Welke keus laat Jezus ons?

Welke keus laat Jezus ons?

Velen beschouwen Jezus als een groot ethisch leraar, de grootste die de mensheid ooit heeft gezien, maar weigeren hem te accepteren als de Zoon van God. Is dat eigenlijk wel een reële optie?
Om deze vraag goed te kunnen beantwoorden moeten we eerst kijken naar welke wijsheden Jezus leerde en wat hij over zichzelf beweerde.

Welke wijsheden leerde Jezus?

Al vanaf het begin van zijn bediening was het duidelijk dat Jezus kwam om de relatie tussen mensen en God te herstellen. Een tiental voorbeelden van wat hij leerde en deed:

  • Liefde voor God en je medemens (ongeacht wie) is het allerbelangrijkste: "Heb de Heer, je God, lief met heel je hart, en heel je ziel, en met heel je verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede gebod is even belangrijk als het eerste: je moet je naaste liefhebben als jezelf" (Mt 22:34-40; Mc 12:28-31; Lc 10:25-37). En: "Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten ook jullie elkaar liefhebben. Als er liefde onder jullie heerst, zal iedereen kunnen zien dat jullie mijn leerlingen zijn" (Jh 13:34-35).

  • Men moet voorzichtig zijn in het beoordelen van anderen: "Want God zal jou op dezelfde manier beoordelen als waarop jij anderen beoordeelt, en hij zal je meten met de maat waarmee jij anderen meet. Waarom kijk je naar de splinter in het oog van een ander, en merk je de balk in je eigen oog niet op? Hoe durf je tegen een ander te zeggen: laat mij die splinter eens uit je oog halen, terwijl je zelf een balk in je oog hebt? Schijnheilige, haal eerst die balk uit je eigen oog, dan zie je pas scherp genoeg om die splinter uit het oog van de ander te halen" (Mt 7:2-5; Lc 6:37-42).

  • Men kan maar beter bescheiden zijn: "Wanneer iemand je uitnodigt voor een bruiloft, kies dan niet de beste plaats uit. Want het kan gebeuren dat iemand die voornamer is dan jij, ook is uitgenodigd. De gastheer zal dan naar je toekomen en zeggen: Wil je voor deze gast hier plaatsmaken? Je zou dan tot je schande op de slechtste plaats moeten gaan zitten! Nee, als je genodigd bent, ga dan liever op de minste plaats zitten. Dan kan het gebeuren dat de gastheer je komt zeggen: Vriend, neem een betere plaats aan tafel. En dat in het bijzijn van alle andere gasten. Het zal een eer voor je zijn. Want ieder die zichzelf verheft, zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert, zal verheven worden" (Lc 14:8-11).

  • Men moet niet voor geld en bezittingen leven, maar voor God: "Geen knecht kan twee heren dienen: of hij heeft een hekel aan de een en is op de ander zeer gesteld, of hij draagt die eerste op handen en minacht de tweede. Je kunt niet God én het geld dienen" (Mt 6:24; Lc 16:13). Ook: "Als je onverdeeld goed wilt zijn, ga dan je bezittingen verkopen, geef het geld aan de armen, en je zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug en volg mij" (Mt 19:21; Mc 10:21; Lc 18:22). En: "Verzamel geen schatten hier op aarde, waar mot en roest ze aantasten en waar dieven inbreken en ze stelen. Verzamel liever schatten in de hemel, waar mot en roest ze niet aantasten en waar dieven niet inbreken en ze stelen. Want waar je schat is, daar is ook je hart" (Mt 6:19-21; Lc 12:33-34).

  • Het gaat niet om hoeveel giften je geeft, maar met welk hart je geeft: "Eens ging Jezus in de tempel tegenover de offerkist zitten en keek toe hoe de mensen er geld ingooiden. Veel rijken gooiden er heel wat in. Toen kwam er een arme weduwe die er twee koperen muntjes in liet vallen, ter waarde van een paar cent. Jezus riep zijn leerlingen en zei: Die arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan al die anderen. Want allemaal hebben ze er iets ingegooid van hun rijkdom, maar zij van haar armoede: zij heeft alles wat ze had erin gegooid, alles waarvan ze moest leven" (Mc 12:41-44; Lc 21:1-4).

  • Men kan zien wat in iemands hart leeft door te letten op wat hij voortbrengt: "Want waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. Iemand die goed is, haalt uit zijn goede hart goede dingen tevoorschijn, en iemand die slecht is, haalt uit zijn slechte hart slechte dingen tevoorschijn" (Mt 12:34-35; Lc 6:45).

  • Onreinheid komt niet van buitenaf maar van binnenuit: "Niet wat de mond binnengaat maakt iemand onrein, maar wat de mond uitkomt maakt iemand onrein. Want uit het hart komen slechte gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse verklaringen, en lasterpraat. Dat zijn de dingen die de mens onrein maken" (Mt 15:11-20; Mc 7:15-23).

  • Men moet niet willen heersen maar dienen: "Jullie weten dat zij die zogenaamd de volken besturen, in werkelijkheid heersers over hen zijn, en dat de groten in een rijk alleen maar hun macht over de mensen laten gelden. Zo moet het bij jullie niet gaan. Als iemand van jullie de grootste wil zijn, moet hij de anderen dienen. Als iemand van jullie de eerste wil zijn, moet hij voor iedereen slavenwerk doen" (Mt 20:25-27; Mc 10:42-44; Lc 22:25-26).

  • In onze taal kennen we de uitdrukking: "Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet." Dat is eigenlijk een negatieve benadering. Jezus formuleerde het positief: "Behandel de mensen zoals je door hen behandeld wilt worden" (Mt 7:12; Lc 6:31).

  • Om zijn boodschap van geestelijk herstel kracht bij te zetten genas Jezus veel mensen ook lichamelijk: "Hij trok alle steden en dorpen rond, gaf onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk, en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk" (Mt 4:23, 9:35; Lc 6:17-19). In de evangeliën worden vele concrete getuigenissen van genezingen en zelfs dodenopwekkingen gegeven. Maar de missie van Jezus was uiteindelijk om geestelijk dode mensen levend te maken voor de eeuwigheid.

Wat beweerde Jezus over zichzelf?

Al vanaf het begin van zijn bediening was het duidelijk dat Jezus zich de Zoon van God en de redder van de mensen wist. Een tiental relevante situaties en uitspraken:

  • Vele keren verwees Jezus naar God als "mijn Vader" (zie bijvoorbeeld Mt 7:21, 10:32, 11:27, 12:50, 16:17, 18:10, 20:23, 26:53; Lc 2:49, 10:22, 22:29, 24:49; Jh 2:16, 5:36, 6:32, 8:54, 10:18, 12:26, 14:23, 15:1, 20:7). Dat was voor de Joodse leiders al vroeg een reden om hem te willen doden, want ze begrepen heel goed dat hij zichzelf daarmee op één lijn stelde met God (Jh 5:18). Op een gegeven moment zei Jezus zelfs ronduit: "De Vader en ik zijn één" (Jh 10:30). En: "Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien" (Jh 14:9).

  • Hij zei ook dat hij door God de Vader gestuurd was om diens wil te doen: "De Vader heeft mij voor zijn werk uitgekozen en mij naar de wereld gezonden. Hoe kun je me dan beschuldigen van godslastering omdat ik zeg dat ik Zoon van God ben?" (Jh 10:36). Ook: "Ik ben van de Vader uitgegaan en naar de wereld gekomen. Ik verlaat de wereld weer en ga terug naar de Vader" (Jh 16:28). En: "Ik ben uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van hem die mij gezonden heeft" (Jh 6:38).

  • In een gesprek met Nikodemus presenteerde Jezus zichzelf als de door God gezonden redder: "Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat iedereen die in hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen maar om de wereld door hem te redden. Wie in hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in Gods enige Zoon" (Jh 3:16-18).

  • Ook boze geesten wisten heel goed wie Jezus was: "Er kwamen hem uit de richting van de begraafplaats twee bezetenen tegemoet. Ze waren zo gevaarlijk dat niemand over die weg durfde te gaan. Ze schreeuwden: Wat moet je van ons, Zoon van God? Ben je gekomen om ons te pijnigen al vóór de dag van het oordeel?" (Mt 8:28-34; Mc 5:1-20; Lc 8:26-39; andere voorbeelden in Mc 1:24, 3:11; Lc 4:34, 4:41).

  • Hij verkondigde dat hij de enige weg was door wie men weer tot God kon komen: "Ik ben de weg, de waarheid, en het leven. Iemand kan alleen naar de Vader gaan via mij" (Jh 14:6).

  • Hij beloofde te pleiten voor zijn volgelingen bij God de Vader: "Ieder die tegenover de mensen er openlijk voor uitkomt dat hij bij mij hoort, voor hem zal ik hetzelfde doen tegenover mijn Vader in de hemel. Maar wie tegen de mensen zegt mij niet te kennen, over hem zal ik hetzelfde zeggen tegen mijn Vader in de hemel" (Mt 10:32-33; Mc 8:38; Lc 12:8-9).

  • Hij riep mensen op om hém boven alles te stellen in hun leven: "Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard. Wie meer van zijn zoon of dochter houdt dan van mij, is mij niet waard. Ook wie zijn kruis niet opneemt om mij te volgen, is mij niet waard. Wie aan zijn leven vasthoudt, zal het verliezen, maar wie zijn leven durft te verliezen omwille van mij, zal het vinden" (Mt 10:37-39; Mc 8:34-35; Lc 9:23-24).

  • Nadat zijn leerlingen al een tijd met hem opgetrokken waren vroeg hij hen: "Wie ben ik volgens jullie?" Petrus antwoordde: "U bent de Christus, de Zoon van de levende God!" Jezus stemde daarmee in: "Je bent een gelukkig man! Want mensen van vlees en bloed hebben je dat geheim niet onthuld, maar mijn Vader in de hemel" (Mt 16:15-17; Lc 9:20).

  • Toen Jezus gevangen was genomen en men zocht naar een aanklacht om hem te kunnen veroordelen, vroeg de hogepriester: "Zeg ons, bent u de Christus, de Zoon van God?" Jezus bevestigde dat zodanig dat de hogepriester uitriep: "Dit is godslastering! Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? U hebt nu zelf gehoord hoe hij God lastert." Daarop werd Jezus veroordeeld tot de doodstraf (Mt 26:63-66; Mc 14:61-64; Lc 22:67-71).

  • Terwijl hij aan het kruis hing bespotten voorbijgangers hem: "Red nu jezelf, als je de Zoon van God bent, en kom van het kruis af!" Zo spraken ook degenen die hem veroordeeld hadden: "Laat hij maar van het kruis afkomen, dan zullen we in hem geloven. Hij vertrouwt op God. Laat God hem dan redden, als hij van hem houdt! Hij heeft toch gezegd dat hij de Zoon van God is?" (Mt 27:40-43). Op het moment dat Jezus stierf kwam er een aardbeving en gebeurden er bijzondere dingen. De Romeinse soldaten die de wacht hielden werden vreselijk bang en zeiden: "Die man was werkelijk de Zoon van God" (Mt 27:54; Mc 15:39).

Welke keuzemogelijkheden geeft dit?

De bovenstaande samenvatting maakt duidelijk dat de stelling dat Jezus slechts een groot ethisch leraar was, te kort door de bocht is. Er was duidelijk meer aan de hand met Jezus dan dat hij slechts wijsheid leerde. Hij beweerde de Zoon van God te zijn, die gekomen was om mensen te redden voor de eeuwigheid, en hij riep zijn toehoorders op om hun leven aan hem te geven.

De claim van Jezus dat hij de Zoon van God was, is óf waar, óf niet waar. Andere mogelijkheden zijn er simpelweg niet. Als zijn claim niet waar is, zijn er twee opties:

  • Jezus wist dat het niet waar was wat hij beweerde. In dat geval was hij een leugenaar, en helemaal geen groot ethisch leraar, maar een hypocriet, aangezien hij in strijd leefde met zijn eigen leer. Ook was hij in dat geval een misleider door anderen te leren dat ze voor hun eeuwige bestemming hun leven aan hem moesten geven. Bovendien was hij een dwaas, aangezien hij uiteindelijk gekruisigd werd vanwege zijn claim de Zoon van God te zijn.

  • Jezus wist niet dat het niet waar was wat hij beweerde, maar leefde in een illusie. In dat geval is er geen andere conclusie mogelijk dan dat hij geestelijk gestoord was. Iemand die in onze tijd beweert Napoleon of Alexander de Grote te zijn, wordt op geen enkele manier serieus genomen. Wat dan te denken van iemand die beweerde de Zoon van God te zijn? Dat is geen groot ethisch leraar, maar een volstrekt onbetrouwbaar figuur.

Als het echter onaannemelijk is dat een zo wijs, liefdevol, rechtvaardig, onzelfzuchtig, ethisch zuiver, moreel hoogstaand, en gezaghebbend persoon als Jezus een bedrieger of krankzinnige was, blijft er dus nog maar één optie over: de claim van Jezus over zijn identiteit is waar.

Zelfs in de tijd van Jezus werden deze beperkte keuzemogelijkheden al heel duidelijk. De Joden legden hem vaak het spreekwoordelijke vuur aan de schenen. Jezus vroeg hen toen op een gegeven moment: "Wie van jullie kan aantonen dat ik schuldig ben aan een zonde?" Geen antwoord. "Als ik dus de waarheid spreek, waarom geloof je me dan niet?" (Jh 8:46).

Conclusie

Het is redelijkerwijs onmogelijk te beweren dat Jezus een van de grootste leermeesters van de mensheid was en tegelijkertijd hem niet te aanvaarden als de Zoon van God. Die keus heeft hij ons niet gelaten. Hij was óf een bedrieger, óf geestelijk gestoord, en dus geen groot ethisch leraar. Óf hij was inderdaad de Zoon van God, en dus de grootst denkbare leermeester, die elk mens zou moeten aanvaarden. De claim van Jezus over zijn identiteit is zo kolossaal, dat niemand neutraal kan blijven. Elk mens zal een keus moeten maken.
© 2011 - 2012 Em71, gepubliceerd in Religie (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.

Gerelateerde artikelen
Wat houdt de drie-eenheid in? De drie-eenheid is een van de grondthema's van het Christendom. Het wordt zowel door kathol…
Abraham-Ibrahim - Oorsprong van de naam Ibrahim, Abraham genoemd in het Nederlands, verwijst naar de aartsvader Abraham.…
De verloren zoon: Lucas 15 vers 21 En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel, en voor u, en ben ni…
De Verloren zoon: Lucas 15: 23 En haalt het gemeste kalf en slacht het en laten wij een feestmaal hebben. Lucas 15: 23 De…
Geloof zonder goede werken is dood geloof - goedkope genade Geloof zonder goede werken is dood geloof - goedkope genade.…

Bronnen en referenties
  • De oudste en meest betrouwbare verslagen over het leven en de leer van Jezus: de Bijbelse evangeliën van Matteüs (Mt), Marcus (Mc), Lucas (Lc), en Johannes (Jh).
  • C. S. Lewis. Mere Christianity. Macmillan Publishing Company, 1952. Nederlandse vertaling: Onversneden Christendom. Uitgeverij Ten Have, 1999. De in dit artikel beschreven gedachtengang werd voor het eerst in dit boek zo duidelijk geponeerd. Lewis leefde van 1898-1963, was hoogleraar aan de Universiteit van Cambidge, en was ook het brein achter de beroemde (en inmiddels verfilmde) Narnia boeken. Hij was aanvankelijk atheïst maar werd later een van de grootste verdedigers van het christelijke geloof die de twintigste eeuw heeft gekend.
  • J. McDowell. More Than a Carpenter. Tyndale House Publishers, 1977. Nederlandse vertaling: Jezus - Feit of fictie? Proclama, 1991.
  • W. J. Ouweneel. De God die is - Waarom ik geen atheïst ben. Uitgeverij Medema, 2005. Ouweneel is ongetwijfeld een van de grootste intellectuelen van Nederland: drie keer gepromoveerd (in de biologie, de filosofie, en de theologie), hoogleraar, schrijver van meer dan honderd boeken over de meest uiteenlopende onderwerpen, en een veelgevraagd spreker. In dit boek legt hij uit waarom het atheïsme minder aannemelijk is dan het christelijke geloof.
  • L. Strobel. The Case for Christ. Zondervan Publishing House, 1998. Nederlandse vertaling: Bewijs genoeg - Wat is er feitelijk over Jezus bekend? Een journalist ondervraagt dertien top-wetenschappers. Uitgeverij Gideon, 1999.
  • T. Keller. The Reason for God - Belief in an Age of Skepticism. Dutton, Penguin Group, 2008. Nederlandse vertaling: In alle redelijkheid - Christelijk geloof voor welwillende sceptici. Uitgeverij Van Wijnen, 2008.

Reageer op het artikel "Welke keus laat Jezus ons?"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Naam: E-mailadres: Meld mij aan voor de wekelijkse InfoNu nieuwsbrief. Reactie:
Reactie

Ronnie1983 (infoteur), 16-09-2011 19:06 #1
Heel veel Zegen wens ik jou! Dat de mensen maar aangeraakt mogen worden door het stuk wat je geschreven hebt! Je hebt het met een gedreven hart gedaan zie ik, En God Zegent jou hierin! ik schrijf zelf ook met een gedreven hart voor onze Here Jezus, alleen op een andere manier als jij het doet! alle werken voor De Here zijn Goed! groeten ronnie.

Infoteur: Em71
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Religie
Bronnen en referenties: 6
Reacties: 1
Schrijf mee!