InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Religie > Torastudie 29: Rebekka - Genesis (24:1-36)

Torastudie 29: Rebekka - Genesis (24:1-36)

Torastudie 29: Rebekka - Genesis (24:1-36) In Genesis 24:1-36 wordt verteld hoe Eliëzer, de dienstknecht van Abraham, op zoek gaat naar een vrouw voor Izaäk. Eliëzer trekt met tien kamelen naar Mesopotamië, het oude land van Abraham, en komt terecht in de stad van Nahor. Daar laat hij zijn kamelen knielen bij een waterput om te drinken. Hij vraagt God te helpen bij het uitzoeken van een geschikte vrouw voor Izaäk. Wanneer Rebekka helpt bij het geven van water aan de kamelen weet Eliëzer dat zij de geschikte kandidaat is. Dit artikel is gebaseerd op de commentaren voor Joodse wijzen.

Genesis 24:1-36

Abraham nu was oud en hoogbejaard, en de Here had Abraham in alles gezegend. En Abraham zei tot zijn knecht, de oudste in zijn huis, die alles wat hij had bestuurde: Leg toch uw hand onder mijn heup, opdat ik u doe zweren bij de Here, de God des hemels en der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw zult nemen uit de dochters der Kanaänieten, in wier midden ik woon...Hierop nam de knecht tien van de kamelen van zijn heer en ging op weg met allerlei kostbaarheden van zijn heer bij zich; hij maakte zich op en ging naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor...Hij was nog niet uitgesproken, of zie, Rebekka, die geboren was aan Bethuël, de zoon van Milka, de vrouw van Nahor, de broeder van Abraham, kwam naar buiten met haar kruik op haar schouder...En het meisje snelde heen en verhaalde het gebeurde aan haar moeders huis...Daarop zei hij: Ik ben de knecht van Abraham. De Here heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij rijk is geworden; Hij heeft hem gegeven kleinvee en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels. En Sara, de vrouw van mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was, en hij heeft hem gegeven alles wat hij bezit.

De volledige tekst in het Hebreeuws luidt:

א וְאַבְרָהָם זָקֵן בָּא בַּיָּמִים וַיהוָה בֵּרַךְ אֶת-אַבְרָהָם בַּכֹּל. ב וַיֹּאמֶר אַבְרָהָם אֶל-עַבְדּוֹ זְקַן בֵּיתוֹ הַמֹּשֵׁל בְּכָל-אֲשֶׁר-לוֹ שִׂים-נָא יָדְךָ תַּחַת יְרֵכִי. ג וְאַשְׁבִּיעֲךָ בַּיהוָה אֱלֹהֵי הַשָּׁמַיִם וֵאלֹהֵי הָאָרֶץ אֲשֶׁר לֹא-תִקַּח אִשָּׁה לִבְנִי מִבְּנוֹת הַכְּנַעֲנִי אֲשֶׁר אָנֹכִי יוֹשֵׁב בְּקִרְבּוֹ. ד כִּי אֶל-אַרְצִי וְאֶל-מוֹלַדְתִּי תֵּלֵךְ וְלָקַחְתָּ אִשָּׁה לִבְנִי לְיִצְחָק. ה וַיֹּאמֶר אֵלָיו הָעֶבֶד אוּלַי לֹא-תֹאבֶה הָאִשָּׁה לָלֶכֶת אַחֲרַי אֶל-הָאָרֶץ הַזֹּאת הֶהָשֵׁב אָשִׁיב אֶת-בִּנְךָ אֶל-הָאָרֶץ אֲשֶׁר-יָצָאתָ מִשָּׁם. ו וַיֹּאמֶר אֵלָיו אַבְרָהָם הִשָּׁמֶר לְךָ פֶּן-תָּשִׁיב אֶת-בְּנִי שָׁמָּה. ז יְהוָה אֱלֹהֵי הַשָּׁמַיִם אֲשֶׁר לְקָחַנִי מִבֵּית אָבִי וּמֵאֶרֶץ מוֹלַדְתִּי וַאֲשֶׁר דִּבֶּר-לִי וַאֲשֶׁר נִשְׁבַּע-לִי לֵאמֹר לְזַרְעֲךָ אֶתֵּן אֶת-הָאָרֶץ הַזֹּאת הוּא יִשְׁלַח מַלְאָכוֹ לְפָנֶיךָ וְלָקַחְתָּ אִשָּׁה לִבְנִי מִשָּׁם. ח וְאִם-לֹא תֹאבֶה הָאִשָּׁה לָלֶכֶת אַחֲרֶיךָ וְנִקִּיתָ מִשְּׁבֻעָתִי זֹאת רַק אֶת-בְּנִי לֹא תָשֵׁב שָׁמָּה. ט וַיָּשֶׂם הָעֶבֶד אֶת-יָדוֹ תַּחַת יֶרֶךְ אַבְרָהָם אֲדֹנָיו וַיִּשָּׁבַע לוֹ עַל-הַדָּבָר הַזֶּה. י וַיִּקַּח הָעֶבֶד עֲשָׂרָה גְמַלִּים מִגְּמַלֵּי אֲדֹנָיו וַיֵּלֶךְ וְכָל-טוּב אֲדֹנָיו בְּיָדוֹ וַיָּקָם וַיֵּלֶךְ אֶל-אֲרַם נַהֲרַיִם אֶל-עִיר נָחוֹר. יא וַיַּבְרֵךְ הַגְּמַלִּים מִחוּץ לָעִיר אֶל-בְּאֵר הַמָּיִם לְעֵת עֶרֶב לְעֵת צֵאת הַשֹּׁאֲבֹת. יב וַיֹּאמַר יְהוָה אֱלֹהֵי אֲדֹנִי אַבְרָהָם הַקְרֵה-נָא לְפָנַי הַיּוֹם וַעֲשֵׂה-חֶסֶד עִם אֲדֹנִי אַבְרָהָם. יג הִנֵּה אָנֹכִי נִצָּב עַל-עֵין הַמָּיִם וּבְנוֹת אַנְשֵׁי הָעִיר יֹצְאֹת לִשְׁאֹב מָיִם. יד וְהָיָה הַנַּעֲרָ אֲשֶׁר אֹמַר אֵלֶיהָ הַטִּי-נָא כַדֵּךְ וְאֶשְׁתֶּה וְאָמְרָה שְׁתֵה וְגַם-גְּמַלֶּיךָ אַשְׁקֶה אֹתָהּ הֹכַחְתָּ לְעַבְדְּךָ לְיִצְחָק וּבָהּ אֵדַע כִּי-עָשִׂיתָ חֶסֶד עִם-אֲדֹנִי. טו וַיְהִי-הוּא טֶרֶם כִּלָּה לְדַבֵּר וְהִנֵּה רִבְקָה יֹצֵאת אֲשֶׁר יֻלְּדָה לִבְתוּאֵל בֶּן-מִלְכָּה אֵשֶׁת נָחוֹר אֲחִי אַבְרָהָם וְכַדָּהּ עַל-שִׁכְמָהּ. טז וְהַנַּעֲרָ טֹבַת מַרְאֶה מְאֹד בְּתוּלָה וְאִישׁ לֹא יְדָעָהּ וַתֵּרֶד הָעַיְנָה וַתְּמַלֵּא כַדָּהּ וַתָּעַל. יז וַיָּרָץ הָעֶבֶד לִקְרָאתָהּ וַיֹּאמֶר הַגְמִיאִינִי נָא מְעַט-מַיִם מִכַּדֵּךְ. יח וַתֹּאמֶר שְׁתֵה אֲדֹנִי וַתְּמַהֵר וַתֹּרֶד כַּדָּהּ עַל-יָדָהּ וַתַּשְׁקֵהוּ. יט וַתְּכַל לְהַשְׁקֹתוֹ וַתֹּאמֶר גַּם לִגְמַלֶּיךָ אֶשְׁאָב עַד אִם-כִּלּוּ לִשְׁתֹּת. כ וַתְּמַהֵר וַתְּעַר כַּדָּהּ אֶל-הַשֹּׁקֶת וַתָּרָץ עוֹד אֶל-הַבְּאֵר לִשְׁאֹב וַתִּשְׁאַב לְכָל-גְּמַלָּיו. כא וְהָאִישׁ מִשְׁתָּאֵה לָהּ מַחֲרִישׁ לָדַעַת הַהִצְלִיחַ יְהוָה דַּרְכּוֹ אִם-לֹא. כב וַיְהִי כַּאֲשֶׁר כִּלּוּ הַגְּמַלִּים לִשְׁתּוֹת וַיִּקַּח הָאִישׁ נֶזֶם זָהָב בֶּקַע מִשְׁקָלוֹ וּשְׁנֵי צְמִידִים עַל-יָדֶיהָ עֲשָׂרָה זָהָב מִשְׁקָלָם. כג וַיֹּאמֶר בַּת-מִי אַתְּ הַגִּידִי נָא לִי הֲיֵשׁ בֵּית-אָבִיךְ מָקוֹם לָנוּ לָלִין. כד וַתֹּאמֶר אֵלָיו בַּת-בְּתוּאֵל אָנֹכִי בֶּן-מִלְכָּה אֲשֶׁר יָלְדָה לְנָחוֹר. כה וַתֹּאמֶר אֵלָיו גַּם-תֶּבֶן גַּם-מִסְפּוֹא רַב עִמָּנוּ גַּם-מָקוֹם לָלוּן. כו וַיִּקֹּד הָאִישׁ וַיִּשְׁתַּחוּ לַיהוָה. כז וַיֹּאמֶר בָּרוּךְ יְהוָה אֱלֹהֵי אֲדֹנִי אַבְרָהָם אֲשֶׁר לֹא-עָזַב חַסְדּוֹ וַאֲמִתּוֹ מֵעִם אֲדֹנִי אָנֹכִי בַּדֶּרֶךְ נָחַנִי יְהוָה בֵּית אֲחֵי אֲדֹנִי. כח וַתָּרָץ הַנַּעֲרָ וַתַּגֵּד לְבֵית אִמָּהּ כַּדְּבָרִים הָאֵלֶּה. כט וּלְרִבְקָה אָח וּשְׁמוֹ לָבָן וַיָּרָץ לָבָן אֶל-הָאִישׁ הַחוּצָה אֶל-הָעָיִן. ל וַיְהִי כִּרְאֹת אֶת-הַנֶּזֶם וְאֶת-הַצְּמִדִים עַל-יְדֵי אֲחֹתוֹ וּכְשָׁמְעוֹ אֶת-דִּבְרֵי רִבְקָה אֲחֹתוֹ לֵאמֹר כֹּה-דִבֶּר אֵלַי הָאִישׁ וַיָּבֹא אֶל-הָאִישׁ וְהִנֵּה עֹמֵד עַל-הַגְּמַלִּים עַל-הָעָיִן. לא וַיֹּאמֶר בּוֹא בְּרוּךְ יְהוָה לָמָּה תַעֲמֹד בַּחוּץ וְאָנֹכִי פִּנִּיתִי הַבַּיִת וּמָקוֹם לַגְּמַלִּים. לב וַיָּבֹא הָאִישׁ הַבַּיְתָה וַיְפַתַּח הַגְּמַלִּים וַיִּתֵּן תֶּבֶן וּמִסְפּוֹא לַגְּמַלִּים וּמַיִם לִרְחֹץ רַגְלָיו וְרַגְלֵי הָאֲנָשִׁים אֲשֶׁר אִתּוֹ. לג ויישם (וַיּוּשַׂם) לְפָנָיו לֶאֱכֹל וַיֹּאמֶר לֹא אֹכַל עַד אִם-דִּבַּרְתִּי דְּבָרָי וַיֹּאמֶר דַּבֵּר. לד וַיֹּאמַר עֶבֶד אַבְרָהָם אָנֹכִי. לה וַיהוָה בֵּרַךְ אֶת-אֲדֹנִי מְאֹד וַיִּגְדָּל וַיִּתֶּן-לוֹ צֹאן וּבָקָר וְכֶסֶף וְזָהָב וַעֲבָדִם וּשְׁפָחֹת וּגְמַלִּים וַחֲמֹרִים. לו וַתֵּלֶד שָׂרָה אֵשֶׁת אֲדֹנִי בֵן לַאדֹנִי אַחֲרֵי זִקְנָתָהּ וַיִּתֶּן-לוֹ אֶת-כָּל-אֲשֶׁר-לוֹ.

Genesis 24:1

Abraham was nu oud, gevorderd in dagen.

de dagen tellen

Toen Abraham oud werd, telde hij zijn dagen. Elke dag werd volledig benut zodat ze volledig door hem werden bezet.

Genesis 24:3

En dan zal ik u doen zweren bij den Eeuwigen, den God van den hemel en den aarde.

God van de hemel en de aarde

Maar in vers 7 staat: "De Eeuwige, de God van den hemel, Die mij genomen heeft uit het huis mijns vaders."

Dit is wat Abraham tot Eliëzer zegt: "Toen God mij beval van mijn vaders huis te verlaten, was Hij God van de hemel maar niet van de aarde: de bewoners van de aarde erkenden Hem niet en Zijn naam werd niet gerefereerd in het land. Maar nu ik Zijn naam bekend heb gemaakt in de monden van Zijn schepsels, is Hij zowel God van de hemel als van de aarde."

Genesis 24:15

Nog had hij niet geëindigd te spreken, en ziet Rebekka kwam naar buiten.

God beantwoordt hun woorden

Drie mensen werden door God beantwoord wanneer hun woorden hun monden verlieten: Eliëzer, de dienstknecht van Abraham, Mozes en Salomo. Eliëzer, voor hij stopte met spreken kwam Rebecca naar buiten. Mozes, toen hij concludeerde zeggende al deze dingen, splitste de grond open...Salomo eindigde het bidden en het vuur daalde vanuit de hemel...

Genesis 24:22

Nam de man een gouden neusring, een Beka was zijn gewicht, en twee armbanden voor hare handen, tien shekels goud was hun gewicht.

beka

Een beka voor ieder hoofd, een aanwijzing voor de shekels Israëls (voor de constructie van het Heiligdom in de woestijn)

Genesis 24:32-33

En men gaf stro en voeder voor de kamelen......Nu werd hem voortgezet te eten

eerst de dieren voeden

Eerst voedde hij de dieren en daarna was voedsel voor hem geserveerd. Want het is verboden voor een persoon te proeven totdat hij zijn dieren heeft gevoed.

Genesis 24:33

En hij zei: "ik zal niet eten voordat ik mijn woorden gesproken heb" En men zeide: "Spreek".

het gesprek van de dienaren

Rabbi Acha zei: Het gesprek van de dienaren van de vaders is meer wenselijk dan de Tora geleerdheid van de kinderen. Want Eliëzers verhaal, die twee of drie pagina's in de Tora beslaat, wordt tweemaal verteld, terwijl vele principes van de Torawet worden overgebracht met een enkel woord of letter.

Genesis 24:36

En Sara, de vrouw van mijn heer, baarde een zoon aan mijn heer, nadat zij oud geworden was; en hij gaf hem al, wat hem toebehoorde.

legaat

Eliëzer toonde hem een daad van legaat waarin Abraham Izaäk al zijn bezittingen had gegeven, zodat zij zouden opschieten hun dochter te zenden.

eerste Joods huwelijk: Izaäk en Rebekka

Als het eerste Joodse huwelijk beschreven door de Tora, de vereniging van Izaäk en Rebekka is het prototype van alle volgende Joodse huwelijken, zowel in de letterlijke zin van het bouwen van een huis in Israël als in de bredere zin van het verenigen van de fysieke wereld met zijn kosmische ziel, daardoor het Goddelijke doel van de schepping vervullend de wereld een woonplaats voor God te maken. In deze inspanning wordt alles geïnvesteerd wat Abraham bezit: al de bronnen -spiritueel en materieel.



Samenvatting - vragen

Om voor uzelf te controleren of u de tekst goed begrepen heeft volgt hier een aantal vragen. De antwoorden vindt u terug in bovenstaande tekst.
  1. Wat deed Abraham toen hij oud was?
  2. Verklaar "De Eeuwige, de God van den hemel, Die mij genomen heeft uit het huis mijns vaders."
  3. Welke drie mensen werden door God beantwoord wanneer hun woorden hun monden verlieten?
  4. Wat moet de mens eerst doen voordat hij zelf gaat eten?
  5. Hoe vaak wordt het verhaal van Eliëzer verteld?
  6. Wat was het eerste Joodse huwelijk?

Lees verder

© 2007 - 2017 Etsel, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Tora en Masjiach:Gen. 18:1/21:3/23:17-18/24:42-Joodse uitlegIn de Tora worden heel veel toespelingen gemaakt op de komst van de Joodse Masjiach. Hoewel de Messias nog steeds niet g…
De Joodse besnijdenis: het verbondsteken - briet milaDe Joodse besnijdenis: het verbondsteken - briet milaHet Jodendom begon met aartsvader Abraham. In Genesis 15:18 lezen we Abraham met God een verbond sloot: "Op die dag sloo…
Schepping en evolutie?Het boek ‘Genesis, Een spirituele visie op de vroegste geschiedenis’ van Emil Bock (1895 – 1959), een Duitse schrijver e…
Kabbala: de aartsvaders als archetypenGenesis is eigenlijk een buitenbeentje in de Tora. Het bevat nauwelijks wetten en handelt voornamelijk over de aartsvade…
God: Abraham introduceert geloof in Eén God - Joodse visieGod: Abraham introduceert geloof in Eén God - Joodse visieAbraham is de persoon die de mensheid kennis laat maken met een transcendente God die Eén is, die onafhankelijk is, die…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: Tdjgordon / Pixabay
  • Zohar
  • Rashi
  • Midrash Rabbah
  • Midrash HaGadol
  • Lubavitcher Rebbe

Reageer op het artikel "Torastudie 29: Rebekka - Genesis (24:1-36)"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Etsel
Laatste update: 30-06-2015
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Religie
Special: Torastudie
Bronnen en referenties: 6
Schrijf mee!