Religie en Predestinatie

Genade en gebed bij Augustinus

In boek tien van de Confessiones van Augustinus komt de volgende passage voor: “Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt.” Nu staat deze passage, die tot driemaal toe herhaald wordt in boek tien, niet op zichzelf. De eerste kennismaking met Augustinus door Pelagius bestond uit het lezen van deze passage en over de inhoud van dit gezegde was hij verre van tevreden. Er bestaat dus een relatie tussen deze spreuk enerzijds en de strijd over de genade anderzijds.


Inleiding

De opmerking van Peter Brown met betrekking tot de predestinatieleer van Augustinus en vooral wat betreft de volharding, heeft mij geprikkeld. Hij schrijft dat hoewel de predestinatieleer door de monniken uit Hadrumetum en uit Zuid Gaul – samen met veel christenen vandaag – als fatalistisch werd opgevat, het voor Augustinus juist een “doctrine of survival” was. Om dit bij Augustinus op het spoor te komen, heb ik de insteek genomen vanuit het gebed. Het bidden betekent in de christelijke traditie immers het tegenovergestelde van lijdelijk afwachten en fatalisme, maar is veel meer vragen om verandering door God Zelf.

Wanneer ik de hierboven genoemde opmerkingen probeer te vatten in een compacte vraagstelling dan luidt die als volgt: “Welke plaats heeft het gebed in de visie van Augustinus op predestinatie en dan vooral het begin van het geloof en de uiteindelijke volharding?

De primaire bronnen die ik gebruikt heb zijn:
  • Confessiones (397-400)
  • De praedestinatione sanctorum (429)
  • De dono perseverantiae (429)

Voor de Confessiones heb ik gebruik gemaakt van de Nederlandse vertaling van G. Wijdeveld. Wat betreft de laatste twee werken, ben ik in principe uitgegaan van de Engelse vertaling van Phillip Schaff; af en toe heb ik gebruik gemaakt van de Latijnse tekst van De dono perseverantiae uit de editie van J.P. Migne.

Mijn vraagstelling wil ik als volgt beantwoorden, allereerst bespreek ik de drie passages uit de Confessiones waarin het hier boven genoemde dictum voorkomt. Daarna bespreek ik in hoofdstuk 2 de reactie van Pelagius daarop. In het derde hoofdstuk wordt er een beknopte beschrijving van de strijd om de genadeleer gegeven waarop in het volgende hoofdstuk de bronnen vanuit de vraagstelling bestudeerd zullen worden. Wat zal resulteren in een conclusie.

“Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt”

In boek tien van de Confessiones begint Augustinus, nadat hij een uitvoerig betoog heeft gehouden over het geheugen, aan een nauwkeurig onderzoek van zichzelf. In die context komt het dictum “Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt” voor. Nadat hij zijn eigen onvermogen ontdekt heeft en zijn tekorten, zegt hij voor de eerste keer in 10.29.40: “En heel mijn hoop is alleen gevestigd op Uw overgrote barmhartigheid. Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt.” Vervolgens citeert hij een vers uit Wijsheid en betrekt deze uitdrukking op de onthouding van seksueel contact. Een aantal paragrafen verder zegt hij in de context van onthouding van dronkenschap en onmatig eten: “Geef mij kracht om te vermogen; geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt!” Ten slotte maakt hij de opmerking in de context van de zonden met de tong: “Alle dagen is de mensentong onze vuuroven. Ook op dit punt legt Gij ons onthouding op: geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt.”

Naar aanleiding van deze passages een tweetal opmerkingen die de opstap vormen naar de rest van deze paper over de genadeleer.
  • Augustinus benoemd in deze drie passages telkens concrete geboden van God die hij zonder Gods hulp niet kan houden. Het is echter niet de bedoeling van Augustinus om Gods hulp tot deze concrete geboden te beperken. Alles wat God gebied, kan alleen door Zijn hulp volbracht worden. Dat blijkt allereerst uit de algemene formulering van het dictum waar zonder verdere kwalificatie gesproken wordt over Gods bevel. Daarnaast interpreteert Augustinus jaren later deze uitspraak ook zo als hij schrijft: “Maar wat eist God als eerste en voornaamste anders dan in Hem te geloven? En dit geeft Hij ook inderdaad, als terecht tot Hem gezegd wordt: Geef wat Gij beveelt.”
  • Met dit dictum drukt Augustinus uit dat hij afhankelijk is van het handelen van God. Het bijzondere is echter dat hij dat uitspreekt in het gebed tot God. Het feit dat hij afhankelijk is van Gods handelen, sluit zijn gebed niet uit, maar motiveert juist zijn gebed. Juist dit punt wil ik in deze paper verder uitwerken. J.J. O'Donnell heeft in zijn recente biografie bezwaren geuit tegen de gelijkstelling van de “tu” in de Confessiones met God. Augustinus kende vele goden en door de “tu” gelijk te stellen met God, doen we, aldus O'Donnell, alsof we weten wat Augustinus bedoeld. Identificatie van de “tu” met God is echter geheel in lijn met Augustinus. Wanneer hij zich later opnieuw over deze passages in de Confessiones buigt, schrijft hij dat hij daarin tegen zijn God spreekt.

De strijd om de genadeleer

Pelagius' ergernis
Als omstreeks 400 de Confessiones beginnen te circuleren maakt ook Pelagius kennis met dit document. Over zijn reactie lezen we in Augustinus' De dono perseverantiae en wel in de context van het verwijt dat de katholieke zaak lang is verdedigd zonder een precieze definitie van predestinatie. Augustinus gaat daarbij ook zijn eigen werken langs die hij geschreven heeft vóór de pelagiaanse crisis. Hij noemt daarbij als zijn meest bekendste werk de Confessiones en zegt dat hij daarin herhaaldelijk tegen God zegt: “Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt.” Augustinus verhaalt daarbij als anekdote dat toen Pelagius in Rome van een broeder en collega bisschop van Augustinus (Brown suggereert dat het Paulinus zou kunnen zijn,) deze woorden hoorde, hij ze niet kon verdragen en begon wat al te heftig tegen te spreken, zodat hij bijna ruzie kreeg met degene die het voorgelezen had.

Gezien vanuit de verwachting die een gemiddelde christen had van een bekeringsgeschiedenis is deze reactie niet helemaal vreemd. Men verwachtte een succesvolle bekering te lezen waarin de schrijver liet zien dat hij een heel ander persoon was geworden na zijn bekering en dat hij niet meer terug keek naar het verleden. De Confessiones voldeed niet aan deze verwachting, in boek tien komt Augustinus juist na een grondig zelfonderzoek tot de conclusie dat er nog veel zwakheid en zonde in hem zijn.

Wat was er aan de hand?
Toch was er meer aan de hand dan onbeantwoorde verwachtingen. Pelagius en Augustinus verschilden fundamenteel met elkaar van inzicht over de mogelijkheid van volmaaktheid in dit leven. Augustinus was aan het begin van de strijd over de genade nog bezig met de Donatisten. De zuiverheid van de kerk stond in die discussie op het spel. Zijn twist met de pelagianen zag hij en niet alleen hij maar ook zijn Afrikaanse collega's in het verlengde hiervan. Het is opvallend dat het in 411 niet Augustinus is die leiding geeft aan de veroordeling van Caelestius als ketter, maar dat het zijn collega's zijn die zonder zijn aanwezigheid dit op een synode in Carthago besluiten. Volgens Augustinus bevatte de mens, ook na het ontvangen van genade, nog veel zwakheden vanwege de oorspronkelijke zonde. Hij was tot deze positie gekomen door zijn exegese van Romeinen 7:14. De “ik” in dat vers was volgens hem niet de mens sub lege maar sub gratia. De gemiddelde christen die Augustinus voor ogen stond was er een die weinig goede werken had, iemand die sliep met zijn vrouw en dat niet alleen om kinderen te verwekken en iemand die opkwam voor zijn eigen eer en bezit, zij het dan niet bij de rechter maar bij de bisschop. Een goede christen was iemand die een afschuw van zichzelf had en de eer aan God gaf.

Pelagius ging uit van de complete vrijheid van de mens, dat had als gevolg dat de mens verantwoordelijk was voor elke zonde die hij deed. Dit gewicht van de volledige verantwoordelijkheid ging samen met zijn opvatting dat de menselijke ziel van nature gaaf en goed is. Elke ziel staat op zichzelf en heeft geen last van de zonde van Adam. Hij wees dus het idee van de oorspronkelijke zonde van de hand. De mens is geheel vrij en kiest geheel vrij voor de zonde of tegen de zonde. Het kwaad was niet goed te praten door te verwijzen naar een innerlijke zwakte, maar is vrijelijk gekozen door de mens. In de uitspraak van Augustinus zag Pelagius een aantasting van de majesteit van God als wetgever. Wat God beveelt kan en mens door zijn vrije wil volbrengen.

Volgens Brown ligt het fundamentele verschil tussen Augustinus en Pelagius in hun visie op de God-mens verhouding. Door Augustinus wordt die gekarakteriseerd door die van een moeder en haar baby. De baby is voor voeding en al het overige geheel afhankelijk van zijn moeder. Zo ook is een mens geheel afhankelijk van Gods genade. Pelagius zag de christen vooral als een vrije zoon van God, als een individuele persoonlijkheid los van de vader, een emancipatus a Deo.

Op korte termijn gezien is Augustinus de winnaar van deze strijd. In 416 wordt Pelagius door een synode in Carthago en in Milevis als ketter veroordeeld en in 417 wordt deze veroordeling door paus Innocentius I goedgekeurd.

De genadeleer in breder perspectief
Over het bovenstaande stemmen eigenlijk de meeste wetenschappers wel overeen. Toch blijkt bij nadere bestudering dat deze polemiek over de genade niet zo eenvoudig te begrijpen is. Een eenvoudige vraag als: wat is genade? Is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Toch wil ik voor een bredere oriëntatie op de causa gratiae nog enkele aspecten bespreken.

Pas in de twintigste eeuw is de complexiteit van het conflict over de genade pas goed onderkend. Het voornaamste probleem ligt bij de objectiviteit en wel op twee fronten. Allereerst moet er onderscheid gemaakt worden tussen de opvattingen van Pelagius enerzijds en de opvattingen die zijn tegenstanders hem toeschrijven. Als tweede moet er ook onderscheid gemaakt worden tussen de opvattingen van Pelagius enerzijds en zijn volgelingen anderzijds.

Een van de meeste recente en omvattende studies over de genadeleer van Augustinus is die van J. Lössl. Zij kritiek op het oudere onderzoek is dat men te veel een scheiding heeft gemaakt tussen de vroege en late Augustinus als het gaat over de kwestie van de genade. Hij meent dat het concept van intellectus gratiae het sleutelbegrip is van waaruit de genadeleer begrepen moet worden. De genade is volgens hem bij Augustinus een intellectueel probleem en de kennis van de genade neemt gaandeweg in zijn leven toe. Lössl koppelt dit vervolgens aan de regelmatige opmerkingen van Augustinus dat hij vooruitgang boekt.

Op de vraag hoe nu het conflict tussen Pelagius en Augustinus kon ontstaan, zijn volgens O'Donnell twee antwoorden mogelijk, een traditioneel antwoord en een meer sceptisch antwoord. De eerste benadering benadrukt het verschil in Paulus exegese tussen Augustinus en Pelagius, vooral met betrekking tot Romeinen 7. De meer sceptische benadering kijkt meer naar de persoonlijkheden, de rivaliteit tussen oud en jong. Zelf vindt hij dat de tweede benadering te weinig recht doet aan de intensiteit van het conflict zoals dat uit de bronnen blijkt.

Het “semipelagianisme”
Hoewel de pelagiaanse crisis ergens in 417 eindigde, bleef de weerstand tegen Augustinus visie op de genade bestaan. Julianus van Aeclanum bleef Augustinus zolang hij leefde, bestrijden. Daarnaast waren er ook bezorgde monniken in Hadrumetum in Noord-Afrika en in Zuid Gaul in Frankrijk. Zij dachten dat Augustinus' predestinatieleer zou leiden tot fatalisme. Als alles een gave van God is, waarom zou je je als monnik nog zo zeer inspannen? Augustinus werd van deze kritische vragen op de hoogte gebracht door brieven van zijn geestverwanten Prosper en Hilarius. De critici waren het eens met Augustinus dat de reddende daad door Christus nodig was, maar zij ontkenden dat het aanvaarden of verwerpen ervan het gevolg was van predestinatie, het was juist een daad van de mens. Augustinus' predestinatieleer nam niet alleen de menselijke activiteit weg, maar bracht ook willekeurigheid in God aan. Augustinus beantwoordde deze vragen in twee boeken met de titels De praedestinatione sanctorum en De dono perseverantiae.

Deze critici van Augustinus zijn in de geschiedenis bekend geworden als semipelagianen. De accuraatheid van deze term is echter niet groot. De term zelf stamt niet uit de vijfde eeuw maar pas uit de zestiende eeuw. Daarnaast zag Augustinus deze monniken niet als ketters, maar als broeders die nadere instructie nodig hadden. Verschillende andere termen zijn voorgesteld zoals “semiaugustinianisme” of “antiaugustinianisme”, maar D. Ogliari geeft volgens mij terecht de voorkeur aan de neutrale term “monniken van Hadrumetum” en “Massillianen”.

De bespreking van de inhoud van deze werken brengt ons bij ons volgende hoofdstuk.

Gebed, geloof en volharding

Het geloof
In het begin van De praedestinatione sanctorum bepaald Augustinus zorgvuldig het verschil tussen de Massilianen en de pelagianen. De eersten erkennen de oorspronkelijke zonde, erkennen dat men van deze zonde alleen bevrijd kan worden door de gerechtigheid van de tweede Adam, daarnaast dat Gods genade de wil van de mensen anticipeert en dat niemand uit zichzelf een goed werk kan beginnen of volbrengen. Deze punten maken volgens Augustinus het onderscheid uit tussen hen en de pelagianen. Dit is ook de reden dat hij hen doorlopend broeders noemt.

Het verschilpunt is echter als eerste in welke zin het geloof een gift van God is. De Massilianen zeggen dat het begin van het geloof (initium fidei) een daad van de mens is, maar dat de toename en groei ervan een gave van God is. Augustinus gaat hiermee niet akkoord, omdat op die manier de genade van God in overeenstemming met onze verdienste zou zijn. Want dan zou God iets geven als reactie op de menselijke activiteit. Zo is dan volgens ook het begin van het geloof een gift van God. De predestinatie ziet Augustinus als de voorbereiding van de wil van de uitverkorenen zodat zij gaan geloven. Een stuk verder in zijn betoog zegt Augustinus dat het verschil tussen predestinatie en genade is, dat het eerste de voorbereiding voor de genade is en het laatste de gave van de genade zelf.

In het vervolg van De praedestinatione sanctorum worden er door Augustinus allerlei argumenten genoemd om zijn positie te ondersteunen. Een argument verdient het in het licht van onze vraagstelling besproken te worden. Stel, zegt Augustinus, dat God geen onwillige mensen, gewillig kan maken, op wat voor een grond bidt de christelijke kerk naar het bevel van de Zaligmaker voor haar vervolgers? Hier komen we bij wat ik Augustinus' logica van het gebed zou willen noemen. Als God ergens om gebeden wordt, moet dat ook grond hebben, namelijk God moet dat gebed kunnen verhoren. Als er gebeden wordt voor de ongelovigen dat ze gelovig worden en gesteld dat dit een legitiem gebed is, dan is God ook in staat om dat te doen. Welnu, Christus heeft bevolen om voor de vervolgers te bidden, het gebed is dus legitiem, dus moet er ook een grond voor dat gebed zijn, namelijk dat God van ongelovigen, gelovigen maakt. Deze logica van het gebed is een argument dat Augustinus in zijn betoog geregeld terug laat komen.

Een ander aspect van het gebed, het danken voor de ontvangen gaven, gebruikt Augustinus eveneens om zijn betoog kracht bij te zetten. Als de apostel Paulus God dankt voor het geloof van de Thessalonicenzen, dan betekent dat, dat God dat geloof ook werkelijk gegeven heeft. Anders zou het slechts een lege dankzegging zijn.

Het blijkt dus dat voor Augustinus de gedachte dat het begin van het geloof een gift van God is, niet alleen niet strijdig is met de gebedspraktijk in de christelijke kerk, maar daaraan zelfs zijn kracht ontleent.

De volharding
Dat is niet anders wanneer wij naar De dono perseverantiae kijken. In dit werk houdt Augustinus zich bezig met perseverantia ad finem, de volharding tot het einde. En met het einde bedoeld hij het einde van het leven waarin het mogelijk is te vallen. Welnu, dit volharden tot het einde, is net zoals het begin van het geloof, een gift van God. De volharding is Gods grote gift waardoor Hij al Zijn andere gaven bewaard. De reden waarom sommigen niet volharden tot het einde en anderen wel, is volgens Augustinus terug te voeren op de predestinatie.

Ook voor deze positie heeft Augustinus een serie van argumenten. Het gebed keert ook hier weer terug als argument, zelfs in grotere mate dan in De praedestinatione sanctorum.

Degene die door geen enkele argument ervan overtuigd wordt dat de volharding een gave van God is, moet wel overstelpt worden door de gebeden van de heiligen. Is er namelijk niet een heilige die niet vraagt om volharding, want alle bidden het Onze Vader waarin in bijna elke bede om volharding wordt gevraagd. Augustinus beroept zich hiervoor op Cyprianus' uiteenzetting over het Onze Vader. Wanneer men de controverse met de pelagianen bekijkt, zijn er volgens Augustinus drie hoofdpunten: 1. Dat de genade van God niet in overeenstemming met onze verdienste is. 2. Dat niemand, hoe heilig ook, in dit leven zonder zonden leeft. 3. Dat ieder mens vanwege Adam's zonde schuldig is voor God. Van deze drie punten, wordt alleen de laatste niet besproken in het genoemde boek van Cyprianus. Aan de hand van dit boek van Cyprianus loopt Augustinus vervolgens de verschillende beden van het Onze Vader af om aan te tonen dat het gebed om volharding daarin een plaats heeft.

Wanneer er gebeden wordt, “Uw Naam worde geheiligd”, dan vraagt men niet of God geheiligd wordt door hun gebeden, maar men vraagt of Zijn Naam in hen geheiligd worde. In de woorden van Cyprianus, dat men bidt of de heiliging die door Gods genade ontvangen is, bewaard mag blijven door Zijn bescherming.

Als er gebeden wordt “Uw wil geschiede in de hemel en op de aarde”, dan vragen de heiligen of datgene wat God reeds gedaan heeft, bewaard mag blijven in hen.

In de bede “Geef ons heden ons dagelijks brood”, bidden de heiligen om bewaring zodat ze niet door het begaan van een kwalijke zonde, van Christus lichaam gescheiden worden en verhinderd zullen zijn om van het hemelse brood te eten.

In de vijfde bede, “Vergeef ons onze schulden”, wordt duidelijk de pelagiaanse opvatting weersproken als zou een mens zonder zonde kunnen leven. En in de zesde bede, “Leid ons niet in verzoeking” wordt gebeden om volharding in heiligheid.

Samenvattend kunnen we zeggen dat Augustinus opnieuw de gebedspraktijk als argument gebruikt voor zijn visie op de genade. De logica van het gebed is ook hier weer aan de orde.

Via Hilarius heeft Augustinus gehoord, dat zijn critici niet zo'n volharding willen voorstaan die niet door gebeden verkregen kan worden en door opstand weer verloren kan worden. Refererend aan zijn definitie van perseverantia als perseverantia ad finem, wijst Augustinus er op dat in die zin niemand kan volharden om daarna die volharding weer te verliezen. Natuurlijk stemt hij wel in met de gedachte dat volharding door het gebed verkregen kan worden.

De reden dat er gebeden wordt, “Leid ons niet in verzoeking”, terwijl God dit ook wel zonder gebeden kan geven, is dat Hij ons er aan wil herinneren van wie die gift afkomstig is. In deze kan de kerk volgens Augustinus beter niet op zoek gaan naar vermoeiende disputaties, maar letten op haar dagelijkse gebeden.

In het tweede gedeelte van De dono perseverantiae komt het gebed op een heel andere manier aan de orde. De critici van Augustinus menen dat de prediking van de predestinatie schadelijke gevolgen zal hebben voor de prediking in het algemeen. Wordt door de leer van de predestinatie niet alle zelfwerkzaamheid van de mens onnodig gemaakt? Op deze kritiek gaat Augustinus uitvoerig in, hij bespreekt nauwkeurig op welke wijze er gepreekt moet worden. Wanneer er over de predestinatie gepreekt wordt, moet men volgens Augustinus niet volstaan met een droge opsomming, maar moet men de hoorders ook aansporen om te bidden om de gaven zoals het beginsel van het geloof en de volharding. En wanneer men hier om bidt, mag men daaruit besluiten dat men gepredestineerd is want het bidden en roepen tot God is ook een gift van Hem. Genade gaat immers altijd vooraf aan de menselijke verdiensten!

De laatste opmerking die Augustinus in De dono perseverantiae maakt gaat over de verhouding tussen de gebeden van de kerk en het onderwijs van de kerk. Weliswaar is de kerk niet gedwongen geweest, aldus Augustinus, door een of andere ketterij om in haar onderwijs (in sermonibus) dieper in te gaan op de predestinatieleer. De gebeden van de kerk echter, waarin zij God vraagt om alle gaven die zij nodig heeft, is er altijd geweest en bevestigd Augustinus' leer van de predestinatie.

De plaats van het gebed in De dono perseverantiae overziende, kunnen we concluderen dat het gebed in Augustinus' visie op de predestinatie van groot belang is. Zij vervuld niet alleen de functie van argument, maar ook is zij een belangrijk gegeven waarmee bij het onderwijs over de predestinatie rekening gehouden moet worden.

Conclusie

Nadat we door de teksten van Augustinus heen gegaan zijn en onze bevindingen besproken hebben, komen we weer terug bij onze vraagstelling: welke plaats heeft het gebed in Augustinus' visie op het beginsel van het geloof en de volharding? Het antwoord dat we daarop nu kunnen geven is dat het gebed allereerst als argument functioneert voor de predestinatieleer. De gebeden van de kerk zijn een algemeen aanvaarde praktijk en lenen zich daardoor goed als basis voor een bewijsvoering. Het dictum uit de Confessiones functioneert in de latere werken van Augustinus ook op deze manier. Als God gebeden wordt om bepaalde gaven, dan betekent dat, dat Hij die ook geeft. Ik heb dit de logica van het gebed genoemd.

Naast de functie van argument, is het gebed in de twee werken van Augustinus die we bestudeerd hebben ook een praktijk waarbij in het onderwijs over de predestinatie rekening gehouden moet worden. Augustinus waakt ervoor om het gebed als onnodig te beschouwen. God wil gevraagd zijn om Zijn gaven. Ondanks deze pastorale aandacht, lijkt het mij niet juist om te stellen dat Augustinus' predestinatieleer voornamelijk voortkwam uit pastorale motieven. Veel meer blijkt uit wat wij van Augutsinus bestudeerd hebben, dat de causa gratiae een intellectuele aangelegenheid is. Van deze genade is Augustinus zich steeds meer bewust geworden. Lössl's these van de intellectus gratiae past dan ook goed bij wat in deze paper besproken is.
© 2008 - 2010 Kevin_dover, gepubliceerd in Religie (Mens en Samenleving) op 26-08-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Kevin_dover is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • A. Augustinus, De dono perseverantiae in: MPL, volume 45, col. 993-1035.
  • A. Augustinus, De belijdenissen van Aurelius Augustinus, vertaald door Gerard Wijdeveld, Utrecht zonder jaar.
  • P. Brown, Augustine of Hippo. A Biography. New Edition, with an Epilogue, Berkeley and Los Angeles 2000.
  • V.H. Drecoll, Die Entstehung der Gnadenlehre Augustins, Tübingen 1999.
  • J.J. O'Donnell, Augustine. A New Biography, New York, London, Toronto, Sydney 2006.
  • D. Ogliari, Gratia et Certamen. The relationship between grace and free will in the discussion of Augustine with the so-called semipelagians, Leuven 2003.
  • J. Lössl, Intellectus gratiae. Die erkenntnistheoretische und Hermeneutische Dimension der Gnadenlehre Augustins von Hippo, Leiden, New York, Köln 1997.
  • Ph. Schaff, NPNF1-05. St. Augustin: Anti-Pelagian Writings, New York 1886.

Reageer op het artikel "Genade en gebed bij Augustinus"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.