De sociale structuur in Palestina in de 19e/begin 20e eeuw
Met de toenemende invloed van Europese machten in het Ottomaanse Rijk in de 19e eeuw en de daarmee gepaard gaande opkomst van een markteconomie vinden er geleidelijk grote veranderingen plaats in de sociale structuur van de verschillende gemeenschappen. De Landwet van 1858 heeft grote gevolgen voor de sociale structuur van de lokale gemeenschappen en de samenleving als geheel. Palestina (onderdeel van Groot Syrië) als voorbeeld. Tot ver in de 19e eeuw berustte het leiderschap in de Arabische dorpen in Palestina en in de rest van het platteland bij plaatselijke sheikhs; de politieke, sociale en economische macht in de steden was in handen van traditionele families. Het centrale Ottomaanse gezag was zwak. Het waren de traditionele leiders die de bevolking een bepaalde mate van veiligheid verschaften, iets wat het Ottomaanse bestuur niet kon of wilde.Het traditionele platteland
Ottomaanse ambtenaren bezochten het platteland nauwelijks en een klassieke vorm van grootgrondbezit ontbrak. Om te bezuinigen op salariskosten van ambtenaren was de belastinginning ‘verpacht’, vaak aan stedelijke handelaren en geldschieters. Deze belastingpachters hadden min of meer de vrije hand om belastingen te heffen; in ruil hiervoor moesten zij een aantal politietaken van de overheid op zich nemen. De lokale gemeenschappen werden ook geacht soldaten te leveren voor het Ottomaanse leger.De traditionele macht van de sheikh binnen zijn dorp of stam berustte op een ingewikkeld netwerk van familierelaties. Zijn macht en aanzien binnen zijn gemeenschap werden bepaald door zijn traditionele status en die van zijn familie, rijkdom en bescherming die hij de bevolking kon bieden. Daarnaast was hij het ‘scharnierpunt’ tussen de overheid (veelal vertegenwoordigd door de traditionele stedelijke elite en de belastingpachter) en de lokale bevolking. De sheikh hield een soort evenwicht in stand tussen aan de ene kant de belangen van het dorp en de stam en aan de andere kant de belangen van de overheid.
Naarmate de plattelandsgemeenschappen zich verder van de steden bevonden en er minder relaties bestonden, konden de gemeenschappen meer op zichzelf staan – dit kon zelfs de vorm van een soort autonomie aannemen. Zo hechtten de bedoeïenen in de meer droge gebieden en de Druzen (Syrië en Libanon) erg aan deze autonome status. Hun loyaliteit aan de Ottomaanse overheid was dan ook afhankelijk van de mate waarin zij deze status konden handhaven. Er was een sterke gerichtheid op de eigen gemeenschap en daarbinnen op de eigen familie.
Steden als traditioneel machtscentrum
De steden vormden de lokale machtscentra. Hier bevonden zich de provinciale politieke, economische en religieuze leiders. Waar het Ottomaanse bestuur prestigieuze taken aan Arabische families verleende, zorgde zij ervoor de belangrijkste families hierin te betrekken. De traditionele scheidslijnen tussen de families werden hierdoor in stand gehouden, waardoor ook in de steden een sterke gerichtheid op de eigen gemeenschap bestond. Familie, godsdienst, rijkdom en traditionele status waren belangrijke onderscheidende kenmerken.Via traditionele afhankelijkheidsrelaties waren de leidende stedelijke elites ‘naar beneden’ verbonden met de plattelandsgemeenschappen van boeren en bedoeïenen.
Administratieve indeling in provincies en districten
De Arabische gebieden van het Ottomaanse Rijk waren verdeeld in verschillende vilayets (provincies) en sanjaks (districten) die werden bestuurd vanuit verschillende, en soms ook wisselende bestuurscentra. Zo vielen aan het eind van de Ottomaanse tijd de Noord-Palestijnse sanjaks van Akka en Nabloes onder de vilayet van Beiroet, terwijl Jeruzalem en de centrale gebieden van Palestina onder rechtstreeks bestuur stonden van het ministerie van Binnenlandse Zaken in Constantinopel (mutasarriflik van Jeruzalem). Daarvoor behoorde de sanjak van Jeruzalem ook tot de vilayet van Beiroet.Het centrale Ottomaanse bestuur was zwak en de directe bemoeienis vanuit Constantinopel was beperkt. De Ottomanen hanteerden een systeem van ‘checks and balances’ dat ervoor zorgde dat er geen bovenregionale (lots)verbondenheid ontstond – laat staan een Palestijnse, Syrische of Arabische.
Ook de slechte communicatiemiddelen in het land en eeuwen van onveiligheid en een zwak centraal bestuur droegen er in niet geringe mate aan bij dat de gemeenschappen erg aan de eigen ‘autonomie’ hechtten. Verzet was vrijwel altijd van lokale aard en niet gericht tegen de Ottomaanse heerschappij per se.
Gedwongen moderniseringen
Vanaf halverwege de 19e eeuw ging Palestina beetje bij beetje deel uitmaken van de economische wereldorde. De lokale samenlevingen kregen te maken met de ‘moderniserende’ Egyptische bezetting (1831-1840), Ottomaanse hervormingen (tanzimat) en een nieuwe Ottomaanse landwet, en de groeiende economische en politieke invloed van Europese staten (zie Het Ottomaanse rijk in de 19e eeuw: toenemende westerse invloed). De gevolgen waren een geleidelijke ondermijning van de traditionele sociale orde, waarvan de effecten tot ver in de 20e eeuw voelbaar bleven.Egyptische bezetting
De Palestijnse bevolking had een eerste kennismaking met ‘de moderne tijd’ tijdens de Egyptische bezetting door Muhammed Ali en diens stiefzoon Ibrahim Pasja. Er werden met harde hand hervormingen doorgevoerd die de moderne tijd moesten uitdragen en die een eind moesten maken aan de vermolmde structuren van het Ottomaanse Rijk. De zware onderdrukking (en niet de hervormingen an sich) waarmee de hervormingen gepaard gingen, deden de bevolking in 1834 in opstand komen.Hoewel de opstand mislukte, markeert zij de eerste keer dat de Palestijnse samenleving min of meer als eenheid optrad – notabelen, religieuze leiders, stedelingen, boeren en bedoeïenen sloten zich erbij aan. Uiteindelijk werden de Egyptenaren in 1840-41 verdreven, door een interventie van Engeland en Oostenrijk.
Landhervormingen
In 1858 kondigde de Ottomaanse overheid een nieuwe Landwet af. Tot die tijd was het grootste deel van de landbouw- en weidegronden staatsland (miri), waarvan de gebruiksrechten bij de boeren van de dorpsgemeenschappen berustten. Deze gingen hier op een coöperatieve basis mee om. Onder het zogenoemde musha-systeem werd het land regelmatig herverdeeld – zodat het land zich kon herstellen en iedereen toch land had om in zijn levensbehoeften te voorzien. Zodoende werd het dorp – en niet de individuele boer – beschouwd als de meest geschikte eenheid voor de belastingheffing.Kadastrale registratie
Onder de nieuwe Landwet moest al de landbouwgrond, met enige uitzonderingen, kadastraal worden geregistreerd als privéland (mulk); alle eigenaren zouden certificaten van eigendom ontvangen. Als de eigenaar het land niet gedurende een lange tijd (tot wel tien jaar) ononderbroken bewerkte, zou zijn land door middel van confiscatie aan de overheid vervallen. Periodieke herverdeling van het land paste niet binnen het nieuwe systeem.
De overheid hoopte met de Landwet de markt voor landbouwgrond in beweging te krijgen. Land dat onder het musha-systeem werd bewerkt, bezag zij als onproductief land dat elke agrarische ontwikkeling belemmerde. Dit was niet toevallig ook de opvatting van Engeland en andere Europese deskundigen die slechts oog hadden voor de economische kant van de landbouwgronden en niet voor de sociale. Door de boeren het land op hun naam te laten registreren en productiever te laten werken hoopte de overheid bovendien de macht van de stedelijke elites over het platteland te verzwakken.
Concentratie van landbezit
De Ottomaanse overheid ging ervan uit dat de boeren maar al te graag het land op hun naam zouden willen registreren. Dit bleek in grote delen van Palestina (en Syrië) een misrekening. Het traditionele wantrouwen van de boeren jegens de overheid bleek sterker: zij vreesden dat landregistratie op hun naam zou leiden tot extra (hoofdelijke) belastingen en dat zij daardoor makkelijker zouden kunnen worden geronseld voor militaire dienst.
Het gevolg was dat veel boeren hun eigendomsrechten overdroegen aan stedelijke en lokale notabelen en handelslieden. Deze registratie vond niet zelden plaats onder frauduleuze voorwendselen en met behulp van corrupte Ottomaanse ambtenaren. Zo ontstond een klasse van landbezitters die vaak nauwe banden hadden met de stedelijke elites en die zich geleidelijk opwerkte tot de dominante klasse.
In het noorden van Palestina en grote delen van Syrië ontstonden grote landerijen waarvan de eigenaren ver weg in steden als Damascus en Beiroet woonden. In Centraal-Palestina kwamen de eigendomsrechten vaker in handen van de lokale stedelijke elites.
Niet overal waren de boeren even wantrouwend. In bijvoorbeeld het gebied rond Jeruzalem registreerden juist veel boeren land op hun naam, terwijl stedelijke notabelen en geldschieters dat hier niet deden. In de kustvlakten verkregen de laatsten echter wel grote grondstukken in bezit, vooral land waar niemand aanspraken op maakte.
Effecten van de Landwet
In eerste instantie had de landregistratie voor het dagelijkse leven van de boeren niet al te ingrijpende gevolgen. Het musha-systeem werd grotendeels voortgezet, ook als delen van het land in handen waren van buiten de gemeenschap wonende grondbezitters. Het enige, zij het niet onbelangrijke, verschil was dat de boeren niet meer beschikten over de gebruiksrechten maar dat zij tot deelpachter op hun eigen land waren geworden. Maar zij genoten nog steeds in enige mate politieke, economische, militaire en zelfs sociale zekerheid.
De registratie van het land is nooit door de Ottomaanse overheid voltooid. De Britse en Franse bezetters troffen in 1917 een situatie aan waarin het landbezit vaak uiterst onduidelijk was. In Palestina ging Engeland verder met het registreren van het land.
De gevolgen van de registratie voor de boeren lieten zich pas echt voelen, toen de grondbezitters het land gingen verkopen aan zionistische kolonisten. In die gevallen werden de boeren volledig onteigend en van hun land verdreven. Zij hadden weinig andere keus dan zich aan te sluiten bij het groeiende leger arme werkzoekenden in de kuststeden, zoals Haifa (zie Palestina: een land zonder (be)volk(ing)?).
In de jaren zeventig en tachtig van de 19e eeuw verwerft een Syrische bankiersfamilie, gevestigd in Beiroet, de eigendomsrechten over grote delen van de landbouwgrond van de dorpen in de Yisrael-vallei (Marj ibn Amr) in zuidelijk Galilea. De Soersoeq-familie verwerft ook land rond het Hoeleh-meer en heeft ook grote belangen in de katoen- en graanhandel via Akka.
Vanaf het begin van de 20e eeuw gaat de familie over tot de verkoop van land aan het Joods Nationaal Fonds (in 1910 bijvoorbeeld het land van al-Foela, ofwel Afoela). Tegen 1925 had zij het grootste deel van haar grondbezit in Palestina verkocht en waren de meeste boeren van het land verdreven. De graanverbouw en de extensieve veehouderij zijn vervangen door andere vormen van landbouw en intensieve veehouderij. Steden als Jenin en Nazaret, waar op lokaal niveau de handel in de landbouwproducten plaatsvond, gaan er economisch fors op achteruit, terwijl steden als Haifa en Afoela, gespecialiseerd in het onderhoud van landbouwmachines en de grootschalige verkoop van landbouw- en industrieproducten, er wel bij varen.
Na 1918 waren de Soersoeqs geen gewone grondbezitters die niet op de plaats van hun bezittingen woonden en het beheer ervan aan anderen overlieten. Met de instelling van het Britse mandaat over Palestina en het Franse over Syrië en Libanon waren zij inwoners van een ander land geworden dan waar hun grondbezit zich bevond.
Vanaf het begin van de 20e eeuw gaat de familie over tot de verkoop van land aan het Joods Nationaal Fonds (in 1910 bijvoorbeeld het land van al-Foela, ofwel Afoela). Tegen 1925 had zij het grootste deel van haar grondbezit in Palestina verkocht en waren de meeste boeren van het land verdreven. De graanverbouw en de extensieve veehouderij zijn vervangen door andere vormen van landbouw en intensieve veehouderij. Steden als Jenin en Nazaret, waar op lokaal niveau de handel in de landbouwproducten plaatsvond, gaan er economisch fors op achteruit, terwijl steden als Haifa en Afoela, gespecialiseerd in het onderhoud van landbouwmachines en de grootschalige verkoop van landbouw- en industrieproducten, er wel bij varen.
Na 1918 waren de Soersoeqs geen gewone grondbezitters die niet op de plaats van hun bezittingen woonden en het beheer ervan aan anderen overlieten. Met de instelling van het Britse mandaat over Palestina en het Franse over Syrië en Libanon waren zij inwoners van een ander land geworden dan waar hun grondbezit zich bevond.
Met de toenemende onteigening van de boeren ontstond geleidelijk een explosieve situatie die in 1936 zou leiden tot een grote staking en opstand tegen de Britse overheersing en zionistische kolonisering. De opstand was weinig succesvol, vooral omdat de stedelijke elites, die in ruime mate profiteerden van de Britse en zionistische aanwezigheid, slechts halfhartig aan de in wezen boerenopstand deelnamen.
Oprukkende markteconomie en een nieuwe middenklasse
De Ottomaanse hervormingen waren een gevolg van en versterkten de ontwikkeling naar een markteconomie. De groeiende handel met Europa veroorzaakte machtsverschuivingen in de samenleving, die niet beperkt bleven tot de herschikking in de verhouding tussen sheikh en stedelijke elite.Capitulaties
Op grond van de zogenoemde capitulaties kon de Ottomaanse sultan vanaf de 16e eeuw bevriende heersers bepaalde privileges verlenen, zoals beperkte invoerrechten. In de 18e eeuw waren de machtsverhoudingen in Europa zodanig gewijzigd dat de capitulaties een Europees instrument waren geworden om de westerse invloed binnen de grenzen van het Ottomaanse Rijk te vergroten.
Dankzij de capitulaties hadden landen als Engeland en Frankrijk flinke (handels)invloed binnen het Ottomaanse Rijk gekregen. Om hun activiteiten te versoepelen hadden de buitenlandse handelaren nogal wat christelijke Arabieren in dienst genomen, veelal als vertaler (dragoman).
De vertalers vielen ook onder de commerciële bescherming van de capitulaties. Voor een niet onaanzienlijk aantal van deze christelijke Arabieren was dit een uitgelezen kans voor zichzelf te beginnen als koopman. Zij profiteerden van de voordelen die de capitulaties boden, terwijl de traditionele moslimhandelaren nog steeds gebonden waren aan de Ottomaanse restricties.
Nieuwe middenklasse
De handelaars-vertalers konden zich in zaken begeven vanuit een grotendeels onafhankelijke positie. Zodoende ontwikkelde zich geleidelijk een middenklasse die bestond uit deze handelaren en ook uit arbeiders die werk hadden gevonden in de door Europeanen gestichte fabrieken.
Deze middenklasse ontwikkelde zich min of meer los van de Ottomaanse samenleving. Zij bleven enerzijds Ottomaans onderdaan, maar vielen anderzijds wat betreft hun handelsactiviteiten onder Europese jurisdictie. In de concurrentie die op deze wijze ontstond tussen de christelijke en moslimhandelaren, treedt een geleidelijke verschuiving op van de macht van de meer landinwaarts gelegen steden, zoals van Damascus, Aleppo en Hebron naar de kuststeden, zoals Beiroet, Akka en Haifa. Door zijn belangrijke religieuze functie bleef Jeruzalem enigszins verschoond van deze ontwikkeling. Ook de zeepindustrie van Nabloes bleef aanvankelijk floreren.
Verliezers en winnaars
In het commercialiseringsproces dat de Palestijnse economie overspoelde en de daarmee gepaard gaande hervormingen in onder meer landbezit en belastingheffing, verloren in de landinwaarts gelegen steden de traditionele moslimhandelaren terrein ten opzichte van hun christelijke concurrenten in de kuststeden.Omdat de stedelijke elite de belastinginning naar zich toetrok en grote stukken land verwierf, kon zij haar positie niet alleen behouden, maar was zij zelfs in staat haar sociale en economische macht verder uit te breiden. Dit ten koste van de traditionele positie van de lokale dorpsleiders.
Het was echter de boerenbevolking die het meeste verloor. De traditionele sociale structuur binnen het dorp, die hem vroeger bescherming bood tegen ‘de buitenwereld’, stond onder druk. Veel boeren die eerder nog zelf de gebruiksrechten over land in bezit hadden gehad, verloren die rechten en werden gedwongen als pachter of loonarbeider op hun voormalige land te werken, of zij werden eenvoudig onteigend. Van deze laatste categorie trokken velen naar de (kust)steden in de hoop vanuit hun krottenwijken werk te vinden.
De traditionele moslimse stedelijke elite slaagde er wel in zich staande te houden. Zij bezaten nog steeds hun oude privileges, zij profiteerden van de afgenomen macht van de rurale sheikhs, zij slaagden erin hun landbezit sterk uit te breiden en de rechten op de belastinginning te verwerven, en zij hadden direct toegang tot de autoriteiten – niet zelden als parlementslid in Constantinopel – waardoor zij zich verzekerd wisten van belangrijke functies en daardoor weer invloed over de lokale bevolking hadden.
Voor een breder perspectief waarin dit artikel kan worden geplaatst, zie de special Het Midden-Oosten in westerse invloedssfeer: 1800-1935.
© 2010 - 2012 Dreus, gepubliceerd in Sociaal (Mens en Samenleving) op .
Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Modern Israël 15: de Jisjoev – Zionisme na Herzl Na de dood van Theodor Herzl bleef de confrontatie tussen politiek…
Palestina 1900-1930: toenemende ontwrichting Met het verdwijnen van het Ottomaanse Rijk en het instellen van Britse en Fr…
Zionisme 4: Theodor Herzl en de stichting van het Zionisme In het laatste deel van de 19de eeuw werd Zionisme getransform…
Süleyman I: de laatste grote Ottomaanse sultan Onder Selim I had het Ottomaanse Rijk een enorme groei doorgemaakt. H…
Gerelateerde artikelen
Modern Israël 20: Balfour Verklaring – Brits oorlogsbeleid Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging Engelan…Modern Israël 15: de Jisjoev – Zionisme na Herzl Na de dood van Theodor Herzl bleef de confrontatie tussen politiek…
Palestina 1900-1930: toenemende ontwrichting Met het verdwijnen van het Ottomaanse Rijk en het instellen van Britse en Fr…
Zionisme 4: Theodor Herzl en de stichting van het Zionisme In het laatste deel van de 19de eeuw werd Zionisme getransform…
Süleyman I: de laatste grote Ottomaanse sultan Onder Selim I had het Ottomaanse Rijk een enorme groei doorgemaakt. H…