Jesaja 53 en het Nieuwe Testament

Jes. 53 speelt in het Nieuwe Testament een belangrijke rol. Dat blijkt niet alleen uit de verschillende citaten, maar ook uit de vele toespelingen erop. In dit essay een bescheiden overzicht van een selectie van de betreffende passages. Richtlijn daarbij was om alle citaten te bespreken en de belangrijkste allusies. Met Jes. 53 bedoelen we dus weer de perikoop die loopt van 52,13-53,12.

Matthéüs

In 8,17 komen we het eerste en tegelijk ook het enige citaat uit Jesaja 53 tegen. De perikoop 8,14-17 gaat over de genezingswonderen die de Heere Jezus verrichtte. Eerste geneest Hij de schoonmoeder van Petrus (8,14-15) en daarna velen die van de duivel bezeten zijn (8,16). De perikoop wordt afgesloten met een citaat uit Jes. 53,4: “Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken werd door de profeet Jesaja, toen hij zei: Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.” Het citaat wijkt op significante plaatsten af van de LXX. Die heeft i.p.v. ασθενειας - αμαρτιας, ελαβεν - φερει en νοσους - οδυναται. De “ons” uit 53,4 wordt in 8,17 betrokken op het volk Israël en de Knecht des HEEREN is de Heere Jezus die de zwakheden en ziekten op Zich neemt. In de rest van het evangelie volgens Matthéüs komen naast dit ene citaat nog talloze allusies voor op Jesaja 53. Bij de exegese van deze teksten kan Jesaja 53 goede diensten bewijzen. Uiteraard gaat het bij de onderstaande bespreking slechts om een selectie, dat geldt eveneens voor de andere bijbelboeken.
In de perikoop 12,22-32 (Luc. 11,14-23) reageren de Farizeeën op de duiveluitbanning van Jezus met de opmerking dat Hij door Beëlzebul de duivels uitwerpt (12,24). Jezus antwoordt daarop, dat indien de satan de satan zou uitwerpen zijn rijk intern verdeelt zou zijn en niet zou kunnen bestaan (12,26). Als dan het tegenovergestelde waar is, namelijk dat Jezus door de Geest van God de duivels uitwerpt dan is het koninkrijk van God tot hen gekomen. Want hoe kan anders iemand het huis van een sterke (την οικιαν του ισχυρου) ingaan en zijn vaten roven, dan wanneer hij de sterke (ισχυρον) gebonden heeft? (12,28-29) Het verband tussen “Beëlzebul” en “het huis van de sterke” ligt in de Hebreeuwse betekenis van het woord “Beëlzebul.” Waarschijnlijk is het een vergrieksing van בעל זבול wat “heer der woning” betekent. Wanneer men Jes. 53,12 leest dan wordt daar gesproken over de knecht des Heeren die de sterken (LXX των ισχυρων) als een roof zal delen. In 12,29 worden deze sterken door Jezus nader gespecificeerd als de duivel(s) en betrekt Hij het overwinnen van deze sterken bij Zijn zending. De instellingswoorden van het heilig avondmaal in 26,28 (Marc. 14,24) vertonen op twee punten overeenkomst met Jes. 53. Jezus zegt dat de drinkbeker van het avondmaal Zijn bloed is dat voor velen vergoten wordt (26,28). Jes. 53,12 spreekt over de Knecht die Zijn ziel uitgestort heeft in de dood en dat Hij veler zonden gedragen heeft, 53,11 spreekt eveneens over de velen die de Knecht rechtvaardig zal maken. In het Oude Testament staat het bloed voor de ziel (Gen. 9,4). De “velen” is een steeds terugkerend thema in het Nieuwe Testament. Wanneer we lezen dat Jezus op al de beschuldigingen niets antwoordde (27,12, Marc. 14,61) dan horen we Jes. 53,7 zeggen: “Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.”

Markus

Ook in Markus komt maar één rechtstreeks citaat voor uit Jes. 53. Het gaat om 15,28 met een citaat uit Jes. 53,12. Nestle-Aland (editio xxvii) heeft dit vers echter uit de hoofdtekst gelaten en vermeldt het alleen in het kritische apparaat. Sommige menen dat men het woord van Jezus uit Luc. 22,37, waarin Hij Jes. 53,12 op Zichzelf betrekt, later heeft betrokken op de kruisiging van Jezus tussen twee rovers en dat men daarom 15,28 toegevoegd zou hebben. Daar tegen pleiten twee redenen: (1) het is opmerkelijk dat, dat in Luc. 23,33 niet gebeurd, terwijl dat, uitgaande van deze hypothese, wel verwacht zou worden. (2) de meerderheid van de handschriften ondersteunden een lezing met 15,28. Daarom dient dit vers wel betrokken te worden in de exegese. Marc. 15,27 (Mat. 27,38) vermeldt dat Jezus met twee rovers (ληστας) gekruisigd wordt. Gevolgd door “En de schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers (ανομων) gerekend.” (15,28). Het citaat is niet geheel volgens LXX, i.p.v. het prepositie εν (+ dativus) staat er μετα (+ genetivus). Het woord van Jezus uit Luc. 22,37 gaat volgens 15,28 in vervulling bij Zijn kruisiging tussen twee rovers. Omdat Luc. 22,37 in een andere context staat, zal die bij Lucas besproken worden. In de perikoop 9,2-13 wordt geschreven over de verheelijking van Jezus op de berg (9,2-8), wanneer Jezus met drie van Zijn leerlingen de berg weer afdaalt, gebiedt Hij hun te zwijgen over wat ze gezien hebben, totdat Hij opgestaan zal zijn (9,9). De leerlingen begrijpen dat niet en vragen naar het verband tussen Jezus’ missie en de komst van Elía (9,11). Jezus antwoordt dan dat Elía weliswaar eerst moet komen, maar dat het verzet tegen de Messias daarna niet voorbij zal zijn. Er staat namelijk van de Zoon des mensen geschreven dat Hij veel lijden moet en veracht worden (9,12). Dit antwoord bevat duidelijke toespelingen op Jes. 53,3 waar staat dat de Knecht een man van smarten zal zijn en dat Hij veracht zal worden. Het vers uit 10,45 (Mt. 20,28) is in de nieuwtestamentische wetenschap een betwiste tekst. De vraag waar het voornamelijk om draait is, of dit een authentiek woord van Jezus is of dat het een product is van de creatieve oergemeente. De beantwoording van deze vraag is bepalend voor het antwoord op de vraag hoe Jezus Zijn eigen missie verstaan heeft. Sommige menen dat het hier gaat om een product van de oergemeente die daardoor geïnspireerd zou zijn door Jes. 53. Peter Stuhlmacher heeft in zijn essay “Existenzstellvertretung für die Vielen“ overtuigend aangetoond dat de laatste bewering niet juist kan zijn en dat er dwingende redenen zijn waarom men dit woord aan Jezus moet toeschrijven. Hij betoogd namelijk dat 10,45 slechts gedeeltelijk gebaseerd kan zijn op Jes. 53, namelijk wat betreft de woorden “de velen”, “Zijn ziel” en “overgeven (in de dood)”. Het woord “rantsoen” is niet equivalent met “schuldoffer”, maar blijkt veel meer uit Jes. 43,3 te komen. “De Zoon des mensen” is afkomstig uit Dan. 7 en eveneens is “dienen” niet tot Jes. 53 te herleiden. Stuhlmacher meent dat er geen dwingende redenen zijn om 10,45 te verbinden aan de context. Van Bruggen wijst er echter op dat de woorden “dienen” en “Zijn ziel geven” in de context van 10,35-44 geplaatst moet worden. In 10,38 spreekt Jezus over Zijn lijden en in 10,42-44 zegt Hij tegen Zijn leerlingen dat degene die de meeste is, als een dienaar zal zijn. Jezus is meer dan Zijn leerlingen en dient hen dan ook met Zijn lijden, wat niet alleen hen, maar ook de “velen” ten goede zal komen. In 1 Tim. 2,5 komt een variant voor op deze uitspraak. De “velen” zijn dan veranderd in “allen.” Van Bruggen wijst er op dat het verschil in blikrichting in beide verzen het verschil in woordkeus verklaart.

Lukas

Het enige citaat uit Jes. 53 komt voor in 22,37. De perikoop 22,35-38 begint met de vraag van Jezus aan Zijn leerlingen of het tijdens hun eerste uitzending (9,3), ondanks dat ze niets mee namen, aan iets ontbroken had. Zij antwoordden dat het hen toen aan niets ontbroken had (22,35). Thans, zegt de Heere, moet men wel de geldbuidel en de reistas meenemen. En wie geen zwaard heeft, moet zijn mantel verkopen om daarvan een zwaard te kopen (22,36). Want in Hem moet (δει) volbracht worden de woorden “En Hij is met de misdadigers (ανομων) gerekend.” (Jes. 53,12). Want de dingen die over Jezus gezegd zijn komen tot een einde (τελος) of beter tot haar bestemming. (22,37). Vervolgens laten Zijn leerlingen aan Jezus twee zwaarden zien, waarop Hij antwoordt dat het voldoende is (22,38). Ook hier is het citaat niet geheel volgens LXX (zie de bespreking van Marc. 15,28). Binnen de nieuwtestamentische wetenschap bestaat een brede consensus dat met δει een “goddelijk moeten” wordt bedoeld. Wanneer Jes. 53,12 niet in Jezus volbracht zou worden, zou deze profetie niet vervuld zijn en daarom moet Jezus met de misdadigers gerekend worden. In 23,33 wordt verhaald dat Jezus gekruisigd werd tussen twee misdadigers (κακουργους). Als hun Meester al met de misdadigers gerekend wordt, dan moeten ook Zijn leerlingen rekening houden met tegenslag en verdrukking. Een verwijzing naar eveneens Jes. 53,12 is te vinden in 23,34 waar Jezus bid, terwijl Hij gekruisigd wordt: “Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen.” Op de achtergrond speelt hier Jes. 53,12 “…en voor de overtreders gebeden heeft.”

Johannes

Het enige citaat uit Jes. 53 staat in 12,38. Hoewel de Heere Jezus vele tekenen gedaan had, zo geloofden de Joden niet in Hem (12,37). Daaraan wordt direct verbonden dat dit een vervulling is van het woord van Jesaja (53,1) “Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van de Heere geopenbaard?” (12,38) Gevolgd door nog een citaat uit Jes. 6,9 (12,39-40). Het citaat is volgens de LXX. De vocativus κυριε staat niet in het Hebreeuws. De prediking uit Jes. 53,1 wordt in 12,38 verbonden met de prediking van Jezus. Het ongeloof van de Joden is een vervulling van wat eens Jesaja sprak.
In de rest van het evangelie komen nog twee belangrijke toespelingen voor op Jes. 53. Johannes de Doper zegt, als hij Jezus ziet naderen: “Zie het Lam Gods (ο αμνος του θεου), Dat de zonde der wereld wegneemt.” Het Lam verwijst naar Jes. 53,7; terwijl “Dat de zonde der wereld wegneemt” verwijst naar de frase dat “Hij de zonden van velen gedragen heeft.” (vgl. Marc. 10,45; Open. 5,9). In het gesprek tussen de Heere Jezus en Nicodémus (3,1-21) spreekt Jezus over Zijn taak op deze aarde: “En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet (δει) de Zoon des mensen verhoogd (υψωθηναι) worden.” (3,14). Vergelijking met 12,32-33 leert ons dat Jezus met Zijn verhoging, Zijn kruisiging bedoelde. Ook hier keert het woord δει weer terug (vgl. Luc. 22,37). Jes. 52,13 spreekt eveneens over de verhoging van de Knecht: “Ziet, Mijn Knecht zal verstandelijk handelen; Hij zal verhoogd (υψωθησεται) en verheven, ja, zeer hoog worden.” De verhoging uit Jes. 52,13 wordt hier uitgelegd als een vernedering.

Handelingen

Het enige, maar vrij lange citaat staat in 8,32-33. Filippus ontmoet, door aansporing van de Heilige Geest, een eunuch uit Ethiopië (8,27). Deze eunuch leest de profeet Jesaja, maar op de vraag van Filippus of hij het ook begrijpt, antwoordt hij ontkennend en vraagt hij Filippus om hem te helpen (8,30-31). De eunuch las Jes. 53,7-8. Het citaat is hier volgens LXX. Bijna alle vertalingen (KJV, SV, NBG, WILLIBRORD, NBV) maken de fout door προβατον met “schaap” te vertalen, en αμνος met “lam.” De Hebreeuwse tekst van Jes. 53,7 heeft: “Als een lam (כשׂה) werd hij ter slachting geleid, en als een schaap (וכרחל), dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders.” Wanneer men de meeste vertalingen volgt in 8,32, zijn “lam” en “schaap” omgedraaid. Dan gaat het over een schaap dat ter slachting geleid wordt en een lam dat zwijgt tegenover zijn scheerders. Volgens de Griekse filologie is “schaap” en “lam” een goede vertaling voor respectievelijk προβατον en αμνος. De LXX is echter niet consequent in het vertalen van deze beide Hebreeuwse woorden, zowel רחל als שׂה worden vertaald met προβατον en αμνος. Daarom kan men 8,32 beter in overeenstemming met de Hebreeuwse tekst vertalen, juist omdat de LXX-tekst hier op twee manier te vertalen is. (8,32-33) De eunuch vraagt van wie de profeet dit zegt, van zichzelf of van iemand anders. Uit deze vraag kan niet te veel afgeleid worden m.b.t. de uitleg van Jes. 53 in het vroege Jodendom. Alleen dat de eunuch blijkbaar uitging van een individuele uitleg van Jes. 53. De marteldood van Jesaja was bekend uit het joodse geschrift “Martyrium Isaiae.” Volgens 5,11-14 is hij tijdens de regering van Manasse met een boomzaag in stukken gezaagd, (vgl. Heb. 11,37). In het geschrift komt echter geen verwijzing voor naar de knecht des Heeren, ook zijn ons uit de geschiedenis van de exegese van 53,7-8 geen parallellen bekend waarin die beide verzen op de profeet betrokken worden (8,34). Als antwoord begint Filippus vanaf die schriftplaats Jezus te verkondigen (8,35). In zijn toespraak aan het joodse volk, nadat er een kreupele genezen is, zegt Petrus dat de God van Abraham, Izak en Jakob, de God van hun vaderen, Zijn Kind Jezus verheerlijkt heeft (εδοξασεν) (3,13). Een opmerkelijke parallel met Jes. 52,13, waar staat dat de Knecht des Heeren verhoogd en verheven zal worden (ונשׂא LXX δοξασθησεται). Het futurum uit 52,13 is veranderd in een aoristus in 3,13. Zoals we bij Joh. 3,14 al zagen, wordt de verhoging uitgelegd als de kruisiging van Christus, dus behorend bij Zijn vernedering. De verheerlijking uit 3,13 heeft dan betrekking op de opstanding en Hemelvaart.

Corpus Paulinum

In de Romeinenbrief citeert Paulus twee keer uit Jes. 53. In 10,14-21 schrijft Paulus over de ongelovigheid van het joodse volk. Voor heiden-christenen moet het een moeilijk feit geweest zijn, dat zij werden uitgenodigd om te geloven in de Messias uit Israël, terwijl het volk Israël als geheel, niet in hem geloofde. Het is in deze situatie dat Paulus zich inspant om duidelijk te maken dat deze situatie niet tegenstrijdig is met het evangelie. De profeet Jesaja (Jes. 53,1) had al aangekondigd dat het evangelie van de lijdende Knecht des Heeren door ongeloof afgewezen zou worden: “Heere, wie heeft onze prediking geloofd?” (10,16). Net zoals in Joh. 12,38, wordt hier de LXX geciteerd en wordt de prediking uitgelegd als de verkondiging van het evangelie. Het andere citaat staat in 15,21. Wanneer Paulus in 15,14-22 spreekt over zijn roem in Christus en zijn zendingsarbeid, zegt hij dat hij niet op iemand anders werk heeft voortgebouwd, maar op die plaatsen het evangelie heeft verkondigd, waar het nog niet geweest was (15,20). Zoals er ook geschreven staat (Jes. 52,15): “Zij aan wie Hij niet verkondigd is, zullen zien; zij die niet over Hem hebben gehoord, zullen tot inzicht komen.” (15,21). Paulus citeert hier volgens LXX, en legt het verband tussen de boodschap uit Jes. 52,15 en de verkondiging van het evangelie. Toespelingen in de Romeinenbrief op Jes. 53 zijn te vinden in 4,25-5,1: “Welke overgeleverd is om onze zonden” (Jes. 53,5) en “Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof hebben vrede bij God” (Jes. 53,11). De velen uit Jes. 53,11-12 komen weer terug in 5,15: door de misdaad van één, zijn velen gestorven en 5,19: zoals door de ongehoorzaamheid van één mens, velen zondaars geworden zijn, zo zullen ook de gehoorzaamheid van Eén, velen gerechtvaardigd worden. In Fil. 2,7 komt een duidelijke toespeling voor op de Knecht des Heeren. Paulus schrijft daar dat Christus de gestalte van een knecht of slaaf (δουλου) heeft aangenomen en de mensen gelijk is geworden. Weliswaar mist de LXX in 53,11 het woord “knecht” terwijl in 52,13 παις wordt gebruikt i.p.v. δουλος, maar δουλος is een legitieme vertaling van עבד.

Hebreeën

In de Hebreeënbrief komt geen citaat voor uit Jes. 53. Een duidelijke toespeling is te vinden in 9,28: “Alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om de zonden van velen weg te nemen.” De zonden van de velen verwijzen naar Jes. 53,12. Het kenmerkende van de hele Hebreeënbrief komt in 9,28 tot uiting door het “eenmaal” wat tegenover de “zonden van velen” gezet wordt (vgl. 1,1).

Katholieke brieven

In de perikoop 1 Pet. 2,19-25 staat het ten onrechte lijden centraal. Petrus vermaant om het onrecht te dragen, want daar zijn, zijn lezers toe geroepen, omdat Christus Zelf een voorbeeld hiervan heeft nagelaten en wil dat men Zijn voetstappen navolgen zou (2,21). Christus heeft geleden, hoewel Hij geen zonde gedaan had en in Zijn mond geen bedrog gevonden werd. (2,22; Jes. 53,9). Hij heeft Zelf onze zonden gedragen in Zijn lichaam op het hout en door Zijn striemen zijn de lezers genezen (2,24; Jes. 53,4). Eerst waren ze dwalende schapen (Jes. 53,6), maar nu zijn zij bekeerd tot de Herder en Opziener van hun zielen (2,25). Jes. 53 wordt door Petrus gebruikt om te spreken over het lijden van Christus, de “ons” in Jes. 53 wordt betrokken op de gemeente, het dragen van de zonden heeft Christus aan het kruis gedaan. Een soortgelijke toespeling vinden wij in 1 Joh. 3,5 waar gezegd wordt dat Christus onze zonden weggenomen heeft (Jes. 53,4) en dat in Hem geen zonde is (Jes. 53,9). In 1 Joh. 2,1 wordt Jezus Christus, de Rechtvaardige genoemd (Jes. 53,11).

Openbaring

In het boek Openbaring komt één citaat voor uit Jes. 53. In de perikoop 14,1-5 wordt het Lam uitgetekend met de honderd vier en veertig duizend (14,1), die een nieuw gezang zingen, dat niemand leren kan dan de honderd vier en veertig duizend (14,3). Van hen geldt dat in hun mond geen bedrog gevonden wordt (14,5). Dit is een citaat uit Jes. 53,9. Het citaat is niet volgens de LXX, de woordvolgorde is veranderd en i.p.v. ουδε staat er ουχ. In 14,5 wordt dit gezegde betrokken op de gekochten door het Lam. Naast dit citaat komen en veel toespelingen op Jes. 53 voor. Vooral het woord “Lam” (αρνιον) komt frequent voor. Direct verband met Jes. 53,7 heeft 5,6, waar gesproken wordt over een Lam, staande als geslacht. Een metafoor voor de gekruisigde en opgestane Christus. Het lied van de vier dieren en de oudsten luidt: “Gij zijt geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit elk geslacht, en taal, en volk, en natie.” Twee parallellen met Jes. 53 worden zichtbaar: het geslachte Lam (53,7) en de velen (53,11-12), die hier weer gegeven zijn met de woorden: “elk geslacht, en taal, en volk, en natie.” In 5,12 wordt weer gesproken over het geslachte Lam en in 13,8 over het boek van het leven van het Lam, Dat geslacht is. Het vervolg van dit vers: “van (απο) de grondlegging der wereld” moet opgevat worden als een attribuut bij de namen die in dat boek geschreven zijn, namelijk van mensen die vanaf het begin van de wereld geleefd hebben, de prepositie απο betekent ook doorgaans: “vanaf.”
© 2008 - 2012 Kevin_dover, gepubliceerd in Religie (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Kevin_dover is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
Joodse visie: Slaat Jesaja 7:14 op de maagd Maria? In een poging om te bewijzen dat Jezus de Messias is verwijzen veel ch…
Bijbelboeken - oude en nieuwe testament De Bijbel bestaat uit verschillende boeken, onderverdeeld in het Oude en Nieuwe T…
Joodse visie: Jesaja 53 slaat NIET op Jezus maar op Israël In Jesaja 53 wordt gesproken over de 'Knecht des Heren'.…
Woordstudie ‘wedergeboren’. Johannes 3:1-21 Als Jezus over 'wedergeboren' spreekt vraagt Nicodemus zich af of je echt opn…
Het verbond van God met mensen: het nieuwe verbond God blijft trouw aan zijn beloften. Het verbond met God en de mens loo…

Reageer op het artikel "Jesaja 53 en het Nieuwe Testament"

Etsel, 28-08-2008 16:35
Hallo Kevin,

Jesaja 53 wordt door veel christenen misbruikt als bewijstekst dat Jezus de Messias zou zijn. Toch is het van belang de context steeds goed in ogenschouw te nemen. Jesaja 53 kan niet los gezien worden van de rest van de Joodse Bijbel.

Over Jesaja 53 in context van de rest van de Joodse Bijbel kunnen een aantal dingen worden gezegd:

1. De Tora maakt onderscheid tussen twee soorten straffen voor zonden in DEZE wereld (zie o..a. Deuteronomium 28:15-68): Er is een spirituele straf in de toekomst en een straf voor lijden in deze wereld. Straf in deze wereld is hoofdzakelijk voor de gehele gemeenschap, terwijl de toekomstige spirituele straf is voor individuele zonden.
2. Er zijn een aantal heilige mensen in deze wereld die om Gods wil lijden.
3. Er bestaat niet zoiets als een dienaar die sterft voor de zonden van andere mensen, zie ook Ezechiël 18. Een vader zal niet sterven voor de zonden van zijn zoon. Zo kan Jezus niet sterven om de mensheid van zijn zonden te bevrijden. Ieder individu is zelf verantwoordelijk voor zijn zonden. Het idee van erfzonde komt dan ook niet voor in de Joodse Bijbel. God heeft de mens zuiver geschapen.
4. Het lijden van de Masjiach is er om twee soorten zonden te verwijderen:
a. de zonde van de gemeenschap, terwijl de zonden van het individu pas na de dood worden beoordeeld.
b. de zonde van de heilige mensen die lijden om Gods wil.
5. Het wordt geassocieerd met de offers die Joden brengen. Berouw kan je van de persoonlijke zonden bevrijden.
6. Er is geen verschil tussen het lijden van de ziel van de Masjiach die wacht om deze wereld binnen te gaan (zolang de Masjiach deze wereld niet binnen kan gaan lijdt zijn ziel die de wereld wil betreden. Eerst moeten alle mensen berouw tonen. Dan komt een einde aan de ballingschap en zal de Masjiach komen) en ieder andere rechtvaardige persoon. Beide vullen dezelfde functie in dit opzicht.

Het ware dus beter geweest wanneer je Jesaja 53 bestudeert in de context van de Joodse Bijbel in plaats van het Nieuwe Testament. In dat geval kom je tot geheel andere conclusies (zie hierboven).

MVG, Etsel :-)

Bronnen en referenties
  • Baarlink, H. – Het evangelie van de verzoening, Kampen (1998)
  • Bruggen, J. van – Marcus, het evangelie volgens Petrus, Kampen, (1988)
  • Bruggen, J. van – Romeinen, Christenen tussen stad en synagoge, Kampen, (2006)
  • Stuhlmacher, P. - Versöhnung, Gesetz und Gerechtigkei. Aufzätze zur Biblischen Theologie, Gottingen (1981) pp. 27-42.
Infoteur: Kevin_dover
Rubriek: Mens en Samenleving / Religie
Bronnen en referenties: 4
Reacties: 1
Schrijf mee!