Jom Kippoer: De Grote Verzoendag - Leviticus 16:1-30

Op Jom Kippoer wordt in de synagoge Leviticus 16:1-30 gelezen. Het gaat over de Grote Verzoendag. Er wordt verteld hoe de Hoge Priester (Aäron) offers moet brengen ter verzoening. De Israëliet zal geen werk verrichten en zich verootmoedigen, want op deze dag zal verzoening gedaan worden. Van alle zonden zal de Jood gereinigd worden.

Leviticus 16:1-30

Na de dood van de beide zonen van Aäron, die gestorven waren, toen zij voor het aangezicht des heren waren genaderd, sprak de Here tot Mozes. De Here nu zei tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aäron, dat hij niet te allen tijde komt in het heiligdom binnen het voorhangsel voor het verzoendeksel dat op de ark ligt, opdat hij niet sterft; want in de wolk verschijn Ik boven het verzoendeksel. Slechts op deze wijze zal Aäron het heiligdom binnengaan: met een jongen stier ten zondoffer en een ram ten brandoffer. Het heilige linnen onderkleed zal hij aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees zijn en een met een linnen gordel zal hij zich omgorden en een linnen tulband zal hij zich ombinden; dit zijn heilige klederen, die hij zal aantrekken, nadat hij zijn lichaam in water gebaad heeft...Dit zal u tot een altoosdurende inzetting zijn: in de zevende maand op de tienden der maand zult gij u verootmoedigen en generlei werk doen, zomin de geboren Israëliet als de vreemdeling, die in uw midden vertoeft. Want op deze dag zal over u verzoening gedaan worden, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij gereinigd worden voor het aangezicht des Heren.

De volledige tekst in het Hebreeuws luidt:
א וַיְדַבֵּר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה אַחֲרֵי מוֹת שְׁנֵי בְּנֵי אַהֲרֹן בְּקָרְבָתָם לִפְנֵי-יְהוָה וַיָּמֻתוּ. ב וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל-מֹשֶׁה דַּבֵּר אֶל-אַהֲרֹן אָחִיךָ וְאַל-יָבֹא בְכָל-עֵת אֶל-הַקֹּדֶשׁ מִבֵּית לַפָּרֹכֶת אֶל-פְּנֵי הַכַּפֹּרֶת אֲשֶׁר עַל-הָאָרֹן וְלֹא יָמוּת כִּי בֶּעָנָן אֵרָאֶה עַל-הַכַּפֹּרֶת. ג בְּזֹאת יָבֹא אַהֲרֹן אֶל-הַקֹּדֶשׁ בְּפַר בֶּן-בָּקָר לְחַטָּאת וְאַיִל לְעֹלָה. ד כְּתֹנֶת-בַּד קֹדֶשׁ יִלְבָּשׁ וּמִכְנְסֵי-בַד יִהְיוּ עַל-בְּשָׂרוֹ וּבְאַבְנֵט בַּד יַחְגֹּר וּבְמִצְנֶפֶת בַּד יִצְנֹף בִּגְדֵי-קֹדֶשׁ הֵם וְרָחַץ בַּמַּיִם אֶת-בְּשָׂרוֹ וּלְבֵשָׁם. ה וּמֵאֵת עֲדַת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל יִקַּח שְׁנֵי-שְׂעִירֵי עִזִּים לְחַטָּאת וְאַיִל אֶחָד לְעֹלָה. ו וְהִקְרִיב אַהֲרֹן אֶת-פַּר הַחַטָּאת אֲשֶׁר-לוֹ וְכִפֶּר בַּעֲדוֹ וּבְעַד בֵּיתוֹ. ז וְלָקַח אֶת-שְׁנֵי הַשְּׂעִירִם וְהֶעֱמִיד אֹתָם לִפְנֵי יְהוָה פֶּתַח אֹהֶל מוֹעֵד. ח וְנָתַן אַהֲרֹן עַל-שְׁנֵי הַשְּׂעִירִם גֹּרָלוֹת גּוֹרָל אֶחָד לַיהוָה וְגוֹרָל אֶחָד לַעֲזָאזֵל. ט וְהִקְרִיב אַהֲרֹן אֶת-הַשָּׂעִיר אֲשֶׁר עָלָה עָלָיו הַגּוֹרָל לַיהוָה וְעָשָׂהוּ חַטָּאת. י וְהַשָּׂעִיר אֲשֶׁר עָלָה עָלָיו הַגּוֹרָל לַעֲזָאזֵל יָעֳמַד-חַי לִפְנֵי יְהוָה לְכַפֵּר עָלָיו לְשַׁלַּח אֹתוֹ לַעֲזָאזֵל הַמִּדְבָּרָה. יא וְהִקְרִיב אַהֲרֹן אֶת-פַּר הַחַטָּאת אֲשֶׁר-לוֹ וְכִפֶּר בַּעֲדוֹ וּבְעַד בֵּיתוֹ וְשָׁחַט אֶת-פַּר הַחַטָּאת אֲשֶׁר-לוֹ. יב וְלָקַח מְלֹא-הַמַּחְתָּה גַּחֲלֵי-אֵשׁ מֵעַל הַמִּזְבֵּחַ מִלִּפְנֵי יְהוָה וּמְלֹא חָפְנָיו קְטֹרֶת סַמִּים דַּקָּה וְהֵבִיא מִבֵּית לַפָּרֹכֶת. יג וְנָתַן אֶת-הַקְּטֹרֶת עַל-הָאֵשׁ לִפְנֵי יְהוָה וְכִסָּה עֲנַן הַקְּטֹרֶת אֶת-הַכַּפֹּרֶת אֲשֶׁר עַל-הָעֵדוּת וְלֹא יָמוּת. יד וְלָקַח מִדַּם הַפָּר וְהִזָּה בְאֶצְבָּעוֹ עַל-פְּנֵי הַכַּפֹּרֶת קֵדְמָה וְלִפְנֵי הַכַּפֹּרֶת יַזֶּה שֶׁבַע-פְּעָמִים מִן-הַדָּם בְּאֶצְבָּעוֹ. טו וְשָׁחַט אֶת-שְׂעִיר הַחַטָּאת אֲשֶׁר לָעָם וְהֵבִיא אֶת-דָּמוֹ אֶל-מִבֵּית לַפָּרֹכֶת וְעָשָׂה אֶת-דָּמוֹ כַּאֲשֶׁר עָשָׂה לְדַם הַפָּר וְהִזָּה אֹתוֹ עַל-הַכַּפֹּרֶת וְלִפְנֵי הַכַּפֹּרֶת. טז וְכִפֶּר עַל-הַקֹּדֶשׁ מִטֻּמְאֹת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל וּמִפִּשְׁעֵיהֶם לְכָל-חַטֹּאתָם וְכֵן יַעֲשֶׂה לְאֹהֶל מוֹעֵד הַשֹּׁכֵן אִתָּם בְּתוֹךְ טֻמְאֹתָם. יז וְכָל-אָדָם לֹא-יִהְיֶה בְּאֹהֶל מוֹעֵד בְּבֹאוֹ לְכַפֵּר בַּקֹּדֶשׁ עַד-צֵאתוֹ וְכִפֶּר בַּעֲדוֹ וּבְעַד בֵּיתוֹ וּבְעַד כָּל-קְהַל יִשְׂרָאֵל. יח וְיָצָא אֶל-הַמִּזְבֵּחַ אֲשֶׁר לִפְנֵי-יְהוָה וְכִפֶּר עָלָיו וְלָקַח מִדַּם הַפָּר וּמִדַּם הַשָּׂעִיר וְנָתַן עַל-קַרְנוֹת הַמִּזְבֵּחַ סָבִיב. יט וְהִזָּה עָלָיו מִן-הַדָּם בְּאֶצְבָּעוֹ שֶׁבַע פְּעָמִים וְטִהֲרוֹ וְקִדְּשׁוֹ מִטֻּמְאֹת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל. כ וְכִלָּה מִכַּפֵּר אֶת-הַקֹּדֶשׁ וְאֶת-אֹהֶל מוֹעֵד וְאֶת-הַמִּזְבֵּחַ וְהִקְרִיב אֶת-הַשָּׂעִיר הֶחָי. כא וְסָמַךְ אַהֲרֹן אֶת-שְׁתֵּי יָדָו עַל רֹאשׁ הַשָּׂעִיר הַחַי וְהִתְוַדָּה עָלָיו אֶת-כָּל-עֲו‍ֹנֹת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל וְאֶת-כָּל-פִּשְׁעֵיהֶם לְכָל-חַטֹּאתָם וְנָתַן אֹתָם עַל-רֹאשׁ הַשָּׂעִיר וְשִׁלַּח בְּיַד-אִישׁ עִתִּי הַמִּדְבָּרָה. כב וְנָשָׂא הַשָּׂעִיר עָלָיו אֶת-כָּל-עֲו‍ֹנֹתָם אֶל-אֶרֶץ גְּזֵרָה וְשִׁלַּח אֶת-הַשָּׂעִיר בַּמִּדְבָּר. כג וּבָא אַהֲרֹן אֶל-אֹהֶל מוֹעֵד וּפָשַׁט אֶת-בִּגְדֵי הַבָּד אֲשֶׁר לָבַשׁ בְּבֹאוֹ אֶל-הַקֹּדֶשׁ וְהִנִּיחָם שָׁם. כד וְרָחַץ אֶת-בְּשָׂרוֹ בַמַּיִם בְּמָקוֹם קָדוֹשׁ וְלָבַשׁ אֶת-בְּגָדָיו וְיָצָא וְעָשָׂה אֶת-עֹלָתוֹ וְאֶת-עֹלַת הָעָם וְכִפֶּר בַּעֲדוֹ וּבְעַד הָעָם. כה וְאֵת חֵלֶב הַחַטָּאת יַקְטִיר הַמִּזְבֵּחָה. כו וְהַמְשַׁלֵּחַ אֶת-הַשָּׂעִיר לַעֲזָאזֵל יְכַבֵּס בְּגָדָיו וְרָחַץ אֶת-בְּשָׂרוֹ בַּמָּיִם וְאַחֲרֵי-כֵן יָבוֹא אֶל-הַמַּחֲנֶה. כז וְאֵת פַּר הַחַטָּאת וְאֵת שְׂעִיר הַחַטָּאת אֲשֶׁר הוּבָא אֶת-דָּמָם לְכַפֵּר בַּקֹּדֶשׁ יוֹצִיא אֶל-מִחוּץ לַמַּחֲנֶה וְשָׂרְפוּ בָאֵשׁ אֶת-עֹרֹתָם וְאֶת-בְּשָׂרָם וְאֶת-פִּרְשָׁם. כח וְהַשֹּׂרֵף אֹתָם יְכַבֵּס בְּגָדָיו וְרָחַץ אֶת-בְּשָׂרוֹ בַּמָּיִם וְאַחֲרֵי-כֵן יָבוֹא אֶל-הַמַּחֲנֶה. כט וְהָיְתָה לָכֶם לְחֻקַּת עוֹלָם בַּחֹדֶשׁ הַשְּׁבִיעִי בֶּעָשׂוֹר לַחֹדֶשׁ תְּעַנּוּ אֶת-נַפְשֹׁתֵיכֶם וְכָל-מְלָאכָה לֹא תַעֲשׂוּ הָאֶזְרָח וְהַגֵּר הַגָּר בְּתוֹכְכֶם. ל כִּי-בַיּוֹם הַזֶּה יְכַפֵּר עֲלֵיכֶם לְטַהֵר אֶתְכֶם מִכֹּל חַטֹּאתֵיכֶם לִפְנֵי יְהוָה תִּטְהָרוּ.

Leviticus 16:1

Na de dood van de beide zonen van Aäron, die gestorven waren, toen zij voor het aangezicht des Heren waren genaderd

goddelijke kus
Zij naderden het bovennatuurlijke licht uit grote liefde van de Heilige, en stierven daarbij. Dus zij stierven door een "goddelijke kus" zoals ervaren door de perfect rechtvaardige; het is alleen dat de rechtvaardige sterft wanneer de goddelijke kus hen benadert, terwijl zij sterven door hun benadering...Hoewel zij hun eigen overlijden voelden, voorkwam dit niet van het toetrekken naar God tot het punt dat hun zielen hen verlieten.

Leviticus 16:4

Het heilige linnen onderkleed zal hij aantrekken en een linnen broek zal over zijn vlees zijn en een met een linnen gordel zal hij zich omgorden en een linnen tulband zal hij zich ombinden; dit zijn heilige klederen, die hij zal aantrekken, nadat hij zijn lichaam in water gebaad heeft.

mikve
Op die dag dompelde de Hoge Priester zich vijf keer in een mikve, en hij waste zijn handen en voeten tien keer in de bassin dat voor het Heiligdom stond: elke keer als hij zijn kleren verwisselde, was hij verplicht zichzelf opnieuw onder te dompelen, en zich twee keer te wassen (één keer voor het weghalen van de eerste set kleren, en opnieuw na aankleden van de tweede set).

Want er waren vijf diensten die op die dag moesten worden uitgevoerd:
  1. De reguliere ochtenddiensten uitgevoerd in de "gouden kledij" (die de Hoge Priester het hele jaar droeg).
  2. De speciale diensten van de dag uitgevoerd in linnen kledij.
  3. De twee rammen gebracht als offers en de moesaf offers, uitgevoerd in gouden kledij.
  4. Terugkeren naar het Heilige der Heiligen om de pan met wierook te verwijderen in linnen kledij.
  5. De reguliere middagdiensten uitgevoerd in gouden kledij.

Leviticus 16:5

Twee geitenbokken

identiek
Ze moeten identiek zijn qua uiterlijk, hoogte en prijs.

Leviticus 16:16

Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom om de onreinheden der Israëlieten en hun overtredingen in al hun zonden.

Shechina
Ook wanneer zij in een toestand van ontwijding zijn, zal de Shechina (Goddelijke Aanwezigheid) bij hen wonen.

Leviticus 16:16

Want op deze dag zal over u verzoening gedaan worden

Jom Kippoer
Op Jom Kippoer verzoent de dag zelf.

Meer over Jom Kippoer is te lezen in mijn special De viering van Jom Kippoer (Grote Verzoendag).

Lees verder

© 2008 - 2012 Etsel, gepubliceerd in Religie (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Etsel is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
Joodse feestdagen: Jom Kippoer (Grote Verzoendag) De Grote Verzoendag (Jom Kippoer) en het Joodse nieuwjaar (Rosh Hasjana…
Vergiffenis vragen voordat het Jom Kippoer is Jom Kippoer is de Grote Verzoendag voor de Joden. Wie iets goed te maken he…
Jom Kippoer: de kalender van 2011 (het Joodse jaar 5772) Wat en wanneer gebeurt er precies op Jom Kippoer, de Grote Verzo…
Jodendom: Joodse maand Elloel/Eloel/Elul: zelfreflectie De laatste maand van de Joodse (Hebreeuwse) kalender is de belang…
Soekot: de plichten van het feest Bijna geen van de joodse feesten zijn zo rijk aan mitswot (plichten) als het Soekotfees…

Reageer op het artikel "Jom Kippoer: De Grote Verzoendag - Leviticus 16:1-30"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Bronnen en referenties
  • Ohr HaChaim
  • Talmoed, tractaat Yoma
  • Talmud, Yoma 62b
  • Rashi
  • Maimonides
Infoteur: Etsel
Rubriek: Mens en Samenleving / Religie
Bronnen en referenties: 5
Schrijf mee!