Sociale groepen in het Ottomaanse Rijk

De belangrijkste scheidslijn tussen de verschillende sociale groepen in het Ottomaanse Rijk was die tussen de heersende groepen en wat we zouden kunnen noemen het gewone volk. Een van de criteria waarom deze indeling wordt gebruikt, is dat de heersende groepen vanuit hun achtergrond en taken direct de sultan dienden en ‘daarom’ waren vrijgesteld van het betalen van belasting, terwijl de onderling vaak zeer verschillende groepen die het gewone volk vormden, wel allemaal belasting moesten betalen.
De heersende groepen in het Ottomaanse Rijk bestonden uit leden van de krijgsmacht (askeri), (religieuze) geleerden (oelema) en hoge ambtenaren (katib). Het overgrote deel van hen was moslim, maar er zijn enkele gevallen bekend van hoge militairen en ambtenaren die geen moslim waren. Het gewone volk (re’aya) omvatte het grootste deel van de bevolking en bestond uit moslims en niet-moslims, stedelingen en dorpelingen, ambachtslieden en boeren, rijke en arme mensen, vrije mensen en slaven.

De feitelijke indeling van de bevolking naar sociale klassen was veel ingewikkelder dan het onderscheid tussen heersende groepen en gewone volk, tussen niet-belastingbetalers en belastingbetalers doet vermoeden. Binnen de afzonderlijke groepen is onderscheid te maken naar religieuze achtergrond, beroep, woongebied, etnische achtergrond, geslacht, leeftijd en vermogen. In dit artikel volgt slechts een beperkt overzicht van enkele sociale groepen zonder pretentie daarmee recht te doen aan het complete plaatje.

Cavalerie

De sipahi vochten in het Ottomaanse leger in ruil voor een leengoed (timar) waaruit zij inkomsten konden genereren. Nieuwe sipahi werden in het algemeen gerekruteerd uit de zoons van militairen. Maar zij waren niet de enigen die de beschikking kregen over timars: de sultan kende ook wel leengoederen toe aan anderen die zich in zijn dienst uitzonderlijk verdienstelijk hadden gemaakt.

De sipahi speelden met name in de oorlogsvoering van de 14e en 15e eeuw een centrale rol. Zij dienden in provinciale eenheden onder leiding van de lokale gouverneurs. Hun wapenuitrusting bestond in hoofdzaak uit zwaarden en sabels.

De diensttijd van de sipahi beperkte zich gewoonlijk tot de periode van april tot oktober. De overige maanden hielden zij zich bezig met het innen van de opbrengsten van hun leengoederen. Uit deze opbrengsten moesten zij onder meer hun uitrusting bekostigen, inclusief paard. Als een timar een bepaalde omvang oversteeg, waren zij zelfs verplicht een aantal bewapende strijders mee te nemen.

Met de introductie van vuurwapens tegen het einde van de 15e eeuw verliezen veel sipahi aan invloed en macht ten gunste van de professionele slavenregimenten.

Grensstrijders

De akıncı leverden van de 14e tot de 16e eeuw een belangrijke bijdrage aan de gestage uitbreiding van het Ottomaanse Rijk. De ongeregelde cavalerievrijwilligers – zowel van Turkse als niet-Turkse afstamming – vielen vijandige gebieden aan de grenzen van het rijk binnen in ruil voor de daar te behalen roofbuit.

Op de Balkan ontstond zelfs een aantal hoofdgroepen van akıncı waarvan de leiders hun positie konden vererven.

Infanterie

De “soldaten van het nieuwe leger” (janitsaren) vormden een elite-eenheid onder direct bevel van de sultan.

Al in de beginjaren in de 14e eeuw van het toen nog kleine Ottomaanse Rijk richtten de heersers zich op het opbouwen van een geregeld leger onder hun eigen directe bevel. Dit ging uiteindelijk ten koste van de ongeregelde strijders die vooral werden ingezet in de diverse grensoorlogen.

In het nieuwe leger werden veel gevangengenomen christenen opgenomen, vanaf het eind van de 14e eeuw ook veel christelijke dorpsjongens die hiervoor speciaal werden geronseld (devşirme) – deze praktijk hield tot de 17e eeuw stand. De ‘rekruten’ kregen een uitgebreide militaire training en werden strikt islamitisch opgevoed (de meesten bekeerden zich ook tot de islam). Zij vormden de nieuwe infanterie van de Ottomanen.

De janitsaren werden beschouwd als het persoonlijke eigendom van de sultan, hoewel zij een vast loon ontvingen. Zij dienden hoofdzakelijk in de hoofdstad van het rijk – eerst Bursa, later Edirne en vanaf 1453 Constantinopel – en tijdens veldtochten onder aanvoering van de sultan zelf.

Een van de redenen waarom het geregelde leger van de sultan kon groeien, was van ‘theologische’ aard. De islamgeleerden wezen sultan Murat I (sultan van 1362 tot 1389) erop dat het woord van Allah stelde dat van de totale krijgsbuit – inclusief gevangenen – een vijfde deel als het persoonlijk bezit aan de vorst toebehoorde.

Vanaf het moment dat de sultan deze redenering van de geleerden overnam, nam de groei van het geregelde leger een grote vlucht. Hierdoor nam ook de macht van de sultan toe.

Tussen de 16e en 19e eeuw nam het aantal janitsaren aanzienlijk toe. Zij waren nu niet meer alleen gelegerd in de hoofdstad, maar ook in provinciale steden. Zij raakten ook meer en meer betrokken bij de handel en allerlei ambachten, mochten trouwen en velen slaagden erin hun bezit en status op hun kinderen te doen overgaan – ondanks dat zij werden gezien als eigendom van de sultan.

Huurlingen

De ‘betaalde soldaten’ (levend) werden gerekruteerd uit verschillende sociale groepen. De soldaten werden gehuurd door de staat of provinciale gouverneurs en ingezet bij specifieke veldtochten. Omdat zij waren geschoold in het gebruik van vuurwapens, waren zij in de 17e en 18e eeuw militair gezien effectievere troepen dan de verouderde sipahi en janitsaren.

Omdat de levend slechts werden ingezet op het moment dat het rijk of een provincie ze nodig had, kwam het voor dat zij zich in de tussenliggende perioden aansloten bij privémilities die op rooftocht gingen in de Ottomaanse provincies.

Geleerden

De oelema (‘zij die weten’) waren moslimmannen die in religieuze scholen (medrese) hun opleiding hadden genoten. Na hun afstuderen konden zij voorganger (imam) worden bij belangrijke gebedsbijeenkomsten in de moskee, leraar (hoca) of docent aan een belangrijke medrese in Constantinopel.

De docenten van de medreses vielen in verschillende categorieën, waarvan de belangrijkste werden gezien als opstap naar de benoeming tot rechter (kadi), algemeen rechtsgeleerde (moefti) of naar de benoeming in een invloedrijke positie in het staatsapparaat, zoals de functie van defterdar (‘hoofdaccountant’).

De hoogste posities die een alim (enkelvoud van oelema) kon bereiken, was die van militair rechter (kadiasker) van Roemelië (het Europese deel van het Ottomaanse Rijk) of Anatolië. Hieruit kwam een groot juridisch-godsdienstig ambtenarenapparaat voort, aan het hoofd waarvan de twee kadiaskers stonden. Later werd de moefti van Constantinopel als hoofd van dit apparaat aangesteld, met als titel sheyh-ül-Islam.

Aan het begin van de 16e eeuw was de sheyh-ül-Islam de hoogste godsdienstige hoogwaardigheidsbekleder binnen het rijk, in rang direct onder de grootvizier, de belangrijkste vizier (minister) van het rijk – in latere perioden was hij in rang misschien zelfs gelijk aan de grootvizier. Oelema konden ook worden benoemd in andere, niet direct met de godsdienst verbonden, hoge posities, tot zelfs die van grootvizier zelf.

Ook de oelema waren vrijgesteld van het betalen van belasting en ze konden hun bezittingen en zelfs hun ambten en status vererven. Toch vormden zij niet een geheel gesloten groep. Het onderwijs was dan wel niet door het hele rijk gelijk, het was in principe vrij toegankelijk. Zo konden ook vrijgeboren moslims van eenvoudige komaf via het onderwijs opklimmen tot de hoogste rangen binnen de oelema.

Schrijvers

De katib was lid van de Ottomaanse bureaucratie. Zij hadden verschillende sociale achtergronden en werden voor een belangrijk deel geworven om hun kwaliteiten. Aan het begin van hun carrière vervulden zij de rol van leerling, vervolgens die van administrateur in de kanselarij van de sultan en bij het beheer van de financiën van het rijk.

Hun aantal was tot de 16e eeuw uiterst beperkt – niet meer dan zo’n 100 – maar daarna nam hun aantal snel toe, onder andere als gevolg van de groei van het centrale en provinciale bureaucratische apparaat.

Hoewel de katib zelden een echte hoogwaardigheidsbekleder was, was zijn invloed in het algemeen wel zeer groot.
© 2010 - 2012 Dreus, gepubliceerd in Politiek (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Dreus is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
Oorsprong van modern islamitische Jodenhaat De onbeschrijflijke haat van Iran, Hamas, Islamitische Jihad en Hezbollah teg…
Het Ottomaanse Rijk - Een rijk van drie continenten Het Ottomaanse Rijk was een reusachtig rijk heersend over drie contin…
Tijdperk van het absolutisme: De Ottomaanse expansie De val van Constantinopel in 1453 betekent het einde van het Oost-Ro…
Van Turks stammenvorstendom naar het vroege Ottomaanse Rijk Onder Orhan I was het Ottomaanse vorstendom zo sterk geworden…
Ontdekking van de tulp Er bestaat een prachtige legende over de ontdekking van de tulp. Er werd een rode tulp gevonden, z…

Reageer op het artikel "Sociale groepen in het Ottomaanse Rijk"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Infoteur: Dreus
Rubriek: Mens en Samenleving / Politiek
Schrijf mee!