Religie en Jakob

Torastudie 55: Jakob trekt naar Egypte -Genesis (46:1-29)

Torastudie 55: Jakob trekt naar Egypte  -Genesis (46:1-29)

In Genesis 46:1-29 trekt Jakob naar Egypte samen met zijn hele familie. Hij zendt Juda vooruit om Jozef te ontmoeten. Wanneer Jozef zijn vader Israël tegemoet treedt weende hij geruime tijd aan zijn hals. Maar Jakob weende niet en sprak het Sjema uit.


Genesis 46:1-29

En Israël brak op met alles wat hij had en kwam te Beer Sheva en bracht de God van zijn vader Izaäk slachtoffers. En God sprak tot Israël in nachtzichten, en Hij zei: Jakob, Jakob. En hij zei: Hier ben ik. Toen zei Hij: Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken...Alle personen die met Jakob naar Egypte kwamen, zijn afstammelingen, behalve de vrouwen van de zonen van Jakob, het gehele zielental van zesenzestig. En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren waren, waren twee in getal. Het gehele getal der zielen van het huis van Jakob, die naar Egypte kwamen, was zeventig. Hij dan zond hij Juda voor zich uit naar Jozef, opdat deze hem in Gosen zou ontmoeten. En zij kwamen in het land Gosen aan. En Jozef spande zijn wagen aan en trok naar Gosen, zijn vader Israël tegemoet. Toen hij hem ontmoette, viel hij hem om de hals en weende geruime tijd aan zijn hals.

De volledige tekst in het Hebreeuws luidt:
א וַיִּסַּע יִשְׂרָאֵל וְכָל-אֲשֶׁר-לוֹ וַיָּבֹא בְּאֵרָה שָּׁבַע וַיִּזְבַּח זְבָחִים לֵאלֹהֵי אָבִיו יִצְחָק. ב וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים לְיִשְׂרָאֵל בְּמַרְאֹת הַלַּיְלָה וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב יַעֲקֹב וַיֹּאמֶר הִנֵּנִי. ג וַיֹּאמֶר אָנֹכִי הָאֵל אֱלֹהֵי אָבִיךָ אַל-תִּירָא מֵרְדָה מִצְרַיְמָה כִּי-לְגוֹי גָּדוֹל אֲשִׂימְךָ שָׁם. ד אָנֹכִי אֵרֵד עִמְּךָ מִצְרַיְמָה וְאָנֹכִי אַעַלְךָ גַם-עָלֹה וְיוֹסֵף יָשִׁית יָדוֹ עַל-עֵינֶיךָ. ה וַיָּקָם יַעֲקֹב מִבְּאֵר שָׁבַע וַיִּשְׂאוּ בְנֵי-יִשְׂרָאֵל אֶת-יַעֲקֹב אֲבִיהֶם וְאֶת-טַפָּם וְאֶת-נְשֵׁיהֶם בָּעֲגָלוֹת אֲשֶׁר-שָׁלַח פַּרְעֹה לָשֵׂאת אֹתוֹ. ו וַיִּקְחוּ אֶת-מִקְנֵיהֶם וְאֶת-רְכוּשָׁם אֲשֶׁר רָכְשׁוּ בְּאֶרֶץ כְּנַעַן וַיָּבֹאוּ מִצְרָיְמָה יַעֲקֹב וְכָל-זַרְעוֹ אִתּוֹ. ז בָּנָיו וּבְנֵי בָנָיו אִתּוֹ בְּנֹתָיו וּבְנוֹת בָּנָיו וְכָל-זַרְעוֹ הֵבִיא אִתּוֹ מִצְרָיְמָה. {ס} ח וְאֵלֶּה שְׁמוֹת בְּנֵי-יִשְׂרָאֵל הַבָּאִים מִצְרַיְמָה יַעֲקֹב וּבָנָיו בְּכֹר יַעֲקֹב רְאוּבֵן. ט וּבְנֵי רְאוּבֵן חֲנוֹךְ וּפַלּוּא וְחֶצְרֹן וְכַרְמִי. י וּבְנֵי שִׁמְעוֹן יְמוּאֵל וְיָמִין וְאֹהַד וְיָכִין וְצֹחַר וְשָׁאוּל בֶּן-הַכְּנַעֲנִית. יא וּבְנֵי לֵוִי גֵּרְשׁוֹן קְהָת וּמְרָרִי. יב וּבְנֵי יְהוּדָה עֵר וְאוֹנָן וְשֵׁלָה וָפֶרֶץ וָזָרַח וַיָּמָת עֵר וְאוֹנָן בְּאֶרֶץ כְּנַעַן וַיִּהְיוּ בְנֵי-פֶרֶץ חֶצְרֹן וְחָמוּל. יג וּבְנֵי יִשָּׂשכָר תּוֹלָע וּפֻוָה וְיוֹב וְשִׁמְרֹן. יד וּבְנֵי זְבֻלוּן סֶרֶד וְאֵלוֹן וְיַחְלְאֵל. טו אֵלֶּה בְּנֵי לֵאָה אֲשֶׁר יָלְדָה לְיַעֲקֹב בְּפַדַּן אֲרָם וְאֵת דִּינָה בִתּוֹ כָּל-נֶפֶשׁ בָּנָיו וּבְנוֹתָיו שְׁלֹשִׁים וְשָׁלֹשׁ. טז וּבְנֵי גָד צִפְיוֹן וְחַגִּי שׁוּנִי וְאֶצְבֹּן עֵרִי וַאֲרוֹדִי וְאַרְאֵלִי. יז וּבְנֵי אָשֵׁר יִמְנָה וְיִשְׁוָה וְיִשְׁוִי וּבְרִיעָה וְשֶׂרַח אֲחֹתָם וּבְנֵי בְרִיעָה חֶבֶר וּמַלְכִּיאֵל. יח אֵלֶּה בְּנֵי זִלְפָּה אֲשֶׁר-נָתַן לָבָן לְלֵאָה בִתּוֹ וַתֵּלֶד אֶת-אֵלֶּה לְיַעֲקֹב שֵׁשׁ עֶשְׂרֵה נָפֶשׁ. יט בְּנֵי רָחֵל אֵשֶׁת יַעֲקֹב יוֹסֵף וּבִנְיָמִן. כ וַיִּוָּלֵד לְיוֹסֵף בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם אֲשֶׁר יָלְדָה-לּוֹ אָסְנַת בַּת-פּוֹטִי פֶרַע כֹּהֵן אֹן אֶת-מְנַשֶּׁה וְאֶת-אֶפְרָיִם. כא וּבְנֵי בִנְיָמִן בֶּלַע וָבֶכֶר וְאַשְׁבֵּל גֵּרָא וְנַעֲמָן אֵחִי וָרֹאשׁ מֻפִּים וְחֻפִּים וָאָרְדְּ. כב אֵלֶּה בְּנֵי רָחֵל אֲשֶׁר יֻלַּד לְיַעֲקֹב כָּל-נֶפֶשׁ אַרְבָּעָה עָשָׂר. כג וּבְנֵי-דָן חֻשִׁים. כד וּבְנֵי נַפְתָּלִי יַחְצְאֵל וְגוּנִי וְיֵצֶר וְשִׁלֵּם. כה אֵלֶּה בְּנֵי בִלְהָה אֲשֶׁר-נָתַן לָבָן לְרָחֵל בִּתּוֹ וַתֵּלֶד אֶת-אֵלֶּה לְיַעֲקֹב כָּל-נֶפֶשׁ שִׁבְעָה. כו כָּל-הַנֶּפֶשׁ הַבָּאָה לְיַעֲקֹב מִצְרַיְמָה יֹצְאֵי יְרֵכוֹ מִלְּבַד נְשֵׁי בְנֵי-יַעֲקֹב כָּל-נֶפֶשׁ שִׁשִּׁים וָשֵׁשׁ. כז וּבְנֵי יוֹסֵף אֲשֶׁר-יֻלַּד-לוֹ בְמִצְרַיִם נֶפֶשׁ שְׁנָיִם כָּל-הַנֶּפֶשׁ לְבֵית-יַעֲקֹב הַבָּאָה מִצְרַיְמָה שִׁבְעִים. {ס} כח וְאֶת-יְהוּדָה שָׁלַח לְפָנָיו אֶל-יוֹסֵף לְהוֹרֹת לְפָנָיו גֹּשְׁנָה וַיָּבֹאוּ אַרְצָה גֹּשֶׁן. כט וַיֶּאְסֹר יוֹסֵף מֶרְכַּבְתּוֹ וַיַּעַל לִקְרַאת-יִשְׂרָאֵל אָבִיו גֹּשְׁנָה וַיֵּרָא אֵלָיו וַיִּפֹּל עַל-צַוָּארָיו וַיֵּבְךְּ עַל-צַוָּארָיו עוֹד.

Genesis 46:1

Nu trok Israël op met al het zijne en kwam te Beer Sheva.

Midrash Rabbah:
Waarom ging hij daar naar toe? Rabbi Nachman zei: Hij ging er naar toe om de cederbomen te kappen die zijn grootvader Abraham in Beer Sheva had geplant. Deze cederbomen werden meegenomen toen de kinderen van Israël Egypte verlieten, en werden gebruikt voor de constructie van het heiligdom in de woestijn.

Lubavitcher Rebbe:
Voor al de jaren dat de Kinderen van Israël in Egypte waren, dienden de cederbomen van Jakob als een link naar hun verleden en een belofte van hun toekomst. "Dit is niet jouw huis," zeiden de groeiende bomen. "Jullie, zoals wij, komen van een heiligere plaats. En spoedig zullen jullie dit land verlaten, om te worden geroepen door God als Zijn volk. Jullie zullen ons dan ontwortelen van dit vreemde land en ons triomfantelijk dragen naar de Sinaï, waar jullie ons zullen gebruiken voor een woning voor de Goddelijke aanwezigheid in jullie midden."

Genesis 46:4

Ik daal met u af naar Egypte en Ik zal u ook doen optrekken.

Talmoed, Megillah 29a:
Kom en kijk hoe geliefd Israël is in het aangezicht van God! Naar elke plaats waar zij werden verbannen, ging de Goddelijke Aanwezigheid met hen. Zij werden verbannen naar Egypte en de Goddelijke Aanwezigheid was met hen; zij werden verbannen naar Babylonië, en de Goddelijke Aanwezigheid was met hen; en zij zullen verlost worden in de toekomst, de Goddelijke Aanwezigheid zal met hen zijn.

Genesis 46:17

En Sérach, hun zuster.

Sefer HaYashar; Tzror HaMor:
Toen Jakobs zonen terugkeerden uit Egypte met het nieuws dat Jozef leeft, zeiden zij: Als wij het hem rechtstreeks vertellen, zal zijn ziel zijn lichaam verlaten. Dus vertelden zij Serach op de harp te spelen en te zingen: "Jozef leeft, Jozef leeft, en hij is de bestuurder van Egypte," zodat hij de boodschap langzaam tot zich zou nemen.

Jakob zei tegen haar: "De mond die me informeerde dat Jozef leeft zal niet dood smaken." Serach was onder degenen die uit Egypte kwam en onder degenen die het Land binnengingen; Zij was de 'verstandige vrouw' die Sheva ben Bichri aan Joab overhandigde (2 Samuël 20); op het eind ging zij levend het paradijs binnen.

Genesis 46:21

En de zonen van Benjamin: Béla en Bécher en Ashbel, Géra en Na'aman, Echie en Rosh, Muppiem en Chuppiem en Ard.

Midrash Rabbah:
Toen Benjamin voor Jozef werd gebracht, vroeg Jozef hem: "Heb je een broer?"
"Ik had een broer, maar ik weet niet waar hij naartoe is."
"Heb je een vrouw?"
"Ik heb een vrouw en tien zonen."
"Hoe heten ze?"
"Ik heb ze naar mijn broeder genoemd," zei Benjamin.
  • "Bela -hij werd van me verzwolgen
  • Becher -hij was zijn moeders eerstgeborene
  • Ashbel -hij werd in gevangenschap genomen
  • Gera -hij werd een vreemde in een vreemd land
  • Naaman -zijn daden waren bevallig en plezierig
  • Achi -hij was mijn broer
  • Rosh -hij was mijn superieur
  • Muppiem -hij was extreem knap
  • Choeppiem -Ik zag zijn choepa niet en hij de mijne niet
  • Ard -hij was als een roos bloem"

Genesis 46:27

Alle personen van het huis Jakobs, die naar Egypte kwamen, waren zeventig.

Talmoed, Bava Batra 123a:
Maar als je ze telt, vind je alleen negenenzestig; de zeventigste is de dochter van Levi, die geboren was tussen de grens muren toen zij Egypte binnengingen.

Pirkei d'Rabbi Eliezer, hoofdstuk 39
Toen zij de grens van Egypte bereikten, waren zij met zesenzestig; samen met Jozef en zijn twee zonen, waren zij één minder dan zeventig. Wat deed God? Hij deed mee met de telling, in vervulling van wat staat geschreven "Ik zal met je gaan naar Egypte."

Genesis 46:28

En Juda zond hij vóór zich uit naar Jozef om hem de weg te wijzen naar Goshen.

Midrash Rabbah; Rashi
Het woord 'lehorot' (de weg tonen) betekent ook 'leren'; Jakob zond Juda om een studiehuis (Beit midrasj) voor hem voor te bereiden waar hij de Tora kon leren en waar de zonen van Jakob de Tora zouden lezen.

Genesis 46:29

Nu spande Jozef zijn wagen in en trok op, Israël, zijn vader, tegemoet naar Goshen; en toen bij hem verschenen was, viel hij hem om de hals en weende an zijn hals lange tijd.

Rashi
Maar Jakob viel niet om de hals van Jozef en kuste hem niet; onze geleerden nu zeggen dat hij het Sjema uitsprak.

de Chassidische meesters
Waarom koos Jakob dit bijzondere moment om het Sjema uit te spreken? Omdat Jakob wist dat zijn liefde in zijn leven nooit zo zou toenemen als op dit moment, het moment van reünie met zijn meest geliefde zoon na 22 jaar van angst en verdriet. Dus hij gebruikte dit emotionele moment om Zijn Schepper te dienen, om zijn liefde voor God te kanaliseren.

Meer over de Tora is te lezen in mijn special Tora-exegese (deel IV).
© 2008 - 2010 Etsel, gepubliceerd in Religie (Mens en Samenleving) op 08-06-2008, laatst gewijzigd op 31-10-2009. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Etsel is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • Midrash Rabbah
  • Lubavitcher Rebbe
  • Talmoed, Megillah 29a
  • Sefer HaYashar; Tzror HaMor
  • Talmoed, Bava Batra 123a
  • Pirkei d'Rabbi Eliezer, hoofdstuk 39
  • Rashi
  • De Chassidische meesters

Reageer op het artikel "Torastudie 55: Jakob trekt naar Egypte -Genesis (46:1-29)"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.