De investituurstrijd, een beknopt overzicht
De aanvankelijk door de Duitse koning gesteunde hervormingsbeweging in de elfde eeuw leidde tragisch genoeg tijdens het pontificaat van Gregorius VII tot de investituurstrijd. Deze strijd werd pas beslecht in 1122 door het concordaat van Worms. In dit essay geef ik een beknopt overzicht van de oorzaken en het verloop van het conflict.Hervormingsbewegingen in de middeleeuwse kerk
De geschiedenis van de middeleeuwse kerk kenmerkt zich door de cyclus van verval en hervorming. Een belangrijke hervormingsbeweging was die van Cluny, ontstaan in de tiende eeuw. Zij geldt als de wegberijdster van de grote hervormingsbeweging in de elfde eeuw. Paus Gregorius VII was onder andere een oud-kloosterling uit Cluny. De speerpunten van de cluniacenzer hervorming waren exemptie, dat wil zeggen dat de kloosters niet onder het gezag van de plaatselijke bisschop vielen, maar rechtstreeks onder de pauselijke stoel, de herinvoering van de regula Benedicti en bevordering van ascese en vroomheid. Omdat steeds meer kloosters zich bij de cluniacenzer beweging aansloten, kreeg de paus door de exemptie steeds meer directe macht. Naast Cluny waren er ook in Engeland en Duitsland soortgelijke bewegingen die meestal beïnvloed waren door Cluny.De cluniacenzer hervormingsbeweging werd in de elfde eeuw gevolgd door een nieuwe beweging. Het verschil was, dat zij zich niet alleen op de hervorming van de discipline richtte, maar ook de bestrijding van simonie en nicolaïtisme beoogde. Onder simonie verstond men aanvankelijk het verhandelen van priesterlijke wijdingen, genoemd naar Simon Magus (Hand. 8,18-24). In de feodale tijd werd het begrip uitgebreid tot het voor geld of andere giften verwerven van kerkelijke functies. Met nicolaïtisme (Open. 2,6) bedoelde men het openbare huwelijk of het hebben van een concubine door een geestelijke.
Een belangrijke oorzaak van zowel de cluniacenzer hervorming als de elfde eeuwse hervormingsbeweging was de herontdekking van het canonieke recht. Het canonieke recht was een verzameling kerkrechtelijke regels gebaseerd op de Bijbel, apostolische traditie, de patres en de bevindingen van de doctores ecclesiae en bevatte vele decreten van concilies en pauselijke uitspraken. Nadat de bestudering en ontwikkeling van het canonieke recht in de karolingische tijd een hoge vlucht had genomen, raakte het na de instorting van het karolingische rijk in vergetelheid. Toen de vrede in Europa in de tiende eeuw enigszins terug gekeerd was, herontdekten wetenschappers en voornamelijk monniken het canonieke recht weer. Tijdens deze ontdekking merkte men hoe ver de praktijk van hun dagen afstond van het canonieke ideaal. Het canonieke recht ging van het basisprincipe uit dat elke vorm van gezag in de kerk gebonden was aan het canonieke recht. Het beval ook dat bisschoppen en abten verkozen dienden te worden en niet aangesteld door wereldlijke vorsten (investituur), dat het kopen of verkopen van kerkelijke ambten de zonde van simonie was en dat geestelijken die schuldig waren aan seksuele zonden uit hun ambt gezet moesten worden. Onmiskenbaar heeft het canonieke ideaal als een sterke stimulans gewerkt voor hervormingen.
Een andere oorzaak van de telkens terugkerende hervormingsbewegingen was het telkens terug kerende verval. Sinds Pepijn de Korte (714-68) aan de paus, als wederdienst voor zijn steun bij de troonsbestijging, een stuk land geschonken had, oefende de paus ook wereldlijke macht uit. Dit maakte het pausschap voor adellijke families bijzonder aantrekkelijk. Het pausschap in het begin van de elfde eeuw kenmerkte zich door een ordinaire machtstrijd tussen grote adellijke families in Italië en het pontificaat werd bezet door personen die hun geestelijke plichten nauwelijks serieus namen.
Het sacrale koningschap van de Duitse vorsten
In de middeleeuwse christelijke gemeenschap was er geen sprake van een onderscheid tussen kerk en staat in de moderne zin van het woord. Doordat men een theologie van christelijk of sacraal koningschap ontwikkeld had, was het gezag van de koning binnen de kerk door de geestelijke leiders aanvaard. Volgens dit concept waren sinds de dood en opstanding van Christus, Zijn koninklijke en priesterlijke ambt binnen de christelijke gemeenschap gescheiden. De geestelijkheid vertegenwoordigde Zijn priesterlijke ambt en de koning Zijn koninklijk ambt. Dat betekende dat de koning de taak had de kerk te beschermen en uit te breiden.Na de ineenstorting van het Karolingische rijk waren de politieke machten gefragmenteerd en gevallen in handen van meerdere bestuurders. Deze vorsten of koningen hadden over de kerk binnen hun eigen regio een aanzienlijke invloed. Zij benoemden bisschoppen en abten of stuurden ze weg. Tevens kwamen de ambten steeds meer in handen van de leenmannen. Dit bracht voor de leenheer dubbel voordeel, allereerst kon het leenman-zijn niet erfelijk worden vanwege het celibaat van de geestelijkheid en als tweede kon hij rekenen op loyaliteit binnen de kerk. Als iemand tot bisschop verkozen was, moest hij bij de koning komen en hem trouw zweren. Daarna bekleedde (investituur) de koning hem met de symbolen van zijn kerkelijke en wereldlijke waardigheden.
Dit aspect van het sacrale koningschap zou tijdens de investituurstrijd een grote rol gaan spelen. De meest ontwikkelde vorm van het sacrale koningschap was te vinden in Duitsland. Otto I (936-73) gebruikte de hogere ambten in de kerk als een belangrijke steun voor zijn regering. Maar ook nam hij zijn taak als beschermer en promotor van de christelijke gemeenschap serieus. Hij stichtte het aartsbisdom Maagdenburg en stimuleerde missionaire activiteiten in Oost-Europa. In 962 ontving hij in Rome de keizerstitel, tegelijk hervormde hij het pausschap, door middel van een synode van bisschoppen zette hij de toenmalige paus af, en koos een opvolger. Vanaf nu moest elke paus door Otto of zijn opvolgers goedgekeurd worden en de eed van trouw zweren.
Tijdens de regering van koning Hendrik III (1039-56) was er nog weinig veranderd. Hij was evenals Otto I een kenmerkend voorbeeld van christelijk koningschap. Hij was een vroom mens, ijverde voor hervorming binnen de kerk en sloot zich aan bij de hervormingsbeweging uit zijn tijd, maar wilde ondanks dat, vast blijven houden aan het recht om bisschoppen en abten te benoemen.
Conflicten rondom het pausschap
In 1045 ontstond er rondom het pausschap onenigheid. Het conflict draaide voornamelijk om paus Benedictus IX. Hij was een immoreel persoon en tijdens een opstand in Rome in 1044 werd er een tegenpaus, Silvester III, benoemd. Handlangers van Benedictus zetten hem weer af en maakten Benedictus opnieuw paus. Na enige tijd wilde Benedictus liever trouwen en verkocht hij het pausschap aan de hervormingsgezinde Gregorius VI. Hoewel hij simonie pleegde, deed hij dit om de aanstootgevende Benedictus weg te krijgen. Het werd nog gecompliceerder toen Benedictus in 1046 opnieuw paus wilde worden. Zo waren er in 1046 dus drie mensen die aanspraak maakten op de pauselijke stoel.Zijn verre voorganger Otto I volgend, kwam Hendrik III naar Rome en riep een concilie van bisschoppen samen te Sutri. De drie kandidaten werden allemaal afgezet en er werd een hervormingsgezinde paus gekozen. Na de korte regeringstijd van deze paus en zijn opvolger, benoemde Hendrik Leo IX (1048-54) tot paus. De betrekkelijk niet-invloedrijke hervormingsbeweging kon nu via het pausschap haar invloed aanwenden om de hervorming van de kerk te bevorderen.
Leo IX transformeerde tijdens zijn pontificaat het pausschap om tot actieve kracht in kerkelijke zaken. Het kardinaalscollege, dat aanvankelijk alleen uit Italianen bestond, werd door hem geïnternationaliseerd en hij benoemde kardinalen die zijn hervormingsgezinde idealen steunden. Zodoende kwam het pauselijke gezag op plaatsen waar het eerder nooit geweest was. Evenwel stelde hij het christelijke koningschap niet ter discussie. Hij streefde naar morele hervorming van de geestelijkheid en wanneer de koning de juiste personen aanstelde, kon dat de hervorming alleen maar bespoedigen.
Bestrijding van het recht van investituur
De hervormers begonnen met goede moed aan hun hervorming. Al gauw echter liep men tegen de weerbarstige werkelijkheid aan. Veel plaatselijke bestuurders steunden op het geld dat ze via simonie kregen. Andere bestuurders leunden op de steun die ze vanuit de kerk kregen om hun gebied te besturen. Ook de verdere doorvoering van het celibaat verliep niet vlekkeloos. Het was algemeen geaccepteerd dat monniken celibatair leefden, maar dat ook de seculiere geestelijkheid dat behoorde te doen werd door velen niet verdedigd. Juist het uitblijven van succes maakte plaats voor een meer radicale hervormingsbeweging.Kardinaal Humbert van Silva Candida (1010-61) schreef in 1058 een werk getiteld Libri tres adversus simoniacos. In dit boek bestreed Humbert niet alleen de uitwassen van wereldlijke overheersing in de kerk, maar hij verwierp tevens de idee van investituur door de wereldlijke heersers. De term simonie krijgt ook een bredere betekenis. Ook investituur van de geestelijkheid door wereldlijke vorsten viel daar nu onder. Voor Humbert was de koning slechts een leek, daarom miste een ambt, door een leek verleend, elke geldigheid, omdat een leek de heilige Geest niet kon overdragen.
Andere aspecten die bijdroegen aan de groei van de radicale hervormingsbeweging, waren de dood van Hendrik III en paus Leo IX en het steeds belangrijker worden van het canonieke recht. Zowel de koning als de paus waren vertegenwoordigers van een gematigde hervormingsbeweging en de opvolger van Hendrik was slechts zes jaar oud. Het canonieke recht eiste dat de kerk boven de staat stond en dat de geestelijke dingen belangrijker waren dan de wereldlijke.
Het voornaamste doel waar de radicale hervormingsbeweging naar streefde was dat de hoge geestelijkheid volgens het canonieke recht gekozen werd. Paus Nicolaas II (1059-61) gaf daartoe aan het kardinaalscollege de bevoegdheid om een nieuwe paus te kiezen. Omdat Hendrik IV (1056-1106) nog te jong was en zodoende weinig kon uitrichtten, konden er twee nieuwe pausen op deze manier gekozen worden.
De strijd om de macht
In 1071 nam Hendrik IV zelf de regering ter hand. Tijdens zijn minderjarigheid was zijn controle over zijn eigen rijk en over de kerk aanzienlijk afgenomen. Hij zette zich daarom in om die macht, waar hij recht op meende te hebben, terug te krijgen. In 1072 kwam hij lijnrecht tegenover paus Alexander II (1061-73) te staan toen er een nieuwe kandidaat voor de pauselijke stoel gekozen moest worden. Hendrik steunde een meer traditionele kandidaat terwijl Alexander een hervormingsgezinde kandidaat steunde. Beiden beseften het gewicht van dit conflict voor de toekomst en wilden daarom geen van beiden toegeven. De paus excommuniceerde de adviseurs van Hendrik wegens simonie, maar de koning zelf niet omdat hij hoopte dat de koning bij zou draaien. Terwijl het conflict in volle gang was stierf Alexander, tijdens de bijzetting van zijn lichaam werd de hervormingsgezinde Gregorius VII (1073-85) op aandrang van de clerus en het volk van Rome door de kardinalen tot paus benoemd. Deze verkiezing was niet volgens het pauselijke decreet van Nicolaas II. De acclamatie was namelijk aan de verkiezing voorafgegaan. Met het aantreden van Gregorius VII begint eigenlijk de investituurstrijd.In overeenstemming met het canonieke recht beweerde Gregorius dat in de juiste orde van dingen de geestelijke voor het materiële behoorde te staan. Daarnaast claimde hij dat aan de kerk van Rome het leiderschap over de andere kerken toekwam en dat de paus de opvolger van Petrus was. Voor Gregorius was er tegen het besluit van Rome dan ook geen appèl mogelijk. Een voorbeeld daarvan is het volgende. Er was een dispuut ontstaan tussen twee bisschoppen en volgens de normale regels behoorde dit dispuut te vallen onder het aartsbisdom Mainz. Maar door interventie van paus Alexander was het onder het gezag van de pauselijke stoel geplaatst. Toen de aartsbisschop van Mainz aan Gregorius hierover een brief schreef en vroeg of de oorspronkelijke situatie hersteld kon worden, kreeg hij ten antwoord dat noch hij noch enig andere patriarch zich de vrijheid kon veroorloven om het apostolische oordeel ongedaan te maken. Met Gods hulp en het gezag van Petrus zou Gregorius het dispuut voortzetten. Gregorius voelde zich daarom ook geen nieuwlichter, maar meende de lijn van de traditie weer opnieuw te continueren. Nieuw was dat Gregorius het christelijke koningschap bestreed en de investituur van de geestelijkheid door de wereldlijke vorsten verbood.
Niet alleen woorden, ook militaire macht was belangrijk. Militair gezien stond Hendrik er slechter voor dan zijn tegenstander Gregorius. Hij had nog steeds te kampen met interne verdeeldheid in zijn rijk en de paus had machtige vrienden.
In 1075 formuleerde Gregorius zijn beginselen van de kerkpolitiek in 27 stellingen, Dicatatus papae genoemd. De uitspraken die hij daarin deed waren allerminst nieuw. Ze waren gebaseerd op het oude canonieke recht. Op Hendrik IV kwam het echter over als een regelrechte uitdaging. Als antwoord hierop liet hij in 1076 op een synode van bisschoppen te Worms de paus afzetten. Zijn verkiezing was protocollair onjuist en daarom ongeldig, was de argumentatie. Als antwoord hierop, deed de paus de koning in de ban, schorste hem uit zijn koninklijke waardigheid en ontsloeg zijn onderdanen van de eed van trouw. De gevolgen waren niet gering. In een christelijke gemeenschap verliest een geëxcommuniceerde koning elke vorm van gezag. In zijn rijk brak opstand uit en door de nood gedreven maakte Hendrik in 1077 een reis naar de paus en vernederde zich, waarop de ban werd opgeheven. Het gevolg was dat de opstand tegen Hendrik instortte.
In 1080 laaide het conflict opnieuw op, maar dit keer had de excommunicatie niet hetzelfde effect als de vorige keer. Hendrik trok met een leger Italië binnen, veroverde Rome en benoemde een nieuwe paus. De kerk koos evenwel een eigen paus die in de gehele kerk aanvaard werden. Tot aan zijn dood in 1106 bleef Hendrik strijden om zijn religieuze en wereldlijke macht terug te krijgen, maar zonder succes.
Concordaat van Worms
Tijdens de regering van Hendrik V (1106-25) kwamen paus en koning na veel strubbelingen tot het zogenaamde concordaat van Worms. Daarin deed de koning afstand van zijn recht om personen met een geestelijk ambt te bekleden. Dit was nu een zaak van de kerk. De koning mocht wel bij de benoeming aanwezig zijn en zodoende invloed uitoefenen, maar de verkiezing bleef vrij. De koning behield wel het recht om mensen met wereldlijke waardigheid te bekleden. Dit concordaat betekende tevens het einde van de investituurstrijd.© 2008 - 2012 Kevin_dover, gepubliceerd in Religie (Mens en Samenleving) op .
Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Kevin_dover is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…
De late Middeleeuwen: Strijd tussen Kerk en Staat In het Europa van de Middeleeuwen kwamen de kerkelijke en wereldlijke m…
Kerkgeschiedenis; theologische woordenlijst Bij het lezen van theologisch getinte artikelen komt men vaak woorden tegen w…
Omzet, afzet & winst berekenen Dit artikel geeft de formules weer voor het berekenen van omzet, afzet en winst. De omzet…
Samsung Galaxy Tab - 7 inch tablet De Galaxy Tab van Samsung is een van de concurrenten van de iPad van Apple. De Galaxy…
Gerelateerde artikelen
Gebeurtenissen en begrippen uit de late Middeleeuwen De meest belangrijke begrippen die hier uitgelegd worden zijn de Inv…De late Middeleeuwen: Strijd tussen Kerk en Staat In het Europa van de Middeleeuwen kwamen de kerkelijke en wereldlijke m…
Kerkgeschiedenis; theologische woordenlijst Bij het lezen van theologisch getinte artikelen komt men vaak woorden tegen w…
Omzet, afzet & winst berekenen Dit artikel geeft de formules weer voor het berekenen van omzet, afzet en winst. De omzet…
Samsung Galaxy Tab - 7 inch tablet De Galaxy Tab van Samsung is een van de concurrenten van de iPad van Apple. De Galaxy…
Reageer op het artikel "De investituurstrijd, een beknopt overzicht"
Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Bronnen en referenties
- I. S. Robinson, Authority and Resistance in the Investiture Context. The Polemical Literature of the Late Eleventh Century, New York 1978.
- J. H. Lynch, The Medieval Church. A brief history, London 1992.
- C. C. de Bruin, Handboek der kerkgeschiedenis, Den Haag 1965.