De Nederlandse politiek van Kok tot Rutte

De Nederlandse politiek van Kok tot Rutte

Weten we het nog, hoe overzichtelijk de Nederlandse politiek ooit was? Met haar driestromenland en haar trouwe electoraat? Je zou het bijna vergeten, nu kiezers van het ene naar het andere einde van het politieke spectrum overspringen en onmogelijke coalities mogelijk blijken. Na het einde van ‘paars’ brak Pim Fortuijn door en er kwamen vier rumoerige kabinetten van Jan Peter Balkenende. Daarna bracht de omstreden partij van Geert Wilders het tot gedoogpartner van een rechts minderheidskabinet.

De neergang van paars

In 1994 werd paars geboren: voor het eerst regeerden confessionele partijen niet mee. Acht jaar lang kende Nederland een coalitie onder leiding van de sociaaldemocraat Wim Kok. Na deze paarse kabinetten leden de Partij van de Arbeid (PvdA), de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) en Democraten 66 (D66) bij de verkiezingen van 2002 echter een grote nederlaag: in vier jaar tijd liep hun gezamenlijk zetelaantal terug van 97 naar 54.

Wim Kok
Wim Kok
Het Christen-Democratisch Appèl (CDA), de voortdurende stabiele machtsfactor in het midden van het politieke spectrum, heroverde de regeringsmacht in 2002. Vier kabinetten onder leiding van premier Jan Peter Balkenende volgden. Maar daarna zou blijken dat ook het CDA niet meer kon rekenen op een stabiele aanhang.

Het korte succes van Pim Fortuijn

De aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten hadden ook delen van Nederland ontvankelijk gemaakt voor anti-islamitische denkbeelden. Gecombineerd met het drastisch getaande enthousiasme voor paars en weerstanden tegen het oude politieke establishment schiep dit de voorwaarden voor de opkomst als politicus van de socioloog Pim Fortuijn, die zich in een snel groeiende populariteit kon verheugen.

Fortuijn werd op 23 oktober aangewezen als lijsttrekker van het in juni opgerichte Leefbaar Nederland (LN). Daarmee werd aangesloten bij de succesformule van lokale ‘Leefbaar’-partijen in plaatsen als Hilversum en Utrecht. Het LN-bestuur brak echter met Fortuijn nadat deze in een interview aan dagblad de Volkskrant van 9 februari 2002 had verklaard dat Nederland ‘vol’ was en er een immigratiestop moest komen voor met name moslims. Zij zouden een ‘achterlijke cultuur’ vertegenwoordigen. Ook pleitte hij voor afschaffing van het discriminatieverbod, zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet. Na de breuk richtte hij de Lijst Pim Fortuijn (LPF) op.

Pim Fortuijn
Pim Fortuijn
Groot was de schok in politiek Den Haag toen Fortuijn, die door menig politicus als gevaarlijk of extreemrechts was afgeschilderd, op 6 mei na een radio-interview in Hilversum werd doodgeschoten. De dader bleek Volkert van der G. (32) te zijn, een milieuactivist die naar eigen zeggen alleen had gehandeld en zijn daad had gepleegd omdat Fortuijns ideeën een gevaar voor kwetsbare groepen zouden zijn.

Uit de eigen gelederen werd gevestigde, met name linkse politici medeverantwoordelijkheid voor Fortuijns dood aangewreven (‘de kogel kwam van links’). Ook werd de overheid verweten dat Fortuijn geen beveiliging was aangeboden, een opvatting die deels werd bevestigd in de bevindingen die de zogeheten commissie-Van den Haak op 17 december 2002 naar buiten bracht.

De lijsttrekker was niet meer, maar diens partij zette op de negen dagen na Fortuijns dood gehouden parlementsverkiezingen de opmars voort. De LPF kwam op 15 mei 2002 in één keer met 26 zetels in de Tweede Kamer. Het CDA werd met 43 zetels verreweg de grootste partij. De grote nederlaag van paars leidde bij de PvdA (- 22 zetels) en de VVD (- 14 zetels) tot het terugtreden van de lijsttrekkers Ad Melkert en Hans Dijkstal.

De LPF valt uiteen

Op 22 juli 2002 werd een regeringscoalitie gevormd van CDA, VVD en LPF. Deze zette vooral in op verhoging van de veiligheid door onder meer capaciteitsverhoging bij politie en justitie en invoering van een algemene identificatieplicht. Het immigratiebeleid zou worden verscherpt via een streng asielbeleid, beperking van de gezinshereniging en een harde aanpak van illegalen. Op 26 juli maakte premier Balkenende in zijn regeringsverklaring het in ere herstellen van gemeenschappelijk gedeelde normen en waarden tot leidend motief voor het beleid. Ironisch genoeg werd het eerste kabinet-Balkenende juist het toonbeeld van schending van deze waarden omdat binnen de LPF grote ruzies ontstonden tussen partijbestuur en Kamerfractie, binnen de fractie zelf en uiteindelijk ook in de regering.

Eduard Bomhoff
Eduard Bomhoff
Herman Heinsbroek
Herman Heinsbroek
Dat laatste maakte al op 16 oktober een einde aan het kabinet, na een onoverbrugbaar meningsverschil tussen de ministers Eduard Bomhoff (Volksgezondheid) en Herman Heinsbroek (Economische Zaken). Het was met 87 dagen het kortst zittende kabinet sinds de Tweede Wereldoorlog.

De gang van zaken in de LPF deed de partij bij de vervroegde verkiezingen van 22 januari 2003 terugvallen naar 8 zetels. Het was het begin van het einde: drie jaar later zou ze geheel uit de Kamer verdwijnen en op 17 augustus 2007 werd de LPF formeel ontbonden. Kort daarna, op 10 september, werd ook de oorspronkelijke partij van Fortuijn, LN, ten grave gedragen.

D66 regeert mee

De PvdA keerde in 2003, onder de nieuwe lijsttrekker Wouter Bos, vrijwel op de oude sterkte terug. Het CDA bleef de grootste partij. Pogingen om te komen tot een coalitie van sociaal- en christendemocraten mislukten, waarna op 27 mei een kabinet werd gevormd van CDA, VVD en D66. Op 22 maart 2005 kwam het kabinet bijna ten val, toen de Eerste Kamer een voorstel verwierp om door een grondwetswijziging een gekozen burgemeesterschap mogelijk te maken - een belangrijk beleidspunt van D66. De dag na de stemming maakte Thom de Graaf, voor deze partij minister van Bestuurlijke Vernieuwing, zijn aftreden bekend. Hij werd opgevolgd door de latere partijleider Alexander Pechtold. D66 besloot in het kabinet te blijven en de coalitie kon doorregeren.

Rita Verdonk
Rita Verdonk
De werkelijke crisis concentreerde zich rond de VVD-minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, Rita Verdonk. Zij kwam onder vuur te liggen vanwege de behandeling van groepen asielzoekers uit Congo en Syrië, over wie informatie was verstrekt aan de autoriteiten in hun land van herkomst. Zij erkende de Kamer daarover ‘onvolledig’ en ‘feitelijk onjuist’ te hebben geïnformeerd. Enkele weken na de brand op 27 oktober in het Justitieel Complex Schiphol in Oude Meer waarbij elf mensen omkwamen en waar onder anderen uitgeprocedeerde asielzoekers gevangen zaten, wilde Verdonk voortgaan met hun uitzetting. Ook deed zij de omstreden uitspraak dat de opvang van de slachtoffers ‘adequaat’ was. Verdonk zette vervolgens kwaad bloed door haar verklaring dat VVD-partijgenote en Kamerlid Ayaan Hirsi Ali geacht kon worden niet over de Nederlandse nationaliteit te beschikken omdat zij indertijd bij haar asielaanvraag onjuiste informatie had verstrekt. De uit Somalië afkomstige critica van de islam, die vanwege bedreigingen persoonsbeveiliging had gekregen, verliet de Tweede Kamer en vertrok naar de Verenigde Staten. Een grote Kamermeerderheid dwong Verdonk van haar standpunt af te stappen. Toen op 29 juni 2006 tijdens een spoeddebat bleek dat er ongeoorloofde druk op Hirsi Ali was uitgeoefend, steunde D66 een motie van wantrouwen tegen Verdonk. Daarmee was het lot van het kabinet bezegeld.

Het rompkabinet

De coalitie regeerde vervolgens door als minderheidskabinet van CDA en VVD, van 7 juli tot aan de (vervroegde) verkiezingen van 22 november 2006. Minister Verdonk was op haar post teruggekeerd. Maar op 13 december, toen het kabinet al demissionair was, nam de Tweede Kamer een motie van afkeuring tegen haar aan omdat zij weigerde een Kamermotie uit te voeren. Deze was ingediend door PvdA-fractievoorzitter Wouter Bos en beoogde een generaal pardon toe te kennen aan een grote groep asielzoekers van vóór de invoering van de Vreemdelingenwet van 2001.

Het kabinet meende dat uitvoering van de motie ‘nieuw beleid’ betekende, hetgeen strijdig zou zijn met haar demissionaire status. De VVD-bewindslieden waren niet bereid de motie uit te voeren, maar werden er door premier Balkenende vanwege ‘het landsbelang’ van weerhouden uit het kabinet te stappen. Wel raakte minister Verdonk haar portefeuille Vreemdelingenzaken kwijt, die de resterende tijd zou worden beheerd door minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin.

Een verrassende coalitie

Na de verkiezingen van 2006 volgde een moeizame formatie omdat er geen voor de hand liggende regeringscombinatie te vormen was. Even kwam de Socialistische Partij (SP), die spectaculair was gestegen van 9 naar 25 zetels, in beeld. Uiteindelijk vormden de Partij van de Arbeid (PvdA) en het Christen-Democratisch Appèl (CDA) op 22 februari 2007 een kabinet dat voor een meerderheid in zee ging met de ChristenUnie (CU).
Het vierde kabinet-Balkenende hield het uit tot 20 februari 2010. Tot die tijd vond het verscheidene interne conflicten tussen PvdA en CDA op haar weg. Ze handelden over de wijziging van de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten (Wajong), de versoepeling van het ontslagrecht en de aanschaf van het gevechtsvliegtuig de Joint Strike Fighter (JSF). Daarnaast ontstond korte tijd een crisissituatie rond het onderwerp embryoselectie, waar PvdA en CU tegenover elkaar stonden.

Irak

Een groter conflict diende zich aan rond de kwestie Irak. In 2003 had het eerste kabinet-Balkenende besloten geen militaire, maar wel politieke steun te geven aan de omstreden aanval van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten op Irak.

Brits protest tegen Irak-oorlog
Brits protest tegen Irak-oorlog
Er waren echter veel vragen gerezen. De aanhoudende druk op premier Balkenende bracht hem er in februari 2009 toe terug te komen op zijn jarenlange weigering een onderzoek te laten doen. Dat werd verricht door een commissie onder leiding van de oud-president van de Hoge Raad Willibrord Davids, die op 12 januari 2010 haar eindrapport uitbracht. De conclusies waren vernietigend: er was voor de oorlog geen volkenrechtelijk mandaat van de Verenigde Naties, het kabinet hanteerde een te vrije interpretatie van het doel van de oorlog, het parlement was onvolledig geïnformeerd en de premier zelf had geen leiderschap getoond.
De positie van Balkenende werd er niet beter op toen hij dezelfde dag op een persconferentie vooral een aantal onderdelen benadrukte die in zijn voordeel spraken, maar niet in ging op de hoofdconclusies. De PvdA eiste daarop een nieuwe reactie van het kabinet, waarna op 9 februari een compromisformulering volgde.

Afghanistan

Onoverbrugbaar bleken de meningsverschillen rond een ander heet hangijzer van de buitenlandse politiek, namelijk de kwestie Afghanistan. De Nederlandse troepen waren sinds augustus 2006 in het kader van de International Security Assistance Force (ISAF) voor zowel vecht- als wederopbouwtaken aanwezig in de Afghaanse provincie Uruzgan. In november 2007 had het Nederlandse kabinet besloten om de missie, die eigenlijk in 2008 zou aflopen, met nog eens ruim twee jaar te verlengen. Dat betekende dat de laatste troepen vóór 1 december 2010 het land zouden verlaten.

Canadezen tegen Afghanistan-oorlog
Canadezen tegen Afghanistan-oorlog
Zowel premier Balkenende als minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen zinspeelden echter op een nieuwe verlenging. Om aan de onduidelijkheid een einde te maken, dienden regeringspartijen PvdA en CU op 6 oktober 2009 een motie in dat het kabinet diende vast te houden aan het besluit tot terugtrekking. De motie kreeg een meerderheid, maar het CDA stemde tegen.
De zaak werd verder op de spits gedreven door een brief die Anders Fogh Rasmussen, secretarisgeneraal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), aan premier Balkenende had gestuurd. Daarin vroeg hij om verlenging met een jaar in de vorm van een kleinere missie. De PvdA wees het verzoek als ‘onbespreekbaar’ af en stapte in de nacht van 19 op 20 februari uit het kabinet. Over de schuldvraag werd nog lange tijd gesproken.

De controverse rond Wilders

Op 2 september 2004 was Kamerlid Geert Wilders uit de fractie van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) gestapt, om door te gaan als eenmansfractie. Hij achtte zich gemuilkorfd omdat hij niet de gelegenheid zou krijgen openlijk voor zijn opvattingen uit te komen. Belangrijke verschillen van mening waren de door Wilders verworpen toetreding van Turkije tot de Europese Unie en de harde positie die hij innam jegens radicale moslims. Het was met name deze laatste opvatting waarop in belangrijke mate zijn latere succes als aanvoerder van de Partij voor de Vrijheid (PVV) zou stoelen.

Geert Wilders
Geert Wilders
Zelden veroorzaakte een Nederlandse politicus zoveel controverse. Wilders’ uitspraken waren provocerend en volgens zijn tegenstanders kwetsend en racistisch.

In maart 2008 wist hij politiek en media een maand lang in de greep te houden met zijn anti-islamfilm Fitna. Hij sprak over de Koran als ‘fascistisch’ boek en ontkende dat een gematigde islam mogelijk was. Overlast gevende of criminele jongeren van Marokkaanse afkomst duidde hij aan als ‘straatterroristen’ en de sociaaldemocratische staatssecretarissen Nebahat Albayrak en Ahmed Aboutaleb - van oorsprong afkomstig uit de moslimlanden Turkije en Marokko – werd door hem een ‘dubbele loyaliteit’ aangewreven. Ook bepleitte Wilders in een interview voor de Deense televisie de uitzetting uit Europa van mogelijk tientallen miljoenen moslims die niet bereid waren zich aan de westerse normen aan te passen.

Zijn opvattingen kwamen Wilders op ernstige bedreigingen te staan, reden waarom hij permanent beveiligd moest worden. Daarnaast besloot het gerechtshof in Amsterdam op 21 januari 2009 dat hij vervolgd moest worden wegens haatzaaien en het aanzetten tot discriminatie jegens moslims en niet-westerse allochtonen. Wilders zelf en zijn aanhangers beschouwden het proces echter als een aanslag op de vrijheid van meningsuiting.

Een wankel minderheidskabinet

Bij de verkiezingen van juni 2010 leed het CDA een ongekende nederlaag: ze werd vrijwel gehalveerd door een verlies van 20 van haar 41 zetels. Voor premier Balkenende was de uitslag dusdanig teleurstellend dat hij nog op verkiezingsavond zijn vertrek aankondigde.
Jan Peter Balkenende
Jan Peter Balkenende
De VVD werd de grootste partij (31), direct daarna gevolgd door de PvdA (30). De PVV, die in 2006 met 9 zetels haar intrede had gemaakt in het parlement, groeide nu door naar 24 zetels en daarmee tot de derde partij van Nederland.
Tijdens een zeer moeizame formatie moesten er vijf verschillende informateurs in zeven informatierondes aan te pas komen om uiteindelijk uit te komen op een rechts kabinet van CDA en VVD, dat voor een parlementaire meerderheid afhankelijk was van de PVV. Via deze gedoogrol bond de partij van Wilders zich aan een bezuinigingsbedrag dat de andere twee hadden afgesproken en dat in 2015 zou oplopen tot bijna 18 miljard euro. In ruil daarvoor sleepte de PVV concessies binnen op een viertal thema’s die afzonderlijk werden geregeld in een gedoogakkoord: immigratie, veiligheid, ouderenzorg en financiën. Voor zaken in het regeerakkoord waaraan de PVV zich niet had gebonden, moest het kabinet steun zoeken bij andere partijen. De PVV zou het kabinet op deze punten echter niet laten struikelen.

Rond de aanvaardbaarheid van samenwerking met de PVV ontstond binnen het CDA een dusdanig conflict dat de partij bijna scheurde. Op een tumultueus congres van 2 oktober 2010 ging de meerderheid weliswaar akkoord met de beoogde coalitie, maar 32 procent van de leden stemde tegen. Zij meenden dat het CDA haar traditionele middenpositie had verlaten ten gunste van een rechts beleid. Onder de critici was een groot aantal partijprominenten, zoals de voormalige premiers Piet de Jong, Dries van Agt en Ruud Lubbers, verscheidene oud-ministers en -parlementariërs en de demissionaire ministers Ab Klink en Ernst Hirsch Ballin. Ook een kleine minderheid in de Kamerfractie was tegen.

Steun van de SGP

Mark Rutte
Mark Rutte
Op 14 oktober trad de nieuwe regeringsploeg aan onder leiding van VVD-fractievoorzitter Mark Rutte. Hij werd de eerste liberale premier sinds 1918 en leidde tevens het eerste minderheidskabinet sinds de Tweede Wereldoorlog.

De positie van dit kabinet werd er na de verkiezing van de Eerste Kamer, in mei 2011, niet sterker op. VVD, CDA en PVV behaalden er met 37 van de 75 zetels net geen meerderheid. Aan de opzienbarende politieke ontwikkelingen in het eerste decennium van de 21ste eeuw kon nu een nieuwe worden toegevoegd: het zittende kabinet werd voor een meerderheid tevens afhankelijk van de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP). Als enige partij uit de oppositie die het kabinet in hoofdlijnen positief bejegende, kon zij met haar ene Senaatszetel voor een meerderheid zorgen. De vraag bleef tot hoever met name de VVD wilde gaan om de sterk antiliberale SGP ter wille te zijn.
© 2011 - 2012 Vitas, gepubliceerd in Politiek (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.

Gerelateerde artikelen
Rita Verdonk heeft een eigen mening Rita Verdonk weet de gelederen en gemoederen bezig te houden. Na haar komst in de pol…
Alexander Pechtold, politicus en lijsttrekker D66 Alexander Pechtold werd geboren op 16 december 1965 te Delft. Pechtold…
Kabinet Balkenende 2 en 3 Inmiddels is het alweer tijd voor het vierde kabinet onder leiding van premier Balkenende, een…
Twitter in de politiek Politici en Twitter, ze hebben elkaar gevonden. Tientallen ministers hebben Twitter als communicat…
Mark Rutte: onze premier Sinds 14 oktober 2010 is Mark Rutte de nieuwe premier van Nederland. Op 9 juni won hij met zijn…

Bronnen en referenties
  • Gedeeltes uit eigen bijdrage voor het Decenniumboek (Spectrum) over Nederland 2000-2010

Reageer op het artikel "De Nederlandse politiek van Kok tot Rutte"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Naam: E-mailadres: Meld mij aan voor de wekelijkse InfoNu nieuwsbrief. Reactie:
Infoteur: Vitas
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Politiek
Bronnen en referenties: 1
Schrijf mee!