InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Religie > Torastudie 37: Jakob vecht met de engel -Genesis (32:2-27)

Torastudie 37: Jakob vecht met de engel -Genesis (32:2-27)

Torastudie 37: Jakob vecht met de engel -Genesis (32:2-27) In Genesis 32:2-27 vreest Jakob Ezau te ontmoeten. Hij stuurt van tevoren een geschenk naar Ezau om hem gunstig te stellen. Voordat Jakob Ezau daadwerkelijk ontmoet heeft hij eerst nog een gevecht met de engel. Jakob krijgt een andere naam: Israël. Omdat hij gevochten heeft met God.

Genesis 32:2-27

Toen hij hen zag, zei Jakob: Dit is een leger Gods. Daarom noemde hij die plaats Mahanaïm. En Jakob zond boden voor zich uit tot zijn broeder Ezau, naar het land Seïr, het gebied van Edom. En hij gebood hun: Zo zult gij tot mijn heer, tot Ezau zeggen: Zo zegt uw knecht Jakob: ik heb als vreemdeling bij Laban vertoefd en ben daar tot nu toe gebleven...Toen stond hij in die nacht op, nam zijn beide vrouwen, zijn beide slavinnen en zijn elf zonen, en trok de doorwaadbare plaats van de Jabbok over; hij nam hen en deed hen de beek overtrekken, en hij bracht alles wat hij had naar de overzijde. Zo bleef Jakob alleen achter. En een man worstelde met hem, totdat de dag aanbrak...Daarop zei hij tot hem: Hoe is uw naam? En hij zei: Jakob.

De tekst in het Hebreeuws luidt:

ב וְיַעֲקֹב הָלַךְ לְדַרְכּוֹ וַיִּפְגְּעוּ-בוֹ מַלְאֲכֵי אֱלֹהִים. ג וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב כַּאֲשֶׁר רָאָם מַחֲנֵה אֱלֹהִים זֶה וַיִּקְרָא שֵׁם-הַמָּקוֹם הַהוּא מַחֲנָיִם. {פ}

ד וַיִּשְׁלַח יַעֲקֹב מַלְאָכִים לְפָנָיו אֶל-עֵשָׂו אָחִיו אַרְצָה שֵׂעִיר שְׂדֵה אֱדוֹם. ה וַיְצַו אֹתָם לֵאמֹר כֹּה תֹאמְרוּן לַאדֹנִי לְעֵשָׂו כֹּה אָמַר עַבְדְּךָ יַעֲקֹב עִם-לָבָן גַּרְתִּי וָאֵחַר עַד-עָתָּה. ו וַיְהִי-לִי שׁוֹר וַחֲמוֹר צֹאן וְעֶבֶד וְשִׁפְחָה וָאֶשְׁלְחָה לְהַגִּיד לַאדֹנִי לִמְצֹא-חֵן בְּעֵינֶיךָ. ז וַיָּשֻׁבוּ הַמַּלְאָכִים אֶל-יַעֲקֹב לֵאמֹר בָּאנוּ אֶל-אָחִיךָ אֶל-עֵשָׂו וְגַם הֹלֵךְ לִקְרָאתְךָ וְאַרְבַּע-מֵאוֹת אִישׁ עִמּוֹ. ח וַיִּירָא יַעֲקֹב מְאֹד וַיֵּצֶר לוֹ וַיַּחַץ אֶת-הָעָם אֲשֶׁר-אִתּוֹ וְאֶת-הַצֹּאן וְאֶת-הַבָּקָר וְהַגְּמַלִּים לִשְׁנֵי מַחֲנוֹת. ט וַיֹּאמֶר אִם-יָבוֹא עֵשָׂו אֶל-הַמַּחֲנֶה הָאַחַת וְהִכָּהוּ וְהָיָה הַמַּחֲנֶה הַנִּשְׁאָר לִפְלֵיטָה. י וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב אֱלֹהֵי אָבִי אַבְרָהָם וֵאלֹהֵי אָבִי יִצְחָק יְהוָה הָאֹמֵר אֵלַי שׁוּב לְאַרְצְךָ וּלְמוֹלַדְתְּךָ וְאֵיטִיבָה עִמָּךְ. יא קָטֹנְתִּי מִכֹּל הַחֲסָדִים וּמִכָּל-הָאֱמֶת אֲשֶׁר עָשִׂיתָ אֶת-עַבְדֶּךָ כִּי בְמַקְלִי עָבַרְתִּי אֶת-הַיַּרְדֵּן הַזֶּה וְעַתָּה הָיִיתִי לִשְׁנֵי מַחֲנוֹת. יב הַצִּילֵנִי נָא מִיַּד אָחִי מִיַּד עֵשָׂו כִּי-יָרֵא אָנֹכִי אֹתוֹ פֶּן-יָבוֹא וְהִכַּנִי אֵם עַל-בָּנִים. יג וְאַתָּה אָמַרְתָּ הֵיטֵב אֵיטִיב עִמָּךְ וְשַׂמְתִּי אֶת-זַרְעֲךָ כְּחוֹל הַיָּם אֲשֶׁר לֹא-יִסָּפֵר מֵרֹב. יד וַיָּלֶן שָׁם בַּלַּיְלָה הַהוּא וַיִּקַּח מִן-הַבָּא בְיָדוֹ מִנְחָה לְעֵשָׂו אָחִיו. טו עִזִּים מָאתַיִם וּתְיָשִׁים עֶשְׂרִים רְחֵלִים מָאתַיִם וְאֵילִים עֶשְׂרִים. טז גְּמַלִּים מֵינִיקוֹת וּבְנֵיהֶם שְׁלֹשִׁים פָּרוֹת אַרְבָּעִים וּפָרִים עֲשָׂרָה אֲתֹנֹת עֶשְׂרִים וַעְיָרִם עֲשָׂרָה. יז וַיִּתֵּן בְּיַד-עֲבָדָיו עֵדֶר עֵדֶר לְבַדּוֹ וַיֹּאמֶר אֶל-עֲבָדָיו עִבְרוּ לְפָנַי וְרֶוַח תָּשִׂימוּ בֵּין עֵדֶר וּבֵין עֵדֶר. יח וַיְצַו אֶת-הָרִאשׁוֹן לֵאמֹר כִּי יִפְגָשְׁךָ עֵשָׂו אָחִי וּשְׁאֵלְךָ לֵאמֹר לְמִי-אַתָּה וְאָנָה תֵלֵךְ וּלְמִי אֵלֶּה לְפָנֶיךָ. יט וְאָמַרְתָּ לְעַבְדְּךָ לְיַעֲקֹב מִנְחָה הִוא שְׁלוּחָה לַאדֹנִי לְעֵשָׂו וְהִנֵּה גַם-הוּא אַחֲרֵינוּ. כ וַיְצַו גַּם אֶת-הַשֵּׁנִי גַּם אֶת-הַשְּׁלִישִׁי גַּם אֶת-כָּל-הַהֹלְכִים אַחֲרֵי הָעֲדָרִים לֵאמֹר כַּדָּבָר הַזֶּה תְּדַבְּרוּן אֶל-עֵשָׂו בְּמֹצַאֲכֶם אֹתוֹ. כא וַאֲמַרְתֶּם גַּם הִנֵּה עַבְדְּךָ יַעֲקֹב אַחֲרֵינוּ כִּי-אָמַר אֲכַפְּרָה פָנָיו בַּמִּנְחָה הַהֹלֶכֶת לְפָנָי וְאַחֲרֵי-כֵן אֶרְאֶה פָנָיו אוּלַי יִשָּׂא פָנָי. כב וַתַּעֲבֹר הַמִּנְחָה עַל-פָּנָיו וְהוּא לָן בַּלַּיְלָה-הַהוּא בַּמַּחֲנֶה. כג וַיָּקָם בַּלַּיְלָה הוּא וַיִּקַּח אֶת-שְׁתֵּי נָשָׁיו וְאֶת-שְׁתֵּי שִׁפְחֹתָיו וְאֶת-אַחַד עָשָׂר יְלָדָיו וַיַּעֲבֹר אֵת מַעֲבַר יַבֹּק. כד וַיִּקָּחֵם וַיַּעֲבִרֵם אֶת-הַנָּחַל וַיַּעֲבֵר אֶת-אֲשֶׁר-לוֹ. כה וַיִּוָּתֵר יַעֲקֹב לְבַדּוֹ וַיֵּאָבֵק אִישׁ עִמּוֹ עַד עֲלוֹת הַשָּׁחַר. כו וַיַּרְא כִּי לֹא יָכֹל לוֹ וַיִּגַּע בְּכַף-יְרֵכוֹ וַתֵּקַע כַּף-יֶרֶךְ יַעֲקֹב בְּהֵאָבְקוֹ עִמּוֹ. כז וַיֹּאמֶר שַׁלְּחֵנִי כִּי עָלָה הַשָּׁחַר וַיֹּאמֶר לֹא אֲשַׁלֵּחֲךָ כִּי אִם-בֵּרַכְתָּנִי. כח וַיֹּאמֶר אֵלָיו מַה-שְּׁמֶךָ וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב.

Genesis 32:2-3

En Jakob ging zijn weg; de engelen Gods ontmoetten hem.....en hij noemde de naam van die plaats: Machanajim (twee kampen).

engelen:
Er zijn twee kampen engelen: de engelen verbonden met de wereld buiten het Heilige Land, die hem hadden vergezeld, en de engelen van het heilige Land, die naar hem kwamen.

Maar in het volgende vers (32:4) vinden we Jakob die de nieuw gearriveerde Heilige land engelen naar Ezau stuurt.

De Rebbe van Kotzk zegt: Een Jood in het heilige land heeft geen engelen nodig. Hier heeft men rechtstreeks toegang tot God.

Genesis 32:4

En Jakob zond boden voor zich uit naar Ezau.

malachim:
Feitelijk engelen.

Het Hebreeuwse woord malachim betekent zowel 'boden' als 'engelen' (een engel als een goddelijke boodschapper). Dus het vers "En Jakob zond boden voor zich uit naar Ezau", kan ook begrepen worden als menselijke boodschappers. Toch is Rashi's commentaar dat het 'feitelijk engelen' zijn.

De Chassidische meester Rabbi Dov Bear van Metzerich ziet een diepere betekenis in de woorden van Rashi: Jakob zond de 'actualiteit' van zijn engelen naar Ezau, maar hield de hogere spirituele essentie bij zich.

Genesis 32:8

Toen vreesde Jakob zeer en het werd hem bang.

vermoord:
Hij vreesde dat hij vermoord zou worden en bang dat hij zou doden.

Genesis 32:9

Indien Ezau het ene leger mocht overvallen en mocht verslaan, dan zal er voor het overblijvende leger redding zijn.

geschenk, bidden, oorlog:
Hij bereidde zichzelf op drie manieren voor: hij zond een geschenk, hij bad en maakte zich op voor oorlog.

Genesis 32:11

Ik ben te gering voor al de weldaden en voor al de trouw, die gij Uw dienaar bewezen hebt.

nederigheid:
De betekenis van dit is dat elke vriendelijkheid die wordt verleend door God een persoon hem overdreven dankbaarheid zou veroorzaken. Voor een Goddelijke vriendelijkheid is een uitdrukking van "Zijn rechterhand omhelst me" -God brengt letterlijk de persoon dichter bij Hem. En hoe dichter een persoon tot God is, hoe groter de nederigheid die dit in hem zou oproepen, want omdat "alle voor Hem is als niets" hoe meer "voor Hem" een persoon is, hoe meer "als niets" hij zichzelf beschouwt te zijn.

Dit is de manier van Jakob. Het tegenovergestelde is het geval in het tegenovergestelde rijk van kelipa (het kwaad). Daar is hoe groter de vriendelijkheid een persoon toont, hoe arroganter hij wordt.

Genesis 32:23

En hij nam zijn beide vrouwen en zijn beide dienstmaagden en zijn kinderen.

Dina:
En waar was Dina? Jakob had haar in zijn borstkast verstopt en haar opgesloten, uit vrees dat Ezau zijn ogen haar haar liet vallen. Voor dit werd Jakob gestrafd dat Dina in de handen viel van Shechem, want had hij haar niet onthouden van zijn broer, zou zij hem misschien teruggebracht hebben op het juiste pad.

God zei tegen Jakob: "Je zal haar niet te huwelijk geven aan een besneden persoon; zie zij is nu het bezit van een onbesneden persoon. Je zou haar niet in een legitiem huwelijk geven; zie zij is nu in een onwettig gedrag."

Genesis 32:25

En Jakob bleef alleen over.

kruiken:
Hij bleef achter vanwege kleine kruiken die hij had achtergelaten. Toch is voor een rechtvaardige hun geld dierbaarder dan hun lichaam.

vonken van heiligheid:
Dit is omdat de rechtvaardige weet dat hun materiële bezittingen 'vonken van heiligheid' bevatten die worden teruggekocht en verheven wanneer het object of de bron die zij bewonen wordt gebruikt om de Goddelijke wil te vervullen. De rechtvaardige ziet deze vonken van Goddelijk potentieel als virtuele uitbreidingen van zijn eigen ziel, omdat hij begrijpt dat het feit dat de Goddelijke Aanwezigheid hen veroorzaakt heeft om in zijn bezit te komen, indiceert dat hun verlossing integraal is aan zijn doel in het leven.

Genesis 32:25

Toen worstelde een man met hem.

prins:
Dit was de 'prins' van Ezau (de engel die de geest van Ezau belichaamt)

Genesis 32:26

Toen deze zag, dat hij hem niet overwinnen kon, trof hij hem aan het gewricht van zijn heup.

fysiek lijden van de galoet

Jakobs gevecht met Ezau's engel vertegenwoordigt het fysieke lijden van de galoet (ballingschap). Toen de engel van Ezau Jakob heupgewricht verwondde, verwondde hij zijn rechtvaardige nakomelingen. In de woorden van de Midrash: "Dit is de generatie van de shmad" -de gewelddadige martelingen uitgevoerd door de Romeinen in Misjna-periode (eerste en tweede eeuw van de gewone jaartelling) in hun poging het geloof van Israël uit te wissen.

Er waren ander generaties waarin hetzelfde of erger aan ons werd gedaan. Wij lijden dit alles en volhardden, zoals het vers zegt: "En Jakob arriveerde, heel."

Genesis 32:27

Laat me gaan want de dageraad is aangebroken.

dief of gokker:
Jakob zei tegen hem: "Ben je een dief of een gokker, dat je bang bent voor de morgen?" Hij zei: "Ik ben een engel en vanaf de dag dat ik gecreëerd werd mijn tijd om lofliederen te zingen voor God is niet gekomen tot nu."



Samenvatting - vragen

Om voor uzelf te controleren of u de tekst goed begrepen heeft volgt hier een aantal vragen. De antwoorden vindt u terug in bovenstaande tekst.
  1. Welke twee kampen engelen zijn er?
  2. Waarom heeft een Jood in het Heilige Land geen engelen nodig?
  3. Ho kan malachim vertaald worden?
  4. Hoe bereidde Jacob zich voor op zijn ontmoeting met Ezau?
  5. Wat vertegenwoordigt Jacobs gevecht met Ezau's engel?

Lees verder

© 2007 - 2017 Etsel, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De komst van de Masjiach (messias) bespoedigenDe komst van de Masjiach (messias) bespoedigenEr zijn een aantal manieren om de komst van de Masjiach te bevorden voor zijn laatste dag. In het algemeen gesproken bet…
Tora en Masjiach: Gen. 26:5/27:22/28:14/29:32 -Joodse uitlegTora en Masjiach: Gen. 26:5/27:22/28:14/29:32 -Joodse uitlegVeel stukken uit de Tora verwijzen naar de Joodse Masjiach (Messias). We behandelen de volgende teksten. Genesis 26:5: …
Torastudie 39: De verkrachting van Dina - Genesis (34:1-2)Torastudie 39: De verkrachting van Dina - Genesis (34:1-2)En Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob had gebaard, ging uit om te zien naar de dochters des lands. Toen zag haar Sh…
Tora lezing - Parasha: GenesisDe Tora lezing in de synagoge begint met het Bijbelboek Genesis. De volgende parashot komen aan de orde: Parsha Bereishi…
Tora en Masjiach: Genesis 1:2/5:1-2 Joodse uitlegHet Joodse concept van de Masjiach (Messias) bestaat al van vóór de Schepping. Het bevat niet alleen het basis principe…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Tdjgordon / Pixabay
  • Rashi
  • Midrash Rabbah
  • Rabbi Schneur Zalman van Liadi
  • Talmoed, Choelin 91a
  • Chassidische meesters
  • Nachmanides
  • Talmoed, Choelin 91b

Reageer op het artikel "Torastudie 37: Jakob vecht met de engel -Genesis (32:2-27)"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Etsel
Laatste update: 30-06-2015
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Religie
Special: Torastudie
Bronnen en referenties: 8
Schrijf mee!