Schrijf mee!