InfoNu.nl > Mens en Samenleving > Politiek > Modern Israël: Israël als republiek - opvang van de Joden

Modern Israël: Israël als republiek - opvang van de Joden

Modern Israël: Israël als republiek - opvang van de Joden Israëls eerste jaren na de Onafhankelijkheid stonden in teken van de opbouw van de staat. Zo werden er een regering en een parlement gevormd. Politieke partijen verschenen ten tonele. Vanaf het begin kende Israël een coalitieregering. Verder werden de eerste jaren gekenmerkt door de strijd tussen rechts en links en ook tussen religieus en niet-religieus. Ook moest Israël omzien te gaan met de Arabische minderheid in de Joodse staat. Het grootste probleem in deze periode was de opvang van honderdduizenden Joodse immigranten uit Europa en de islamitische landen.

Israël republiek – regering/rechtsstaat

In oktober 1947 ontwierp een gezamenlijk comité van de Va'ad Le'oemi en de Jewish Agency Executive een juridische code en een voorgestelde constitutie voor de toekomstige nieuwe staat. Op 1 maart 1948 werd een interim functionele regering opgericht bestaande uit een Volksraad met 37 leden (vertegenwoordigers van Va'ad Le'oemi en Jewish Agency) die geselecteerd waren volgens hun proportionele politieke sterkte in de Jisjoev. Deze Volksraad keurde op haar beurt een uiterst gestructureerde formule voor een Provisionele Regering die aan het einde van de Mandaat in werking zou treden.

Onafhankelijkheidsverklaring

De Onafhankelijkheidsverklaring schreef de overgang voor van de regering vóór de oprichting van de staat en er na. Op 14 mei 1948 gaf de Provisionele Raad van de Staat een verklaring uit waarin het formeel haar eigen gezag legaliseerde. Alle mandaat wetten bleven van kracht behalve degene die door de Staatsraad zelf gewijzigd werden. Een aantal Britse maatregelen tegen de Joden werden geschrapt (zoals beperking Joodse immigratie en land aankopen).

Op 16 mei 1948 werd Chaïm Weizmann gekozen als president door de Provisionele Raad van de Staat en bestuurde de Raad van de Staat Israël in oorlogstijd. De departementen die beheerd werden door de Va'ad Leoemi en de Jewish Agency werden ministeries. In totaal werden 13 ministeries gevormd. Ook richtte de Raad van de Staat het Hooggerechtshof op, kwam ze met de Israëlische valuta, postzegels, belastingen, en richtlijnen voor verkiezingen. Niemand trok de morele en legale autoriteit van de Raad van de Staat in twijfel.

Op 25 januari 1949 werden verkiezingen gehouden. De Knesset (sinds 8 maart 1949 de officiële naam – daarvoor heette het de Vergadering) bestond uit 120 leden. Elke burger van Israël vanaf 18 jaar en ouder mocht stemmen. Tijdens de verkiezingen deden 21 partijen mee. 87% van de bevolking bracht haar stem uit. De Arbeiderspartijen behaalden 57 zetels, centrum-rechtse partijen 31 zetels en de religieuze partijen 16 zetels. In de Eerste Knesset kwamen 117 Joden en 3 Arabieren.

Op 14 februari 1949 vond de eerste vergadering van de Knesset plaats. Er werden een voorzitter en plaatsvervangend voorzitter gekozen. Twee dagen later werd de eerste grote wet aangenomen: de 'Overgangswet' (Kleine Constitutie). Na drie weken onderhandelen werd de eerste regering gevormd: Mapai, Mizrachi en Hapoel HaMizrachi (religieuze partijen), de Progressieven, en de Sefardiem. De ministeries werden onder de partijen verdeeld. Op 8 maart 1949 werd het nieuw gevormde kabinet en haar programma gepresenteerd aan de Knesset die het op 10 maart 1949 met 73 tegen 45 stemmen aannam. De Knesset moest een grondwet voorbereiden. Maar het ontwerpgrondwet werd door Ben Goerion en de Mapai partij verworpen. Ben Goerion beargumenteerde dat het onjuist zou zijn om al snel een grondwet aan te nemen. De VS had er elf jaar over gedaan en Groot-Brittannië had helemaal geen grondwet. De Israëlische bevolking groeide en Israël moest een einde zien te maken aan de Arabische dreiging. Ook wilden de religieuze partijen dat de Bijbel en de Talmoed de basis zouden vormen voor Israëls wet. Ben Goerion wilde echter geen Kulturkampf tussen religieuze en seculiere Joden. In juni 1950 werd besloten om geen grondwet aan te nemen. In plaats daarvan kwamen Basiswetten die de gezamenlijke constitutie zouden vormen. In de praktijk mislukte dit omdat er geen methode ontwikkeld kon worden om een onderscheid te maken tussen de Basiswetten en de gewone statutaire wetten. In plaats daarvan functioneerde de Kleine Constitutie die het toekomstige beleid ging bepalen.

Wetgeving en uitvoering

Op grond van drie decennia Brits Mandaat in Palestina toonde de Knesset tamelijk veel overeenkomsten met Westminster wat betreft wetgevende macht, supervisie van de regering en bestuur, en het bespreken van binnenlandse en buitenlandse zaken. Israël kende in tegenstelling tot Groot-Brittannië evenwel slechts één kamer waarbij partijen gekozen werden in plaats van individuele leden. Elke partij kende 120 kandidaten. De lijstvolgorde werd bepaald door het centrale comité van de partij.

Op 14 februari 1951 viel het kabinet over de kwestie van religieus onderwijs in de immigranten doorgangskampen. Maar de Knesset had nog geen procedures aangenomen om nieuwe verkiezingen uit te schrijven. Er werd wetgeving ontworpen om de Eerste Knesset te verlengen en de verkiezingen te plannen voor de Tweede Knesset. De Knesset zou voortaan vier jaar blijven zitten. De meerderheid van het werk van de Knesset werd uitgevoerd door negen comités (juridisch, financiën, buitenlandse zaken, nationale veiligheid, etc.). Alle wetsontwerpen werden gevolgd door drie lezingen. Na de laatste goedkeuring werd de nieuwe wet ondertekend door de premier, de verantwoordelijke minister en de president. De oppositie verschafte geen 'schaduwkabinet' zoals in Groot-Brittannië. De oppositie was vaak ook niet eensgezind om een regering te kunnen vervangen. De president die door de Knesset werd gekozen had een ceremoniële functie. In 1951 werd bepaald dat een president 5 jaar kon aanblijven.

Het kabinet werd gevormd door de leider van de grootste politieke partij in de Knesset. De premier koos zijn ministers die genomineerd werden door de coalitie partijen. Dit konden Knesset leden zijn maar ook personen van buiten de Knesset. De regering was verplicht zich voor te stellen aan de Knesset voor een motie van vertrouwen (vertrouwensvotum).

De premier bepaalde de agenda van de kabinetszittingen. Wanneer hij besloot af te treden viel het kabinet. Maar de premier kon geen ministers wegsturen en de president adviseren de Knesset te ontbinden (dat kon alleen de Knesset zelf). Ook zou de val van het kabinet niet automatisch leiden tot verkiezingen. De president zou in dat geval de partijleiders consulteren en uitnodigen om een nieuwe regering te vormen. Wat de macht van de premier het meest beperkte was de coalitieregering zelf. Zo moesten veel concessies gedaan worden waarbij hard onderhandeld werd, formules voor compromissen werden opgesteld, en de premier leiderschap toonde. Wanneer het kabinet toch viel werd het demissionair tot aan de volgende verkiezingen.

Ondanks het balanceren tussen sterkte en zwakte was het kabinet sterk genoeg om de Knesset te domineren: door controle van de parlementaire agenda, en het initiatief van de belangrijkste wetten. Zo kon het het beleid vormgeven en beslissingen nemen over alle cruciale kwesties.

Het rechtssysteem

Het rechtssysteem en de wetten zijn bijna onaangetast overgenomen van het Britse Mandaat door de Kleine Constitutie. Latere Knessets hebben de structuur verfijnd of vergroot maar niet veranderd. Er waren 33 magistraten rechtbanken, 6 gemeentelijke rechtbanken en 11 jeugdrechtbanken. Verder waren er 5 district rechtbanken en 1 Hooggerechtshof. Ook waren er aparte militaire rechtbanken en rechtbanken voor arbeidsgeschillen. Een Knesset wet uit 1953 bepaalde dat alle rechters werden aangewezen door een comité dat bestond uit de minister van justitie, twee Knessetleden, drie rechters van het Hooggerechtshof, twee andere ministers en twee vertegenwoordigers gekozen door de Israël Bar Associatie. De nominaties werden voorgelegd aan de president die de rechters voor het leven benoemde. In 1956 waren ongeveer 100 rechters actief. Aanvankelijk maakten de rechters gebruik van Ottomaanse jurisprudentie en wetgeving ten tijde van het Britse Mandaat. Later werden de Ottomaanse wetten vervangen door Israëlische wetgeving. Ook maakte het Israëlische rechtssysteem gebruik van de Britse Common Law. Tot slot was de Joodse wet uit de Bijbel en de Talmoed een bron van inspiratie.

De Knesset en de pers verzekerden de groei van burgerrechten naar Brits en Amerikaans juridische traditie. Wel was er af en toe beperkte vrijheid op het gebied van openbare veiligheid en censuur.

Wat individuele rechten betrof hadden rabbinale rechtbanken en ook de rechtbanken van moslims en christenen aanzienlijke jurisdictie gedurende de eerste twee Knessets. In 1953 mochten rabbinale rechtbanken ook zaken van “Joodse nationaliteit of bewoner van Israël” behandelen. In 1955 bepaalde de Dayanim Wet dat rechters van rabbinale rechtbanken staatsambtenaren zijn. Burger rechters werden aanbevolen door een speciaal comité: voor de Joden twee opperrabbijnen, twee rabbinale rechters, en enkele leden van de regering en de Knesset. De seculiere meerderheid was hier wel op tegen maar Ben Goerion en de Mapai partij zetten het door om zo steun van de orthodoxe Joden te krijgen bij het regeringsbeleid.

Israël republiek – politieke partijen

De nieuwe Israëlische democratie werd vanaf het begin met een aantal lastige crises opgestapeld. Zo waren er vele partijen met allemaal hun eigen ideologie. Deze waren al ten tijde van de Jisjoev en daarvoor in de Diaspora ontstaan. Het waren Europese ideologieën die nog zo'n tien jaar na de oprichting van Israël in 1948 standhielden. Na 14 mei 1948 streden de partijen om de stemmen te winnen van de nieuwe immigranten. Er werden zelfs mensen uitgezonden om immigranten groepen direct naar partij gecontroleerde dorpen in Israël te sturen die allerlei voorzieningen aanboden: behuizing, werk en andere economische zekerheden. De oriëntaalse Joden waren daar erg gevoelig voor.

Veel politieke partijen

Israël kende vanaf het begin af aan veel politieke partijen:
  • eerste Knesset 1949 – 21 partijen
  • tweede Knesset 1951 – 17 partijen
  • derde Knesset 1955 – 18 partijen
  • vierde Knesset 1959 – 26 partijen

De verschillende tussen de partijen waren niet zozeer qua uitgevoerde economische politiek. Bijna alle partijen richtten zich op de arbeiders. Zo kreeg de liberale Cheroet partij van Menachem Begin veel stemmen van oriëntaalse Joodse arbeiders, terwijl de socialistische Mapai partij van David Ben Goerion stemmen kreeg van de niet-arbeiders klasse. De verschillen waren vooral ideologisch: socialistisch versus conservatief.

linkse partijen

Op rechts waren de ideologische verschillen miniem. Op links waren ze wat groter. Zo was de Mapam (voortkomend uit HaShomer HaZair) marxistisch georiënteerd. Zij was voorstander van een bi-nationale Joods-Arabische staat. In 1948 voegde Achdoet HaAvoda zich, na een breuk met Mapai, bij HaShomer HaZair. Samen met Poalei Zion vormden de drie partijen Mapam. Het programma van Mapam luidde:
  • een klasseloze maatschappij onder leiderschap van de kibboets;
  • gelijkheid voor Israëlische Arabieren;
  • eind aan militair bestuur in Arabische gebieden;
  • 'neutraal' buitenlands beleid (gericht op de Sovjet Unie).

De affiniteit met de Sovjet Unie brak de Mapam uiteindelijk op. In Tsjecho-Slowakije werd in 1951 Mapam leider Mordechai Oren gearresteerd vanwege “Zionistische ondermijning”. Ook werd tegen 14 Tsjechische communisten, waaronder veel Joden, een proces gevoerd vanwege “collaboratie met het internationale Zionisme”. In 1953 vond het artsencomplot in de Sovjet Unie plaats. Al deze zaken leidden ertoe dat bij de verkiezingen in 1953 voor de derde Knesset de Mapam helemaal wegzakte. Dr. Moshe Sneh, een oud Hagana commandant, richtte een nog radicalere partij op: de Linkse Socialisten. De partij ging later op in de Communistische Partij. De 'rechtervleugel' van de Mapam reïncarneerde zich in de Achdoet Avoda. In 1955 was Mapam nog maar de zesde partij. Achdoet Avoda was evenals Mapam tegen militair bestuur in Arabische gebieden maar richtte zich niet op de Sovjet Unie. Hoewel in de partij populaire figuren als Yigal Allon en Israel Galili zaten bleef het de tweede partij achter Mapai in de Histadroet (vakbond). In de Knesset gooide het geen hoge ogen.

rechtse partijen

Naast de Cheroet was de Algemene Zionistische partij een belangrijke kracht op rechts of eigenlijk in het midden. In 1951 wist het 22 zetels in de Knesset te bemachtigen. Maar in 1959 was het nog maar de vijfde partij in de Knesset.

De Progressieven behoorden ook tot rechts. Zij richtten zich op de middenklasse maar hadden veel aandacht voor werk en sociaal welzijn. Ook waren zij gematigd t.o.v. de Arabieren. De partij steunde vaak Mapai wetgeving en maakte deel uit van de Mapai regeringscoalitie. In 1949 was het nog de zesde partij, maar in 1955 de negende.

Mapai grootste partij

Mapai bleef lang de grootste partij in de Knesset:
  • 1949: 46 zetels
  • 1951: 45 zetels
  • 1955: 40 zetels
  • 1959: 47 zetels

Mapai zorgde voor de groei van de vakbond Histadroet, de Hagana en de uiteindelijke overwinning tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog. Dit verklaarde waarom de Mapai zo populair was onder de Israëlische bevolking. Ook had het in de Jisjoev twee lessen geleerd;
  1. flexibiliteit boven dogma;
  2. de controle over belangengroepen i.h.b. de Histadroet en de Jewish Agency.

Verder voerde de Mapai grote invloed uit op de absorptie van de nieuwe immigranten, ook de Oriëntaalse Joden. Wel bleef het leiderschap van de Mapai in handen van de Ashkenazische veteranen.

Israël republiek – coalitieregering

Israël kende vanaf het begin coalitieregeringen. Dit was al traditie sinds de Zionistische Congressen waar de meeste partijen in de uitvoerende raad zaten en waar zich geen oppositie ontwikkelde. De coalitievorming inzake de toewijzing van ministeries was zwaar. Het ging niet alleen om het aantal portefeuilles maar ook om welke. Zo wilde premier David Ben Goerion dat zijn Mapai partij altijd de ministeries van defensie, buitenlandse zaken en financiën kreeg. Hier wilde hij niet over onderhandelen. Maar soms gaf hij toe, vooral in het geval van de religieuze partijen.

Periode 1949-1960: negen constitutionele regeringen

Israël kende in de periode 1949-1960 negen constitutionele regeringen. Elk van deze regeringen bestond uit Mapai met enkele andere partijen in de coalitie. Mapai regeerde liever met de religieuze partijen dan met Cheroet of de communisten. Cheroet werd afgewezen vanwege haar economische beleid. Toch duurde het samenstellen van een coalitie vaak drie tot vier maanden. En de coalities hielden ook niet lang stand: tussen de vier en zesentwintig maanden. Geen enkele regering hield vier jaar stand. Slechts twee keer hoefde de Knesset ontbonden te worden.

Eerste kabinetscrisis in oktober 1950

De eerste kabinetscrisis vond in oktober 1950 plaats. Er waren meningsverschillen bij het ministerie van voorraad en rantsoen. Premier David Ben Goerion trad af en vormde een tweede regering met ogenschijnlijk geen verandering in zijn kabinet. Maar dat kabinet sneuvelde al in februari 1951 over religieus onderwijs in de ma'abarot (de tijdelijke kampen voor nieuwe immigranten). De religieuzen wilden onderwijs jurisdictie over de Jemenitische kinderen. Mapai weigerde dat en de religieuzen trokken daarop steun aan Ben Goerion in. Nu moesten er wel nieuwe verkiezingen gehouden worden.

Tweede Knesset juli 1951

De stemming voor de Tweede Knesset vond in juli 1951 plaats. Het nieuwe parlement werd eind augustus geïnstalleerd. Het duurde Ben Goerion zes weken om een nieuwe coalitie te smeden, Israëls derde kabinet. Het was hetzelfde kabinet als de vorige -even onstabiel- m.u.v. de Progressieven die later meededen. De religieuze partijen kregen nu vier ministeries in plaats van drie. Ook slaagden zij erin om een ban te leggen op de invoer van non-kosher voedsel en staatssteun te krijgen voor religieuze scholen. In december 1952 ontstond een nieuwe crisis. De religieuze Agoeda partij trok zich uit de coalitie vanwege de kwestie van nationale dienstplicht voor orthodox Joodse vrouwen. Ben Goerion ging een vierde kabinet vormen met de Algemeen Zionisten en de Progressieven. Maar de Algemeen Zionisten trokken zich een jaar later uit de coalitie terug. Ze wilden dat de invloed van politiek op staatsscholen verdween. Mapai kwam aan de eis tegemoet en de Algemeen Zionisten keerden in de coalitie terug. Maar premier David Ben Goerion was het politieke getouwtrek zat en vertrok als premier.

Moshe Sharett premier

De volgende twee jaar was Mosh Sharett de nieuwe premier van Israël. In juni 1955 viel zijn regering omdat de Algemeen Zionisten uit het kabinet stapten vanwege de Kastner affaire. Sharett bleef nog twee maanden demissionair premier in afwachting van de verkiezingen van de Derde Knesset.

Derde Knesset – David Ben Goerion opnieuw premier

Na de verkiezingen voor de Derde Knesset keerde David Ben Goerion als premier terug. De coalitieonderhandelingen duurden drie maanden. De Algemeen Zionisten werden vervangen door Mapam en Achdoet HaAvoda.

Het werd steeds duidelijker dat een coalitieregering de minst ideale methode was om het land, dat geteisterd werd door economische en veiligheidsproblemen, te regeren. Mapai bleef echter aan de macht en nam de sleutelposities in. Ook het feit dat Ben Goerion bijna altijd premier was, op tweeëntwintig maanden na, gaf wat stabiliteit. Verder functioneerde de democratie goed. De verkiezingen verliepen eerlijk.

Toch waren er tekortkomingen. Knessetleden vertegenwoordigden geen lokale belangen. Ze pasten zich aan aan het centrale comité van hun partij. Ook konden kleinere partijen de grotere partijen makkelijker chanteren om concessies te doen. Ook was er geen efficiënt bestuur. Een minister werd vaak omringd door plaatsvervangende ministers van een andere partij en de ministers waren niet bereid hun taken te delegeren. Nadeel van de coalitieregering was dat prioriteit gegeven werd aan de vereisten van tactisch consensus boven de noodzaak tot oplossingen te komen op de lange termijn.

De bureaucratie in Israël

De tekortkomingen van de Israëlische democratie werden door de burgers gevoeld in de wachtkamers van de overheidsinstanties. Dit had mede te maken met de chaos die was ontstaan na het Britse vertrek uit Palestina en de Arabische invasie van Israël. Overheidspersoneel waren uit vier bronnen afkomstig:
  • Joden die in de lagere regionen van het Britse Mandaat bestuur hadden gediend;
  • functionarissen van de Jewish Agency;
  • functionarissen van de Va'ad Le'umi;
  • functionarissen van verschillende politieke partijen.

Alleen het leger en het rechtssysteem werden niet beïnvloed door de politiek. Maar bij de verdeling van nieuwe banen was de politieke invloed wel groot. Ook de vakbond Histadroet en de Jewish Agency werden door de politiek beïnvloed. Overigens verdienden topambtenaren niet veel meer dan de lagere geschoolde arbeiders. De staat van de overheidsgebouwen was slecht. Vaak waren de gebouwen barakken. Er werd van half acht in de ochtend tot half drie 's middags gewerkt. De invloed van de Histadroet was groot.

In 1950 werd wel een burgerdienst commissie opgericht die werkbare procedures ging opstellen. Er werden examens gehouden en elk ministerie kreeg een opleidingsafdeling. De nationale ombudsman ging ministeries en overheidsinstanties controleren. Toch zou de bureaucratie nog tot de jaren '70 van de vorige eeuw voortduren.

Vanaf de beginjaren bestond er vijandigheid tegenover de Mapai gedomineerde regering. De belangrijkste bron van vijandigheid was de rechtse Cheroet partij. Deze kwam voort uit de Revisionistische beweging van Jabotinsky en de Irgoen Zwai Le'umi. Cheroet bleef haar eisen van vóór 1948 handhaven: Israël moest zich volledig uitbreiden naar haar 'historische' grenzen aan beide zijden van de rivier de Jordaan, westers georiënteerd zijn en een kapitalistische staat zijn. Verder pleitte het voor massa immigratie en een geschreven grondwet om politieke stabiliteit te creëren.

Oost Europese middenklasse en Oriëntaalse Joden

Aanvankelijk had de Cheroet aanhang bij de Oost Europese middenklasse die in grotere steden van Israël woonden. Maar vanaf beginjaren '50 van de vorige eeuw concentreerde het zich op de Oriëntaalse Joden die naar Israël waren gekomen en die werden uitgesloten door de gevestigde orde van Ashkenazische Joden. Ook deelden ze het anti-Arabische standpunt Cheroet deelden. Cheroet werd zo de belangrijkste oppositiepartij. In 1949 haalde het nog 14 zetels (derde partij), maar in 1951 behaalden ze nog maar 8 zetels. Menachem Begin, leider van de Cheroet, nam daarop een radicalere houding aan.

West Duitse herstelbetalingen

In 1950 had premier David Ben Goerion de beslissing genomen om bij de West Duitse regering een verzoek tot herstelbetalingen in te dienen. Bonn was bereid om over de kwestie te onderhandelen. Het geld was bestemd voor de opvang van honderdduizenden overlevenden van de Nazi terreur. Het was onder geen beding een 'compensatie' voor de dood van miljoenen Joden. Toch sprak de Israëlische opinie al snel over 'bloedgeld'. In de Knesset werd extreem fel gedebatteerd over deze kwestie. De Algemeen Zionisten, Mapam en de communisten waren tegen. Maar vooral de Cheroet was fel gekant tegen onderhandelingen met Duitsland. Tijdens een grote demonstratie op Het Zionsplein in Jeruzalem zei Menachem Begin tegen de 15.000 demonstranten dat het ging om een oorlog tussen leven en dood. De betogers doorbraken het politie cordon en marcheerden naar de Knesset. Auto's werden in brand gestoken en de Knesset werd met stenen bekogeld. Begin noemde Ben Goerion in de Knesset “een fascist en een hooligan.” Ben Goerion gaf het leger het bevel om de menigte tegen te houden en te verspreiden om zo de orde te herstellen. Er werd in Israël gevreesd voor een burgeroorlog. Ben Goerion kreeg met 61 tegen 50 stemmen het vertrouwen van de Knesset. Begin bond in en accepteerde dat hij vijftien maanden niet in de Knesset aanwezig mocht zijn. Maar de acceptatie was vooral een politieke tactische zet.

De Kastner affaire

Op 1 januari 1954 vond een historische rechtszaak plaats in de rechtbank van Jeruzalem. Malkiel Greenwald, een Hongaarse Jood (27), werd beschuldigd van laster tegen een lid van de regering. Greenwald was in 1938 naar Palestina geëmigreerd en lid geworden van de Mizrachi partij. Tien jaar later was hij een nieuwsbrief begonnen dat zich specialiseerde in geruchten over corruptie onder het leiderschap van Mapai. In 1944 kreeg hij een boete. In 1953 viel hij dr. Rudolf Kastner aan die directeur was van public relations voor het Israëlische ministerie van handel en industrie. Kastner werd door Greenwald beschuldigd van collaboratie met de Nazi's.

Gedurende de oorlog was Kastner voorzitter van het Joodse Redding Comité in Boedapest. Een lid van het comité, Joel Brand, had een ontmoeting met Adolf Eichmann in het Majestic Hotel in Boedapest. In het gesprek stelde Eichmann voor om 800.000 Hongaarse Joden te sparen in ruil voor oorlogsmateriaal van de Geallieerden. Brand vloog naar Turkije om met afgezanten van de Geallieerden en de Jewish Agency te overleggen. Ondertussen begon de massadeportatie van 12.000 Hongaarse Joden per dag. Kastner, die niet op de hoogte was van de gevangenneming van Joel Brand door de Britten, onderhandelde met Eichmann voor meer tijd. Kastner bereikte niets, maar het lukte hem wel om een beperkt aantal Joden naar Zwitserland te laten emigreren. Kastner gaf Eichmann de namen van1685 Hongaarse Joden. Maar 434.000 Hongaarse Joden werden in Auschwitz vermoord.

Tijdens de verhoren in de rechtszaal gaf Karstner toe in Nuremberg voor één van de Nazi functionarissen getuigd te hebben met wie hij in Boedapest had onderhandeld. Tijdens het kruisverhoor door de advocaat van Greenwald, Shmuel Tamir (een voormalig Etsel commandant in Jeruzalem), werd Karstner gevraagd waarom hij de Hongaarse Joden niet had gewaarschuwd. Verder maakte Tamir bekend dat de Joden die gered waren door Karstner goede bekenden van hem waren. Steeds meer overlevenden van Nazi-Duitsland beseften dat ze verraden waren door iemand van hun eigen volk en die ook nog een hoge positie binnen de Mapai had. Rechter Benjamin Halevi oordeelde dat Karstner niets had gedaan om de Hongaarse Joden te waarschuwen. Halevi vond dat Karstner gecollaboreerd had. Greenwald werd grotendeels vrijgesproken van smaad

Aftreden premier Moshe Sharett

De uitspraak was een grote schok. De regering besloot om in hoger beroep te gaan. Cheroet besloot vier dagen later een motie van wantrouwen in te dienen tegen de regering. De motie werd verworpen. Maar de Algemeen Zionisten, die deel uitmaakten van de regering, onthielden zich van stemming en trok zich uit de coalitie. Premier Moshe Sharett trad af maar bleef demissionair premier tot aan de verkiezingen. Cheroet had de Karstner affaire, evenals andere zaken, gebruikt om Mapai zwart te maken. Bij de nieuwe verkiezingen kreeg de Cheroet 15 zetels en werd de tweede partij van het land.

Maar in 1957 werd Karstner neergeschoten door drie mannen die bewonderaars waren van Lechi. Ze bezaten veel wapens en hadden extreem rechtse opvattingen. Iedereen in Israël realiseerde zich dat demagogie zeer bedreigend was. Maar mede dankzij de succesvolle Sinaï campagne verdween de angst in Israël. De strijd tussen rechts en links zwakte af.

Israël republiek – religie en staat

Naast de strijd tussen rechts en links in de politiek was er nog een andere strijd gaande: religieuze versus seculiere Joden. Zowel in de VN resolutie als de Onafhankelijkheidsverklaring zagen we dat vrijheid van godsdienst gewaarborgd is. In Israël bestond een ministerie van religieuze zaken met speciale afdelingen voor Jodendom, christendom en islam (en later ook Druzen). Het ministerie had als taak de religies te beschermen en zelfs te subsidiëren. Het Joodse departement was de grootste alsook de uitgebreidste in haar activiteiten. Het organiseerde faciliteiten voor religieus leven in nederzettingen, bouwde en onderhield synagogen en jesjivot, etc.

Religieuze partijen

Aanvankelijk kende Israël vier religieuze partijen:
  • Agoedat Israël (anti-Zionistisch)
  • Poalei Agoedat Israël (anti-Zionistisch)
  • Mizrachi (Zionistisch)
  • Hapoel HaMizrachi (Zionistisch)

Deze vier partijen hadden nauwe banden met het ministerie van religie, het Opperrabbinaat, de religieuze rechtbanken, de rabbinale rechtbank, en zelfs de lokale religieuze raden. Het leiderschap van de partijen bleef in Ashkenazische handen zelfs toen Oriëntaalse Joden zich aansloten.

Mizrachi en Hapoel Mizrachi

Mizrachi was de oudste en grootste van de religieuze partijen. Het was een Ashkenazische partij die zich niet met economische zaken bezighield. Het steunde de socialistische Mapai in ruil voor concessies op religieus gebied. Mizrachi maakte tot 1974 deel uit van elke Israëlische regering. Hapoel Mizrachi hield zich wat meer met landbouwnederzettingen bezig en steunde Mapai ook in ruil voor concessies. In 1955 gingen Mizrachi en Hapoel Mizrachi samen de verkiezingen in. In 1956 werden ze één partij: de Nationaal Religieuze Partij.

Agoedat Israël en Poalei Agoedat Israël

Agoedat Israël vertegenwoordigde de orthodoxe Joden en hield zich vooral bezig met het bouwen van jesjivot en het bevorderen van orthodox onderwijs. De enige reden dat de partij in de Knesset zat was vanwege de mogelijkheden die de staat bood. Verder bleef de partij fundamentalistisch. De Poalei Agoedat Israël was redelijk tolerant ten aanzien van seculier Joden. Tegen 1955 had het zo'n 15 agrarische dorpen en een agrarische school opgericht. De leden deden af en toe mee met vakbond activiteiten (geen Histadroet). De kinderen gingen evenwel naar Agoeda scholen. In 1955 gingen Agoedat Israël en Poalei Agoedat Israël samen: het Tora Religieuze Front.

De religieuze partijen waren een belangrijke factor in de Knesset

De vier religieuze partijen werkten samen en kregen zo'n 12-13 procent van de stemmen. Ze waren bereid Mapai te steunen in ruil voor inwilliging van hun (religieuze) eisen. Mapai werkte liever samen met de religieuze partijen dan met de rechtse partijen in verband met verschillende economische standpunten.

Samenwerking socialisten en religieuzen

Naleving Shabbat

De samenwerking tussen Mapai en de religieuze partijen leidde ertoe dat in de grotere Joodse steden (m.u.v. Haifa) Shabbat wetten van kracht werden. Het openbare leven lag in die steden plat gedurende de Shabbat. En dat gold ook voor de rest van het land. Ook werd de invoer van niet-kosher voedsel geweerd behalve voor de christelijke bevolking. Ook mochten geen varkens worden gehouden en varkens producten worden verkocht.

Premier Ben Goerion voldeed aan de eisen van de religieuze partijen om steun te krijgen om Israël te verdedigen. Hij vond de status quo een kleine opoffering. Maar die opoffering was niet klein wat betreft het toekomstige karakter van de Joodse staat. Hierbij ontstonden confrontaties tussen de seculiere en religieuze partijen. In 1949 ging het over de kwestie van religieus onderwijs in de immigranten kampen.

onderwijssysteem: staatsscholen en religieuze staatsscholen

Tijdens de Mandaat Periode was er een gescheiden onderwijssysteem: Histadroet, Algemeen Zionisten en Mizrachi. Dit systeem werd na de oprichting van de Joodse staat gehandhaafd. Maar de orthodoxe Joden wilden dat de traditionele Jemenitische Joden religieus onderwijs kregen. Mapai capituleerde en de Jemenitische Joden gingen naar Mizrach scholen. Maar wat onderwijs op de ma'abarot betreft wilde Mapai niet toegeven. Hierop besloten de religieuze partijen uit de coalitie te stappen. Toch moest Ben Goerion na de verkiezingen opnieuw met de religieuze partijen opnieuw samen regeren. Mapai stond toe dat religieuze scholen dezelfde status kregen als seculiere scholen als onderdeel van het onderwijsprogramma. Uiteindelijk kwam in 1953 de Staat Onderwijs Wet tot stand. Er kwamen staatsscholen en religieuze staatsscholen. De staat bepaalde 75% van het curriculum. De religieuze staatsscholen mochten 25% zelf invullen. In de praktijk werden de religieuze staatsscholen door orthodoxe raden bestuurd. De Agoedat religieuze scholen kregen van de gemeenten financiële steun.

geen dienstplicht maar wel nationale dienstplicht voor orthodoxe Joodse vrouwen

Ook de Defensie Dienst Wet (1952) was een capitulatie aan de orthodoxe Joden. De orthodoxe Joodse vrouwen hoefden geen militaire dienstplicht te vervullen. Toch moesten zij wel nationale dienstplicht vervullen (onderwijs, zorg, etc.). Ze hoefden geen militair tenue te dragen en mochten 's avonds naar huis. Maar onder druk van de orthodoxie hoefden veel vrouwen uiteindelijk ook geen nationale dienstplicht vervullen.

situatie in Jeruzalem

De invloed van de orthodoxie in Jeruzalem, waar een derde van de bevolking orthodox Joods was, was groter dan in de rest van Israël. Bij de gemeenteraadsverkiezingen kwamen zij als grootste uit de bus. Zo slaagden ze erin om 100% subsidie te krijgen voor de Agoeda scholen. Ook zorgden ze voor belastingverlichting voor hun aanhang. En het belangrijkste waren de koshere wetten en de handhaving van de Shabbat in Jeruzalem.

Overigens wisten de orthodoxe Joden de stad niet goed te besturen. Ze konden niet goed omgaan met 'gewone' zaken zoals straatverlichting, het ophalen van vuilnis, belastingheffing, etc. Tegen 1955 werd de situatie onhoudbaar en vertrokken veel inwoners naar Tel Aviv en andere plaatsen. De eerste burgemeester (Kariv) werd ontslagen door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Vier maanden lang bestuurde een speciaal aangesteld comité de stad. Bij de nieuwe verkiezingen won Mapai en werd een seculiere burgemeester (Gershon Agronsky) aangesteld. Maar de strijd tussen seculiere en orthodoxe Joden ging gewoon door.

Israël republiek – Arabische minderheid

In het testimonium voor de UNSCOP in 1947 gaven de Zionisten aan dat de Arabische minderheid in de voorgestelde Joodse staat volledige burgerlijke, nationale en culturele rechten zouden krijgen. Dit stond ook in de Onafhankelijkheidsverklaring. Maar er gebeurden twee ontwikkelingen die de situatie wat anders maakten. Ten eerste de vlucht van vele Arabieren naar het buitenland. En ten tweede de Arabische invasie van Israël.

Situatie na de oorlog van 1948-1949

Na afloop van de oorlog 1948-1949 bleven nog zo'n 156.000 Arabieren in de nieuwe Joodse staat achter. Dit aantal zou in de daarop volgende jaren al snel verviervoudigen. Ze leefden in zo'n honderd dorpen en steden en in vijf gemengde steden -Akko, Haifa, Jaffo, Ramle en Jeruzalem- waar Joden de meerderheid vormden.

De meeste Arabieren (60%) woonden in Galilea en een aanzienlijk aantal (20%) woonde in de zogeheten 'Kleine Driehoek' bij de grens met Jordanië. Ongeveer 7% woonde in Haifa en de Negev. De Arabische bevolking woonde dicht bij Israëls bestandslijnen in de buurt van landen die nog steeds uit waren op de vernietiging van Israël.

Arabische minderheid in Israël begin jaren '50

Legenda
A. Galilea
B. Kleine Driehoek
C. Haifa
D. Ramle
E. Jeruzalem
F. Akko
G. Jaffo

Behoud van eigen Arabische cultuur en handhaving rechten

Israël stond toe dat de Arabieren hun eigen cultuur konden behouden. Ook kregen Arabieren veel rechten in de nieuwe Joodse staat. Zo konden de Arabieren stemmen en konden ze gekozen worden in de Knesset, hun eigen politieke partijen organiseren, kritiek leveren op de regering, hun eigen kranten drukken en hun kinderen naar Arabische scholen sturen. Verder hadden ze toegang tot de openbare voorzieningen in Israël en ook tot de rechtbanken. Verder hadden de moslims hun eigen rechtbanken. De rechters (cadis) werden uitbetaald door de staat. De waqfs kwamen wel onder het bestuur van het ministerie van religie. Verder hoefden de Arabieren geen dienstplicht vervullen.

Handhaven banden met de Arabische vluchtelingen

Omdat de Israëlische Arabieren banden bleven onderhouden met de Arabische vluchtelingen werd pas in 1952 de Israëlische nationale wetgeving voor hen van kracht. Dus vier jaar lang waren de Arabieren geen officiële burgers van Israël. Ook had Israël in 1950 de Wet op de Terugkeer aangenomen. Deze gaf Joden waar ook ter wereld het recht om in Israël te komen wonen. Dit recht gold echter niet voor Arabieren. Dus de Arabieren stemde voor de eerste en tweede Knesset op basis van woonplaats en niet op basis van nationaliteit. Pas in 1952 werd de Nationaliteit Wet aangenomen. De Israëlische nationaliteit kon op vier manieren worden verkregen:
  • immigratie
  • geboorte
  • woonplaats
  • naturalisatie

Immigratie had alleen betrekking op Joden. De andere drie manieren om de Israëlische nationaliteit te verkrijgen golden voornamelijk voor Arabieren. Overigens was de voorwaarde van woonplaats erg moeilijk voor Arabieren om te vervullen. Veel kleine boeren (fellahin) hadden geen bewijs dat ze Palestijn waren. Velen van hen kwamen uit naburige Arabische landen en hadden zich zonder toestemming in Palestina gevestigd. De Nationaliteit Wet van 1952 leidde op die manier tot veel ongenoegen bij de Arabieren.

Wet en Administratie Verordening – militair bestuur

Na de oorlog van 1948-1949 trad meteen de Wet en Administratie Verordening in werking. Deze bood de minister van defensie de mogelijkheid om noodmaatregelen te nemen en stamde nog uit de Britse Mandaat Periode. Er gold dus een militair bestuur in de gebieden waar veel Arabieren woonden. Dit gaf het Israëlische leger de mogelijkheid om er 'veiligheidszones' te vestigen om zo infiltratie uit Arabische landen tegen te gaan. Zo werden grensdorpen als Sha'ab al-Birwah, Um al-Faraj en Majdal (Migdal) ontruimd. Ook Ikrit in Westelijk Galilea moest het ontgelden. In totaal moesten ongeveer 1500 Arabische inwoners verhuizen.

Het militair bestuur had een grote invloed op de Arabische sector: huiszoekingen, militaire rechtbanken, landonteigening, etc. Maar dit gebeurde in de praktijk alleen bij ernstige dreigingen. De enige maatregel die wel jaren duurde was de beperking op bewegingsvrijheid tussen steden en dorpen. Arabieren moesten hiervoor toestemming krijgen van het leger. Hoewel bijna altijd toestemming werd gegeven was het voor de Arabieren tijdrovend en vernederend. Maar Israël deed het om veiligheidsredenen omdat de Israëlische Arabieren via de radio propaganda uit Arabische landen konden horen. Toch werd vanaf midden jaren '50 het militaire bestuur minder streng. De rechtbank hield ook veel beslissingen van het leger tegen.

Israël republiek – landonteigening Arabieren

Een groot probleem tussen Joden en Arabieren in de beginjaren van de moderne staat Israël was de strijd om land. Israëls grondpolitiek leidde tijdelijk tot een aanzienlijke klap voor de Arabische economie. Volgens het VN-verdelingsplan mocht er geen Arabische grond onteigend worden behalve voor openbare doeleinden. In alle gevallen van onteigening moest compensatie betaald worden. Maar in december 1948 kwam Israël met de 'afwezigheid eigendom regelingen'. Dit was om te voorkomen dat Arabieren konden terugkeren, inclusief de Arabieren die nog in Israël wonen maar hun bezittingen hadden achtergelaten vanwege de oorlog.

Afwezig eigendom

Israël richtte een Ontwikkeling Autoriteit op die voormalig Arabische grond en gebouwen opkocht van de Beheerder van Afwezig Eigendom. De Ontwikkeling Autoriteit verhuurde het land en ander eigendom aan verschillende kibboetsiem en moshaviem of -in geval van eigendom in de stad- aan individuele Joden.

Binnen twee jaar tijd werden de regelingen van 'afwezig eigendom' ook toegepast bij confiscatie van bijna 40% van het land dat behoorde tot de wettelijke Arabische inwoners van Israël. De slachtoffers van dit beleid vielen in twee categorieën:
  1. Arabieren die uit zeer gevoelige 'veiligheidszones' werden weggehaald. Het ging om ongeveer 1500 individuen. Velen kregen pas na jaren een nieuw stuk land toegewezen.
  2. Ongeveer 30.000 Arabieren die voor het oorlogsgeweld waren gevlucht maar met de bedoeling weer terug te keren naar hun dorpen en steden. Zij werden sinds de regelingen van december 1948 als 'afwezig' geclassificeerd. Zo werden Arabieren die de stad Akko waren ontvlucht naar dichtbij gelegen gebied van hun grond onteigend. Hetzelfde gebeurde in Lod, Ramle en Jeruzalem. Het ging om 'interne vluchtelingen' en zij bezaten 300.000 dunams aan land.

Kritiek op de Israëlische landonteigening

Van Joodse zijde kwam er kritiek op de Israëlische grondpolitiek. Een gerespecteerd lid van de Mapai, Moshe Smilansky, schreef in november 1949 in HaAretz dat Israël beschuldigd zou worden van diefstal en dat het geweten en de wet van het land zouden worden aangetast. De groeiende binnenlandse en buitenlandse druk leidde ertoe dat de regering een commissie instelde om met de Arabieren te onderhandelen. Dit leidde tot een aantal gebaren van de Israëlische overheid. Zo kregen 67 Arabieren uit Jaffa, Haifa en Jeruzalem geheel of gedeeltelijk hun bezittingen terug. De Beheerder gaf 209 certificaten uit om grond aan de eigenaren terug te geven. De regering voerde nog meer veranderingen door. De Beheerder werd voor het eerst verplicht de bron van zijn informatie inzake de status van de afwezigen bekend te maken. De definitie van afwezig werd beperkt tot alleen die Arabieren die de Joodse staat waren ontvlucht. Dus het gold niet meer voor de interne vluchtelingen. Het betrof evenwel de grenzen van de Joodse staat zoals die door de VN op 29 november 1947 waren bepaald. Dus niet veel Arabieren konden van de wijzigingen profiteren. Ook werd het recht van de Beheerder om bedrijven over te nemen beperkt (alleen nog wanneer 50% van de Arabische eigenaren niet meer aanwezig was).

Maar minister van financiën Eliëzer Kaplan benadrukte dat Israël rekening moest houden met haar eigen veiligheid. Het land werd omringd door vijanden. Volgens Kaplan moest veiligheid de beslissende factor zijn m.b.t. afwezig eigendom.

Veel van de 300.000 dunams land dat onteigend was bleef onbebouwd. De Arabieren vroegen aan de regering of die grond niet kon worden teruggegeven aan de eigenaren om te bebouwen. De regering stemde hiermee in. De Beheerder verhuurde binnen twee jaar zo'n 100.000 dunams aan 5000 'afwezige' gezinnen in honderd dorpen.

Land Acquisitie Wet uit 1953

In 1953 nam de Israëlische regering de Land Acquisitie Wet aan. Hierin stond dat de Arabieren gecompenseerd zouden worden voor de onteigening van 300.000 dunams grond tussen 4 mei 1948 en 1 april 1952. De landloze Arabische boeren konden kiezen voor financiële compensatie of het huren van een alternatief stuk grond. De cash betalingen waren gebaseerd op de waarde van de grond in januari 1950. Maar vanwege de inflatie was de grond minder waard geworden. Na veel gesteggel besloot de regering er 3% per jaar bij te voegen. Veel Arabieren weigerden desondanks in te gaan op het aanbod. Toch heeft een derde het tegen 1956 geaccepteerd. In 1958 werd een acceptabele oplossing gevonden.

Nog meer economische problemen voor de Arabieren

De Arabieren hadden behalve hun landonteigening nog meer economische problemen. Ze konden niet makkelijk aan het werk komen omdat de Joden hen niet vertrouwden. Zo wilde de vakbond Histadroet zich niet inzetten voor gelijke arbeidsrechten voor de Arabieren. Ook waren de Arabieren veel geld en tijd kwijt aan het reizen tussen hun dorpen en hun werk in Haifa/Tel Aviv omdat ze geen huizen konden huren in deze steden.

Maar vanaf midden jaren '50 zou alles veel beter gaan worden voor de Arabieren in economisch opzicht. Toch waren de beginjaren van de Joodse staat moeilijk voor zowel Arabieren als de Mizrachi Joden.



Visie van Etsel

Het is duidelijk dat Israël in de beginjaren niet goed raad wist met de Arabische minderheid. Er waren feitelijk twee problemen. Ten eerste bestond er vijandschap tussen beide bevolkingsgroepen die reeds aanwezig was vóór de oprichting van de Joodse staat. En ten tweede moest Israël nog helemaal worden opgebouwd en was de situatie voor iedereen moeilijk.

Over de vijandschap tussen Joden en Arabieren moet niet lichtzinnig gedacht worden. Veel Arabieren hadden banden met Arabieren die naar het buitenland gevlucht waren en die samen met de inwoners van de landen waarin ze woonden de strijd tegen Israël voorzetten. Israël moest in de beginjaren wel een militair bestuur handhaven in de gebieden waar Arabieren woonden. Toch zien we dat de Joodse staat eigenlijk al tamelijk snel probeerde om de Arabische minderheid te laten integreren binnen de Israëlische samenleving. Dit was ook de beste tactiek om spanningen te voorkomen.

Wat betreft de opbouw van de Joodse staat kan gemeld worden dat Israël een moderne staat wilde worden. Dit streven botste met de traditionele Arabische samenleving die nog lang niet zover was. Er was dus een spanningsveld tussen een moderne en een traditionele samenleving. Op die manier ontstond al snel een sociaal-economische kloof tussen Joden en Arabieren. Overigens was die kloof in de beginjaren ook merkbaar tussen Ashkenazische en Sefardische Joden. Van echte discriminatie van Arabieren in de zin van racisme is geen sprake geweest. Veeleer speelden veiligheid en de spanning tussen modern-traditioneel een rol.

Israël republiek – beleid t.a.v. Arabieren

Israël voerde in haar beginjaren geen goed beleid uit t.a.v. haar Arabische bevolking. Dit was zowel de oorzaak als het gevolg van overlappende benaderingen door de overheid. De ministeries van politie en defensie en het kantoor van de premier hielden zich bezig met de veiligheid. Andere ministeries hielden zich bezig met het verbeteren van de kwaliteit van de Arabische samenleving. Maar het was moeilijk om om te gaan met een grote minderheid.

Onderwijs Arabieren

Voor het eerst kreeg elk Arabisch dorp een lagere school. Het aantal scholen nam toe van 59 in 1948 tot 114 in 1956. Het aantal leraren steeg van 250 naar 846 en het aantal leerlingen van 10.000 naar 26.500. En dit gebeurde in de wetenschap dat de Arabische bevolking nu veel kleiner was dan gedurende de Mandaat periode. Ook het aantal Arabische meisjes dat onderwijs kreeg steeg van 2% in 1949 tot 40% in 1956. Ook moesten leraren bijgespijkerd of opgeleid worden. Het ministerie van onderwijs hield rekening met de Arabische cultuur. Zo bleef Arabisch de eerste taal en werd Hebreeuws als tweede taal gedoceerd. Literatuur en geschiedenis richtten zich op het Arabisch cultureel erfgoed. Er waren geen Joodse onderwerpen in het curriculum, behalve wat basale feiten over de Israëlische samenleving. Maar los van het feit dat niets over het Zionisme werd onderwezen mochten de Arabische leraren ook niets onderwijzen over het Arabisch nationalisme.

Lokale belastingen

Onder het Britse Mandaat kregen de Arabische gemeenschappen allerlei voorzieningen van de Britten. Onder Israëlisch bestuur moesten de Arabische gemeenschappen zelf belastingen gaan heffen. In gevallen waar dit geweigerd werd moest Israël dit verplichten door zelf belastingen te gaan heffen. Dit leidde af en toe tot onrust en moest de politie ingeschakeld worden.

Onderliggend probleem hierbij was een politieke strijd binnen de Arabische gemeenschappen waar familie clans nog steeds de baas waren. De jeugd verzette zich hier tegen. En dat uitte zich ook in verzet tegen de Israëlische overheersing.

Ontbreken van een politiek kader

Er ontbrak ook een politiek kader omdat de beste woordvoerders -de families Hoesseini en Nashashibi- in 1948 waren vertrokken. De Arabieren waren nu afhankelijk van Joden op het gebied van politiek. Zo werden ze aangetrokken door de Israëlische communistische partij Maki wier ideologie niet Zionistisch was. Maki streed aanvankelijk voor onafhankelijkheid van de Israëlische Arabieren. Maar later verschoof dit naar autonomie. Toch trok Maki weinig stemmen. Ook het beleid van de socialistische Mapam partij trok niet veel Arabieren. Ironisch genoeg waren Arabieren wel enthousiast over Mapai die juist de oorzaak was van Arabische wrok. Mapai steunde Arabische kieslijsten zoals de Israëlische Arabieren (Nazareth en Galilea), de Landbouw en ontwikkeling Partij (Westelijk Galilea en de Druzen). Deze partijen verdedigden de belangen van Mapai en waren gelijk verdeeld met moslims, christenen en Druzen. De meeste kandidaten waren invloedrijke notabelen. Ze waren mild en eisten niet veel. Ze richtten zich op lokale en gemeenschap programma's.

Na de schok van de oprichting van de Joodse staat te zijn bovengekomen deden de Arabieren al snel mee met de nationale verkiezingen. Al in 1949 stemde 79,3% van de Arabische kiezers. Hiervan stemde 51,7% op één van de vier Arabische partijen die door Mapai en Mapam werden gesteund. Op Maki stemde 22,2%. Op de Partij van Oriëntaalse Joden stemde 11,4%; en 9,6% stemde op Mapai. Zo kreeg Mapai in totaal 61,3% van de Arabische stemmen.

In latere verkiezingen beleef de Arabische affiniteit met Mapai gehandhaafd. De gekozen Arabische Knessetleden hielden zich nauwelijks bezig met algemene zaken maar meer met Arabische aangelegenheden: verbeteren van de levensstandaard voor Arabieren, grotere budgetten voor infrastructuur, en meer werkgelegenheid voor Arabieren.

Tweederangsburgers

Hoewel de economische omstandigheden van de Arabieren sterk verbeterden voelden de Arabieren zich nog steeds tweederangsburgers. Zij vergeleken zichzelf niet met de Arabieren in andere landen die het slechter hadden, maar juist met de Joodse bevolking die het beter hadden. Zo zat er geen enkel Arabier in het kabinet. Maar de Joden zagen de Arabieren nog steeds als gevaarlijk zolang er geen vrede was.



Visie van Etsel

Het is achteraf makkelijk te concluderen dat Israël de Arabische bevolking niet goed behandeld heeft. Maar kijken we naar de omstandigheden van toen dan was er bijna geen andere optie. Israël had te maken met een minderheid die niet graag integreerde. Op die manier was het dus lastig om een goed beleid uit te voeren. Ook had Israël te maken met een laag opgeleide Arabische bevolking die nog veel moest leren. De hoogopgeleide Arabieren waren immers gevlucht. Bovendien wisten de Joden niet of ze de Arabieren konden vertrouwen daar ze immers voor de oprichting van de staat Israël al met elkaar in conflict waren. Ook was sprake van een moderne versus een traditionele maatschappij. Dit zorgt automatisch voor een kloof. Daarnaast moest Israël honderdduizenden Joden die naar Israël kwamen opvangen. Het moge duidelijk zijn dat de integratie van deze Joden meer aandacht kreeg dan de integratie van de Arabieren.

Zelf geloven we dat Israël altijd belang heeft gehad met goede levensomstandigheden voor de Arabieren om zo een confrontatie te voorkomen. Wanneer we naar het verloop van de geschiedenis kijken dan zien we dat de onderlinge confrontaties tussen Joden en Arabieren klein is gebleven.

Immigratie – Oriëntaalse Joden

Na de Onafhankelijkheidsverklaring arriveerden binnen 18 maanden tijd 340.000 Joden in Israël. Zelfs de Onafhankelijkheidsoorlog en het mogelijke bankroet van de Joodse staat deed de toestroom van Joden niet stoppen. In de eerste drie jaar lag het gemiddelde op 18.000 immigranten per maand en in sommige maanden zelfs 30.000. Tussen 15 mei 1948 en 30 juni 1953 verdubbelde de Joodse bevolking. De toestroom van Joden naar Israël was niet alleen om een veilige thuishaven te creëren voor de Joden, maar was ook belangrijk om de staat te verdedigen, de leegtes in het land op te vullen, de nieuwe agrarische nederzettingen en de grenzen te bewaken en om een moderne economie te vormen.

Eerste prioriteit: Joden uit Europa halen

De eerste prioriteit van de Israëlische regering en de Jewish Agency was om de Joden uit de kampen in Duitsland, Oostenrijk, Italië te halen en naar Israël te brengen. Ook werden 25.000 Joden uit detentiekampen in Cyprus naar Israël gebracht. Verder werden Joden uit Bulgarije, Joegoslavië en Turkije naar Israël gevlogen. Tussen de lente van 1948 en de herfst van 1950 konden Joden uit het communistische Polen en Roemenië naar Israël getransporteerd worden. Maar onderdruk van de Sovjet Unie werd daar een einde aangemaakt. In de periode 1952-1956 kwamen nog eens 48.000 Joden uit Europa naar Israël. De meeste overlevenden van de Holocaust hadden geen pioniers mentaliteit omdat ze te zwak waren.

De komst van Oriëntaalse Joden naar Israël

De Oriëntaalse Diaspora was ouder dan de Ashkenazische Diaspora. De Oriëntaalse Joden woonden in Babylonië, de Levant, het Arabische Schiereiland en Noord-Afrika. Ze hadden geen contact gehad met de Westerse Joden en zagen er 'oosters' uit. In 1939 woonden 1,7 miljoen Joden in islamitische landen (de Ashkenazische Joden telden toen 15 miljoen zielen). De Oriëntaalse Joden vormden dus 'slechts' 11% van de Joodse bevolking in de wereld. Zij kregen aanvankelijk weinig aandacht van de Zionisten ook al woonden al een aantal Oriëntaalse Joden in Palestina (de Jisjoev). Maar vanwege de Holocaust nam het aantal Oriëntaalse Joden tot 45% toe. Pas toen kregen ze de aandacht van de Zionisten.

Jemenitische Joden

De Jemenitische Joden waren de eerste Oriëntaalse Joden die naar Israël werden gehaald. In 1945 woonden 50.000 Joden in Jemen. Zij woonden in en rond de hoofdstad Sana en waren daar gekomen sinds de Romeinse overheersing van Palestina. Zij hadden de status van dhimmis (een nauwelijks getolereerde minderheid). De Joden mochten in hun eigen getto leven en hadden een karig bestaan als ambachtslieden voor de Arabische plattelandsbevolking. Ze moesten speciale Joodse belasting betalen, droegen onderscheidende kleding, mochten geen paarden of ezels berijden, en hun buurten na het donker verlaten. Ze hielden zich aan de Joodse tradities en verwachtten de komst van de Messias die het volk zou terugbrengen naar het Land Israël.

In 1880 raakten de Jemenitische Joden op de hoogte van de Europese Joden die naar Palestina waren gegaan. Zo'n honderd Jemenitische gezinnen verlieten daarop Jemen en trokken richting Palestina. Een derde van hen haalde Palestina niet en kwam onderweg om. Maar steeds meer Joden uit Jemen kwamen naar het Heilige Land en in 1914 woonden al 7400 Jemenitische Joden in Palestina. Drie decennia later woonden 40.000 Jemenitische Joden in Palestina. Zij vormden de armste groep onder de Joden en woonden vaak in sloppenwijken.

Toen de staat Israël werd opgericht begonnen de Jemenieten hun woede te koelen op de Joden die nog in Jemen woonden. Het was tijd om te vluchten. De Joden moesten helemaal naar de kust lopen en kwamen daar zeer vermagerd aan. Ze konden niet per schip naar Israël worden gebracht omdat Egypte het Suezkanaal had afgesloten. Ze werden daarom per vliegtuig (Amerikaanse DC4's) naar Israël gevlogen onder de codenaam “Operatie Vliegend Tapijt”. In september 1950 was de meerderheid (47.000 Joden) naar Israël gevlogen samen met nog 3000 Joden uit Aden.

Iraakse Joden

Na de Jemenitische Joden werden Joden uit Irak naar Israël gevlogen. Hier woonden de meeste Oriëntaalse Joden (ongeveer 130.000). Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden Joden aangevallen door rechtse Irakezen die banden hadden met Nazi-Duitsland. Hoewel het pro-Nazi Iraakse regime spoedig ten val werd gebracht door de Britten, realiseerden de Joden hoe kwetsbaar ze waren. Een klein aantal vertrok naar Palestina. In 1948-49 werden Joden opnieuw vervolgd. In 1950 kregen de Joden toestemming Irak te verlaten maar ze moesten hun bezittingen achterlaten. Omdat Irak in staat van oorlog was met Israël moesten vliegtuigen via Cyprus vliegen. De grote luchtoperatie heette Ali Baba. In de periode mei 1950 – december 1951 werden 113.000 passagiers naar de Joodse staat gevlogen. Later kwamen er nog kleine groepen Joden naar Israël. In 1955 waren nog maar 4000 Joden in Irak achtergebleven.

Joden uit andere moslimlanden

Ook uit andere moslimlanden werden Joden naar Israël gebracht: Libië, Syrië, Libanon, Egypte, Turkije, Iran. In bijna alle landen werden de Joden vervolgd vanwege de oprichting van de Joodse staat in Palestina.

De immigratie naar Israël had grote gevolgen voor de Joodse staat. De bevolking verdubbelde in de eerste 4,5 jaar van haar bestaan. In 1956 woonden 1.667.000 Joden in Palestina. In 1961 was 55% van de Israëlische bevolking Askenazisch en 45% Oriëntaals.



Visie van Etsel

Er wordt altijd wel geklaagd over de Palestijnse vluchtelingen die Palestina moesten verlaten, maar ook de Oriëntaalse Joodse vluchtelingen moesten op hun beurt de Arabische landen noodgedwongen verlaten. Deze vluchtelingen werden door Israël goed opgevangen terwijl de Palestijnse vluchtelingen nauwelijks goede opvang kregen in de Arabische landen (nog steeds wonen veel Palestijnse vluchtelingen in kampen).

Ook bestaat veelal een verkeerd beeld van Joden die eeuwenlang in moslimlanden woonden. Er wordt de indruk gewekt dat deze minder hebben geleden dan Joden in Europa. Weliswaar zijn Oriëntaalse Joden niet zo vervolgd geweest als de Ashkenazische Joden maar ze waren toch wel degelijk tweederangsburgers in de islamitische landen. Zou de staat Israël niet zijn opgericht en deze Joden nog gewoon in de moslimlanden gewoond hebben dan zouden zij lang niet zoveel aandacht hebben gekregen als de Palestijnen c.q. Arabieren nu. De Israëlische Arabieren hebben het in Israël veel beter dan Joden die nu nog in de moslimlanden wonen. Maar daar hoor je slechts weinig mensen over.

Immigratie – spreiding Joden/landbouw

De nieuwe Joodse immigranten namen de huizen over van de Arabieren die op de vlucht waren geslagen tijdens de oorlog van 1948-1949. Maar al spoedig was er geen plek meer en moest er een andere oplossing komen. De Jewish Agency importeerde duizenden hutten naar Scandinavisch ontwerp. Tegelijkertijd werd de nationale coöperatie Amidar opgericht om permanente huizen te bouwen voor de immigranten. Dit waren eenvoudige huizen: één kamer en een ruimte voor wassen, koken en opberg voor een gezin van vier personen. Eind 1949 zijn 25.000 van zulke woningen opgericht. Ook moesten de nieuwkomers verspreid over het land gaan wonen en voldoende voedsel hebben.

Tentenkampen

De primitieve huizen gebouwd door Amidar bleken niet voldoende te zijn voor de honderdduizenden immigranten. Ook de barakken die de Britten hadden achtergelaten bleken niet meteen bruikbaar te zijn. De Britten hadden vanuit Londen de opdracht gekregen de meubels, ramen en deuren te vernietigen. Na reparatie werden ze alsnog gebruikt door de nieuwe immigranten.

Als laatste alternatief werden tentenkampen opgezet. Men begon hiermee vlakbij Haifa dat al snel volraakte. Daarna verrezen tentenkampen in andere kuststeden, in de Jeruzalem Corridor, Galilea en de noordelijke Negev. Begin 1951 waren 17.000 tenten op gericht in 53 kampen waar 97.000 Joden in woonden. Dit was een tiende van de Israëlische bevolking. De woonomstandigheden waren karig ('s winters nat en zomers heet) en de meeste bewoners waren werkloos. De Israëlische soldaten waren na de Onafhankelijkheidsoorlog weer naar hun werk teruggekeerd. Ook waren er weinig faciliteiten voor de schoolgaande kinderen. De mensen waren afgesneden van hun normale sociale omgeving. Tegen 1952 vertrokken 40.000 nieuwkomers weer naar Europa, en Noord- of Zuid-Amerika. Slechts enkelen keerden later terug.

Ma'abarot – doorgangskampen

De Jewish Agency kwam het het idee van doorgangskampen – ma'abarot – dorpen aan de rand van stedelijke gebieden en industriële zones. De kampen verschilden niet veel van de tenten in de immigratie centra, maar toch was er een cruciaal verschil: er was deeltijdarbeid. Naast voedsel en kleding kregen de Joden een bescheiden aanvullend inkomen van de Jewish Agency. Er was ook meer privacy en bewegingsvrijheid. De ma'abarot werden een succes en de tentenkampen verdwenen. Tegen november 1951 waren al meer dan 127 ma'abarot bij stedelijke centra opgericht. In 1952 woonden 223.000 Joden in de ma'abarot. De tijd dat ze er tijdelijk woonden was twee jaar of zelfs langer.

Verspreiding en het voeden van de bevolking

Israël kon de last van de nieuwkomers niet alleen dragen. Het had hulp nodig van Joden uit andere delen van de wereld. Zo bleef de Jewish Agency verantwoordelijk voor het transport van Joden naar Israël en voor het verschaffen van dringende behoeften. De Jewish Agency en de Israëlische overheid werkten samen wat betreft het delen van de last van behuizing en agrarische nederzettingen. Deze regeling werd getroffen in 1951-1952 toen Levi Eshkol zowel minister van landbouw was als directeur van het nederzettingen departement van de Jewish Agency. Ook deelde de Jewish Agency verantwoordelijkheid met het bureau van de premier en met de ministeries van huisvesting en binnenlandse zaken in het verspreiden van de immigranten door het hele land.

bevolkingsspreiding

Vanaf de oprichting van de Joodse staat kende Israël de problematiek van het overbevolkte centrum (de drie grote steden Jeruzalem, tel Aviv en Haifa) en de dunbevolkte periferie (Galilea en de Negev). Alleen door de oprichting van tientallen agrarische nederzettingen konden de open plekken waar eerst Arabieren woonden worden opgevuld. Ook moesten er nederzettingen komen langs de grens waar Arabieren konden infiltreren.

de agrarische sector – bevolking voeden

Een andere probleem waarmee Israël geconfronteerd werd was een voedseltekort. De agrarische sector moest onmiddellijk ontwikkeld worden. Men gaf de voorkeur aan de landbouw in plaats van de industrie. In 1950 kwam het Eshkol comité met een vierjarenprogramma voor zelfvoorzienende landbouw. Dit bleek achteraf niet juist te zijn voor een gezonde economie. Men had het aantal agrarische nederzettingen, boeren en hoeveelheid water overschat. Het was beter geweest zich te concentreren op de export van citrusvruchten en lichte industriële goederen.

De grond was in bezit van de overheid en het Joods Nationaal Fonds. Door honderden kibboetsiem en moshaviem te bouwen kwam de grond in Joodse handen. Joden konden goedkoop het land huren. Dit was vooral belangrijk om Joden te trekken naar geïsoleerde gebieden en gebieden die een lastig klimaat hadden. Het probleem was echter het feit dat veel immigranten ongeschoold waren. Ook waren ze weinig gemotiveerd (Holocaust overlevenden en niet-Zionistisch) en hadden ze geen pioniersmentaliteit. Dit kon goed gezien worden in de snellere groei van het aantal moshaviem dan de kibboetsiem. Ook groeide het aantal inwoners in de moshaviem sneller dan in de kibboetsiem. De oriëntaalse Joden waren niet socialistisch ingesteld en kozen voor de moshav.

De moshaviem werden eerst opgericht in verlaten Arabische dorpen en in de Kustvlakte. Daarna volgden de heuvels in de Jeruzalem Corridor en uiteindelijk het noorden en zuiden van Israël. Hoewel er mooie plannen werden gemaakt voor de moshav was er in de praktijk weinig economische planning. Toch kregen de bewoners wel steun van de Jewish Agency zoals wat te bebouwen. De marketing van de producten werd uitgevoerd door Tnuva. Er werden snel groeiende gewassen verbouwd zoals tomaten en tabak om er voor te zorgen dat de boeren een inkomen hadden en bleven doorgaan met het werk in de landbouw. Maar toch was het voor velen lastig om landbouw te bedrijven. De oriëntaalse Joden waren het niet gewend. Tussen 1948 en 1958 heeft 35% van de nieuwkomers de moshaviem verlaten voor de steden.

Tot slot

Toch was de landbouw en de verspreiding van de bevolking in zekere mate succesvol. De bevolking van Tel Aviv, Haifa en Jeruzalem daalde van 52% in 1948 naar 31% in 1957. En de agrarische bevolking steeg van 18% in 1948 naar 22% in 1957. De rurale bevolking was toegenomen van 116.000 in 1948 naar 325.000 in 1959. Ook de bebouwde grond was toegenomen van 1,6 miljoen dunams in 1948 naar 3,9 miljoen dunams in 1958. De waarde van de landbouwproductie in 1958 gestegen tot 675,7 miljoen Israëlische ponden. Aan het einde van het eerste decennium was de natie in staat zichzelf te voeden.

Immigratie – depressie Israël jaren '50

De economische infrastructuur van Israël bleef in de beginjaren '50 onderontwikkeld terwijl de bevolking verdubbelde en de vijanden nog steeds aanwezig waren. De Arabische markt was verdwenen, er was schade aan de Dode Zee Werken, de olieraffinaderijen van Haifa lagen stil, en de binnenlandse industrie hield zich bezig met de behoeften van het leger en de groeiende lokale markt zodat weinig kon worden geëxporteerd. Ook de citrus export, de belangrijkste economische sector, lag plat. Er kwam wel een honderd miljoen dollar lening van de United States Export-Import Bank dat enige verlichting gaf.

Wet voor Bevordering van Kapitaal Investeringen

In maart 1950 nam de Knesset de Wet voor de Bevordering van Kapitaal Investeringen aan. Later werd nog een belasting ontheffing toegevoegd in de hoop dat er meer buitenlandse leningen zouden komen. Maar het had weinig succes op een aantal investeringen na zoals General Tire Company, Rogostin textile mills, en een aantal schoenen, radio en plastic fabrieken. Het probleem in Israël was dat de arbeidsproductiviteit laag was vergeleken bij andere westerse landen. Werknemers hadden weinig zin harder te werken (veroorzaakt door de Holocaust).

Rantsoen

Halverwege 1949 was betalingsbalans in crisis. Ook kende Israël een hoge inflatie. Dov Joseph stelde een rantsoen programma op. Dit leidde gedeeltelijk tot een vermindering van kosten voor het levensonderhoud. Het ging om voedsel, kleding en andere consumentengoederen. In de winter van 1950-51 werd het dagelijks leven ondraaglijk toen Joseph een totale rantsoen op kleding in stelde. Winkels sloten hun deuren uit protest. Maar Joseph ging ook meer voedsel op rantsoen zetten. Dit leidde tot spontane demonstraties van arbeiders en huisvrouwen. Uiteindelijk moest Joseph zijn post verlaten. Ondertussen was er ook een zwarte markt ontstaan. Het ging niet goed met de landbouw en de industrie. Israël importeerde vijf keer zoveel dan dat het exporteerde. De Israëlische Pond was sterk in waarde gedaald. De prijzen op de zwarte markt domineerden de Israëlische economie. Het leger werd in de landbouw ingezet.

Nieuw Economisch Beleid

In februari 1952 werd een Nieuw Economisch Beleid ingesteld. Dit zou volgens premier David Ben Goerion de inflatoire krediet expansie stoppen. Verdere verkopen van schatkistpapier en land obligaties werden stopgezet. De munteenheid werd selectief gedevalueerd. Er werd een gedwongen lening van 10% op alle bank deposito's opgelegd. In de herfst van 1952 traden de Algemeen Zionisten tot het kabinet toe. Hun eis van afschaffing van rantsoen op kleding en voedsel werd ingewilligd. De zwarte markt verdween geleidelijk. De markt werd vrijer. Tijdelijk werd de toestroom van Joden beperkt tot degenen die onder zware omstandigheden in het buitenland woonden. Als gevolg van al deze maatregelen begon de economie in 1953 geleidelijk te stabiliseren en spoedig zelfs te groeien dankzij Duitse herstelbetalingen en geld uit de VS en van overzeese Joden.



Visie van Etsel

Het was te verwachten dat de Joodse staat het in de beginjaren erg moeilijk zou hebben op economisch gebied. Afgezien van de oorlog tegen de Arabische landen moest het ook nog eens honderdduizenden Joden opvangen van wie er velen niet gemotiveerd waren -na al het leed in Europa- om het land op te bouwen. Geen wonder dat het slecht ging met de economie. Ook speelde een rol dat Israël een socialistisch land was waar geen plek was voor een vrije markt dat noodzakelijk is voor goede concurrentie. Er wordt wel eens verondersteld dat onder het socialisme armoede weinig kans heeft, maar de praktijk laat een heel ander beeld zien (zie ook de voormalige communistische landen). Israël is pas veel later een welvarend land geworden toen onder de Likoed de vrije markteconomie haar intrede deed. Toch is de vraag of een vrije markteconomie al in de beginjaren succesvol zou zijn geweest. Mogelijk zou de kloof tussen rijk en arm groter zijn geweest en veel Joden het land hebben verlaten omdat ze economisch niet rond zouden hebben kunnen komen vanwege het ontbreken van een sociaal vangnet. De socialistische regering gaf de mensen in ieder geval nog wat geld voor voedsel, wonen, etc.

Immigratie – publieke sector jaren '50

Gedurende de massa immigratie en het bijna bankroet in de beginjaren werd ook de zware invloed van de publieke sector van de economie gevoeld. Er was simpelweg geen lokaal kapitaal beschikbaar voor de opvang van de immigranten en voor de nationale economische ontwikkeling. Overzeese leningen en subsidies werden ingezameld door de regering, de Histadroet en andere publieke en semi-publieke agentschappen. Zij speelden een sleutelrol in het toewijzen van de fondsen. De overheidsbegroting in 1954 bedroeg 50,2% van het nationale inkomen en meer dan een kwart van de nationale bronnen.

Grote rol publieke sector

Het meeste geld werd besteed aan huizen, met defensie uitgaven op de tweede plek. De overheid had ook mijnbouw, ambachten, water en energie in handen. Tegen 1960 werkte 60% van de loonarbeiders in dienst van de publieke sector. Ook verleende de overheid subsidies, leningen, en belastingverlaging aan grotere privé-ondernemingen waarvan het ook nog gedeeltelijk eigenaar was. De invloed van de overheid en de semi-overheid was op Zweden na het grootste in de democratische wereld.

Vakbond Histadroet

De Histadroet had een even grote invloed op de economische ontwikkeling van Israël als de regering. Via Chevrat Ovdiem organiseerde de Histadroet de coöperatieve sector van de Israëlische maatschappij, inclusief de grootste kibboets en moshav federaties, en de belangrijkste marketing en consumenten coöperaties. Onder de Histadroet ondernemingen waren het grootste Israëlische bouwbedrijf Solel Boneh, Het Koor netwerk van industrieën, de Arbeiders Bank, lokale spaar- en kredietbanken, en de grootste verzekeringsmaatschappij van het land. In 1954 was de Histadroet de grootste industriële werkgever met meer dan 100.000 mannen en vrouwen. Ook was de vakbond vertegenwoordigd bij kranten, boeken, het importeren van medicijnen, hotels, cement fabrieken, etc.

De Histadroet was ogenschijnlijk een autonome economie binnen de nationale economie. Ook was het de bewaker van de “Arbeid Zionistische Arbeiders Gemeenschap”. Histadroet zorgde ervoor dat zowel de ongeschoolde als de geschoolde arbeiders beschermd werden. Israël was een arm land en Histadroet wilde dat de ongeschoolde arbeiders een bepaalde mate van levensonderhoud hadden. Arbeiders realiseerden zich dat hun economische overleving afhankelijk was van het lidmaatschap van de de Histadroet. In 1955 was 35% van de arbeidersbevolking lid van de Histadroet. Met vrouwen en kinderen meegerekend was dit 75% van de bevolking.

De macht van de Histadroet was groot en leidde ertoe dat de lonen behoorlijk stegen in het eerste decennium. Ook kregen arbeiders toelagen, bonussen en pensioen- en ziekte uitkeringen. Daarnaast hielp de Histadroet, via Mish'an, chronisch zieken, regelde het verzekeringen voor zieke werknemers, en geschikte huisvesting voor kinderen uit probleemgezinnen; en via Dor l'Dor, voor pensioengerechtigden.

Koepat Choliem was het belangrijkste fonds. De zorg werd geregeld door deze medische verzekering. Er waren zeer veel diensten beschikbaar voor zeven of acht Israëlische ponden per maand.

Nationale wetgeving

Mapai en Histadroet waren verantwoordelijk voor sociale welzijn en arbeidswetgeving als één van de nationale prioriteiten. In maart 1949 werd de Fundamentele Wet aangenomen. Hierin stond dat arbeiders het recht hebben zich te organiseren. Ook kregen arbeiders het stakingsrecht. Andere wetten die in de beginjaren tot stand kwamen waren:
  • Nationale Verzekering Wet;
  • Arbeidsuren en Rust Wet (47-urige werkweek en 25% extra voor overwerk);
  • Jaarlijkse Vakantie Wet (twee weken betaald verlof);
  • Nacht ploegendienst in Bakkerijen Wet;
  • Jeugd Werkgelegenheid Wet;
  • Leertijd Wet;
  • Vrouw Werkgelegenheid Wet;
  • Afwezigheid Wet (aankomende moeders);
  • Algemene Sanitair Wet;
  • Ontslagvergoeding Wet;
  • Arbeidsruil Wet.

In Israël werd alleen onderwijs gefinancierd door de regering. Gezondheid en sociale verzekering kwam tot stand door onderhandeling tussen werknemers en werkgevers.

Immigratie – sociale crisis jaren '50

In de jaren 1952 en 1953 arriveerden 32.000 nieuwe Joodse immigranten in Israël. Dat was minder dan voorheen. Dit kwam omdat in Oost-Europa Joden niet naar Israël mochten vertrekken. Het communistische Oost-Europa was anti-Zionistisch. Zo werden veel Joden in Roemenië gevangen genomen. Ook Polen verbood Joden te vertrekken. In Israël zelf zorgde de slechte economische situatie ervoor dat de immigratie beperkt moest worden tot Joden die in fysiek gevaar verkeerden in het buitenland. Er werd ook voorkeur gegeven aan jongere, beter getrainde arbeiders en hun gezinnen, hoewel dit geen officieel beleid was.

Groei immigratie

Toen de economie zich ging stabiliseren nam de immigratie weer toe van 18.000 in 1954 tot 72.000 in 1957. De meeste instroom kwam uit Noord-Afrika. In de periode 1948-1958 kwamen 160.000 Noord-Afrikaanse Joden naar Israël toe (meer dan het aantal Joden uit Jemen en Irak). Aanvankelijk werden de Noord-Afrikaanse Joden door de Westerse Joden over het hoofd gezien. Maar gaandeweg werd duidelijk dat ze een belangrijk onderdeel vormden van de Joodse geschiedenis. Bekende Noord-Afrikaanse Joden waren de filosoof Maimonides, de dichter Yehuda ibn-Abbas, de wiskundige Yusuf ibn-Aknin en de koopman prins Samuel Pallash. In de achttiende eeuw kregen de Joden in de Maghreb het moeilijk. Ze werden opgesloten in hun mellahs en mochten niet reizen. In een eeuw tijd vergaten de Joden hoe te lezen en te schrijven. Met de komst van de Fransen in Algerije (1830), Tunesië (1881) en Marokko (1912) verbeterde de positie van de Joden weer.

Algerijnse Joden

In Algerije kregen de Joden vanaf 1870 het Frans burgerschap en volledige gelijke rechten. Ze gingen Frans spreken en kregen hun vroegere intellectuele kennis weer terug. Omdat de Joden het in Algerije goed hadden wilden velen niet naar Israël emigreren.

Tunesische Joden

In Tunesië was de situatie voor de Joden nog slecht. Vooral toen Tunesië in 1956 onafhankelijk werd besloten veel Joden te emigreren naar Israël of Frankrijk. Tussen 1950 en 1958 arriveerden 22.000 Tunesische Joden in Israël en 15.000 Joden in Frankrijk. Het waren voornamelijk arme Joden die vanuit Tunesië naar Israël vertrokken. Weinigen brachten geld of scholing met zich mee.

Marokkaanse Joden

De meeste Joden uit de Maghreb die naar Israël verhuisden kwamen uit Marokko. In Marokko woonden 225.000 Joden als een eiland in een moslim zee van 8 miljoen Berbers. Voordat de Fransen in 1912 in Marokko arriveerden leefden de Joden als dhimmies met veel beperkingen, Hun economisch leven was minimaal en er was ook weinig culturele vitaliteit. Ondanks dat hun situatie wat verbeterde met de komst van de Fransen bleven ze apart wonen in de mellahs. Ze waren extreem arm. De American Joint Distribution Committee heeft letterlijk tienduizenden Joden van de hongerdood moeten redden.

Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van de Marokkanen tegen de Fransen waren de Joden publiekelijk onpartijdig maar in de privésfeer steunden ze de Franse bezetting. De Joden waren bang voor het nationalisme van de Berbers. Joodse winkels en huizen werden geplunderd. Daarom kwamen er alijah centra in Marokko om Joden naar Israël te brengen. Maar Israël wilde vooral de geschoolde en rijke Joodse minderheid naar Israël brengen en niet de ongeschoolde en ongeletterde Joden. Maar in 1955 werd er meer moeite gedaan om alle Joden naar Israël te brengen. Echter in 1957 legde Marokko beperkingen op aan Joden om te vertrekken. De immigratie daalde van 36.000 in 1956 naar 2000 in 1958. Maar tegen die tijd hadden al 120.000 Marokkaanse Joden Marokko verlaten voor Israël.

Wortels van de sociale crisis

De nieuwe immigranten uit de Maghreb behoorden tot de armsten in Israël. Ook hun opleiding was het laagst. Sommigen waren geheel analfabeet. De meest voorkomende beroepen die ze uitoefenden waren: venters, groenteboeren, fruithandelaars, straatverkopers van imitatie juwelen, portiers of handelaren in tweedehands kleding. Net als de Oriëntaalse Joden waren ze economische last voor de staat. Toch moesten ze opgenomen worden en aan het werk worden gezet. De meeste Marokkaanse Joden werden in moshaviem en ontwikkelingssteden geplaatst. De meerderheid ging naar het zuiden van Israël. De rest werd naar het noorden van Israël gestuurd. Aan de randen van de Negev woestijn werden in allerijl 31 moshaviem opgericht. Hiervan werden er 27 bewoond door Noord-Afrikaanse Joden.

Er werd een nieuwe planologische techniek toegepast waarbij 3 tot 5 dorpen in clusters bij elkaar werden gebouwd. De moshaviem bestonden elk uit 8 tot 100 boerderijen. Er was een gemeenschappelijke dienstencentrum voor de coöperatieve dorpen met diensten zoals marketing faciliteiten, winkels, een kliniek, een tractor station, een bioscoop, een bank, een school, een postkantoor en andere overheidsgebouwen. Zo waren de moshaviem economisch minder kwetsbaar. Het vervulde ook een sociale functie. Elk dorp bestond enerzijds uit een enkele homogene groep en anderzijds waren er makkelijk contacten met immigranten uit andere landen in andere moshaviem. Een bekend voorbeeld is de Lachish regio met 5 verschillende moshaviem bewoond door respectievelijk Marokkaanse Joden, Tunesische Joden, Roemeense Joden en geboren Israëliërs (sabra's). Later werd de Lachish regio als voorbeeld gebruikt in Adullam in de Jeruzalem Corridor en de Zanach regio nabij Emek Jisraeel. Tegen 1965 waren er zo'n 45 regionale centra en 16 nieuwe werden gepland.

Naast de moshaviem gingen de Noord-Afrikaanse Joden in ontwikkelingssteden wonen met eenvoudige behuizing. De Joden konden de huizen goedkoop kopen met lange termijn hypotheken met een lage rente. Maatschappelijke werkers hielpen de Noord-Afrikaanse Joden bij hun integratie. Ook waren allerlei faciliteiten van de Histadroet (de vakbond) aanwezig.

In 1959 woonde 52% van de Noord-Afrikaanse Joden in ontwikkelingssteden en 24,8% in agrarische nederzettingen. Van de 206 moshaviem werden er 82 bewoond door Noord-Afrikaanse Joden. Maar slechts 10% bleef er ook daadwerkelijk wonen. Met 6000 gezinnen ging het niet goed. Zij waren niet productief. Het leidde tot een malaise.

Immigratie – Noord-Afrikaanse malaise

De problemen van de Noord-Afrikaanse Joden in Israël waren ook kenmerkend voor de Oriëntaalse Joden. Maar niet alle Oriëntaalse Joden waren probleemgevallen. Zo hadden de 43.000 Joden die uit Iran en Afghanistan kwamen geen aanpassingsproblemen. Dit gold ook voor de 35.000 Turkse Joden, de 23.000 Libische Joden, de 36.000 Egyptische Joden en de 14.000 Syrische en Libanese Joden. De Jemenitische Joden waren ook bereid om het harde leven in Israël als een uitdaging te zien. Ze woonden in 57 van de 206 moshaviem in 1959. Hun boerderijen waren modellen van ijver en inzet. Voor de Iraakse Joden (121.000) ging de aanpassing veel moeilijker. Het waren aristocraten die zichzelf als superieur beschouwden t.o.v. de Westerse Joden. Slechts 3% van hen werd boer.

Problemen bij de absorptie van Oriëntaalse Joden

In juli 1951 hielden de Iraakse Joden een grootschalige demonstratie tegen “rassendiscriminatie in de Joodse staat.” De Iraakse Joden protesteerden tegen hun transformatie naar “tweederangs” burgers. Ze hadden hoge posities in Irak en wilden die ook in Israël hebben. Uiteindelijk vonden ze hun weg in de Israëlische economie. Ze vestigden zich voornamelijk in stedelijke gebieden. Tegen 1951 was 33% van de Iraakse Joden koopman, 42% was geschoolde handarbeider, 21% was ambtenaar of politieagent. Zo'n 5000 gezinnen, de meeste Koerden, woonden in 1959 nog in de ma'abarot (tentenkampen).

De Oriëntaalse Joden hadden het moeilijk. Voor 68% (kinderen, bejaarden, weduwen, gehandicapten, chronisch zieken, etc.) moest gezorgd worden. Veel Oriëntaalse Joden hadden een achterstand op het gebied van onderwijs. Dit leidde tot slechte banen en dus een slecht inkomen. Alle Oriëntaalse Joden hadden bij elkaar slechts 1.6% van het nationaal totaal persoonlijk inkomen. Bij de Europese Joden was dit 24,2%. Ondanks dat de belastingen de verhoudingen iets recht trokken verdienden Oriëntaalse Joden in 1957 nog 27% minder dan de Europese Joden.

Onderwijs voor Oriëntaalse Joden

De Israëlische overheid hielp de kinderen van de nieuwkomers met onderwijs. Ze kregen gratis verplicht onderwijs. Toch bleef het onderwijsprogramma in de jaren '50 erg beperkt. Er was een ernstig tekort aan gekwalificeerde onderwijzers. Veel scholen hadden niet gekwalificeerde onderwijzers in dienst die zelf immigrant waren of 18-jarige vrouwelijke soldaten. De kinderen moesten niet alleen onderwezen worden in leerstof maar ook in de elementaire regels van hygiëne, discipline, punctualiteit, juiste relatie tussen jongens en meisjes, etc. De klassen van de Oriëntaalse waren ook nog eens overvol zodat ze moeite met leren hadden. Hun ouders konden hen ook niet helpen bij hun huiswerk. Zo raakten de Oriëntaalse kinderen gefrustreerd en leden aan een minderwaardigheidscomplex. Vaak gingen ze na de lagere school niet verder studeren omdat de kosten hiervoor te hoog waren. In 1958 waren van de 100.000 middelbare scholieren slechts 4000 Oriëntaals. De Oriëntaalse kinderen die wel op de middelbare school zaten verlieten deze ook weer snel om geld te verdienen voor hun ouders. Ze bezaten echter te weinig vaardigheden voor geschoold arbeid. Ze hadden alleen slecht betaalde baantjes als ze al werk hadden. Dit leidde ertoe dat de misdaad onder Oriëntaalse Joden 8 keer hoger was dan onder Ashkenaziem in 1958.

Wadi Salib in Haifa – Oriëntaalse Joden komen in verzet tegen discriminatie

Niet alleen met de Oriëntaalse jeugd ging het slecht, het gold voor alle leeftijdsgroepen. Op 9 juli 1959 liep het uit de hand in Wadi Salib in Haifa toen een dronken Marokkaanse Jood werd neergeschoten door de politie bij zijn arrestatie. Hoewel hij alleen gewond was geraakt ging het gerucht dat hij was overleden. Een boze groep Marokkaanse Joden ging naar het politiebureau en eiste “wraak”. Het kwam tot een confrontatie tussen de politie en de menigte. Dit leidde tot veel geweld en 32 arrestaties. De overheid stelde een onderzoek in naar de rellen. Er werden getuigen gehoord en er kwam duidelijk een beeld naar boven van discriminatie van Oriëntaalse Joden. In het rapport van de commissie werd geconcludeerd dat sinds 1948 behuizing, voedsel en werkgelegenheid veilig gesteld werden door beschermheerschap en politieke connecties. De Ashkenaziem hadden zulke connecties en de Oriëntaalse Joden niet. Deze laatsten kregen banen toegewezen die hun potentiële competitie met de Ashkenazische Joden minimaliseerden. Ook concludeerde de commissie dat de Noord-Afrikaanse Joden bij hun aankomst in Israël blootgesteld werden aan een serie ernstige psychologische shocks. In de immigranten kampen heerste Apartheid tussen Europese en Maghreb Joden en dat ontdekten ze later ook in de maatschappij als geheel. De Europese Joden waren bevreesd voor het Oriëntalisme. Ze wilden de Maghreb Joden 'Westers' laten worden. De Oriëntaalse Joden verzetten zich tegen de Europese 'melting pot'. Tot slot concludeerde de commissie dat de Maghreb Joden in Israël naar erkenning zochten die ze in Marokko was onthouden. Maar ook in Israël kregen ze die niet. In Israël moesten ze op het platteland wonen in plaats van in de steden. Precies het omgekeerde als in Marokko. De commissie maakte geen blauwdruk voor de toekomst maar er moest wel snel vrede komen tussen de Ashkenaziem en de Oriëntaalse Joden.

Immigratie – economie jaren '50

De sociale onrust van de Noord-Afrikaanse Joden werd wat in de kiem gesmoord door een sterke opleving van de economie halverwege en eind jaren '50. In enige mate was hier het “Nieuw Economisch Beleid” van 1952 voor verantwoordelijk. De productie steeg, de betalingsbalans verbeterde en de inflatie werd beperkt tot 7% per jaar. Van veel grotere invloed was de dramatische toestroom van buitenlands kapitaal.

Toestroom van buitenlands kapitaal

Een aantal Israëlische economen waarschuwden dat de economie behoorlijk zou verslechteren indien Israël afhankelijk zou blijven van een onzeker reservoir van buitenlandse goodwill. Ze drongen er bij de regering op aan om binnen de bestaande middelen te leven om zo reserves op te bouwen voor mindere jaren. Het orthodoxe standpunt stelde dat economische groei, zelfs de mate van immigratie, moest afnemen om de conventionele economische wetten te accommoderen. Econoom Don Patinkin van de Hebreeuwse Universiteit waarschuwde dat het gebrek aan spaarzin beschouwd moet worden als het grootste falen van het economische beleid van Israël. Israël verminderde het import overschot niet en liet sinds 1954 de buitenlandse schuld elk jaar stijgen. Dit leidde tot grote inflatie.

Toch werd het orthodoxe standpunt verworpen. De Israëlische beleidsmakers begrepen dat de staat niet alleen geleid kon worden door economische overwegingen om de grote problemen aan te pakken zoals de nationale defensie, absorptie van immigranten, de ontwikkeling en het herstel van natuurlijke bronnen, en de uitbreiding van het onderwijs. Deze vereisten meer uitgaven en meer hulp vanuit het buitenland. De regering exploiteerde alle mogelijkheden van hulp uit Westerse landen, in het bijzonder uit de VS. Economische steun uit de VS nam vele vormen aan: subsidies, zachte valuta leningen, Export-Import Bank leningen alsook technische hulp. Vanaf 1950 bedroeg deze hulp jaarlijks tussen de 40 en 60 miljoen dollar.

Op de lange termijn was hulp van Joden in de Diaspora meer substantieel dan de Amerikaanse bijdragen en leningen. Joden gaven giften aan instellingen zoals de Hebreeuwse Universiteit, het Technion, het Weizmann Instituut, het Hadassa ziekenhuis en kleinere instituten. Tussen 1949 en 1961 ging het om meer dan 750 miljoen dollar. Dit was echter minder geld dan van de United Israel Appeal en de Keren HaY'sod die jaarlijks tussen de 60 en 100 miljoen dollar in het eerste decennium bijeenbrachten. En de State of Israel Bond verkopen in het buitenland brachten in de jaren '50 jaarlijks tussen de 40 en 60 miljoen dollar op en steeg zelfs veel meer in de jaren '60.

Ook kreeg Israël geld van West-Duitsland in het kader van herstelbetalingen aan de overlevenden van de Holocaust. Het Shilumiem akkoord werd in 1952 getekend. De West-Duitse overheid schonk 820 miljoen dollar over een periode van 12 jaar aan de Israëlische overheid en aan een geselecteerde groep Joodse instituten. Het grootste deel van de betalingen geschiedde in de vorm van Duitse goederen. De focus was gericht op de groei sectoren van de Israëlische economie, met speciale aandacht voor de modernisering van elektrisch gegenereerde capaciteit en spoorwegen, tot de uitbreiding van havens en agrarische irrigatie, de ontginning van grondstoffen in de Negev en de aankoop van een koopvaardijschip.

Economische groei

In de periode 1953-1966 werd niet minder dan 20% van de begroting betaald met geld van de Shilumiem. Het tekort op de betalingsbalans werd gedekt door 59% Joodse giften, 12% Amerikaans overheidsgeld en 29% van de Shilumiem uit West-Duitsland. Deze fondsen gaven Israël ruimte om de noodzakelijke taken van de staat te vervullen. Met de buitenlandse hulp genereerde Israël een indrukwekkende stijging in haar eigen binnenlandse bronnen die voor een jaarlijkse groei van 8,7% zorgden midden jaren '50. De middelen per hoofd van de bevolking groeiden in het eerste decennium met 74%. De lonen stegen tussen 1951 en 1957 spectaculair hoewel de onderhoudskosten ook behoorlijk stegen zodat de nettowinst wat minder was. Toch kende Israël ook veel sociale voorzieningen en hoefden de armere mensen minder belasting te betalen. Ook de levensverwachting voor vrouwen en mannen steeg in vergelijking tot 1949. Er hoefden ook minder mensen op één kamer te wonen. In 1960 had al 81% van de bevolking elektriciteit en 94% stromend water. Tegen 1960 waren de meeste ma'abarot (tentenkampen) verdwenen. De bevolking bedroeg in 1961 al bijna 2 miljoen zielen. Er waren vele dorpen en steden gebouwd in de Jeruzalem Corridor, de Kustvlakte, de Negev en Galilea. De meeste mensen hadden onderdak, voldoende eten en werk. De levensomstandigheden waren toen ook al stukken verbeterd. Toch hadden velen een hoge prijs moeten betalen voor de vooruitgang. De pioniersmentaliteit verdween en velen verlieten de kibboets en gingen in de metropool Tel Aviv wonen. Velen gingen leunen op de steun van de overheid en de bureaucratie.

Lees verder

© 2013 - 2019 Etsel, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Israëlisch-Arabisch conflict 8: Naweeën Zesdaagse OorlogIsraëlisch-Arabisch conflict 8: Naweeën Zesdaagse OorlogHet is nu moeilijk voor te stellen hoe de gevoelens in Israël en de Joodse wereld waren vlak vóór de oorlog in 1967. Vel…
Positieve feiten over IsraëlPositieve feiten over IsraëlIsraël kan trots zijn. Het doet het relatief goed op het gebied van wetenschap, technologie, democratie, migratiepolitie…
Nederland: een parlementaire democratieNederland is een democratie. In een democratie heeft de bevolking zeggenschap over de overheid. Ook heeft Nederland een…
Israëlisch-Arabisch conflict 9: UitputtingsoorlogIsraëlisch-Arabisch conflict 9: UitputtingsoorlogNa de Zesdaagse Oorlog bleven de vijandigheden van de Arabieren tegen Israël doorgaan. Langs het Suezkanaal werden bloed…
Het ware gezicht van Palestina: martelingen door Palestijnenmijn kijk opHet ware gezicht van Palestina: martelingen door PalestijnenIn het Palestijnse mensenrechtenrapport "Elkaar martelen – Het wijd verbreide gebruik van willekeurige opsluiting en mar…
Bronnen en referenties
  • A history of Israel (From the rise of zionism to our time) - Howard Morley Sachar
  • Atlas of Israel - Martin Gilbert
  • Jewish virtual library

Reageer op het artikel "Modern Israël: Israël als republiek - opvang van de Joden"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Etsel
Laatste update: 09-07-2018
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Politiek
Special: Geschiedenis Modern Israël
Bronnen en referenties: 3
Schrijf mee!