Kohlbrugge en de leer van de uitverkiezing
Recent verscheen er van de hand van de hoogleraar geschiedenis van het Gereformeerd Protestantisme aan de Universiteit Leiden, dr. W. Verboom, een monografie over de Dordtse Leerregels. In een interview, naar aanleiding van het verschijnen van deze publicatie, met het Reformatorisch Dagblad merkte hij op dat hij, naast de vele waardering voor Dordt, op het gebied van de verwerping van eeuwigheid (canon i.15) kritisch stond tegenover Dordt. ‘Als je leert dat er een verwerping van eeuwigheid is waarbij God mensen voorbestemd heeft voor het verderf, dan kun je niet volhouden dat een mens verloren gaat door eigen schuld. En dan hebben we een heel groot probleem in de prediking. Dan kunnen we niet meer op de preekstoel zeggen dat God aan allen genade aanbiedt. Want hoe kan God nu degenen die Hij verworpen heeft genade aanbieden? Dan gaat de spanning tussen Gods werk en onze verantwoordelijkheid er volstrekt uit met alle gevolgen van dien.’ In dit zelfde interview spreekt hij uit dat Dordt deze kritische vragen wel kan hebben. ‘Ook iemand als Kohlbrugge stelde op dit punt kritische vragen.’ Bij deze kritische vragen van Kohlbrugge wil ik in dit artikel stilstaan.Methodische opmerkingen
Voordat ik de inhoudelijke beschrijving zal beginnen, zal ik eerst twee methodische opmerkingen maken over dit artikel. Ten eerste, Kohlbrugge heeft nimmer een werk geschreven waarin hij alle thema's van het Christelijk geloof systematisch behandelt. Eveneens heeft hij geen reflecterend werk geschreven over de praedestinatie. Dat betekent dat men voor Kohlbrugge's visie op de praedestinatie zo hier en daar wat opmerkingen bij elkaar moet verzamelen en zijn gedachten over dit thema moet reconstrueren. Dat bemoeilijkt het onderzoek, vandaar dat ik de omvangrijke dissertatie van de Utrechtse hoogleraar dr. A. de Reuver regelmatig zal raadplegen.Kohlbrugge over de praedestinatie
Als Kohlbrugge over de soevereiniteit van God spreekt, dan bedoelt hij dat God kan doen wat Hij wil. Hij verstaat dat echter in positieve zin, als God Zijn goedheid aan iemand wil geven, dan doet Hij dat uit eigen beweging. Hij geeft waar niets ontvangen wordt en Hij rechtvaardigt de goddeloze. Deze soevereiniteitsgedachte houd nauw verband met het feit dat mensen Gods goedheid niet verdienen.In de dialectische theologie, die onder andere door Kohlbrugge is beinvloed, komen we de notie van de soevereiniteit van God ook tegen. Bij de dialectici heeft deze soevereiniteit een zeer centrale rol. Zij verstaan daar echter, anders dan Kohlbrugge, vooral Gods vrijheid onder. Dat heeft grote gevolgen voor hun invulling van de geloofsleer en ethiek.
Wijlen dr. C. Graafland heeft eens gezegd dat de structuur van Kohlbrugge's spreken over de praedestinatie bepaald wordt door zijn leer van de rechtvaardiging van de goddeloze. Dit gezegde bevat veel waarheid. Op de achtergrond van zijn soevereiniteitsgedachte tekent zich de leer van de rechtvaardiging af. Eveneens in zijn beschrijving van het voornemen van God. Voor Kohlbrugge is dat voornemen hetzelfde als genade. Dit voornemen vult hij in als Gods eeuwige voorkeur voor het zwakke en achteruitgezette en Zijn afkeer van mensen die pretentie voeren. Dit belet hem evenwel niet om de inhoud van artikel zestien van de Nederlandse Geloofsbelijdenis te onderschrijven. In antwoord op de vraag: ‘Is er eene algemeene genade?’ schrijft Kohlbrugge: ‘Neen. - God geeft eene betooning van Zijne barmhartigheid daarin, dat Hij uit de geheele massa des menschdoms eenigen uitverkiest in Christus Jezus, zonder daarbij hunne werken in aanmerking te nemen, enkel uit vrije goedheid, tot eere Zijns Naams; ook geeft Hij eene betooning van Zijne rechtvaardigheid daarin, dat Hij al de overigen, mede tot eere Zijns Naams, in hunne verdoemenis laat liggen, waarin zij zichzelven moedwillig gestort hebben.’ In de opvolgende vragen wordt tevens duidelijk dat het zaligworden volgens hem niet afhankelijk is van de wil van de mens, voor de heilsorde verwijst hij naar Romeinen 8:29-30 en hij spreekt over het boek bij God waarin de namen van de verkorenen geschreven staan.
Het speciale van Kohlbrugge's spreken over het voornemen van God bestaat uit twee elementen. Ten eerste, bij hem krijgt het voornemen van God voornamelijk de invulling van voorkeur voor het zwakke en achteruitgezette en afkeur van mensen die pretentie voeren. Ten tweede, het voornemen van God wordt door hem niet in een voortijdelijke eeuwigheid geplaatst, maar in het heden.
Dit laatste blijkt onder andere uit zijn verwoording van artikel zestien van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. In tegenstelling tot het betreffende artikel ontbreekt bij Kohlbrugge het eeuwigheids denken. Als Kohlbrugge het al over de eeuwigheid van de verkiezing heeft, dan betekent het voor hem veel meer de Goddelijke vastheid, maar niet zozeer voortijdelijkheid. Het ontbreken van deze voortijdelijkeheid is echter geen breuk met de traditie, maar is daar juist op gebaseerd. Al vanaf Augustinus is de idee gemeengoed dat Gods eeuwigheid inhoud dat voor Hem alle dingen tegenwoordig zijn en dat er voor Hem geen verleden of toekomst is. Bij Hem is alles een eeuwig heden. Voor zo ver ik weet is het echter een nieuwe gezichtspunt in het Gereformeerd Protestantisme om dit eeuwigheidsbegrip op deze manier toe te passen. Een illustratie hiervan vormt zijn uitleg van Maleáchi 1:2-3: ‘Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat.’ Hij legt dit uit als een vermaning om onder Gods voornemen te buigen en dat aan wie dit niet doet, de genade voorbij gaat, want God gaat voorbij aan degene die zo trots als Ezau op Jakob neerzien. De uitwerking van het voornemen van God stelt Kohlbrugge tegenwoordig in de prediking. Juist omdat hij weet dat de verkiezende God in de prediking tegenwoordig en werkzaam is, is zijn prediking ruim en royaal.
Evenals bij zijn eeuwigheidsbegrip, zien we bij Kolhbrugge's omgang met de exegese van ‘allen’ in teksten over de verzoening, dat hij enerzijds zich blijft bewegen in het spoor van de traditie en anderzijds daar toch een verrassende uitleg aan geeft. Hij verzet zich enerzijds tegen de opvatting waarin het ‘allen’ in deze teksten afgezwakt wordt door te verwijzen naar Gods dubbelbesluit. Hij weigert om aan deze rationele vragen tegemoet te komen. Volgens hem wordt met ‘allen’ bedoelt diegene die zich onder Gods vrijmachtig erbarmen verootmoedigen, mensen die pretenties hebben, plaatsen zichzelf erbuiten. Bij 1 Tim. 2:1-6 merkt hij op dat de mensen alleen willen dat diegenen zalig worden die het volgens de mensen waard zijn, maar Gods absolute wil is dat alle mensen zalig worden, en daaronder verstaat Kohlbrugge allerlei mensen, hoe goddeloos dan ook. Anderzijds wijst hij de opvatting af, als zou hier alle mensen hoofd voor hoofd bedoeld zijn. Kohlbrugge beluistert in deze visie de opvatting die pleit voor de vrijheid van de menselijke wil en alzo Gods wil van die van de mensen afhankelijk willen maken. Zo leest Kohlbrugge het ‘allen’ ‘dus niet als telwoord, maar als troostwoord, bestemd voor hen die geen kwaliteiten hebben.’
Voor het verkrijgen van de kennis van de persoonlijk verkiezing verwijst Kohlbrugge naar Christus en het evangelie. Hij verbindt de idee van het pactum salutis met een belangrijke plaats voor Christus in het werk der verkiezing. Christus is niet slechts Middel en Uitvoerder van de verkiezing, maar is er Zelf als subject bij betrokken en is de werkende oorzaak (causa efficiens) van Gods heilswil. Elders spreekt hij over Christus als de ‘Eerst-Uitverkorene.’ Nauw daaraan verbonden is zijn opmerking dat Gods heilswil in de prediking van het evangelie geopenbaard wordt. Deze kennis van de verkiezing wordt gekarakteriseerd door een radicale deemoed. Op de vraag: ‘Waaraan kan ik weten, of ik uitverkoren ben?’ antwoordt hij: ‘De tollenaar stond van verre.’ Hiermee geeft hij de aard van de verkiezingszekerheid aan. Zij vormt het tegendeel van zelfverzekerdheid.
De wijze waarop Kohlbrugge spreekt over de verkiezing maakt het moeilijk om zijn visie op de verwerping op het spoor te komen. De verkiezing krijgt bij hem veel meer accent dan de verwerping. Als hij al over de verwerping spreekt gebruikt hij bij voorkeur het woord ‘verharding’. Deze verharding vindt in zijn optiek plaats als mensen weigeren om onder Gods voornemen te buigen. Hij herleidt deze verharding niet tot Gods eeuwige besluit.
Kohlbrugge en de Dordtse leerregels
De houding van Kohlbrugge ten opzichte van de Dordtse Leerregels, hét confessionele document waarin de thematiek van de praedestinatie besproken wordt, is ambivalent. In 1833 schrijft hij dat hij overtuigd is geworden van het christelijke-gereformeerde gevoelen van de praedestinatie en verkiezing tot zaligheid zoals geleerd in de canones en de confessie. In een brief van 1 december 1835 drukt hij zich echter kritischer uit. Hij verwijt de Gereformeerde theologie uit de 16de en 17de eeuw al spoedig heiligingssystemen opgericht te hebben en dat ze hun tegenstanders met Mozes bevochten hebben. Hierin ligt volgens Kohlbrugge ook de reden voor de vroege opkomst van het arminianisme. ‘Waarom pakte men Arminius niet in de ribben aan? Waarom was de Delftse en ook de Haagse Conferentie meer het geloove predikende dan de Dordtse Synode? En waarom heeft men zich laten verschalken en afbrengen van de justititia Christi tot de praedestinatie, waardoor de Synode van 1618 zulk een ongelukkige houding heeft verkregen, moetende de Remonstranten uitwerpen, waar zij met de prediking der justitia Dei et Christi de Remonstranten op den loop gejaagd zou hebben, en veler monden voor het toekomende gestopt waren geweest?’ De kanttekeningen van de Statenvertaling krijgen het verwijt de paapse leer weer in te mengen, Voetius en de beide Brakels eveneens, voor het gemak gooit Kohlbrugge Lodenstein op één hoop met de Labadie en Anna Maria van Schuurman. Dezen vormden ‘een godsdienstig kransje te Utrecht, om te bidden en om te bemediteren eene hevorming der kerk; hoe was hunne leer, en wat is er van die hervorming geworden?’ Hij richt zijn kritiek op Witsius, de coccejanen, Groenenwegen en komt uiteindelijk aan bij Da Costa en Capadose. Zijn conclusie is: ‘Zet bij dat alles tot resumé wat gij zelve schrijft: reeds vroegtijdig heeft men onder ons het wezen des geloofs verminkt en de duivel heeft zijn schip door het halve Pelagianisme doorgestuwd en het op het heele Pelagianisme en Socinianisme vastgezet. (...) Waarlijk ik zou de met Stephanus, den martelaar, van het geheel van kerkhervormingen en kerkreddingen geen ander getuigenis weten af te leggen, dan hij van de geheele kerkgeschiedenis van Abraham af tot op zijnen tijd toe heeft afgelegd.’ Het is van belang om de kritiek van Kohlbrugge op Dordt te plaatsen in het kader van zijn visie op de heiliging. Uit deze brief blijkt dat niet de verkiezing voorwerp van zijn kritiek is, maar de wijze waarop men het probleem in Dordt heeft opgelost. Hij had liever gehad dat men zich niet van de aandacht van de rechtvaardiging had laten afbrengen. Blijkbaar vond hij dat de verkorene bij Dordt in het middelpunt was komen te staan ten koste van de verkiezende God. Gezien zijn eigen opvatting dat kennis van het verkorenzijn gekarakteriseerd wordt door een radicale deemoed, heeft hij in Dordt een gevaar gezien. Mensen zouden wat met hun verkorenzijn kunnen worden terwijl ze toch niets verschillen van anderen. Immers juist mensen met zulke pretenties gaat God voorbij.We kunnen hier niet voorbij gaan aan de vraag in hoeverre Kohlbrugge in deze brief de Gereformeerde theologie in het algemeen en Dordt in het bijzonder recht heeft gedaan. Mijn eerste indruk bij het lezen van deze brief was, dat hier de ‘vleselijke’ Kohlbrugge aan het woord is. Op zo'n scheldende en afbrekende manier behoort men met elkaar in de kerk van Christus niet om te gaan. Daarnaast bevat zijn betoog verschillende misinterpretaties. In Dordt heeft men ook beleden dat de kennis van de verkiezing oorzaak geven om zich voor God te verootmoedigen (canon i.13). Van heiligingssystemen is geen sprake. Kohlbrugge legt het ideaal van de Nadere Reformatie verkeerd uit als leunen op eigen gerechtigheid. Hij vergeet De Nadere Reformatie en de Labadie van elkaar te onderscheiden en de verwijten van Pelagianisme en Socianisme zijn totaal uit de lucht gegrepen. In Dordt is een duidelijk confessionele breuk gekomen tussen de Pelagiaanse en Augustijnse genadeleer. En de gereformeerde theologen hebben het Socianisme altijd bestreden. Zijn opmerking over het geloof en de rechtvaardiging in de controverse tussen remonstranten en contraremonstranten berust op feiten, maar het getuigd van weinig invoelingsvermogen om Dordt vervolgens te verwijten dat zij deze positie niet volgehouden hebben. Kohlbrugge kan wat dat betreft mooi praten, hij is nooit voor de uitdaging gesteld waar Dordt voor gesteld is. Indirect geeft hiermee aan waar voor hem het zwaartepunt ligt in deze controverse, namelijk bij de herkomst van het geloof en de plaats ervan in relatie tot de rechtvaardiging.
© 2008 - 2012 Kevin_dover, gepubliceerd in Religie (Mens en Samenleving) op .
Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Kevin_dover is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…
Wat geloven gereformeerden? Gereformeerden vormen van oudsher een herkenbaar deel van onze samenleving. Je kunt zelfs ste…
Boekrecensie: De dominee van de NSB – Henk Tijssen Dominee Wilhelm Theodor Boissevain was een getalenteerde dominee die t…
Theologische achtergronden en context van de Vrijmaking De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt in Nederland is een protestan…
Kerkgeschiedenis; theologische woordenlijst Bij het lezen van theologisch getinte artikelen komt men vaak woorden tegen w…
Gerelateerde artikelen
De Kerkelijke Kaart van Nederland In Nederland struikelt men over de vele verschillende kerkgenootschappen. Gereformeerd,…Wat geloven gereformeerden? Gereformeerden vormen van oudsher een herkenbaar deel van onze samenleving. Je kunt zelfs ste…
Boekrecensie: De dominee van de NSB – Henk Tijssen Dominee Wilhelm Theodor Boissevain was een getalenteerde dominee die t…
Theologische achtergronden en context van de Vrijmaking De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt in Nederland is een protestan…
Kerkgeschiedenis; theologische woordenlijst Bij het lezen van theologisch getinte artikelen komt men vaak woorden tegen w…
Reageer op het artikel "Kohlbrugge en de leer van de uitverkiezing"
Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Bronnen en referenties
- Ds. J. G. Feenstra, Barth of Dordt (J. H. Kok, Kampen: 1954).
- W. H. van Egdom, In gesprek met de Dordtse Leerregels in: Reformatorisch Dagblad 24-11-2005.
- Dr. A. de Reuver, Bedelen bij de Bron (Boekencentrum, Zoetermeer: 1992).
- H. F. Kohlbrugge, Vragen en antwoorden tot opheldering en bevestiging van den Heidelbergschen Catechismus (Vereeniging tot uitgave van Gereformeerde geschriften, Amsterdam: 1930).