Religie en Jozef

Tora-exegese 53: Jozef bekent broers - Genesis (45:1-27)

Tora-exegese 53: Jozef bekent broers - Genesis (45:1-27)

In Genesis 45:1-27 wordt verteld dat Jozef zich aan zijn broers bekend maakt. Zijn broers waren ontzet. Toen zij het verhaal aan hun vader Jakob vertelden geloofde hij hen aanvankelijk niet. Ze hadden namelijk eerder tegen hem gelogen over de dood van Jozef. Maar Jozef was zo slim geweest om de broers een teken mee te geven, namelijk de wetten van Egla Aroefa die Jozef samen met Jakob bestudeerde voor hij op zoek ging naar zijn broers in het veld.


Genesis 45:1-27

Toen kon Jozef zich niet langer bedwingen voor allen die bij hem stonden, en hij riep: Laat allen van mij weggaan. En daar stond niemand bij hem, toen Jozef zich aan zijn broeders bekend maakte. Daarop brak hij uit in luid geween, zodat de Egyptenaren en Farao's huis het hoorden. En Jozef zei tot zijn broeders: Ik ben Jozef; leeft mijn vader nog? Doch zijn broeders konden hem niet antwoorden, want zij deinsden van schrik voor hem terug...Zij dan trokken weg uit Egypte en kwamen in het land Kanaän bij hun vader Jakob. Toen zij hem vertelden: Jozef leeft nog en hij is zelfs heerser over het gehele land Egypte, bleef zijn hart er koud onder, want hij kon hen niet geloven. Maar toen zij hem al de woorden overbrachten, die Jozef tot hen gesproken had, en toen hij de wagens zag, die Jozef gezonden had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob op.

De volledige tekst in het Hebreeuws luidt:
א וְלֹא-יָכֹל יוֹסֵף לְהִתְאַפֵּק לְכֹל הַנִּצָּבִים עָלָיו וַיִּקְרָא הוֹצִיאוּ כָל-אִישׁ מֵעָלָי וְלֹא-עָמַד אִישׁ אִתּוֹ בְּהִתְוַדַּע יוֹסֵף אֶל-אֶחָיו. ב וַיִּתֵּן אֶת-קֹלוֹ בִּבְכִי וַיִּשְׁמְעוּ מִצְרַיִם וַיִּשְׁמַע בֵּית פַּרְעֹה. ג וַיֹּאמֶר יוֹסֵף אֶל-אֶחָיו אֲנִי יוֹסֵף הַעוֹד אָבִי חָי וְלֹא-יָכְלוּ אֶחָיו לַעֲנוֹת אֹתוֹ כִּי נִבְהֲלוּ מִפָּנָיו. ד וַיֹּאמֶר יוֹסֵף אֶל-אֶחָיו גְּשׁוּ-נָא אֵלַי וַיִּגָּשׁוּ וַיֹּאמֶר אֲנִי יוֹסֵף אֲחִיכֶם אֲשֶׁר-מְכַרְתֶּם אֹתִי מִצְרָיְמָה. ה וְעַתָּה אַל-תֵּעָצְבוּ וְאַל-יִחַר בְּעֵינֵיכֶם כִּי-מְכַרְתֶּם אֹתִי הֵנָּה כִּי לְמִחְיָה שְׁלָחַנִי אֱלֹהִים לִפְנֵיכֶם. ו כִּי-זֶה שְׁנָתַיִם הָרָעָב בְּקֶרֶב הָאָרֶץ וְעוֹד חָמֵשׁ שָׁנִים אֲשֶׁר אֵין-חָרִישׁ וְקָצִיר. ז וַיִּשְׁלָחֵנִי אֱלֹהִים לִפְנֵיכֶם לָשׂוּם לָכֶם שְׁאֵרִית בָּאָרֶץ וּלְהַחֲיוֹת לָכֶם לִפְלֵיטָה גְּדֹלָה. ח וְעַתָּה לֹא-אַתֶּם שְׁלַחְתֶּם אֹתִי הֵנָּה כִּי הָאֱלֹהִים וַיְשִׂימֵנִי לְאָב לְפַרְעֹה וּלְאָדוֹן לְכָל-בֵּיתוֹ וּמֹשֵׁל בְּכָל-אֶרֶץ מִצְרָיִם. ט מַהֲרוּ וַעֲלוּ אֶל-אָבִי וַאֲמַרְתֶּם אֵלָיו כֹּה אָמַר בִּנְךָ יוֹסֵף שָׂמַנִי אֱלֹהִים לְאָדוֹן לְכָל-מִצְרָיִם רְדָה אֵלַי אַל-תַּעֲמֹד. י וְיָשַׁבְתָּ בְאֶרֶץ-גֹּשֶׁן וְהָיִיתָ קָרוֹב אֵלַי אַתָּה וּבָנֶיךָ וּבְנֵי בָנֶיךָ וְצֹאנְךָ וּבְקָרְךָ וְכָל-אֲשֶׁר-לָךְ. יא וְכִלְכַּלְתִּי אֹתְךָ שָׁם כִּי-עוֹד חָמֵשׁ שָׁנִים רָעָב פֶּן-תִּוָּרֵשׁ אַתָּה וּבֵיתְךָ וְכָל-אֲשֶׁר-לָךְ. יב וְהִנֵּה עֵינֵיכֶם רֹאוֹת וְעֵינֵי אָחִי בִנְיָמִין כִּי-פִי הַמְדַבֵּר אֲלֵיכֶם. יג וְהִגַּדְתֶּם לְאָבִי אֶת-כָּל-כְּבוֹדִי בְּמִצְרַיִם וְאֵת כָּל-אֲשֶׁר רְאִיתֶם וּמִהַרְתֶּם וְהוֹרַדְתֶּם אֶת-אָבִי הֵנָּה. יד וַיִּפֹּל עַל-צַוְּארֵי בִנְיָמִן-אָחִיו וַיֵּבְךְּ וּבִנְיָמִן בָּכָה עַל-צַוָּארָיו. טו וַיְנַשֵּׁק לְכָל-אֶחָיו וַיֵּבְךְּ עֲלֵהֶם וְאַחֲרֵי כֵן דִּבְּרוּ אֶחָיו אִתּוֹ. טז וְהַקֹּל נִשְׁמַע בֵּית פַּרְעֹה לֵאמֹר בָּאוּ אֲחֵי יוֹסֵף וַיִּיטַב בְּעֵינֵי פַרְעֹה וּבְעֵינֵי עֲבָדָיו. יז וַיֹּאמֶר פַּרְעֹה אֶל-יוֹסֵף אֱמֹר אֶל-אַחֶיךָ זֹאת עֲשׂוּ טַעֲנוּ אֶת-בְּעִירְכֶם וּלְכוּ-בֹאוּ אַרְצָה כְּנָעַן. יח וּקְחוּ אֶת-אֲבִיכֶם וְאֶת-בָּתֵּיכֶם וּבֹאוּ אֵלָי וְאֶתְּנָה לָכֶם אֶת-טוּב אֶרֶץ מִצְרַיִם וְאִכְלוּ אֶת-חֵלֶב הָאָרֶץ. יט וְאַתָּה צֻוֵּיתָה זֹאת עֲשׂוּ קְחוּ-לָכֶם מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם עֲגָלוֹת לְטַפְּכֶם וְלִנְשֵׁיכֶם וּנְשָׂאתֶם אֶת-אֲבִיכֶם וּבָאתֶם. כ וְעֵינְכֶם אַל-תָּחֹס עַל-כְּלֵיכֶם כִּי-טוּב כָּל-אֶרֶץ מִצְרַיִם לָכֶם הוּא. כא וַיַּעֲשׂוּ-כֵן בְּנֵי יִשְׂרָאֵל וַיִּתֵּן לָהֶם יוֹסֵף עֲגָלוֹת עַל-פִּי פַרְעֹה וַיִּתֵּן לָהֶם צֵדָה לַדָּרֶךְ. כב לְכֻלָּם נָתַן לָאִישׁ חֲלִפוֹת שְׂמָלֹת וּלְבִנְיָמִן נָתַן שְׁלֹשׁ מֵאוֹת כֶּסֶף וְחָמֵשׁ חֲלִפֹת שְׂמָלֹת. כג וּלְאָבִיו שָׁלַח כְּזֹאת עֲשָׂרָה חֲמֹרִים נֹשְׂאִים מִטּוּב מִצְרָיִם וְעֶשֶׂר אֲתֹנֹת נֹשְׂאֹת בָּר וָלֶחֶם וּמָזוֹן לְאָבִיו לַדָּרֶךְ. כד וַיְשַׁלַּח אֶת-אֶחָיו וַיֵּלֵכוּ וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם אַל-תִּרְגְּזוּ בַּדָּרֶךְ. כה וַיַּעֲלוּ מִמִּצְרָיִם וַיָּבֹאוּ אֶרֶץ כְּנַעַן אֶל-יַעֲקֹב אֲבִיהֶם. כו וַיַּגִּדוּ לוֹ לֵאמֹר עוֹד יוֹסֵף חַי וְכִי-הוּא מֹשֵׁל בְּכָל-אֶרֶץ מִצְרָיִם וַיָּפָג לִבּוֹ כִּי לֹא-הֶאֱמִין לָהֶם. כז וַיְדַבְּרוּ אֵלָיו אֵת כָּל-דִּבְרֵי יוֹסֵף אֲשֶׁר דִּבֶּר אֲלֵהֶם וַיַּרְא אֶת-הָעֲגָלוֹת אֲשֶׁר-שָׁלַח יוֹסֵף לָשֵׂאת אֹתוֹ וַתְּחִי רוּחַ יַעֲקֹב אֲבִיהֶם.

Genesis 45:1

Toen kon Jozef zich niet bedwingen.

Midrash Tanchuma:
Met waarmee was de confrontatie tussen Jozef en Juda vergelijkbaar? Met een os die rond rende en alle dieren wegvluchtten, totdat de leeuw verscheen en de os zich terugtrok. (In Genesis 49 wordt Jozef met een os vergeleken en Juda met een leeuw.).

Midrash Rabba:
Met betrekking tussen de ontmoeting van Juda en Jozef wordt gezegd (Spreuken 20:5): "De plannen in het hart van de mens zijn diepe wateren, maar een man van verstand weet ze op te diepen." Dit kan vergeleken worden met een diepe bron vol koud en helder water, maar niemand kan ervan drinken. Dan komt er iemand met een lang koord en een emmer en takelt het water op en dronk het, waarop allen water naar boven haalden en dronken. Op dezelfde manier stopte Juda niet met het beantwoorden van Jozef tot hij in zijn hart had gepenetreerd.

Genesis 45:1

En hij riep: "verwijdert iedereen van mij; zo stond er niemand bij hem, toen Jozef zich bekend maakte aan zijn broers."

Midrash Rabba:
Rabbi Chama zei: Jozef handelde niet voorzichtig, want als iemand hem trapte, zou hij op de plek sterven.
Rabbi Samuël zei: Hij handelde juist en voorzichtig. Hij kende de rechtvaardigheid van zijn broers en redeneerde: Mijn broers worden niet verdacht van bloedvergieten.

Genesis 45:3

Maar zijn broers konden hem niet antwoorden, want zij waren ontzet, wegens hem.

Talmoed, Chaggigah 4b:
Rabbi Eleazar huilde: "Nu als de berisping van vlees en bloed zo is, hoeveel meer zal de berisping van de Heilige, gezegend is Hij!"

Genesis 45:12

En ziet, uw ogen zien...dat mijn mond het is, die tot u spreekt.

Rashi:
Hij toonde hen dat hij was besneden en dat hij de Heilige Taal spreekt.

Genesis 45:26

En zijn (Jakobs) hart bleef koel, want hij geloofde hun niet.

Avot d'Rabbi Nathan, hoofdstuk 30:
Dit is het noodlot van de leugenaar: zelfs wanneer hij de waarheid spreekt wordt hij niet geloofd. In eerste instantie logen de zonen van Jakob tegen hun vader toen zij Jozefs mantel besmeurden met bloed van de geit; maar dan wanneer zij hem de waarheid vertelden, geloofden zij hem niet.

Genesis 45:27

Toen zij echter tot hem spraken al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en hij de wagens zag, die Jozef gezonden had, om hem op te nemen, toen herleefde de geest van Jakob, hun vader.

Rashi:
Jozef gaf een teken aan zijn broers die zij aan hun vader over konden brengen: op het moment dat Jozef Jakob had verlaten hadden zij de wetten van Egla Aroefa (Deuteronomium 21) bestudeerd. Dus, hoewel het Farao was die de wagens had gezonden, zegt het vers "En toen hij de wagens zag die Jozef had gezonden", want de 'wagens' (agalot) waarover het vers spreekt is een referentie naar de Egla Aroefa.

Jeruzalemse Talmoed:
Toen Jakob Jozef naar zijn broers zond vergezelde hij hem op zijn weg. Jozef zei: "Vader, keer terug, zodat je niet gestraft zal worden voor je zorgen." Jakob zei tegen hem: "Mijn zoon, in deze zaak zullen mij nakomelingen falen, wanneer zij geen juiste begeleiding organiseren voor een reiziger en hij gedood wordt, en zij zullen een Egla Aroefa brengen en uitroepen: "Onze handen veroorzaakten dit bloed niet."

Lubavitcher Rebbe
Het principe van de wet van Egla Aroefa is dat een persoon ook verantwoordelijk is voor wat buiten zijn domein gebeurt (buiten de gebieden waar hij volledige controle heeft). Wanneer een vermoorde reiziger wordt gevonden 'in het veld', moeten de oudsten van de dichtstbijzijnde stad er naar toegaan en de Egla Aroefa brengen om te boeten voor de misdaad, hoewel het buiten hun jurisdictie plaatsvindt; want het was desalniettemin hun verantwoordelijkheid de reiziger weg te zenden met voldoende provisie en bescherming.

Dit is de diepere betekenis van het bericht dat Jozef naar Jakob zond. Jozef was de wet van Egla Aroefa niet vergeten. Jozef is weggestuurd van de heilige omgeving van zijn huis, maar hij stond zijn ziel niet toe te reizen naar het spirituele niemands land van Egypte zonder provisie; hij heeft het niet verlaten voor een spirituele dood met de rechtvaardiging dat "Dit is buiten mijn domein, ik hoef er niet mee om te gaan." Na 22 jaar is Jozef nog steeds dezelfde Jozef die de wetten van Egla Aroefa bestudeerde.

Deze boodschap deed zijn vader herleven.

Meer over de Tora is te lezen in mijn special Tora-exegese (deel IV).
© 2008 - 2009 Etsel, gepubliceerd in Religie (Mens en Samenleving) op 02-06-2008, laatst gewijzigd op 28-10-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Etsel is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen

Bronnen en/of referenties

  • Midrash Tanchuma
  • Midrash Rabba
  • Talmoed, Chaggigah 4b
  • Rashi
  • Avot d'Rabbi Nathan, hoofdstuk 30
  • Jeruzalemse Talmoed
  • Lubavitcher Rebbe

Reageer op het artikel "Tora-exegese 53: Jozef bekent broers - Genesis (45:1-27)"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.