Sociaal Cultureel en Strips

Stripcultuur: hoe er vroeger over strips gedacht werd

Stripcultuur: hoe er vroeger over strips gedacht werd

Omdat we willen bepalen hoe de omslag van de opinie tegenover strips is verlopen, is het uiterst belangrijk dat er van alle kanten bekeken wordt hoe er ‘vroeger’ over strips gedacht werd. Deze opinie kwam op een bepaalde manier naar voren en bestond uit vier belangrijke punten van kritiek. De oorzaken zijn mogelijk nog interessanter. Tot slot is het buitengewoon boeiend om de mening van vroeger over strips en geweld te vergelijken met de discussie over gewelddadige computerspellen.


Meer artikelen over Stripcultuur!

Hoe de algemene opinie naar voren kwam in de maatschappij


Een negatief beeld
Zo lang er strips zijn, zo lang is er kritiek. Vanuit alle kanten van de maatschappij werd er afgegeven op het beeldverhaal. Ook nu worden strips nog regelmatig bekritiseerd, zoals te lezen is in het volgende hoofdstuk; ‘hoe tegenwoordig over strips gedacht wordt’. Ouderen, maar ook veel jongere mensen, herinneren zich nog wel de kwalijke blik van de strenge bibliotheek jufrouw wanneer het aantal geleende strips de geleende hoeveelheid ‘verantwoorde’ literatuur overtrof. Op school waren leesboeken genoeg, maar stripboeken waren weinig te vinden. ‘Goede’ ouders werden liever niet gezien wanneer zij met de kinderen een stripboek in de boekwinkel afrekenden. Overigens moet gezegd worden dat deze negatieve opinie van ‘vroeger’ zowel de mogelijkheid tot enige liefde voor de strip voor zowel jong als oud benadeelde. Niet alleen de jongeren hadden ‘last’ van deze negatieve opinie.

Wanneer we de periode ‘vroeger’ exact willen bepalen, stuiten we op een onmogelijkheid. De stripcultuur is immers geen oorlog. Er zijn geen gedenkwaardige veldslagen te noemen waar de strijd om een positievere opinie beslist werd. Deze omkering is geleidelijk gegaan, veroorzaakt door allerlei processen en situaties. Nogmaals, deze zullen in het volgende hoofdstuk uitgelicht worden.

Een kritisch begin
Confrontatie tussen stripfiguren. Bron: DBNL
Confrontatie tussen stripfiguren. Bron: DBNL
Het begin van de publicaties van strips door de landelijke en regionale kranten was de start van de kritiek binnen de stripcultuur. De publicatie van Bulletje en de Bonestaak in het dagblad Het Volk (en eerder in het socialistische dagblad Voorwaarts) stuitte op kritiek vanuit de opvoedkundige kring. De tekeningen waren pedagogisch niet verantwoord. Ze waren te plastisch (in de zin van te aanschouwelijk en beeldend); er kwamen verminkte lichamen in voor, evenals overgevende figuren, scheldende figuren, onthoofdingen, vechtpartijen en naakte figuren.
Op zich was dit een opmerkelijk gegeven omdat schrijver A.M. de Jong zelf een onderwijsachtergrond had. Hij ergerde zich dermate aan de brave stripfiguren Jopie Slim en Dikkie Bigmans in De Telegraaf, dat hij met zijn strip een ander pad verkoos te bewandelen. Overigens is de door hem getekende gewelddadige confrontatie tussen zijn eigen Bulletje en de Bonestaak en Jopie Slim en Dikkie Bigmans een bekende passage uit zijn strip.1

Het hoogtepunt van de kritiek lag niet binnen voorgenoemde periode, welke voor de tweede wereldoorlog is. Weliswaar werkte de strip rond die tijd, samen met de ‘nieuwe’ media radio en film hard aan zijn entree, maar pas na de oorlog kreeg het medium veel invloed. Bovendien werd door de toenemende welvaart (mensen konden zich strips veroorloven) en de toenemende vrije tijd de populariteit mogelijk gemaakt, met als gevolg een toename van het aanbod.

Al met al was dit hét moment waarop men reden had om zich zorgen te gaan maken over de schadelijke eigenschappen van dit nieuwe medium. Overigens is een precieze bepaling van het hoogtepunt van de kritiek moeilijk, maar er kan uitgegaan worden van de jaren 50 en 60. We kunnen concluderen dat vanaf de oorlog de critici hard aan de weg hebben getimmerd.2

De kritiek benoemd
Diverse andere situaties wezen er destijds op dat de stripcultuur een slecht imago had. De kritiek op de eerste strips in de landelijke en regionale dagbladen was slechts het begin. De meest gehoorde redenen waren de morele verderfelijkheid, de fantasie die niet geprikkeld werd, de slechte spelling en beroerd taalgebruik en de hoeveelheid gewelddadige scènes.

Moreel verderfelijk
Vaak werd gesteld dat strips moreel verderfelijk zouden zijn. Strips waren een “a menace (bedreiging) to children”. Frederic Wertham ging zelfs zo ver om strips “the seduction of the innocent” (de verleiding der onschuldigen) te noemen.
Deze discussie over morele verderfelijkheid steekt tegenwoordig nog regelmatig de kop op wanneer er een controversieel kinderboek gepubliceerd wordt. In veel gevallen wordt het stempel van morele verderfelijkheid hierbij uitgedeeld door een geloofsgemeenschap. De Harry Potter boeken van J.K. Rowling zijn hier een goed voorbeeld van. Overigens is de impact van dit soort opinies tegen bepaalde (kinder)boeken gezien de verkoopcijfers vrij gering, dus het voert hier te ver de vergelijking met strips verder uit te meten.3 In de wereld van de strips was de impact bepaald groter, maar daarover later meer.

De fantasie wordt niet geprikkeld.
De fantasie van kinderen die menige uren doorbrachten met een stripboek voor hun neus, zou niet gestimuleerd worden of zelfs achteruit gaan.4 De tekeningen zijn daarvoor te direct. Wanneer een kind een boek leest wordt de fantasie geprikkeld en worden aan de hand van omschrijvingen de omgeving, scènes en situaties in gedachten ingevuld en ingekleurd. ‘Stripkinderen’ worden aan het handje meegenomen door een wereld die door de auteur bedacht is. Er wordt letterlijk en figuurlijk weinig aan de verbeelding overgelaten.

Nauw verwant aan het gegeven dat de fantasie niet wordt geprikkeld, is de beschuldiging dat het lezen van strips ‘leesluiheid’ zou veroorzaken. Kinderen zouden geneigd zijn alleen nog maar stripboeken te lezen en een goed boek te laten liggen. Kortom, men werd er lui van.

Ook W.G. van der Hulst, kinderboeken-schrijver, denkt er het zijne van. Hij reageert op de klacht dat het kind van nu (1951) niet meer zo toewijd leest als vroeger. Niet alleen het kind maar ook de volwassene is er wat dat betreft slecht aan toe. Deze wereld is wat hem betreft ‘moe, gemakzuchtig en indolent (lusteloos)’ geworden. Hoe wel de inhoud van zijn mening over het stripverhaal met aandacht dient te worden gelezen voordat zij werkelijk doordringt (vanwege het ouderwetse taalgebruik), is zijn negatieve mening duidelijk voelbaar.5

“De Amerikaanse onsmakelijkheid, de inhoud van een plaatjesverhaal te demonstreren in woorden, die als wanstaltige blazen de monden der optredende figuren uitpuilen, heeft zelfs de Bijbelse Geschiedenissen in deze niet ontzien. De ‘beeldroman’ kwam. Gelukkig, hij schijnt aan zijn eigen bloedarmoede ten gronde te gaan.
Mogelijk is het wachten nu op de ‘droompil’, die het kind enkel maar heeft op te zuigen, om in zijn geest de schoonste verbeeldingen te zien verschijnen. En dan - dàn zijn we juist aan de opium toe.
Dit is de weg niet, - en nóóit!”

Gewelddadige scènes
Stripverhalen worden opgebouwd uit een aantal personages. Uiteraard is daar de hoofdpersonage, vaak vergezeld door meebelevers, sterke vrienden en andere (onschuldige) karakters.6 In veel stripverhalen verschijnt er ook een vijand ten tonele. En het is juist het gedrag van de stripheld ten opzichte van deze vijand die de discussie over de ‘slechtheid’ van strips voedde. Terwijl de moreel had kunnen zijn ‘met praten lossen we alles op’, wordt in de wereld van de strip meestal gekozen voor een geweldadige confrontatie. Uit angst voor kopieergedrag was de aanwezigheid van gewelddadige scènes destijds een goed argument om de jeugd strips te ontzeggen. Immers, een mensenleven leek in sommige strips nauwelijks iets waard te zijn en de beslissing om tot geweld over te gaan kwam in één tekstballonnetje tot stand. De vergelijking met de tegenwoordige discussie over gewelddadige games is duidelijk.

Slechte spelling en beroerd taalgebruik
Waar het literaire kwaliteiten betrof zouden strips niet bepaald aanbevolen zijn. Ook op taalkundig gebied zouden ze verarmend werken. Kortom, tijdverspilling wanneer er gedacht werd de lezer enige vooruitgang op het gebied van de Nederlandse taal te laten boeken. Een belangrijke reden om strips ver weg in een hoekje te stoppen en het liefst nooit meer naar om te kijken. Michiel Hendryckx, Belgisch persfotograaf en televisiefiguur, schrijft: “Om een duistere pedagogische reden waren strips bij ons thuis verboden. Mijn vader had zich laten aanpraten dat kinderen er krom en gebroken Nederlands door leerden”.7

De taalkundige kritiek binnen de negatieve opinie tegen over strips berust op de waarheid, inderdaad wordt regelmatig de vraag gesteld of de auteurs überhaupt enig taalkundig onderricht hebben gevolgd. Of de verwachte gevolgen, strips zouden taalkundig verarmend werken, ook de waarheid zijn is een andere zaak.

Striprecensenten maakten, en maken nog steeds, veelvuldig opmerkingen over de fouten die zij vaker dan ze lief is tegenkomen in stripalbums. Naast de spelling is ook de taal bepaald problematisch. Overigens is het niet zo dat de fouten er na enkele bladzijden schrijven heimelijk insluipen. Ook de titels en de voorpagina’s zijn vaak slachtoffer van een gebrek aan kennis van de spelling. Of is het geen onwetendheid maar onoplettendheid doordat de auteurs simpelweg geen belang hechten aan correcte spelling in strips?8

Onderstaand een kleine opsomming die een indruk geeft van de soort fouten die men in een stripverhaal tegen kan komen. 54, 56
  • “Dit landschap vervormd geluiden zodat het onmogelijk is om precies te bepalen waar.” (Ken Broeders, Voorbij de Steen 4: De Drakenmeester, pagina 31, plaatje 7)
  • “Wonderlijk… Da Vinci heeft het klaargespeeld. Hij mistte alleen een krachtbron om zijn nieuwe mens aan te drijven.” (Thomas du Caju & Luc Morjeau, Sabbatini. De Codex Robotica, pagina 45)
  • “Onze orde wordt bedreigt, moeder Nirhema!” (Ken Broeders, Voorbij de Steen 4: De Drakenmeester, pagina 46, plaatje 3)
  • “Op het eerste zicht, aan de draaigroeven te zien, lijkt de kogel gevuurd te zijn door een Smith & Wesson…” (Steve Van Bael, Link. Het zesde gebod, pagina 22)

Situaties waarin de negatieve opinie naar voren kwam

Ouders, pedagogen en gezagdragers
Als aanvulling op bovenstaan rijtje kunnen de bibliothecarissen en bepaalde religieuze kringen genoemd worden. Vooral wanneer de voorgenoemde personen tot de ‘intellectuele elite’ behoorden, was de kans groot dat de stripcultuur door hen niet bepaald gepromoot zou worden. Ieder nam zo zijn maatregelen, waarvan die van de politici verderop nog aan bod zullen komen.

Ouders waren vaak geneigd de pedagogen in hun mening achter na te lopen en zo het lezen van strips te verbieden of in elk geval zo veel mogelijk te beperken. Beeldverhalen werden door hen gezien als ‘vergif voor de jeugd’, wat een uitstekende samenvattende weergave is van de vier kritische punten die op de vorige bladzijde genoemd werden.9

Regelmatig werd er een strip als aanstootgevend ervaren door bepaalde religieuze kringen. In enkele gevallen vergelijkbaar als een soort ‘Deense cartoonrel’, maar gelukkig met minder gecompliceerde consequenties. Als voorbeeld kan de krantenstrip B.C. (in Nederland Oerm) genoemd worden van de auteur Johnny Hart. De stripserie was wereldwijd een succes, maar door de religieuze verwijzingen die de auteur er na enige tijd in ging verwerken werd deze krantensyndicaatstrip (een strip die aan meerdere kranten werd verkocht; B.C. werd in meer dan 1300 kranten geplaatst) afgezworen door bepaalde christelijke kringen. Ook de Joodse en Moslim gemeenschap voelden zich door enkele afbeeldingen beledigd en vonden dat deze strips ongevoelig omgingen met hun geloof.10

In de boekenwinkel
Gelukkig kan men in het volgende hoofdstuk lezen dat de situatie er tegenwoordig heel anders voorstaat, maar de combinatie boekenwinkel en stripverhalen was vroeger geen goede combinatie. Strips werden zelden verkocht in ‘de betere boekhandel’. Een striplezer of een vertegenwoordiger van een uitgeverij van stripalbums werd hier regelmatig met een kluitje het riet ingestuurd: “Meneer, wij doen niet aan strips”.11

In 1968 werd de eerste stripboekenwinkel opgericht in Rotterdam, tot die tijd werden strips alleen verkocht door handelaren in tweedehands boeken. Arie de Koff startte deze winkel omdat er steeds meer vraag naar stripboelen kwam, ondanks dat de intellectuele elite strips iets voor de massa vond. De vraag nam toe doordat de kranten strips publiceerden en er een generatie jongeren inmiddels mee was opgegroeid, of ermee aan het opgroeien was. We spreken immers over het jaar 1968, toch alweer een aardige periode nadat de kritiek in volle hevigheid van start was gegaan.12

Het Stripschap
Deze vereniging werd opgericht in het jaar 1967. Het doel was en is nog steeds de waardering te bevorderen voor het beeldverhaal in het algemeen en het Nederlandse beeldverhaal in het bijzonder.13 (13) Ook de jaarlijkse stripdagen worden georganiseerd door het stripschap. Het stripschap is niet meer weg te denken uit de Nederlandse stripwereld, maar ook buiten Nederland heeft het zijn sporen verdiend. Een voorbeeld daarvan is de bijna legendarische bekendheid in Frankrijk rond het jaar 1981. Het door de vereniging uitgegeven blad Stripschrift was immers het oudste stripfanzine van Europa.14

Toch was de oprichting van Het Stripschap geen vanzelfsprekendheid of voor de hand liggende daad. De negatieve heersende opinie wordt uitstekend verwoord door de gevoelens van Ing. Gert Faken (één van de oprichters van Het Stripschap) tijdens de oprichtingsvergadering. “Argeloos betraden wij, volwassenen met een infantiele hobby op de afgesproken tijd de vergaderruimte. (…) ‘Als ik maar geen bekenden tegenkom’ en ‘Als ze me maar niet uitlachen’, zag je ze denken. Op een verhoging zaten de initiatiefnemers ook al besmuikt nerveus te wezen.”11

De striptekenaars
Doordat strips niet serieus werden genomen waren de striptekenaars inmiddels gewend aan het gebrek aan waardering. Zij waren gemakkelijk te benaderen en waren al even zo eenvoudig te strikken waren voor een interview. Ze waren aangenaam verbaasd, wanneer ze in de belangstelling stonden.

“Als je weer eens bij Franquin of Vandersteen langs wilde, dan deed je dat. Gewoon. (…) Ook bij Jije, Tillieux, Chalier of Peyo was je altijd welkom voor een praatje. Goscinny, Kresse of Hergé kon je beter eerst even bellen dat je eraan kwam, maar dan was het vrijwel nooit een probleem. (…) Barks, Tardi, Giraud, Gotlib, Bretécher, Morris en Toonder waren toen ook nog zonder meer benaderbaar voor de enthousiaste fan.” , aldus Willem van Helden over de situatie in het jaar 1976. 57

Annie MG Schmidt
Zij verdient in dit onderzoeksartikel een vermelding omdat velen ervan uit zullen gaan dat Annie MG Schmidt door haar bijzonder kindvriendelijke carrière ook de strips een warm hart heeft toegedragen en wellicht ook een bijdrage heeft geleverd. Deze overtuiging is niet geheel juist.

In onderstaand citaat geeft Annie MG Schmidt haar mening over kinderen en strips. Het is afkomstig uit Van schuitje varen tot Schendel uit 1954. De strip in kwestie is Donald Duck. Dit blad was in de jaren zestig veel populairder dan het ‘goede’ kinderblad Kris-Kras, een literair jeugdtijdschrift uitgegeven door de Stichting Kinderbelangen.15 Overigens heeft zij met Tante Patent en Hendrik Haarklover ook haar bijdrage geleverd aan de wereld van de strip. Hendrik Haarklover verscheen van 10 oktober 1953 tot 23 januari 1954 wekelijks in Het Parool. Wim Bijmoer maakte de tekeningen.16 Dit waren beiden geen ballonstrips, maar opeenvolgende tekeningen waaronder enkele regels tekst te vinden waren, de zogenaamde tekststrips.

“In de speeltuin circuleert een kinderblad. Het is een Walt Disney-achtig tijdschrift, dat hoofdzakelijk door strips wordt gevuld. Het is niet onzedelijk, het is niet verderfelijk, het is alleen maar lelijk. Afschuwelijk lelijk, het is smakeloos, en het is lorrig. Maar alle kinderen vliegen erop af, omdat het kleurig is en omdat het gek is. Ze moeten om de dierkarikaturen lachen, ze vinden het allemaal erg lollig. Ze gieren om de banale grapjes, want ze hebben nooit iets beters waar ze om lachen kunnen.
Ik kijk het prul even in en ik moet niet lachen. Ik moet huilen. Huilen omdat dit blaadje in een oplage van meer dan honderdduizend exemplaren verspreid wordt in ons land, terwijl er geen geld is voor een goed kinderblad. Deze kinderen zullen behalve het stripblad ook de strips in de krant bekijken. En de strips in het damesblad van hun moe. En verder niets. Ze gaan later naar de film, of kijken televisie en zien daar ook een soort strips, even smakeloos, even banaal, even harteloos, even cliché. Deze kinderen worden stripkinderen en later worden het stripmensen.” 58

Oorzaken van de negatieve opinie


Oorzaak of gevolg?
Veel verschijnselen, situaties en politieke opvattingen kunnen zowel oorzaak dan wel gevolg genoemd worden. Wanneer er bijvoorbeeld door de overheid maatregelen genomen werden, had dit voor de stripcultuur in Nederland soms verstrekkende gevolgen. Aan de andere kant, de reden waarom deze maatregelen genomen werden, kunnen ook als oorzaak aangewezen worden. Al met al een ingewikkelde zaak. Wanneer een maatregel wordt uitgeroepen omdat dit maatschappelijk gewenst is, is er ook een oorzaak aan te wijzen voor deze maatschappelijke opinie. Daarom staan in dit hoofdstuk een aantal ‘oorzaken’ beschreven die of op zichzelf een oorzaak zijn van de negatieve opinie, of op zijn minst hebben bijgedragen aan de negatieve opinie maar zijn voortgevloeid uit andere oorzaken.

De wetenschap

Dick Bos, letterlijk en figuurlijk vergif? Bron: Picasa webalbums
Dick Bos, letterlijk en figuurlijk vergif? Bron: Picasa webalbums
Werthams The seduction of the innocent
Ook de wetenschap droeg zijn steentje bij aan de commotie rond de strips. Frederic Wertham was hierbij een van de meest opvallende publicisten. Deze (kinder)psycholoog/psychiater uit New York heeft zich in 1954 door de publicatie van zijn boek Seduction of the Innocent niet bepaald populair gemaakt bij stripliefhebbers, stripauteurs en uitgevers. Stripfans maakten hem zwart door hem te vergelijken met Joseph McCarthy, die als senator destijds een heksenjacht voerde tegen communisten.

Wertham waarschuwde bezorgde ouders voor de verderfelijke invloed van (met name) de ‘crime-comics’. Bovendien zou de (jeugd)criminaliteit door het lezen van stripalbums toenemen.
Dat de publicatie van Wertham een dergelijke schok te weeg kon brengen, was te wijten aan het feit dat de pedagogen en ouders niet goed op de hoogte waren van de inhoud van de stripbladen. Aangenomen werd dat deze een inhoud van dezelfde strekking zouden bevatten als de krantenstrips. Niets bleek minder waar toen Wertham opschreef dat de boekjes volstonden met martelpraktijken, verkrachtingen en het goedpraten van geweld.17

Een citaat van Wertham: “Here is the repetition of violence and sexiness which no Freud, Krafft-Ebing or Havelock Ellis ever dreamed could be offered to children, and in such profusion”

Wertham had een grote afkeer van superhelden. Hij associeerde die met een soort Übermenschen, maar had juist een grote afkeer van racisme en fascisme. Hij stookte waarschijnlijk daarom paniek door te melden dat Baman en Robin homoseksuelen waren. Superman was volgens hem een crypto-fascist.18 Wertham zag pornografie waar het niet was. Hij zag een schaduw in een spierbundel waarin een vrouwenschoot te ontdekken zou zijn. Hij kreeg hierdoor de verdenking dat hij geobsedeerd was door vieze plaatjes.19
Ook waarschuwde hij voor de horror comics. Hij nam een selectie van de allerergste plaatjes in zijn boek op. Een mooie vrouw wordt door een monster in de nek gebeten en verandert in de volgende vier plaatjes zelf in een monster. Een klein meisje steekt een priem in het oog van haar vijandin.20

Velen zijn ervan overtuigd dat Werthams publicatie niet wetenschappelijk is, maar slechts pseudowetenschappelijk. Hij gebruikt feiten en cijfermatig materiaal, maar geeft geen onderbouwende theorie. Slechts lange opsommingen van feiten en veel anekdotes, maar geen wetenschappelijk bewijs.17
Hoewel de inhoud dus een twijfelachtige onderbouwing had, waren de gevolgen verstrekkend. De publicatie had op zeer korte termijn tot gevolg dat tientallen uitgeverijen werden gesloten. Er werd nog hetzelfde jaar een code opgelegd door de vereniging van stripuitgevers, de CMAA: Comics Magazine Association of America. Zij besloten over te gaan tot zelfcensuur en alle leden moesten zich hier aan houden. Dit was de Comics Code Authority. De code moest ervoor waken dat de strips vrij bleven van gruwelen als seks, politiek, racisme of geweld. Deze Comics Code verbood bijna alles. Extreem geweld en seksuele perversiteiten (waaronder homoseksualiteit) mochten niet afgebeeld worden. Ook grappen over het huwelijk en zelfs het gebruik van de woorden 'horror' en 'terror' in striptitels weren taboe. Kortom, de bladen moesten voldoen aan de ‘gemiddelde maatschappelijke geaccepteerde normen’.21 In één klap verdween alle vrijheid van meningsuiting voor de cartoonisten.18

Dit alles speelde natuurlijk ver van het bed van de Nederlandse stripauteurs, maar een dergelijke schokkende publicatie beïnvloedde ook in Nederland de publieke opinie over strips. Bovendien besloot ook de Vereniging van Europese Jeugdtijdschriftenuitgevers (waarbij ook Nederlandse uitgevers waren aangesloten) een eigen code aan te nemen. Geïnspireerd door de Amerikaanse Comics Code Authority werd zodoende in Europa de Morele Code van het Europees Verbond van Uitgevers van Jeugdtijdschriften aangenomen. Deze bestond uit veertien artikelen waar de uitgeverijen zich aan te houden hadden. De code was bedoeld als een controlerende zelfcensuur. Tijdschriften die zich onderworpen aan deze code, kregen een klein vignet op de omslag met als opschrift: ‘Dit jeugdtijdschrift houdt zich aan de morele code’.22

Professor Hill
Ook George E. Hill, een professor uit Iowa, hield zich bezig met het analyseren van de invloeden van strips. Hij analyseerde een maand lang de taal van 16 verschillende krantenstrips om te zien op welke manier de woordenschat van kinderen hierdoor beïnvloedt werd. Hij besluit in 1943 dat de stripverhalen die in dagbladen verschijnen onschadelijk zijn voor kinderen. Volgens hem is het jammer dat er niet altijd onderscheid gemaakt wordt tussen strips in dagbladen versus de stripbladen en stripalbums. Kinderen die strips in dagbladen lezen zouden er zelfs op taalkundig gebied profijt van kunnen hebben. Wel maakt ook hij zich zorgen om de effecten van stripverhalen op het gedrag en de morele overtuigingen van kinderen.23, 24

De Nederlandse overheid

De Nederlandse overheid liet zich niet onbetuigd na alle commotie rond de invloeden van strips en nam maatregelen om de potentiële schade zo veel mogelijk te beperken.

Minister Rutten
In 1948 werd er een circulaire (rondschrijven) rondgestuurd door minister Rutten (Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen) met daarin een beroep op scholen om de verspreiding van strips tegen te gaan. Scholen moesten erop toezien dat “de leerlingen de beeldromans niet in de school brengen of onder hun makkers verspreiden”. Volgens hem waren beeldromans “van een sensationeel gehalte zonder enige andere waarde”. In principe doelde hij op de beeldverhalen die als sensationeel bestempeld werden (bijvoorbeeld Dick Bos, Charlie Chan en Lex Brandt), maar in de praktijk werden alle stripverhalen hier het slachtoffer en kregen hetzelfde stempel.25

Overigens ondernam het stripschap, eerder genoemd in 2.1.4, in een ledenvergadering
een resolutie aan om de nieuwe minister de circulaire van zijn voorganger te laten intrekken. Het stripschap was er absoluut niet mee eens dat strips werden bestempeld als boekjes van een sensationeel karakter zonder enige andere waarde.26

De circulaire van de minister in1948 kan zowel als oorzaak dan wel gevolg gezien worden. Het was een oorzaak in de zin dat er op basisscholen nauwelijks in strips gelezen mocht worden. Aan de andere kant was het natuurlijk ook een gevolg van het vermoeden dat strips een slechte invloed hadden, om nog maar even te wijzen op de ingewikkelde oorzaak-gevolg relatie.
Doordat dit bericht van de minister echter een grote invloed heeft gehad op de aanwezigheid van strips op basisscholen en daarbij heeft bijgedragen aan het de opinie dat strips kinderen onthouden moest worden, kunnen we ook deze circulaire in de reeks van oorzaken plaatsen.

Comité ter bestrijding van de slechte beeldromans
Het comité ter bestrijding van de slechte beeldromans werd opgericht in 1949 en was het antwoord op de opkomst van de stripverhalen die de markt overspoelden en daarbij in populariteit toenamen.27 (27) Goede kinderliteratuur moet de vervlakking bij de jeugd tegengaan. Om deze literatuur, het ‘goede’ kinderboek, te promoten werden er verschillende kanalen ingesteld, zoals het Bureau Boek en Jeugd, de Kinderboekenweek en de prijs voor het Kinderboek van het Jaar (de latere Gouden en Zilveren Griffel).28

“De minister van O.K. en W. doet een beroep op de direkteuren der rijksscholen, gemeentebesturen en schoolbesturen, om te bevorderen dat het verspreiden van zogenaamde beeldromans zowel op school als daarbuiten zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Deze boekjes die een samenhangende reeks tekeningen met een begeleidende tekst bevatten zijn over het algemeen van een sensationeel karakter zonder enige andere waarde” 64

Het overheidsrapport maatschappelijke verwildering van de jeugd in 1952
De Maatschappelijke verwildering der jeugd is een rapport betreffende het onderzoek naar de geestesgesteldheid van de massajeugd door pedagoog M.J. Langeveld. Het onderzoek is gehouden in opdracht van de minister van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen. Het betrof hier niet alleen de invloeden van strips, maar de gehele afvlakkende culturele ontwikkeling.22 Dat het rapport niet leidde tot ingrijpen door de overheid is enigszins merkwaardig, want de (stevige) conclusie was als volgt:

“De jongeren blijken verwilderd als gevolg van de teloorgang van elke vorm van traditie, sociale conventie, moraliteit en geloof. Ze houden er een banale, materialistische moraal op na, terwijl vulgair hedonisme hun hoogste levensdoel vormt. Gezin, school noch jeugdorganisatie hebben hier een afdoend antwoord.”59

Terecht of onterecht?


Er waren naast negatieve kanttekeningen ook positieve geluiden te horen. Blijkbaar dacht niet iedereen bar en boos over de beeldverhalen, al was het maar over een bepaald soort strips, of slechts één stripfiguur. Er waren bijvoorbeeld ouders die inzagen dat zij hun kinderen toch niet aan het lezen zouden krijgen, mits er strips op tafel kwamen. Of zij nu wel of niet positief dachten over de ‘beeldcultuur’, de strips kwamen in huis om dochter of zoon aan het lezen te krijgen.29

Terwijl op de scholen strips in principe niet verder kwamen dan de drempel, werden in het onderwijs toch in enkele gevallen leerzame strips gebruikt. Zij het in een veel mindere mate dan tegenwoordig. Ook werd vroeger menig student het Latijn machtig door de hulp van Asterix. Ook de strips die (af en toe) teksten plaatsen die op literair gebied door de beugel konden (zoals het gebruik van gedichten), werden nog wel eens ingezet als les- en leermiddel.30

Gewelddadige strips en de vergelijking met games


Uit menige bron blijkt dat de agressie in de stripbladen een van de belangrijkste factoren was die de negatieve opinie tegenover strips veroorzaakt heeft.

De agressieve strips zouden leiden tot kopieergedrag. Ook de strips uit de horrorhoek bevatten veel geweld. De massajeugd zou hierdoor verleid worden tot misdadig gedrag. Ook het al eerder genoemde overheidsrapport Maatschappelijke verwildering der jeugd uit 1952 spreekt over de invloed van de bloederige beeldverhalen. ‘De invloed van deze bloederige verhalen blijft funest gezien de ervaringen van de politie, die molesteringen direct tot deze lectuur herleiden kan’.22

Als onderbouwing van deze aanname vonden pedagogen en andere gezaghebbenden ‘bewijsmateriaal’ genoeg. Zo gebeurde het dat een jongen zijn vriendin op de spoorrails vastbond. Op zijn kamer werden later stripalbums gevonden en deze werden aangewezen als de oorzaak voor zijn gedrag.31

Uit bovenstaande gegevens blijkt dat de discussie over de strips ‘van toen’, grote gelijkenissen vertoond met de games ‘van nu’. Een andere overeenkomst is dat bij zowel strips als games de strijdende partijen ieder blijven roepen dat het (al naar gelang wel of niet) bewezen is dat deze invloed daadwerkelijk aanwezig is. Sommigen zeggen dat sinds de komst van de televisie (en visuele geweldpleging in het algemeen) het aantal moorden in Amerika verdubbeld is, terwijl anderen dit ontkennen en deze stijging wijten aan een verbeterde registratiemethode voor geweldplegingen.

Toch is er ook één zeer belangrijk verschil in de vergelijking tussen strips en games. In de wereld van de strip blijft de lezer een getuige, een passieve belever van het geweld dat voorbij komt. In de wereld van de videogames moet de trekker echter overgehaald worden door de speler zelf. Hoewel fictief, heeft de jongere in het geval van videogames zelf invloed op het geweld en maakt hij of zij keuzes. Zo kan het in het spel Grand Theft Auto veertig uur duren tot het spel tot een einde is gebracht. Onderweg moet men onder andere een agent vermoorden, met een honkbalknuppel een prostituee de schedel inslaan en diverse andere geweldplegingen ondernemen.32

Ook nu is het (naast de opvoedkundigen) wederom de politiek die zich druk over de introductie van de nieuwste extreem gewelddadige spellen. Zo als de politiek in Nederland 60 jaar geleden het lezen van strips sterk ontraadde, zo werd nu door de Britse politiek de verkoop van het computerspel Manhunt 2 verboden omdat het spelers aanzet tot het moorden op sadistische wijze.33


Het geweld in games (manhunt 2) versus het geweld in strips (Lucky Luke) Bron: The Age en Obvious
Het geweld in games (manhunt 2) versus het geweld in strips (Lucky Luke) Bron: The Age en Obvious
© 2009 - 2010 Paschja, gepubliceerd in Sociaal Cultureel (Mens en Samenleving) op 11-02-2009, laatst gewijzigd op 01-03-2009. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Paschja is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • 1. K. Ribbens, R. Sanders. p. 62.
  • 2. digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. 1940-1970 Oorlogsjaren en periode van herstel. DBNL. [Online] [Citaat van: 10 01 2009.] http://www.dbnl.org/tekst/duij009goed01_01/duij009goed01_01_0004.htm.
  • 3. J. Cumps, K. Morissens. Laat ze strips lezen! Leuven : Acco, 2007. p. 142.
  • 4. —. Laat ze strips lezen! Leuven : Acco, 2007. 144.
  • 5. Hulst, W.G. van de. Waarom verdient het goede kinderboek onze diepe belangstelling? DBNL. [Online] [Citaat van: 8 01 2009.] http://www.dbnl.org/tekst/huls013waar01_01/huls013waar01_01_0001.htm.
  • 6. J. Cumps, K. Morissens. Laat ze strips lezen! Leuven : Acco, 2007. pp. 19, 20, 21.
  • 7. —. Laat ze strips lezen! Leuven : Acco, 2007. 143.
  • 8. —. Laat ze strips lezen! Leuven : Acco, 2007. pp. 56,57,58.
  • 9. K. Ribbens, R. Sanders. Getekende tijd. Utrecht : Matrijs, 2006. p. 63.
  • 10. Bernstein, Adam. Obituary: Johnny Hart / Cartoonist sparked religious controversies. Post Gazette / The Washington Post. [Online] [Citaat van: 10 01 2008.] http://www.post-gazette.com/pg/07099/776387-122.stm.
  • 11. H. Pols, et al. Dertig jaar stripschap. Amsterdam : Het stripschap, 1997. p. 2.
  • 12. Rijken, K. Stripboeken vielen niet aan te slepen. Algemeen Dagblad. 15 november2008.
  • 13. Het Stripschap. Informatie over Het Stripschap. Het Stripschap. [Online] [Citaat van: 07 01 2008.] http://www.stripschap.nl/control.php?&topgroupname=home&groupname=stripschap&action=collapse.
  • 14. H. Pols, et al. Dertig jaar stripschap. Amsterdam : Het stripschap, 1997. p. 23.
  • 15. Noorduijn, Mirjam. Vroeger Kris-Kras, nu BoekieBoekie. Vlabin-vbc. [Online] [Citaat van: 08 01 2009.] http://www.vlabinvbc.be/?navigatieid=24&recensieid=740.
  • 16. Fens, Kees. De binnenlandse onveiligheidsdienst van Killendoorn. Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. [Online] [Citaat van: 09 01 2009.] http://www.dbnl.org/tekst/fens001binn01_01/fens001binn01_01_0001.htm.
  • 17. Mirck, Jeroen. Column: Wertham. Comicbase. [Online] 13 03 2005. [Citaat van: 07 01 2009.] http://www.comicbase.nl/nieuws.php?ID=345&openmaand=200503.
  • 18. Jong, Sjoerd de. Niet te veel bloed uit de hals, svp; Uit angst voor subversie legden Amerikaanse stripuitgevers zichzelf censuur op. NRC Handelsblad. 8 augustus 2008.
  • 19. Pollmann, Joost. Plaatjes van de daad; De geschiedenis van seks in strips. De Volkskrant. 30 november 2006.
  • 20. Hofland, H.J.A. Von Kopf bis Fuss. NRC Handelsblad . 3 maart 2006.
  • 21. Rondeltap, Dik. Een revolutie in beelden. NRC. 10 oktober 2005.
  • 22. Hoven, Peter van den. Het goede en het mooie; De geschiedenis van Kris-Kras. sl : NBD/Biblion, 2004. p. 40.
  • 23. J. Cumps, K. Morissens. Laat ze strips lezen! Leuven : Acco, 2007. p. 136.
  • 24. TIME magazine. Comic-Strip Language. TIME magazine. [Online] 21 06 1943. [Citaat van: 11 01 2009.] http://www.time.com/time/magazine/article/0,9171,766794,00.html.
  • 25. K. Ribbens, R. Sanders. Getekende tijd. Utrecht : Matrijs, 2006. p. 24.
  • 26. H. Pols, et al. Dertig jaar stripschap. Amsterdam : Het stripschap, 1997. p. 4.
  • 27. 1940-1970 Oorlogsjaren en periode van herstel. Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. [Online] [Citaat van: 08 01 2009.] http://www.dbnl.org/tekst/duij009goed01_01/duij009goed01_01_0004.htm.
  • 28. Biagioni, Juna. Pinokkio in de polder. Universiteit Utrecht. Utrecht : sn, 2007. p. 23, Scriptie.
  • 29. J. Cumps, K. Morissens. Laat ze strips lezen! Leuven : Acco, 2007. p. 146.
  • 30. —. Laat ze strips lezen! Leuven : Acco, 2007. p. 50.
  • 31. Brandriet, Floris. Zelfs de Duitsers kregen Dick Bos niet klein ; Illustrator Alfred Mazure uit de vergetelheid. Algemeen Dagblad. 9 november 2000.
  • 32. Hofland, H.J.A. Games. NRC. 9 mei 2008.
  • 33. —. Manhunt 3; Hofland Column. NRC. 22 juni 2007.
  • 54. Cumps, J. Strips en andere buitenbeentjes…. Leuven : sn, 2008.
  • 56. J. Cumps, K. Morissens. Laat ze strips lezen! Leuven : Acco, 2007. p. 59.
  • 57. H. Pols, et al. Dertig jaar stripschap. Amsterdam : Het stripschap, 1997. p. 13.
  • 58. K. Kousemaker, M. de Heer. De wereld van de Nederlandse strip. Warnsveld : Terra, 2005. p. 5.
  • 59. Crijnen, Ton. De jaren vijftig. Trouw. 5 februari 2005.
  • 64. Harren, R. "Strip Dossier" ABN bank. sl : Oberon, 1978. p. 54.

Reageer op het artikel "Stripcultuur: hoe er vroeger over strips gedacht werd"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.