Dordtse Kerkorde (1619) in context
De Dordtse kerkorde (DKO) is geschreven in de Nederlandse republiek aan het einde van de grote theologische en politieke twist tussen remonstranten en contraremonstranten. Daarnaast was het proces van confessionalisering al ruim een halve eeuw aan de gang. In dit artikel zal de DKO vanuit deze twee perspectieven beschreven worden.Confessioneel Europa
De DKO is ontstaan in de zogenaamde periode van een confessioneel Europa. In deze periode, die ongeveer van 1560 tot en met 1650 duurde, werd de geschiedenis van Europa gevormd door de verschillende confessies. Al deze confessies zijn terug te leiden tot de drie grote confessies: rooms-katholicisme, lutheranisme en de gereformeerden. Eventueel zou de anglicaanse kerk daar nog bij gevoegd kunnen worden als vierde confessie. In een artikel met de titel Confessional Europe schrijft Heinz Schilling uitvoerig over deze periode. De term confessioneel Europa betekent, volgens Schilling, geen idealistische denigratie van demografische, economische, politieke en sociale factoren ten opzichte van de theologische of religieuze factoren. De nadruk op de kerkelijke en religieuze structuren is juist het resultaat van bestudering van sociologie van religie. Schilling wil de verschillende gemeenschappen die ontstaan zijn rondom deze confessies met elkaar vergelijken op sociaal en politiek niveau. Volgens Schilling waren kerk en religie in die periode de pilaren van het hele sociale leven. Religieuze verandering betekende ook sociale verandering. In zijn artikel benaderd Schilling religie daarom functioneel. Hij beweegt zich hiermee in een nieuwere richting in het onderzoek en hij wil het bestaande beeld van het post-reformatorische tijdperk nuanceren en bijstellen. Door zijn methode van vergelijking, wordt er niet de nadruk gelegd op de verschillen tussen de gemeenschappen, maar juist op de functionele overeenkomsten. Hierdoor moet het dominante beeld van het post-reformatorische tijdperk, als een soort competitie tussen de confessies, afgewezen worden.Op plaatsen waar de reformatie doorgang gevonden had volgde vanaf 1550 het proces van confessionalisering. Kerkordes werden ontworpen, de leer werd vastgelegd in confessies en de liturgie werd geregeld. Dit gebeurde over het algemeen voornamelijk in centraal Europa in protestantse staten of vrije steden. In Nederland, Frankrijk en Schotland vielen reformatie en confessionalisering grotendeels samen. In Engeland werkte de koningin de confessionalisering tegen omdat ze invloedvermindering vreesde. De puriteinse confessionalisering ontwikkelde zich tot een oppositiebeweging binnen de staatskerk. In de katholieke landen bestond het proces van confessionalisering voornamelijk uit een reactie tegen het protestantisme en een ontwikkeling van voor-reformatorische tendensen.
Het steunen van de kerk op de staat kwam vooral tot uitdrukking in de protestantse staten van Scandinavië, Engeland en Zwitserland (waarvan voornamelijk Zürich). Dit gold voor de gereformeerden niet minder als voor de lutheranen. De calvinistische variant van het gereformeerde protestantisme dat in principe de autonomie van de kerk ten opzichte van de staat voorstond, vormde daarop geen uitzondering. In Genève werden de presbyters en de consistories zelfs deels gekozen door de magistraat. Het calvinisme bracht een daadwerkelijke autonomie van de kerk ten opzichte van de staat alleen in de praktijk daar waar het niet de dominante confessie was. Dit gold voor de hugenoten en de Engelse puriteinen. In de katholieke landen na het concilie van Trente bleef de middeleeuwse kerkorganisatie behouden. Het katholicisme werd echter genoodzaakt om een alliantie aan te gaan met de overheid om verloren gebieden terug te krijgen en het eigen land tegen het protestantisme te beschermen. Dit vergrote de invloed van de staat. Over het algemeen werd deze invloed geregeld via de roomse curie of de metropolieten. In de Duitse staten werden er speciale organen opgericht voor kerkelijke zaken. In Spanje was er een concilie voor kerkelijke en religieuze zaken die onderdeel was van het koninklijke regime. In Frankrijk was het belangrijkste instrument van de staat de bevoegdheid om bisschoppen te benoemen.
De activiteiten van de staat namen ook toe in de zaken die in de middeleeuwen door gebrek aan capaciteit door de kerk geregeld waren. De belangrijkste daarvan waren: huwelijk, onderwijs en armenzorg. Deze gemengde zaken kwamen zowel in het protestantisme als in het katholicisme onder de jurisdictie van zowel de kerk als de staat. Hoewel er tussen de kerk en de staat over deze gemengde zaken wel eens conflicten waren, was er in het algemeen sprake van samenwerking. De verschillende confessies gingen op verschillende manieren te werk om het belang van de kerk in de gemengde zaken te bewaren. Bij de calvinisten lag de verantwoordelijkheid allereerst bij de presbyter en als tweede bij de synode. Waar het calvinisme de gevestigde religie was werden de activiteiten van beide lichamen in samenwerking met de magistraat uitgevoerd. Bij de lutheranen was het gezag over de lokale gemeente opgenomen in de territoriale bureaucratie, wat de staat de mogelijkheid verleende tot invloed of zelfs controle. In de katholieke landen overleefden meestal de middeleeuwse instituten hoewel ook hier de beweging naar samenwerking te zien is. Een belangrijke rol speelden de religieuze orden zoals die van de Jezuïeten. Deze orde verrichte veel werk voor het oprichten van scholen en universiteiten. Het verschil tussen protestants en katholiek onderwijs bestond daarin dat achter het streven naar onderwijs door de protestanten meestal de overheid stond, terwijl in de katholieke landen het onderwijs voornamelijk georganiseerd werd door internationale religieuze orden. Bij het calvinisme werd het sociale welzijn en de zorg voor de armen, zieken en wezen geregeld door de diaconie. De lutheranen ontwikkelden de idee van gemeenschappelijke belasting op parochieniveau, omdat dit zelden leidde tot afzonderlijke lokale welzijnssystemen werd het in plaats daarvan gesteund door de territoriale kerk en de overheid. Het katholicisme behield de pluraliteit van instituten uit de middeleeuwen. Wel ondernam men pogingen om het te rationaliseren. Naast deze activiteiten die van de kerk uitgingen, besteedde ook de overheid veel aandacht aan sociaal welzijn, voornamelijk in de Duitse territoriale staten waar vele regels en armenwetten werden uitgevaardigd.
Voor het huwelijk had de confessionalisering belangrijke lange termijn consequenties. In de beide protestante kerken was het huwelijk een wereldlijke zaak, die gebaseerd was op de belofte van de echtgenoten en gebonden door de regels van christelijke betrouwbaarheid, eerlijkheid en verantwoordelijkheid voor de naaste. In de katholieke kerk echter was het huwelijk een sacrament en dat sloot in principe elke verwereldlijking uit. Het bevestigde eveneens de primaire verantwoordelijkheid van de kerk voor het huwelijk en daarnaast de autonomie van de kerk tegenover de staat. Iets wat de protestanten op basis van hun visie op het huwelijk niet konden claimen. Desondanks trokken de protestanten niet de praktische consequentie uit hun visie op het huwelijk dat zij het geheel aan de staat overlieten. In het algemeen bleef de rol van religie in huwelijkszaken in de protestantse landen aanwezig. De enige uitzonderingen waren de Nederlandse republiek en Engeland. Respectievelijk aan het einde van de zestiende eeuw en in het midden van de zeventiende eeuw was daar een vrij staatshuwelijk in zwang. De druk om te huwen binnen eigen confessie veranderde de traditionele regionale en sociale criterium in een confessioneel criterium.
De instrumenten die men gebruikten om het christelijke geloof en leven over te dragen waren voornamelijk catechismi die niet alleen door protestanten gebruikt werden. De katholieken hadden daarnaast nog vele andere instrumenten tot hun beschikking, zoals religieuze orden, de inquisitie, de roomse curie en synoden. In het lutheranisme waren er, met uitzondering van de excommunicatie en de supervisie door visitators, superintendenten en consistories, slechts in enkele plaatsten speciale religieuze instituten voor de discipline. De discipline kwam voornamelijk tot uiting in de prediking en de pastorale zorg in samenwerking met de wetten van de overheid. Hetzelfde is te zien in het gereformeerde Zürich waar de synoden die gericht waren op de discipline gedomineerd werden door de plaatselijke overheid. De anglicaanse kerk zette de middeleeuwse lijn voort en stelden de bisschoppen en de aartsbisschoppen verantwoordelijk voor de visitatie en het kerkelijke recht. Bij de puriteinen was in navolging van Calvijn het consistorie het meest belangrijk. Dit bestond uit predikanten en ouderlingen die elke week bijeen kwamen om de kerkelijke aangelegenheden te bespreken.
In hun drijfveer voor een confessioneel correct geloof werden er door de kerken in samenwerking met de overheid allerlei veranderingen in de maatschappij doorgevoerd. Men stond een standaardsering en uniformering van het religieuze leven voor en bestreed allerlei vormen van volksgeloof. In het tegemoet komen aan volks religiositeit gingen de katholieken en lutheranen verder dan de gereformeerden. De eersten probeerden in de kerk een visuele presentatie van het heilige te geven, terwijl de gereformeerden niet toe wilden geven aan de sensuele vormen van volksreligie. Niet alleen door de discipline, maar ook door het geschreven woord probeerde men het christelijke geloof en leven te regelen. Er werden gebedenboeken, homilieën, preken, hymnen, heiligen levens, drama’s en handboeken voor het christelijke leven geschreven.
Bij de protestanten was er wel een hiërarchie maar handhaafde men dat ieder kerk dienaar gelijk was. Het recht van protestantse geestelijke om te huwen leidde in de praktijk tot een plicht om te trouwen. Meestal had men grote gezinnen, hun positie in de maatschappij werd daardoor heel verschillend van die van de katholieke geestelijken. Het werk van de geestelijken werd een beroep en onderwijs en examinatie waren nodig. Bij de katholieken was er geen officiële rol voor de overheid in de kerkregering, hoewel het ook niet uitgesloten was. In het mobiliseren van de overheid voor de uitvoer van kerkelijke zaken schijnen de katholieken succesvoller geweest te zijn dan de protestanten.
Historische context van de DKO
In dit deel wil ik kort de historische context van de DKO beschrijven. Omdat tijdens het conflict tussen remonstranten en contraremonstranten ook het gezag van de overheid in kerkelijke zaken naar voren kwam zal ik ook iets van dit conflict beschrijven.Sinds de unie van Utrecht in 1579 bestond de Nederlandse republiek uit zeven staten of gewesten waarboven de generale staten stonden. Binnen de Nederlandse kerk waren van af het begin twee stromingen met betrekking tot de verhouding tussen de overheid en de kerk. Er waren er die de overheid in kerkelijke zaken geen enkel gezag wilden geven en er waren er ook die de overheid juist alle gezag in kerkelijke zaken wilden geven. De laatste worden ook wel erastianen genoemd, naar hun ideologische vader Thomas Erastus (1520/31583). De Leidse predikant Casper Coolhaes (15341615) was hier een verdediger van. Het spreekt voor zich dat de erastianen op steun konden rekenen van de overheid.
Tijdens de conflicten tussen de remonstranten en de contraremonstranten kiezen de eersten voor het erastianisme. In 1610 schrijft de remonstrantse Johannes Wtenbogaert een pamflet met de titel Traktaat van het ambt en autoriteit ener hoger christelijke overheid in kerkelijke zaken. In dit traktaat spreekt hij zich uit voor de erastiaanse positie. God heeft het hoogste opzicht over wereldlijke én geestelijke zaken gegeven aan de overheid, die evenwel altijd onder God en Zijn woord staat. Deze positiekeuze zorgde ervoor dat de discussie tussen remonstranten en contraremonstranten zich nu uitbreidde naar de aard van het gezag van de overheid in kerkelijke zaken. O. J. de Jong schrijft dat de meeste mensen zich bij het dispuut over de predestinatie niet deskundige achtte, maar toen het ging over de autoriteit van de overheid achtte iedereen zich bekwaam. Het traktaat van Wtenbogaert werd door sommige plaatselijke overheden met instemming begroet. In de stad Utrecht zorgde de overheid er voor dat er alleen maar remonstrantse predikanten benoemd werden. Andere plaatsen waar remonstrantse kernen ontstonden, mede door hulp van de overheid, waren Dokkum, Kampen, Nijmegen, Alkmaar, Hoorn en de classes Tiel en Zaltbommel. De gewesten Overijssel en Gelderland waren verdeeld, maar in de staten van Overijssel hadden de remonstranten de meerderheid. Bij de staten van Gelderland gold het omgekeerde. Het gewest Utrecht, met uitzondering van de stad, was eveneens verdeeld. In Holland waren alleen Enkhuizen, Edam, Purmerend, Dordrecht en Amsterdam contraremonstrants. Op verschillende plaatsten waar de overheid op de hand van de remonstranten was werden hun tegenstanders afgezet of verbannen.
Er bleef evenwel een groot deel van de republiek contraremonstrants. In Zeeland en Groningen waren geen remonstrantse predikanten, in Friesland alleen in Dokkum en de hoogleraren te Franeker en Groningen waren allen contraremonstrants. Daarnaast was het bezit van Amsterdam en Dordrecht politiek gezien niet onbelangrijk. De contraremonstranten wilden een nationale synode, dit botste echter met de soevereiniteit van de afzonderlijke gewesten.
In 1612 lieten de staten van Utrecht een synode bijeenroepen te Utrecht. Aldaar werd besloten dat ieders mening over de leergeschillen vrij bleef maar dat er geen disputen op de preekstoel gehouden mochten worden. Hugo de Groot stelde in navolging daarvan in 1614 voor de staten van Holland een resolutie van vrede op waarin eveneens het bespreken van de leergeschillen op de preekstoel verboden werden. De contraremonstranten in Holland weigerden echter dit te aanvaarden. Volgens De Jong begrepen zij dat een dergelijke vrede hun verlangen naar een nationale synode op de lange baan zou schuiven. Enkele tientallen jaren na de synode van Dordrecht drukte J. Trigland uit wat de visie van de contraremonstranten op de overheid was. Wtenbogaert had in 1610 in zijn traktaat opgemerkt dat zijn tegenstanders een collateraal systeem voorstonden, waarin de kerk in de kerkelijke en de overheid in wereldlijke zaken het voor het zeggen had. Trigland wijst dit van de hand als een verzinsel. In negen punten zet hij zijn visie op het gezag van de overheid uiteen. Samengevat komt het op het volgende neer. De overheid staat onder God, niet onder Christus. De dienaren van de kerk zijn in die hoedanigheid niet onderworpen aan de overheid maar aan Christus. Het behoort tot het gezag van de overheid om de prediking van het evangelie toe te laten en te handhaven of niet. Als zij haar toelaten en handhaven moet men haar dankbaar zijn, voor voedsterheer van de kerk en een vazal van God houden. Als zij haar toelaten en handhaven doen zij goed, zo niet dan zal God hen straffen. Als zij niet wil, mag de kerk dit niet met geweld teweeg brengen. Daarin bestaat de subordinatie van de dienaars van de kerk onder de overheid. Deze ondergeschiktheid heeft dus geen betrekking op de religie zelf, maar op het openbaar erkennen en beschermen ervan. Ten slotte moet men bij het uitblijven van erkenning het ambt niet neerleggen.
Het resultaat van de overheidsinmenging was dat er op sommige plaatsen scheuringen in de Nederlandse kerk ontstonden. De contraremonstranten scheidden zich af en werden dolerenden kerken genoemd omdat ze klaagden over de overheid. In de volksmond heetten ze slijkgeuzen. De positie van de contraremonstranten verslechterde steeds meer, totdat ze steun kregen van prins Maurits, toen werden de rollen langzaam omgedraaid. Het tij keerde nu ook wat betreft het houden van een nationale synode. Op 1 mei 1618 werd in de staten generaal met meerderheid van stemmen besloten dat er een nationale synode gehouden zou worden. Het verloop van deze synode is voor de context van de DKO niet direct relevant. Wel is het belangrijk om er op te wijzen dat de overheid tijdens deze synode een belangrijke vinger in de pap had. Er waren niet minder dan achttien afgevaardigden van de staten generaal aanwezig (ook wel de politieken genoemd) die op de uitwendige orde moesten toezien. Deze hadden een vetorecht en een eigen preses, scriba en quaestor en vormden dus een apart college in de synode. Toch was dit volgens mij niet erastiaans, want bij theologische kwesties maakten de theologen de dienst uit.
De zaak van de kerkorde werd tijdens de synode besproken nadat de buitenlandse theologen weggegaan waren. Tijdens de 155ste zitting werd de kerkorde van Dan Haag 1586 voorgelezen en door afgevaardigden uit alle gewesten in hoofdlijnen goedgekeurd. Er werd door de synode de wens geuit dat er een kerkorde zou komen die door de overheid zou worden aangenomen en overal in de Nederlandse kerk ingevoerd zou worden. Tijdens de zittingen die volgen worden er allerlei gravamina (problemen) ingediend aangaande de kerkorde. Een belangrijke kwestie is daarbij die over het jus patronatus (het recht van de patroon). Dit betekende dat de eigenaar van een stuk land het recht had de geestelijke op zijn gebied te benoemen en de plicht had voor deze geestelijke te zorgen. Tijdens de bespreking wordt voorgesteld of dit recht misschien niet helemaal afgeschaft kan worden vanwege het misbruik dat er van gemaakt is. (Men denke slechts aan de situatie in Utrecht, waar de overheid er voor zorgde dat er alleen remonstrantse predikanten benoemd werden). De politieken antwoordden dat van afschaffen absoluut geen sprake kon zijn. De staten generaal zouden nooit goedkeuren dat door een kerkelijke wetgeving dit recht van de betreffende personen afgenomen zou worden en dat men zich daarom beter kon beraden op middelen om misbruik tegen te gaan. Het resultaat van deze bezinning vinden we terug in de tekst van de DKO, daarover straks. Als we dit gegeven even vergelijken met wat Schilling schreef over de calvinistische visie op kerk en staat, dan valt op dat men in Dordrecht dus wel geprobeerd heeft om overheidsinmenging tegen te gaan, maar niet in de positie was om dit af te schaffen. Tijdens de andere zittingen werden de andere gravamina besproken die ook in de DKO haar weerslag hebben gevonden. Na de vaststelling van de tekst van de DKO, die een uitbreiding is van de kerkorde van Den Haag, werd een verzoek aan de overheid gedaan om approbatie en op 3 juni 1619 kregen de staten generaal 40 exemplaren van de DKO aangeboden. De DKO vond echter nauwelijks ingang bij de kerken in de afzonderlijke gewesten. Zij werd alleen aanvaard door Gelderland, Utrecht en Overijssel. Friesland, Groningen en Zeeland hielden zich aan hun eigen kerkorde. Ook Holland wilde de DKO niet aanvaarden. H. Kaajan wijst erop dat doordat de DKO niet algemeen aanvaard werd, de zaak bij de staten generaal in de doofpot werd gestopt. Voetius zou later schrijven dat de artikelen van de DKO waarin aan de overheid concessies werden gedaan niet uitgevoerd moesten worden, omdat de gewenste approbatie van de overheid achterwege bleef.
Zo is de geschiedenis van de DKO een treurige geschiedenis, het doel wat de synode er mee beoogde kon niet gerealiseerd worden: veel bepalingen werden niet nageleefd en een landelijke kerkorde is het nooit geworden. Pas in de negentiende eeuw, rond de afscheiding, grijpen gereformeerden weer terug naar de DKO.
De DKO
De DKO is verdeeld in vijf delen, afgezien van de intro en het slot, namelijk: de ambten (2-28), kerkelijke vergaderingen (29-52), leer en sacramenten (53-63), kerkdiensten (64-70) en kerkelijke tucht (71-81). Wat structuur betreft is de DKO hierin gelijk gebleven aan de kerk-orde van Den Haag (1586). De DKO bevat een aantal elementen die typerend zijn voor het confessionele tijdperk in het algemeen en het gereformeerde protestantisme in het bijzonder. Volgens artikel 84 mag geen kerk, of kerkelijke dienaar over andere kerken of dienaren enige heerschappij voeren. Dit betekent echter niet dat er daarom uit vrees voor hiërarchie geen visitatie gedaan behoort te worden. Elk jaar moeten twee ervaren en geschikte predikanten aan alle gemeenten in de classis een visitatie bezoek afleggen (artikel 44). De gemeenten moeten er voor zorgen dat er theologiestudenten zijn, die uit de publieke goederen onderhouden kunnen worden (artikel 19). Een duidelijke illustratie van zowel de professionalisering van het predikantschap (er is een opleiding nodig) als wel dat de overheid deze professionalisering steunde (studenten moeten uit de publieke fondsen onderhouden worden). Zoals we bij Schilling zagen, een typisch protestants verschijnsel. Ook artikel 8, waar de mogelijkheid ter sprake komt om zonder opleiding predikant te worden, is daar een onderstreping van. Men moet in plaats van een opleiding beschikken over onder meer bijzondere gaven. De bevordering van het christelijke leven rust volgens de DKO bij verschillende personen. De professoren moeten de rechte leer uiteenzetten, de schoolmeesters moeten hun leerlingen uit de catechismus onderwijzen en de predikanten moeten het woord van God verkondigen en de sacramenten bedienen. Daarnaast moeten de predikanten ook elke zondag een stuk van de catechismus verklaren. Andere middelen om een confessioneel correct geloof te bevorderen waren de verplichte ondertekening van de belijdenisgeschriften door predikanten, professoren en schoolmeesters Daarnaast mag ook niemand een boek uitgeven zonder goedkeuring van de kerk. (artikel 53-4 en 68). De gereformeerde visie op het sacrament, als een teken bij het woord, vindt zijn weerslag in de bepaling dat het bedienen van de doop nooit zonder een preek mag gebeuren (artikel 56). Allerlei gebruiken moeten of afgeschaft worden of gestandaardiseerd worden, lijkredes kan men beter afschaffen, het aantal christelijke feestdagen moet geüniformeerd worden, het aantal gezangen dat gezongen behoort te worden moet vastgelegd en de gang van zaken rondom het huwelijk moeten in overleg met de overheid overal hetzelfde worden (artikel 55, 57, 59-60). Aan de christelijke discipline wordt veel aandacht besteed. Afgezien van artikel 28, wordt er in de DKO gezegd dat de magistraten de kerkenraadsvergaderingen bijwonen om aan te horen en mee te beraadslagen (artikel 37).Naast deze globale vergelijking tussen het confessionele tijdperk zoals geschetst door Schilling, wil ik ook nog enkele aspecten noemen over de relatie tussen de DKO en haar historische context. In vergelijking met de kerkorde van Den Haag zijn er een aantal artikelen toegevoegd (8-9, 28, 42, 48-49 en 59) en een aantal artikelen gewijzigd (4-5, 44, 58, 67, 69). Niet allemaal zijn ze relevant, een aantal verandering zal ik bespreken. Het nieuwe artikel 28 spreekt over de verhouding van de kerk tot de overheid. Het artikel vertoont veel verwantschap met de visie van Trigland zoals hierboven uiteengezet. Het is de plicht van de christelijke overheid om de kerk in alle manieren te bevorderen en te helpen. Daartoe moeten de kerkelijke personen hun best doen om de gunst van de overheid tot de kerk te bevorderen. Ook moeten de predikanten met leer en leven het volk opwekken de overheid gehoorzaam te zijn. Kaajan veronderstelt dat dit artikel is toegevoegd om de overheid gunstig te stemmen en tot approbatie te bewegen. Het is de vraag of Kaajans neo-gereformeerde achtergrond in deze beoordeling niet een al te grote rol speelt. In dit artikel wordt namelijk expliciet gesproken over het feit dat elk het zijne moet doen. Dat betekent volgens mij een afwijzen van het erastiaanse kerk-staat-model en in dat geval is hier geen sprake van een concessie aan de overheid, maar van het uitspreken van de contraremonstrantse kerk-staat-visie. Andere artikelen waar dit mogelijk wel het geval is, zijn artikel 4 en 5. Deze artikelen gaan over het bevestigen en beroepen van predikanten. Volgens de DKO moet bij het beroepen en bevestigen van predikanten gecorrespondeerd worden met de overheid en moet zij haar goedkeuring verlenen. In artikel 5 wordt ook beschreven hoe iemand zijn recht van presentatie (of jus patronatus) moet gebruiken. Hij moet erop letten dat het stichtelijk gebruikt wordt, zonder nadeel van de kerk en de kerkorde. De overheid en de synoden moeten hierop toezien.
Slot
In dit essay heb ik geprobeerd de algemene kenmerken van de confessionele periode samen met de bijzondere kenmerken van de Nederlandse situatie te verbinden met de tekst van de DKO om zo zicht te krijgen op de inhoud en werking van deze tekst. De indruk die ik bij het schrijven van dit essay gekregen heb, is enerzijds dat de algemene kenmerken die Schilling van de confessionele periode noemt ook van toepassing zijn op de DKO. Deze kenmerken zijn dat er gestreefd wordt naar standaardisering en confessionalisering van het religieuze leven, het ambt professionaliseert en de overheid een zekere invloed in de kerk uitoefenent. Anderzijds, dat nauwkeurige bestudering van de historische context waarin de DKO ontstaan is, enige nuances daarin aanbrengt. Hierdoor komen bijvoorbeeld de idealen die men binnen de kerk had (denk aan jus patronatus) naar voren, die echter in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar bleken te zijn.© 2008 - 2012 Kevin_dover, gepubliceerd in Religie (Mens en Samenleving) op .
Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Kevin_dover is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…
Stampot doperwtjes met overheerlijke jus Wilt u iets nieuws proberen? Wat dacht u van overheerlijke stampot doperwtjes me…
De Nadere Reformatie Na de Synode van Dordrecht (1618-1619) hadden velen in de kerk het idee dat de reformatie áf was. De…
De Kerkelijke Kaart van Nederland In Nederland struikelt men over de vele verschillende kerkgenootschappen. Gereformeerd,…
Zomerse cocktail: Tequila Sunrise In de zomer kun je wel een lekker drankje gebruiken. Geen wonder dat cocktails zo popul…
Gerelateerde artikelen
Alles over de Tequila Sunrise Hoe maak je een Tequila Sunrise? Welke varianten zijn er? Waar komt de Tequila Sunrise vand…Stampot doperwtjes met overheerlijke jus Wilt u iets nieuws proberen? Wat dacht u van overheerlijke stampot doperwtjes me…
De Nadere Reformatie Na de Synode van Dordrecht (1618-1619) hadden velen in de kerk het idee dat de reformatie áf was. De…
De Kerkelijke Kaart van Nederland In Nederland struikelt men over de vele verschillende kerkgenootschappen. Gereformeerd,…
Zomerse cocktail: Tequila Sunrise In de zomer kun je wel een lekker drankje gebruiken. Geen wonder dat cocktails zo popul…
Reageer op het artikel "Dordtse Kerkorde (1619) in context"
Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Bronnen en referenties
- Bakhuizen, J. N. & Dankbaar W. F. 1967. Handboek der kerkgeschiedenis, Den Haag, derde deel.
- Bouwman, H. 1934. Gereformeerd kerkrecht, Kampen, deel 1.
- Jong, O. J. de. 1972. Nederlandse kerkgeschiedenis, Nijkerk.
- Kaajan, H. 1918a. De groote synode van Dordrecht in 1618-1619, Amsterdam.
- Kaajan, H. 1918b. ‘De Dortsche Synode in haar zorg voor het Kerkelijk leven’ in De Dordtsche Synode van 1618-1619. Ter gedachtenis na driehonderd jaren, pp. 97-132.
- Kersten, G. H. 1961. Kerkelijk Handboekje, Utrecht.
- Nauta, D. 1957a. ‘Erastianisme’ in F. W. Grosheide & G. P. van Itterzon (ed.), Christelij-ke encyclopedie, Kampen, deel 2, p. 618.
- Nauta, D. 1957b. ‘Erastus’ in F. W. Grosheide & G. P. van Itterzon (ed.), Christelijke en-cyclopedie, Kampen deel 2, p. 618.
- Schilling, H. 1995. ‘Confessional Europe’ in Th. A. Brady e.a. (ed.), Handbook of European History 1400-1600, late Middle Ages, Renaissance and Reformation, Leiden, pp. 641-681.
- Trigland, J. 1650. ‘Kerckelycke geschiedenissen’ in Documenta reformatoria, Kampen 1960, deel 1, pp. 375-377.
- Wtenbogaert, J. 1610. ‘Tractaet van ’t ampt ende authoriteyt eener hoogher christelicker overheydt, in kerckelicke saecken’ in Documenta reformatoria, Kampen 1960, deel 1, pp. 372-373.