Sociaal en Ouderen

Arbeid en pensionering

Arbeid en pensionering

Pensionering is eigenlijk een nieuw fenomeen dat mogelijk is gemaakt door de goede sociale voorzieningen die zorgen voor een inkomen voor ouderen zodat ze niet meer hoeven te werken. Dit is in de loop der tijd ontstaan. Om de ervaring van pensionering te begrijpen moet je niet alleen naar het effect op de hele bevolking kijken, maar ook naar het individuele proces van terugtrekken van het werk.


Het pensioneringssysteem

Het voordeel van het pensioneringssysteem dat onafhankelijk is van het voorafgaande werkend leven is dat het gebonden kan worden aan een leeftijd waarop iedereen met pensioen kan. Het nadeel is dat het ook zorgt voor een versterking van veroudering en gedachte daaraan op die leeftijd. De leeftijd waarbij men met pensioen mag is in de meeste landen 65 jaar. De leeftijd dat men werkelijk met pensioen gaat ligt echter gemiddeld 5 jaar lager.

In de meeste landen is een pensioen (financiële kant) afhankelijk van het aantal jaren dat iemand gewerkt heeft. Dit betekent dat bepaalde sociale groepen zichzelf niet als gepensioneerd zien. Onderzoekers hebben geprobeerd dit probleem van definitie te vermijden door mensen zelf te laten definiëren als wel of niet gepensioneerd. Hierbij is het nadeel dat de definitie voor pensionering voor iedereen anders is. Op het individuele level moet er onderscheid gemaakt worden tussen pensionering als een proces en een fase in het leven die vele jaren duurt.

Geschiedenis van pensionering

Eind 19e eeuw waren er al regelingen voor pensioen, waarvan het doel was ouderen te verzekeren van een inkomen. Mensen hadden in de industrie geen boerderij of spaargeld om op terug te vallen. Maar de leeftijd waarop men met pensioen mocht lag hoog, bijna niemand bereikte deze leeftijd, en het geld dat ze kregen was niet genoeg om van te leven. Na de tweede wereldoorlog werd het beter. Door de grote arbeidsmarkt konden kosten van het pensioen beter gedragen worden, steeds meer mensen bereikte de leeftijd dat ze met pensioen mochten en het aantal mensen dat na de pensioen leeftijd nog werkte daalde sterk.

Hedendaags worden mensen steeds ouder en er worden minder baby’s geboren. Dit zorgt voor meer oudere mensen die een groter deel van de bevolking uitmaken. Deze mensen gaan ook steeds vroeger met pensioen, waardoor er dus een kleiner deel ouderen werkt. De dalingen gelden overigens vooral voor mannen, en zijn inmiddels gestopt. De cijfers die bekend zijn over pensionering zijn niet betrouwbaar. Deze bevatten namelijk niet de mensen die werkeloos zijn en nooit meer zullen gaan werken (eigenlijk een vervoegd pensioen). Wat in ieder geval bekend is, is dat de fase van pensioen de laatste jaren is uitgebreid doordat mensen eerder met pensioen gaan en langer leven. Niet alleen de financiële kant van pensioen is een uitdaging. Doordat ouderen hoger opgeleid, gezonder en financieel beter af zijn hebben zij als gepensioneerden vaak geen passieve rol meer. Het wordt dus een belangrijke uitdaging om betekenisvolle activiteiten voor deze ouderen te creëren. Er moet rekening mee gehouden worden dat er meer oudere werkende mensen komen, en dat er in het algemeen minder werkende mensen komen, doordat de geboortecijfers lager worden. Om die reden moet de leeftijd dat men met pensioen gaat en de integratie van ouderen in de arbeidsmarkt aangepast worden.

Theoretische benadering

Volgens de eerste theorieën ging oud worden gepaard met het innemen van een positie waarin men eigenlijk geen echte rol meer heeft. Om te zorgen dat ouderen zich goed aanpassing aan het pensioen, moeten zij andere rollen op zich nemen. Zij moeten vervangende activiteiten hebben voor de activiteit die ze hadden toen ze nog werkten.

Volgens de disengagement (bevrijding) theorie trekken ouderen zich terug van de sociale rollen (vooral in het werk) die ze hebben vervuld. Dit heeft voordelen voor het individu en de maatschappij. Voor het individu betekend het een verbetering van tevredenheid over het leven omdat ze bevrijd zijn van de rol die bij een beroep hoort, en nieuwe rollen aan kunnen nemen. Voor de maatschappij is het voordeel dat de werkende bevolking jong blijft en er daarom steeds nieuwe invloeden en ideeën zijn. Onderzoek naar de twee theorieën gaf gemengde uitslagen. Ze werden zowel bevestigd als verworpen. Het is moeilijk om onderzoek te doen naar deze theorieën. Vooral onderzoek naar oorzaak en effect is moeilijk. Er zijn nu verschillende theorieën rond het los laten van de rollen, waarbij de theorie van selectieve optimalisatie met compensatie zegt dat er specifieke rollen en theorieën losgelaten en vervangen worden, terwijl de theorie van gero-transcendentie zegt dat dit volledig gebeurt.

De continuïteitstheorie zegt juist dat mensen geen rollen opgeven, maar deze zoveel mogelijk willen voortzetten. Hun manier van leven toen ze werkten beïnvloed de manier waarop ze hun gepensioneerd leven leven. De theorie van politieke economie uit de jaren ’70 gaat in op de relatie tussen ouder worden en de economie. De manier waarop men leeft als men gepensioneerd is wordt beinvloed door hoe de economie is geregeld, bijvoorbeeld door hoe het pensioen financieel geregeld is. Dit moet meer als geheel dan op het individu bekeken worden. In de jaren 90 wordt de kijk op ouder worden en pensionering meer gericht op verschillende leefstijlen. Het gaat niet meer zozeer om het werk dat men doet, er zijn door de consumptiemaatschappij steeds meer activiteiten buiten het werk. Hierdoor wordt pensionering ook makkelijker en is het geen tijd meer dat men rollen verliest, maar een tijd waarin men de kans krijgt om volledig van het leven te genieten.

Zo zijn er nog vele theorieën die gericht zijn op de psychologische, sociale en economische kant van pensionering. Er is duidelijk geworden dat pensioen niet gepaard hoeft te gaan met verlies van rollen, zolang men maar vervangende activiteiten heeft. Oudere werknemers gaan eerder met pensioen omdat jongere werknemers voor werkgevers aantrekkelijker zijn en zij minder kansen krijgen wat betreft bijvoorbeeld training of opleiding. Dit zijn de zogenaamde ‘push’ factors waar de sociologen zich mee bezig houden. De economen houden zich meer bezig met ‘pull’ factors die het individu laten beslissen wanneer zij met pensoen gaan. Zij houden zich vooral bezig met hoe ouderen aangemoedigd kunnen worden om langer te blijven werken. Ondanks alle verschillende theorieën en ideeën is een ding zeker. Het proces van pensionering wordt bepaald door een combinatie van vele factoren.

Productiviteit na pensionering

Het antwoord op de vraag of mensen na hun pensionering nog productief zijn hangt sterk af van de definitie van productiviteit en vrije tijd. De term ‘productief verouderen’ wijst als uit dat activiteit en sociale gebondenheid een rol spelen bij veroudering. Er is al geprobeerd te onderzoeken hoe productief ouderen zijn maar de uitslagen verschillen door verschillende definities van productieve activiteit. De verschillende diciplines, economie, sociologie en psychologie, hebben verschillende definities van productiviteit. Bij de ene definitie zijn maar weinig ouderen productief, terwijl bij de andere bijna iedereen productief is. Er wordt vanuit gegaan dat niemand vrijwillig onproductief is.

Het grootste deel van de activiteit bij ouderen bestaat uit vrijwilligerswerk en zorg voor anderen, bijvoorbeeld voor kleinkinderen. De activiteit die het meest gedaan wordt hangt af van de leeftijdgroep waarin de oudere zich bevindt. Op hoge leeftijd zijn de kleinkinderen al oud genoeg om voor zichzelf te zorgen.
Vrije tijd

Voor de industriële evolutie hadden mensen eigenlijk geen vrije tijd. Tijdens de industriële revolutie veranderde dat, maar veel vrije tijd was er nog niet. Een gemiddelde werkdag duurde lager dan 12 uur. Door weinig tijd en geld om leuke te doen gingen ze drinken. Langzaamaan kregen mensen minder werkuren en vrije tijd in blokken, vakantie, maar de vrije tijd werd vooral gebruikt om uit te rusten en de kracht terug te winnen die ze tijdens de zware arbeid verloren waren.

Tegenwoordig hoeven we bijna een derde van het jaar niet te werken. We werken korter doordat we later beginnen met werken, minder uren werken en eerder met pensioen gaan. Er zijn nu veel meer mogelijkheden om je vrije tijd mee te vullen. Vrije tijd kan nu gespendeerd worden zoals men wil. Aan het eind van de twintigste werd er wel getwijfeld over de scheiding tussen werk en vrije tijd. Deze twee mixte erg in sommige situaties, bijvoorbeeld als werknemers mee doen aan activiteiten buiten werktijd doe door de firma zijn georganiseerd. De betekenis van vrije tijd en vrije tijd zelf zijn onderhevig aan de tijd waarin men leeft. Vroeger ging de armere klasse er niet vanuit dat ze met pensioen konden. Nu is het pensioen voor iedereen een welverdiende fase in het leven, nadat men jarenlang hard gewerkt heeft. Tegenwoordig wordt er door ouderen vooral veel tv gekeken, vroeger was er nog geen tv. Als we de media consumptie even niet meerekenen, zijn bij vrouwen vooral sociale en culturele activiteiten, terwijl mannen meer tijd besteden aan sport hobby’s, games en buiten activiteiten. Men moet wel bedenken dat veel ouderen geen tijd hebben voor activiteiten in vrije tijd omdat ze voor anderen moeten zorgen. Dat geld vooral voor vrouwen. Ins de toekomst zal er weer veel veranderen als het gaat om het besteden van de vrije tijd door ouderen, door de vele factoren die veranderd zijn voor de toekomstige ouderen.

Leven lang leren

Om verschillende redenen zouden meer mensen op later leeftijd nog moet gaan leren. Ondanks dat hier veel voordelen aan zitten komt leren op latere leeftijd maar zelden voor. Mensen die tijdens hun werkend leven leren zijn zeldzaam, zeker als ze al op hogere leeftijd zijn. Hierin zitten nauwelijks verschillen tussen mannen en vrouwen. Wel zitten er verschillende tussen opleidingsniveau. Mensen die een hogere opleiding genoten hebben zullen eerder in hun latere leven deelnemen aan educatie. Andere beslissende factoren zijn gezondheid en de voorwaarden van een instituut. Het is waarschijnlijk dat in de toekomst de ouderen meer zullen gaan leren, omdat de beslissende factoren voor hen gunstiger zullen zijn. Wel moet het voor hen ook mogelijk of makkelijker gemaakt worden om te leren.

Conclusie

De afgelopen jaren is het aantal werkende ouderen afgenomen. Dit komt vooral doordat mensen eerder met pensioen gingen. Het idee om mensen minder pensioen te geven als ze eerder met pensioen gaan brengt ongelijkheid. Het is beter om mensen op andere manieren te stimuleren langer door te gaan met werken. Mensen willen graag continuïteit wat betreft hun activiteiten, door de fases van hun leven heen. Ze behouden hun activiteiten of vinden er vervanging voor. Helaas is het voor ouderen moeilijk om te werken, omdat ze niet aantrekkelijk zijn voor werknemers. Dit zal in de toekomst veranderen door betere opleidingen en betere gezondheid.

In de toekomst moet er meer onderzoek gedaan worden naar pensionering. In het toekomstige onderzoek moet meer aandacht besteedt worden aan de ervaring van vrouwen. Ook moet er meer longitudinaal onderzoek gedaan worden.

Er zijn vele mogelijkheden voor de toekomst rond pensionering, maar voorspeld wordt dat in de toekomst meer mensen langer blijven werken, omdat dat beloond zal worden. Er komen voor ouderen meer manieren om met pensioen te gaan. Dit zal meer vloeiend gebeuren en zal niet meer een onomkeerbaar karakter hebben.
© 2007 - 2010 Parisgirl, gepubliceerd in Sociaal (Mens en Samenleving) op 14-11-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Parisgirl is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • Harald Künemund, Franz Kolland; John Bond, Sheila Peace, Freya Dittmann-Kohli, Gerben Westerhof; Work and Retirement; Ageing in Society (2007); Londen; SAGE Publications Ltd; 3e druk

Reageer op het artikel "Arbeid en pensionering"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.