
Spreken over God
In dit korte essay zal geanalyseerd worden wat volgens Gijsbert van den Brink in zijn Almighty God. A study of the Doctrine of Divine Omnipotence, de mogelijkheid is en de criteria zijn voor het spreken over God. Daarnaast zal zijn positie vergeleken worden met die van D.Z. Phillips in On Really Believing.
Wat het probleem niet is
Volgens Van den Brink impliceert het spreken over de almacht van God, dat God op één of andere wijze bestaat. Hij wil onderzoeken wat de epistemologische status van deze vooronderstelling is. De vraag is dus: is het mogelijk te weten of religieuze uitspraken (in het bijzonder de uitspraak dat God bestaat) waar zijn? Het funderingsdenken beantwoordt deze vraag ontkennend. Het funderingsdenken is een verzamelnaam voor allerlei epistemologische theorieën. De naam is afkomstig van het feit dat volgens de westerse wijsgerige traditie twee soorten beweringen aanspraak kunnen maken op kennis. Van den Brink noemt die twee soorten ‘justified true beliefs’. Belief moet dan opgevat worden als overtuiging en niet specifiek als religieus geloof. Deze beide beweringen zijn:- Beweringen die evident zijn.
- Beweringen die op een correcte wijze van evidente beweringen zijn afgeleid.
Bewering (1) functioneert als een fundament van bewering (2), vandaar de term funderingsdenken. Vóór de verlichting vormt dit model voor het christelijke geloof geen probleem, men ging er van uit dat het bestaan van God evident was. Dit verandert, aldus Van den Brink, ten tijde van de verlichting. De bewering dat God bestaat, verliest haar evidente status. Deze ontwikkeling roept twee verschillende reacties op. De eerste reactie is wat Van den Brink noemt een verschuiving van aanname naar argument. Men gaat proberen het bestaan van God te bewijzen op grond van beweringen die wel evident zijn. De bewering dat God bestaat, behoort dus in deze benadering tot soort (2). De tweede reactie beweert dat de openbaring van God in de theologie vergelijkbaar is met de evidente beweringen in de natuurwetenschap. Van deze openbaring kunnen dan alle religieuze waarheden afgeleid worden. Van den Brink bestempelt dit als een variatie op het epistemologische funderingsdenken.
Beide reacties voldoen niet volgens Van den Brink, omdat het funderingsdenken, vooral in zijn moderne gestalte, aanvechtbaar is. Hij definieert het moderne funderingsdenken als die familie van epistemologische theorieën die beweert dat er slechts twee soorten beweringen behoren tot de evidente beweringen (soort 1), namelijk analytische waarheden en onverbeterlijke overtuigingen (‘incorrigible beliefs’) en dat de bewering dat ‘God bestaat’ niet tot deze evidente beweringen behoort.
De bezwaren die Van den Brink hier tegen noemt zijn de volgende:
- De theorie van het moderne funderingsdenken (evenals de andere versies) is zelf niet evident en voldoet dus niet aan haar eigen criterium voor kennis. De theorie moet dus beschouwd worden als een soort mening.
- Het funderingsdenken kan zich ter legitimatie van zichzelf niet beroepen op de menselijke intuïtie, omdat intuïtie geen cultuurneutraal of karakterneutraal gegeven is.
- Dat alleen evidente beweringen kunnen functioneren als fundament voor onze kennis en theologische uitspraken niet, is niet evident.
- Het funderingsdenken doet geen recht aan de religieuze praktijk van de gelovigen. In het funderingsdenken blijft de bewering dat God bestaat altijd onzeker, omdat zij altijd open staat voor discussie, terwijl de gelovigen het bestaan van God juist als onontkoombaar ervaren. Daarnaast is geloven terwijl bewijzen ontbreken, volgens veel gelovigen juist de aard van het geloof. Bewijzen zouden het geloven juist overbodig maken. Belangrijk voor straks is dat Van den Brink dit argument vooral aan Phillips ontleent.
Critici van het funderingsdenken hebben andere modellen voorgesteld. Van den Brink bespreekt er twee. Het eerste model, dat ontworpen is door A. Plantinga, verbreedt de fundamenten van onze kennis, ook religieuze overtuigingen behoren daartoe. Volgens Van den Brink is dit een gereviseerd funderingsdenken dat tegemoet komt aan de eerste drie kritiekpunten, maar dat aan het vierde kritiekpunt geen recht doet. Wanneer gezegd wordt dat het bestaan van God het fundament vormt van allerlei andere religieuze overtuigingen, dan wordt de bewering dat God bestaat geïsoleerd van het religieuze leven. Met instemming citeert Van den Brink Phillips als het gaat over de basis beweringen in religie: ‘They are not the bases on which our ways of thinking depend (foundationalism), but are basic in our ways of thinking.’ Het tweede model is het zogenaamde ervaringsdenken, dat zegt dat ervaringen de bron van religieuze overtuigingen zijn. Alle waarheidsclaims zijn terug te brengen tot de ervaring. Ook hier vindt Van den Brink weer het typische funderingsdenken terugkomen. Het grootste probleem met dit model is dat het zich niet bezig kan houden met de grote verscheidenheid van relaties tussen de verschillende verschijnselen die plaats hebben in het religieuze leven. Alles wordt herleidt tot een eenrichtingsverkeer tussen de ervaring en de andere fenomenen.
Het alternatief dat Van den Brink zelf voorstaat neemt radicaler afstand van het funderingsdenken dan in de hierboven genoemde alternatieven. De fout van deze twee alternatieven is volgens hem dat zij een bepaald element van het religieuze leven fundamenteel hebben gemaakt. Van den Brink kiest voor de cultureel-linguïstische theorie van religie die ontwikkelt is door G. Lindbeck. In deze theorie worden de twee elementen die in de beide alternatieven genoemd worden, gecombineerd. ‘This approach concentrates upon the respects in which religions resemble languages together with their correlative forms of life and are thus similar to complete cultures.’ In deze benadering worden de religieuze overtuigingen dus geplaatst in samenhang met de manier van leven die er bij hoort. In deze benadering is de bewering dat God bestaat geen bewering (1) of (2), ook is het niet afgeleid van de ervaring, maar niettemin is het een onmisbaar theologisch element wat zijn plausibiliteit ontvangt van de manier waarop het functioneert in het geheel van de religieuze praktijken, overtuigingen en ervaringen. Tot zover Van den Brink.
Hoewel volgens mij de kritiek van Van den Brink op het moderne funderingsdenken, voor zover ik kan bezien, correct is, blijven er bij mij toch nog dingen onduidelijk. Wat is nu het verschil tussen het uitgangspunt van vóór de verlichting – de bewering ‘God bestaat’ is evident – en de positie die sinds de verlichting opkomt – Gods openbaring in de theologie is te vergelijken is met evidente beweringen in de natuurwetenschap? Verder richt Van den Brink zijn kritiek vooral op het moderne funderingsdenken, maar is terugkeer naar de positie van vóór de verlichting onmogelijk? Volgens mij probeert Plantinga terug te keren naar de positie van vóór de verlichting, hij wordt daarvoor echter bekritiseert door Van den Brink omdat het geen recht zou doen aan de religieuze praktijk. Mijn vraag daarbij is: hoe kan het dan, dat men vóór de verlichting wel het geleefde geloof en de reflectie daarop, samen kon laten gaan, terwijl men toch van een soort funderingsdenken uitging?
De criteria voor ons spreken over God
Nadat Van den Brink ruimte gemaakt heeft voor het spreken over God gaat hij de criteria bespreken waaraan volgens hem het spreken over God moet voldoen. Hij noemt er drie.Het eerste criterium is dat het spreken over God in harmonie met de traditie moet zijn. Theologie is volgens hem geen individuele maar een gemeenschappelijke onderneming. In de christelijke traditie bestaat deze harmonie met de traditie allereerst uit het aanvaarden van de autoriteit van de bijbel. Hoewel er geen eensgezindheid is over hoe de autoriteit van de bijbel moet functioneren, moet ons dat, aldus Van den Brink, niet laten weerhouden om te zeggen dat zij autoriteit heeft. Als tweede dienen ook de credo’s serieus genomen te worden, wie dat niet doet, loopt volgens Van den Brink gevaar irrelevant te zijn voor de gemeenschap. Hoe belangrijk niet alleen de bijbel maar ook de traditie is voor Van den Brink, blijkt bijvoorbeeld wanneer hij op historische gronden de positie van Descartes over de schepping van de eeuwige waarheden als onauthentiek christelijk bestempeld.
Als tweede criterium noemt hij dat het spreken over God een omvattend coherent en consistent concept moet zijn. Met omvattend bedoelt hij dat er niet selectief te werk mag worden gegaan, maar dat alle aspecten aan de orde moeten komen. Incoherentie is volgens hem onaanvaardbaar, omdat het spreken over God daardoor onbegrijpelijk wordt. Het spreken over God moet coherent zijn met alles wat wij in andere contexten weten. Hiermee voorkomt Van den Brink volgens mij het gevaar van fideïsme. Het spreken over God moet niet alleen naar binnen toe coherent zijn, maar ook naar buiten toe, naar alle andere contexten. Discussie blijft dus mogelijk, ook met niet-christenen. Wanneer we een paradox vinden in het spreken over God moeten we, aldus Van den Brink, ons best doen om uit te zoeken hoe de beide elementen coherent met elkaar samenhangen. Ten slotte, met consistentie bedoelt hij interne consistentie, wat volgens mij niets anders betekent dan dat contradicties voorkomen moeten worden.
Het derde criterium is dat het spreken over God adequaat moet zijn voor de behoeften van het leven. Het kan nodig zijn volgens Van den Brink, bepaalde elementen van het spreken over God te benadrukken, wanneer de omstandigheden daar om vragen. Wel mag dit criterium niet los gemaakt worden van de andere twee criteria.
Uit het geven van deze drie criteria blijkt dat Van den Brink niet alleen het spreken over God wil beschrijven, maar ook bepaalde regels wil voorschrijven waaraan het spreken over God moet voldoen.
De ontologische status van religieuze uitspraken
Volgens Van den Brink is één van de belangrijkste inzichten van de hedendaagse godsdienstwijsbegeerte dat doctrinaire uitspraken lijken op de grammaticale regels in de taal. Vanuit dit gezichtspunt is het niet de voornaamste functie van dergelijke uitspraken om ontologische claims te doen, maar om het spreken over God in de gemeenschap van de gelovigen te structureren. Van den Brink wil zelf liever het impliciete karakter van doctrines als grammaticaregels benadrukken in plaats van het expliciete karakter. Volgens mij bedoelt hij daarmee dat dit niet de meest fundamentele functie van doctrines is, maar dat zij geïmpliceerd wordt door al de verschillende functies die doctrines in de religieuze gemeenschap hebben. Doctrines geven aan wat er wel en niet gezegd kan worden, geven richting aan welke houding onder welke omstandigheid goed is, claimen wat ontologisch waar is en geven aan, welke ervaring in welke situatie authentiek is.Sommige theologen die de filosofie van Wittgenstein gebruiken, beweren dat theologische doctrines elke ontologische inhoud missen. Gezien de vele functies die doctrines in de religieuze gemeenschap hebben, vindt Van den Brink dit een vorm van reductionisme. Het is duidelijk dat Van den Brink in het debat tussen de realisten en de non-realisten aan de kant van de realisten staat. Met Phillips, die zowel geen realist als non-realist genoemd wil worden, is hij het ook niet eens. Zijn kritiekpunt is: ‘The problem which recurs time and again in Phillips’ writings is that he disregards the undeniable relations between the religious language game and the “real-world” language.’ In de ogen van een gelovige is God meer werkelijkheid dan iets anders, aldus Van den Brink. Daarnaast verwart Phillips volgens hem twee dingen die niet hetzelfde zijn, namelijk wanneer je zegt dat religieuze overtuigingen niet gerechtvaardigd kunnen worden door realiteiten buiten het religieuze leven (dat is non-funderingsdenken) zeg je niet hetzelfde, dan dat de religieuze taal niet verwijst naar een God die onafhankelijk van het geloofsleven bestaat.
De multifunctionele benadering van doctrines bewaart, aldus Van den Brink ervoor om de ontologische waarheidsclaims een te grote plek te geven in het religieuze leven, evenals het er voor bewaart om het in het geheel geen plaats te geven.
Vergelijking tussen Van den Brink en Phillips
Het grootste verschil tussen Phillips en Van den Brink ligt op het terrein van het realisme. Phillips vergelijkt het dilemma tussen het realisme en non-realisme met een – aan Wittgenstein ontleend – beeld: Een idealist en een realist voeden hun kind op volgens hun overtuiging. Ook de idealist zal zijn kind echter na verloop van tijd leren wat het woord stoel betekent, omdat hij zijn kind wil leren het een of ander te doen met die stoel. Het idealistische kind en het realistische kind spreken verschillend, maar is het verschil niet slechts een oorlogskreet? Wat Phillips hier nu uit concludeert is dat spreken over realisme en non-realisme loze praat is. Zelfs de idealist leert zijn kind dingen uit deze wereld. Wanneer wij ons in het spreken over God richten op dit dilemma, laten we onze eigenlijke taak liggen, namelijk het verhelderen van de religieuze taal. De realisten waarmee Phillips in debat is, zeggen dat men niet kan geloven in een God, tenzij er een God is om in te geloven. Phillips verwijt hen echter dat zij met dit te zeggen, nog geen enkele grammaticale verheldering in de religieuze taal hebben aangebracht.Het antwoord van Van den Brink hierop is een multifunctionele benadering van doctrines en dat de bewering ‘God bestaat’ haar eigen plaats heeft in het religieuze leven, namelijk als implicatie van religieuze handelingen zoals bidden en lofprijzen. Van den Brink is van mening dat door zijn multifunctionele benadering van doctrines, hij kan voorkomen dat ontologische claims een te grote plaats krijgen. Als ik het goed zie, vindt Van den Brink dat er in de positie, zoals Phillips die vertegenwoordigt, geen rekening wordt gehouden met het feit dat het bidden van gelovigen tot God, impliceert dat deze gelovigen geloven dat er een God is om tot te bidden.
Tussen Phillips en van den Brink bestaat echter ook een grote overeenkomst. Beide richten zich sterk op de geleefde religie. Van den Brink wijst bijvoorbeeld evenals Phillips het funderingsdenken van Plantinga af omdat het geen recht doet aan het religieuze leven en Phillips wil net zoals Van den Brink, geloof en religieuze praktijk niet van elkaar scheiden. Over de concrete uitwerking ervan verschillen ze van mening. © 2008 - 2010 Kevin_dover, gepubliceerd in Religie (Mens en Samenleving) op 26-08-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Kevin_dover is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...
Verwante artikelen
- Veranderd Godsbeeld en negatieve theologie: Het Godsbeeld (de voorstelling die we van God hebben) is veranderd. Van een verpersoonlijkte God (zoals in de bijbel, God & Jezus) is men gegaan naar “het goddelij…
- Levensbeschouwingen: Religie is misschien niet hip geworden, maar op zijn minst toch terug actueel. Drie vormen staan buiten de eigenlijke godsdiensten, ze worden hier kort besproken.
- Het oudste familiebedrijf van Nederland, G. vd Lee: Het oudste familiebedrijf van Nederland dateert uit 1545. Althans toen is de officiële telling begonnen, waarschijnlijk is het bedrijf nog ouder. Het is 12…
- World Online & Nina Brink: aandelen in een maand waardeloos: World Online was Nederlands grootste en meest belovende internetbedrijf. Maar als het bedrijf, met Nina Brink aan het roer, met veel bombarie naar…
- All You Need Is Love: All you need is love is een televisieprogramma, gepresenteerd door Robert ten Brink en genoemd naar het gelijknamige nummer van de Beatles.
Bronnen en/of referenties
- G. van den Brink, Almighty God. A study of the Doctrine of Divine Omnipotence, Kampen 1993.
- D. Z. Phillips, ‘On Really Believing’, in: Wittgenstein and Religion, New York 1993, pp. 33-55.

Reageer op het artikel "Spreken over God"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.

