Sociaal Cultureel en Modernisering

Levensbeschouwing en modernisering

De levensbeschouwing moet vanuit de sociologie worden gekaderd. Het moderniseringsproces (miv de overgang van de agrarische naar de industriële samenleving en de functionele differentiatie) staat daarbij centraal. Wanneer dat proces precies aanving is voor discussie vatbaar en bovendien plaatsgebonden, maar kenmerkend is dat een proces van ontbinding en van specialisatie plaatsvonden in de meeste Westerse landen.


De pre-moderne samenleving

In de pre-moderne samenleving stond de kerk centraal : ze oefende haar invloed uit op allerlei leeftakken. We illustreren dit kort aan de hand van de economie, de wetenschap en de politiek. De economie werd beheerst door het door de godsdienst opgelegde renteverbod. Dit had verregaande consequenties die thans niet meer aanvaard zouden worden. Opvallend is dat de burgerschapsbeweging (U modernisering) onder andere is begonnen in de Italiaanse steden waar het renteverbod langzamerhand werd verlaten. Ook in de wetenschap was godsdienst prominent aanwezig. Veeleer dan exacte of biomedische wetenschappen was theologie de hoogste wetenschap. De politiek werd in grote mate beïnvloed door de godsdienst(stromen). Er vond een ware machtsstrijd plaats tussen de kerkelijke en de wereldse overheden om te bepalen wie de hoogste politieke machtsbekleder was. Waren de Middeleeuwen een dictatuur met een paus aan het hoofd? Neen, het centralisme bestond toen nog niet; de hiërarchische band was toen minder sterk, al was het maar omdat de technische middelen ertoe niet voorhanden waren. Toch was de politiek doordrongen van kerkelijke invloed.

Het moderniseringsproces

Functionele differentiatie
Het moderniseringsproces veranderde het beeld van de samenleving. In plaats van godsdienst in het centrum van de maatschappij de plaatsen werd zij slechts één van de pijlers van de samenleving. De leefwereld werd ontbonden in autonome subsystemen met een eigen methodologie, instituties, rolpatronen, taal, enz. Een specialisatie vond plaats los van de traditionele religieuze en morele vooronderstellingen. Elk subsysteem ontwikkelt een eigen dynamiek om de specifieke functie beter te kunnen uitoefenen. In de economie kwam tegen het eind van de Middeleeuwen de bankwereld tot ontplooiing eenmaal het usura-verbod in belang afnam. Geld werd de algemene pasmunt, met een contract- ipv persoonsgebonden economie : de hoogstbiedende krijgt de oogst, niet de familie of de landheer. Een verzakelijking van de relaties werd mogelijk. Ook het recht ging zich verzelfstandigen : een aparte klasse in de samenleving ging zich bezighouden met procedures, regels vastgelegd op papier ipv op basis van gewoonte,... De zaken worden objectiever geregeld. Dit biedt rechtszekerheid maar tegelijk luidde het ook het tijdperk van de bureaucratie in.
Hierboven hebben we reeds kort de plaats van Religie, zingeving & levensbeschouwing in het curriculum gezien. Naast het feit dat de religie te intiem is om les over te krijgen (privatisering), kan men als modernist ook zeggen dat het niet past binnen het subsysteem.

Secularisatie
De secularisatie van de maatschappij maakt wezenlijk deel uit van deze differentiatie. Oospronkelijk duidde deze term op het verlaten van het klooster, de priester of zuster die deel ging uitmaken van de wereld (secule ~ wereld). Het proces heeft een grotere schaal aangenomen met het Verdrag van Munster na de religieoorlogen. Luidens dat verdrag mocht elke vorst bepalen welke godsdienst zou heersen binnen het land. In Nederland werd bepaald dat het protestantisme de officiële godsdienst zou worden. Katholieken werden verdreven of bekeerd en er vond een proces van secularisatie – eufemisme voor onteigening – van de kerkelijke bezittingen plaats. Thans wordt secularisatie geconnoteerd met privé-zaken : de godsdienst wordt geweerd uit het publieke debat en wordt gereduceerd tot slechts één vd subsystemen. Illustrerend is het terugschroeven van de 72 religieuze feestdagen die vroeger werden ingelast – zoiets zou thans een staatserkenning van de ene godsdienst boven de andere inhouden. De subsystemen begonnen dus van toen af naast elkaar te functioneren. Elk systeem vindt haar legitimiteit binnen het systeem zelf. Toch zoekt men gemeenschappelijke kenmerken, een soort waardengeneralisatie die voor alle subsystemen kan gelden. Die generalisatie zal zich vooral op het formele vlak situeren, een kader waarbinnen de inhoudelijk invulling wordt overgelaten aan de privéwereld. Een voorbeeld is de evolutie in de perceptie van het huwelijk. Vroeger was zowel de vorm als de inhoud ervan bepaald : een duurzaam samensverband tussen man en vrouw, bestemd op de (re)productie van de mens. Inhoud en vorm vielen ahw samen. Vandaag is het huwelijk nog slechts een abstracte vorm (duurzaam samenlevingsverband) waarvan de inhoud – respect voor elkaar – een veelomvattend begrip is dat ruimte laat voor interpretatie. Hoe het huwelijk wordt ingevuld is de verantwoordelijkheid van de huwelijkspartners, niet van de maatschappij. Men denke aan het voorbeeld van de SM-rechter (hoewel die wel de grenzen van het maatschappelijk aanvaardbare overschreed). Ook het homohuwelijk zou niet mogelijk geweest zijn in de Middeleeuwen, toen een welbepaalde vorm van het huwelijk dé uitverkoren vorm was. Men kan hieruit concluderen de vorm en inhoud (waarde en concrete vormgeving) ontkoppeld worden.

Onttovering
Tot dan toe was godsdienst altijd een vanzelfsprekendheid geweest; de traditie werd van ouders op kinderen doorgegeven als iets magisch. Onder andere door de grote twist tussen het Catholicisme en het protestantisme begon de vanzelfsprekendheid van het geloof af te brokkelen. Max Weber beschreef de secularisatie, het verdwijnen van deze natuurlijke alomtegenwoordigheid van de godsdienst, als Entzauberung. Men kan het illustreren aan de hand van het symbool van de eenhoorn. De eenhoorn is een ongetemd, woest dier, symbool voor zuiverheid, dat alleen door de maagd getemd kan worden. In de Middeleeuwen beantwoordden de mythische wezens aan een zekere realiteit. De verdwijning van deze legende in de moderniteit is kenmerkend voor de onttovering die toen plaatsvond. Ook de heksenvervolgingen die een hoogtepunt kenden van 1650 tot 1782 (d.i. nà de ME) staan symbool voor de uitzuivering van de elementen van de Middeleeuwen die men in de moderne tijd niet meer wou aanvaarden.

Rationalisatie en instrumentele rede
In de Middeleeuwen ging men er vanuit dat God, het natuurlijke zou leiden tot het Goede. In de moderniteit vindt een revolutie plaats waar God wordt ingeruild voor de Rede. Volgens het nuttige, instrumentele denken is er geen plaats meer voor geestelijke feestdagen, voor kloosters enz. Het emotionele moet plaats ruimen voor het redelijke. Met rationaliteit bedoel men niet alleen het product van de rede, het moet een welbepaald product zijn van de rede, mn de efficiëntie, het nut. De rationaliteit wordt op een instrumentele wijze ingevuld. Wanneer Inbev bv onder druk van haar Braziliaanse partner de productie van Hoegaarden wil outsourcen – Hoegaarden weg uit Hoegaarden – omdat dit tot een efficiënter productieproces zou leiden, ging dit gepaard met een grote emotionele betoging die volgens de Brazilianen onredelijk was. De traditionele agrarisch-achtige samenleving botst hier met die van de instrumenteel-rationele moderniteit. Planning en efficiëntie zijn tekenend voor deze levensbeschouwing van de moderne wereld. In zo’n context wordt gepeild naar het nut van religie; het antwoord zoeken daarop is problematisch. Eén van de meest invloedrijke filosofen op dit gedachtengoed is Kant, die stelt dat het individu moet durven te denken. Het moet zich ontdoen van de verworven waarheden, de traditie in vraag stellen om met de eigen rede de waarheid trachten te achterhalen. Het is een pleidooi voor autonomie en verantwoordelijkheid.

I. Kant over verlichting (1784):
'VERLICHTING is het bevrijden van de mens uit zijn onmondigheid, waaraan hij zelf schuld heeft. Onmondigheid is het onvermogen zijn verstand te gebruiken zonder leiding van een ander. Deze onmondigheid is eigen schuld wanneer de oorzaak ervan niet ligt in gebrek aan verstand, maar wel in gebrek aan moed en wilskracht, het zijne te gebruiken zonder leiding van een ander. Heb de moed je eigen verstand te gebruiken! Sapere aude! is aldus de kernspreuk van de Verlichting (...). Het is voor ieder individuele mens moeilijk zich uit de onmondigheid los te werken, die hem bijna tot natuur geworden is. Hij heeft ze zelfs lief gekregen en is op voorhand werkelijk ongeschikt zijn eigen verstand te gebruiken omdat men het hem nooit heeft laten gebruiken (... )’


Het einde van de grote verhalen
Sindsdien is ook het einde van de Grote Verhalen ingeluid (Lyotard), de -ismen die een alomvattend wereldbeeld schetsen. Ten gevolge van de secularisatie hadden een aantal systemen zich aangeboden om als alternatief integratiemechanisme de rol van de kerk over te nemen. Hun hoogtij lijkt nu evenwel voorbij.6 Zelfs de projecten van kennis en emancipatie, het vooruitgangsoptimisme waarbij men zich verheugt op ongerealiseerde ontwikkelingen wordt niet meer door iedereen gedeeld, integendeel. Welke verhalen hebben we thans verlaten? Ten eerste is er het absolutisme. Louis XIV en consoorten wierpen het absolutisme op als alternatief voor de kerk; de politiek zou hét systeem zijn. Met de Franse revolutie werd dit gedeeltelijk verlaten (hoewel ook na de revolutie een vorm van absolutisme werd behouden – niet die van de vorst, wel die van de natie). Een ander alternatief was dat van het Marxisme. In dat wereldbeeld stond een bepaalde interpretatie van de economie centraal, waarnaar alle andere systemen zich dienden te richten. Tijdens processen in de Sovjet-Unie bijvoorbeeld werd op de eerste plaats gekeken naar het Marx-gehalte van de beklaagde veel eerder dan de (andere) schuldcriteria. Nog een wereldbeeld was het Positivisme (Comte), waarin de wetenschap het uiteindelijke doel van de mensheid hoort te zijn, het hoogste stadium in de hiërarchie. Alle andere opvattingen – de stadia van de theologie en de metafysica - zijn daarin minderwaardig, onderdrukt. Op op juridisch vlak kwam dit tot uiting in de rechtspositivistische school (recht is recht als het op de correcte formele manier tot stand kwam). Het Darwinisme is een ander voorbeeld. Trekt men dit gedachtengoed door in andere domeinen dan de natuurlijke evolutie dan komt men bv bij het sociaal darwinisme uit waarbij de zwakkeren in de samenleving vanzelf horen te verdwijnen door de wet van de sterkste.

Het problematisch aan –ismen is dat men de gevolgen ervan in zekere mate niet in de hand heeft. Een ontspoorde toepassing van het (rechts)positivisme is bijvoorbeeld het Nazisme (Hitler als legitiem leider want volgens de regels van het spel verkozen; wetenschappelijke experimenten tijdens WW2,...). De rede van Einstein lag aan de basis van de atoombom, de ontwikkeling van de genetica kan leiden tot eugenisme. In het kader van de onttovering is religie verworden tot bijgeloof, een soort kinderspel. In het kader van de –ismen is de kerk bovendien tot een –isme geëvolueerd. Men denke aan de beroemde stelling van Marx dat religie de opium van het volk is, een soort drugs dat als onderdrukkingsmiddel kan worden aangewend.
Het Katholicisme is een reactie op de moderne ontwikkelingen en kritiek. Het probeert het geloof alsnog aanwezig te laten zijn in de verschillende leestakken. Dit uit zich in het fenomeen van verzuiling, waarbij het geloof bepaalt in welke leefwereld men terechtkomt. Dit sluit nauw aan bij het vroegere beeld van de alomtegenwoordigheid van godsdienst. Tevens gaat men op zoek naar een nieuwe interpretatie van de godsdienst, een nieuw profiel. Men heeft behoefte aan recontextualisering.
© 2007 - 2010 Guggenheimer, gepubliceerd in Sociaal Cultureel (Mens en Samenleving) op 20-03-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Guggenheimer is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Levensbeschouwing en modernisering"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.