Van Turks stammenvorstendom naar het vroege Ottomaanse Rijk

Onder Orhan I was het Ottomaanse vorstendom zo sterk geworden en was het Seldjoeken rijk zo verzwakt, dat de Ottomanen zich nauwelijks nog beschouwden als vazalstaat van dit rijk. Onder Orhans zoon, Murat I, boekten de Ottomanen grote gebiedsuitbreiding in Europa. Het was Murat die de Osmanlı omvormde tot een waarlijk rijk. Murats opvolger, Bayezit I, breidde het rijk nog verder uit, met name in Anatolië, tot hij in 1402 door Timur Lenk werd gestopt.
In dit vierde deel van een serie wordt ingegaan op de veroveringen van de derde en vierde Ottomaanse sultan (Murat I en Bayezit I). Onder hun heerschappij verovert het Ottomaanse Rijk grote gebieden op de Balkan en in Anatolië weten zij de meeste rivaliserende Turkse vorstendommen onder hun heerschappij te brengen. Met de grote uitbreiding van het Ottomaanse grondgebied werd het noodzakelijk aandacht te besteden aan het bestuurssysteem van het rijk. Het bestuur van een stammenvorstendom was niet meer toereikend. De voormalige Turkse slaven (zie De Turken: steppevolk, slaven, Mamelukse sultans) werden in dit proces zelf slavenhouder. De nederlaag die Timur Lenk de Ottomanen in 1402 toebrengt, werpt hun rijk echter weer een flink eind in de tijd terug.


Murat I

Rond 1361 veroverden de Ottomanen Adrianopel (Edirne), een strategisch fort gelegen aan de weg van Constantinopel naar de Donau. Van hieruit beheersten zij de handelswegen naar Constantinopel. Murat maakte van de stad zijn nieuwe hoofdstad – Bursa bleef het Aziatische hoofdkwartier. De veroverde Europese gebieden, die min of meer samenvielen met de oude Romeinse provincies Thracië en Macedonië, kregen de naam Roemelië. De gebieden in Klein-Azië werden Anadolu genoemd.

Murat I
Murat I
Vanuit Edirne leidde Murat zijn troepen naar overwinningen in Macedonië, Bulgarije en Servië. Na de Ottomaanse bezetting van Bulgarije in 1385-86 vormden de Balkanlanden een gezamenlijke strijdmacht die Murat veel weerwerk leverde. Maar al hun pogingen om zich tegen de Ottomanen teweer te stellen mislukten uiteindelijk.

Onder Murats bewind (1362-1389) wordt veel aandacht besteed aan de inrichting van het bestuur van het zich steeds verder uitdijende rijk. Het elitekorps de Janitsaren wordt opgericht en het devşirme-rekruteringssysteem komt tot ontwikkeling. Murat organiseert het overheidsbestuur door de rol van de gazi, de ‘grenskrijgers’, terug te dringen ten gunste van meer professionele bestuurders. Ook onder zijn bewind wordt het timar-systeem ingesteld, tot op zekere hoogte vergelijkbaar met het Europese leenstelsel.

Pacificatie van de Balkan, veroveringen in Anatolië

Een van de bekendste veldslagen van de Ottomanen op de Balkan is die van 1389 op het Merelveld (Kosovo Polje, Pristina). Bij deze slag kwamen zowel de Servische koning, Lazar, als Murat om het leven. Volgens sommigen sneuvelde Murat tijdens de gevechten, volgens anderen werd hij daags erna vermoord (en van dit verhaal doen ook weer verschillende varianten de ronde).

Murat werd opgevolgd door zijn zoon Bayezit. Omdat ook de Ottomanen zware verliezen hadden geleden op het Merelveld, lieten zij hun plannen voor een verdere opmars op de Balkan en verder Europa in voor het moment varen. De slag markeerde het einde van de Servische zelfstandigheid – in het Servische collectieve geheugen speelt de slag op het Merelveld tot op de dag van vandaag een belangrijke symbolische rol – hoewel het gebied niet werd ingelijfd maar als vazalstaat een zekere mate van autonomie behield. Bayezit trouwde een jaar later zelfs met de dochter van koning Lazar en diens weduwe trad op voor hun zoon als regentes van Servië.

Na deze en andere veldslagen, zoals die in 1396 bij Nicopolis aan de Donau waar Bayezit de legers van de kruisridders versloeg, lukte het de Ottomanen de veroverde gebieden op de Balkan te pacificeren. Hiervoor zetten zij leiders van de verslagenen vaak in als vazallen, zoals in Servië.

Ook in Anatolië boekten de Ottomanen een flinke uitbreiding van hun machtbasis, soms door gebied te veroveren op hun rivalen, soms met vreedzame middelen. Zo verwierven zij een groot deel van het emiraat Germiyan als bruidsschat van de dochter van de emir, toen zij in het huwelijk trad met de Ottomaanse prins Bayezit. Andere emirs kon Murat uitkopen, hiertoe in staat gesteld door de grote rijkdommen die hij had verworven tijdens zijn Europese veroveringstochten. Teke werd gewapenderhand aan zijn gebied toegevoegd.

Bayezit I

Binnen de rode lijn het Ottomaanse Rijk in 1402: alleen Constantinopel ontbrak nog
Binnen de rode lijn het Ottomaanse Rijk in 1402: alleen Constantinopel ontbrak nog
Murats zoon, Bayezit, volgde hem in 1389 op. Waar Murat zich vooral had gewijd aan de verovering van de Balkan met als climax de zege op het Merelveld (waar hijzelf de dood vond), richtte Bayezit zich weer meer op Anatolië. Hij slaagde erin de laatste niet-Ottomaanse Turkse vorstendommen in te nemen, zoals Karaman (1390) rond de oude Seldjoekse hoofdstad Konya. Binnen enkele jaren heersten de Ottomanen over heel Turks Anatolië.

Bayezit, wiens bijnaam de Bliksemschicht (Yıldırım) was, was de absolute heerser in Zuidoost-Europa en Klein-Azië (het gebied binnen de rode lijn op de kaart). Hij bezat vrijwel alle gebieden die tot het Byzantijnse Rijk hadden behoord, alleen de hoofdprijs, de hoofdstad Constantinopel, viel nog buiten het bestuur van het Ottomaanse Rijk. Het zou nog een kleine zestig jaar duren voordat deze stad in Ottomaanse handen zou vallen.

Sultan van Roem

Onder Orhan I was het Ottomaanse vorstendom zo sterk geworden en was het Seldjoeken rijk zo verzwakt, dat de Ottomanen zich nauwelijks nog beschouwden als vazalstaat van de Sultan van Roem. Het Ottomaanse vorstendom ging zich meer en meer gedragen als zelfstandig rijk. Aan het hoofd stond de sultan, die de absolute macht had. Aanvankelijk noemden de heersers zich nog gazi, maar al tijdens het bewind van Murat I raakte de titel ‘sultan’ in zwang.

Bayezit I
Bayezit I
Sinds een Abbassidische prins in 1258 Bagdad had weten te ontvluchten en door de Mamelukse sultan Baibars benoemd was tot kalief van Kairo (zie De Turken: steppevolk, slaven, Mamelukse sultans), onderhielden de Mameluken de ‘schaduw-kaliefen’ als nominale religieuze leiders van de islamitische wereld. Naar deze kalief stuurde Bayezit in 1394 een gezantschap met het verzoek hem, de Ottomaanse heerser, te erkennen als Sultan van Roem.

De werkelijke machthebber in Egypte, de Mamelukse sultan, zou in normale omstandigheden misschien niet zo snel deze titel hebben toegekend aan de heerser van een opkomend rijk, dat wel eens een bedreiging zou kunnen gaan vormen voor het zijne. Maar het waren geen normale omstandigheden. In het oosten had zich een nieuw gevaar aangediend, namelijk dat van Timur Lenk. De Mameluken en Ottomanen waren, om dit gevaar te bezweren, een tijdelijk bondgenootschap aangegaan. Bayezit kreeg de door hem gewenste titel.

Inrichting van het staatsbestel

Vanaf het eind van de 14e eeuw maakten de Ottomanen er serieus werk van hun stammenvorstendom om te vormen in een stevig staatsbestel. De verovering van Ankara in 1354 was hiervoor een belangrijke stimulans. Deze Seldjoekse stad kende immers een hoog niveau van bestuur, cultuur en handelsactiviteiten. De kennis en vaardigheden op deze gebieden kwamen nu ter beschikking aan de Ottomanen.

Vele andere ‘professionals’ uit de oude hartlanden van de islam, bijvoorbeeld uit de oude Seldjoekse hoofdstad Konya, trokken eveneens richting Bursa, Edirne en andere Ottomaanse steden. Onder hen bevonden zich niet alleen mensen met bestuurscapaciteiten en kooplieden en ambachtsmensen, ook vele theologen en islamitische geleerden trokken naar de nieuwe centra.

Met zijn ‘officiële’ titel Sultan van Roem had Bayezit zijn rol als hoofdman van de gazi formeel ingeruild voor die van vorst over een islamitisch rijk. Het groeiende staatsgezag betekende voorts een inperking van de vrijheden van de ‘grenskrijgers’, ongetwijfeld tot hun woede.

Divan en harem
De sultan had de volledige macht in het rijk. In het bestuur werd hij ondersteund door een bureaucratie van ambtenaren onder leiding van de Divan (vanaf de 17e eeuw “Porte” genoemd). Aan het hoofd hiervan stond een grootvizier die in rechtstreeks contact met de sultan stond. In de 14e eeuw bestond de Divan nog slechts uit drie vizieren, in de 17e eeuw zouden dit er elf zijn. De Divan vormde een van de machtigste instrumenten in het bestuur van het Ottomaanse Rijk.

Een ander belangrijk instituut in het hart van de Ottomaanse regering was de harem. Aan het hoofd hiervan stond de moeder van de sultan, de valide sultana, die zich meermaals rechtstreeks met de staatspolitiek bemoeide. Tweede in rang binnen de harem was de eerste vrouw van de sultan of de moeder van zijn eerste zoon. Naast de andere officiële vrouwen van de sultan woonden in de harem ook concubines, niet alleen die van de sultan maar ook van zijn belangrijkste ambtenaren. Daarnaast vormde de harem het verblijf van jonge vrouwen die voor politieke huwelijken werden ‘gebruikt’.

De eunuchen, bedienden, waren verdeeld in zwarte en blanke eunuchen. De zwarte eunuchen waren de bedienden van de vrouwen, de blanke eunuchen, vooral ‘verworven’ op de Balkan, stonden in dienst van de paleisschool, waar jongens werden opgeleid tot hoge ambtenaar of janitsaar. Aanvankelijk hadden de blanke eunuchen meer invloed binnen het hof dan de zwarte; in de loop van de 16e eeuw kwam het gezag in de harem te liggen bij de zwarte eunuchen en bekleedde de zwarte hoofdeunuch (de kızlar ağa ofwel de ‘ağa van de meisjes) een bijzonder machtige positie aan het hof.

Janitsaren
Al ten tijde van Orhan I richtten de Ottomaanse heersers zich op het opbouwen van een geregeld leger. Dit leger kwam onder direct bevel van de heerser. De meer ongeregelde gazi-strijders werden, zoals altijd, vooral ingezet in de diverse grensoorlogen.

De groei en professionalisering van het geregelde leger deed de macht van de heersers gestaag groeien en ging ten koste van de traditionele militaire elite (de gazi). Een van de redenen waarom het geregelde leger kon groeien, was van ‘theologische’ aard. Met name vanuit de hoek van nieuw aangekomen islamgeleerden werd Murat I erop gewezen dat het woord van Allah stelde dat van de totale door de gazi verworven krijgsbuit – inclusief gevangenen – een vijfde deel als het persoonlijk bezit aan de vorst toebehoorde.

Vanaf het moment dat Murat in de redenering van de islamdeskundigen meeging – vanzelfsprekend tegen de zin van de meeste gazi – kon de groei van zijn geregelde leger een begin nemen, waardoor ook zijn macht toenam. In het nieuwe staande leger werden veel gevangengenomen christenen opgenomen. Zij kregen een uitgebreide militaire training en werden strikt islamitisch opgevoed (de meesten bekeerden zich ook tot de islam). Zij vormden de nieuwe infanterie van de Ottomanen.

Na hun opleiding werden de nieuwe soldaten overgedragen aan het paleis en onder het persoonlijke bevel van de sultan geplaatst. Uit deze nieuwe soldaten (yeni çeri) kwamen uiteindelijk de Janitsaren voort, het eliteonderdeel van de Ottomaanse troepen.

Islam
De meeste Turken die in de loop der eeuwen Anatolië binnentrokken en zij die zich later na de Ottomaanse veroveringen op de Balkan vestigden, waren al voor die tijd tot de islam bekeerd. De kennis en naleving van de islamitische gebruiken en gewoonten moet echter niet worden overschat. Niet alleen de nomadische Turken, maar ook aan het hof van Orhan werd tamelijk los met de voorschriften van de islam omgesprongen.

Zo verhaalt Ibn Battoeta, een 14e eeuwse reiziger, van zijn bezoek aan Orhans residentie in Iznik, dat hij werd ontvangen door Orhans echtgenote, omdat Orhan zelf afwezig was. In latere eeuwen zou zoiets volledig ondenkbaar zijn geweest.

De islambeleving van met name de nomaden kende een vrij grote mate van verering van natuurheiligen – misschien een sjamanistisch overblijfsel van de steppe, het oorsprongsgebied van de Turken. Het ligt voor de hand aan te nemen – hoewel het niet zeker is – dat vroege Ottomaanse heersers goede betrekkingen onderhielden met derviş-gemeenschappen. In latere tijd liet de stedelijke islam, onder leiding van de islamgeleerden (ulema) hier geen ruimte meer voor.

Devşirme
Kinderen worden geronseld voor de devşirme
Kinderen worden geronseld voor de devşirme
Het opnemen van gevangenen in het geregelde leger vond op onregelmatige basis plaats en was uiteindelijk niet bevredigend. Vanaf het eind van de 14e eeuw introduceren de Ottomanen het zogenoemde devşirme-systeem. In dit systeem werden christelijke dorpsjongeren geronseld voor inlijving in het leger en voor de ambtenarij.

Eens in de vijf jaar reisden speciale afgevaardigden door het Europese deel van het Ottomaanse Rijk om jongens voor de devşirme te ronselen. In een vroeg stadium werden ze naar een ‘verzamelpunt’ gebracht waar zij werden uitgeselecteerd en ingedeeld bij de verschillende onderdelen in dienst van de vorst. De meesten kwamen in actieve militaire dienst en waren, op basis van de opleiding die zij kregen, in staat op de klimmen binnen de rangen van de Janitsaren. Een klein deel kreeg een verdere, zeer uitgebreide opleiding op de paleisschool; zij waren voorbestemd om hoge posities binnen de regering te vervullen, zelfs die van grootvizier behoorde tot de mogelijkheden.

De devşirme was tot in de 16e eeuw de enige manier om tot het korps van de Janitsaren te worden toegelaten. Vrijgeboren moslims en bijvoorbeeld ook kinderen van Janitsaren waren van toetreding uitgesloten. De loyaliteit van de slavensoldaten en van de slaven die tot de koninklijke huishouding behoorden, betrof alleen hun korps resp. de vorst. En tegelijkertijd garandeerde het stelsel van rekruteren op deze manier dat er geen erfelijke militaire of ambtelijke kaste ontstond die op den duur een bedreiging zou kunnen gaan vormen voor de heersers.

De onoverwinnelijke Ottomaanse legers
De absolute loyaliteit aan het eigen regiment en aan de sultan is een van de redenen waarom de Ottomanen er telkens weer in slaagden Europese legers te verslaan. De commandanten waren beroemd om de discipline waarmee ze tijdens veldslagen aan het strijdplan van hun aanvoerder – meestal de sultan zelf – vasthielden. Omdat de Europese legers veelal als bondgenootschappelijke legers waren samengesteld, lieten die vaak, wanneer de veldslag niet voorspoedig verliep, de slagorde voor wat die was en richtten zij zich op de belangen van de eigen vorst.

Een andere reden is dat Europese legers telkens weer in de val trapten van een vluchtende Ottomaanse eenheid. Door die eenheid te achtervolgen verlieten zij hun stellingen en liepen in een verderop gelegde Ottomaanse hinderlaag.

De voor de devşirme geronselde jongeren werden beschouwd als het persoonlijke bezit van de vorst en met hun leven en bezittingen stonden ze hem geheel en al ter beschikking. Maar zij kunnen in vrijwel geen enkel opzicht worden vergeleken met ‘klassieke’ slaven. Zij bezaten rechten van vrije mannen aangaande bezit, huwelijk en persoonlijke status.

Sipahi-klasse en het timar-systeem
Gewapende <I>sipahi</I>
Gewapende sipahi
In de oorlogsvoering van de 14e en 15e eeuw speelde de cavalerie (sipahi) een centrale rol. De gebruikte wapens bestonden in hoofdzaak uit zwaarden en sabels.

De ruiterij werd gefinancierd uit de zogeheten timars, tot op zekere hoogte vergelijkbaar met leengoederen. De bezitter van een leengoed was verplicht bereden bij veldtochten te verschijnen en, als zijn timar een bepaalde omvang oversteeg, een bepaald aantal bewapende strijders mee te nemen. Hij was zelf verantwoordelijk voor de kosten van paard en wapens.

Omdat de feodale timar-bezitters geregeld naar andere gebieden werden overgeplaatst, konden zij zich niet ontwikkelen tot lokale aristocratieën, zoals wel gebeurde in de oude Europese koninkrijken waar het leenstelsel een grote rol speelde.

Veel jongeren die voor de devşirme waren geronseld, werden opgenomen bij leden van de feodale cavalerie, waarin velen zich wisten op te werken.

Tegen het einde van de 15e eeuw verliezen veel van de sipahi aan invloed en macht. Een van de redenen hiervoor is de introductie van vuurwapens. Hierdoor nam het belang van de professionele slavenregimenten toe en dat van de cavalerie af. Dit weer leidde ertoe dat de slaven die het bezit van de sultan waren, hun invloed in alle lagen van het bestuur van het rijk enorm uitbreidden.

Nieuw gevaar uit het Oosten

Nadat Bayezit een aanval van de Prins van Wallachije (Zuid-Roemenië) had afgeslagen, begon hij – nu als Sultan van Roem – in 1396 een beleg van Constantinopel, vrijwel het enige overgebleven Byzantijnse gebied dat nog niet tot het Ottomaanse Rijk behoorde. Tussendoor vernietigde hij de legers van de kruisridders in de slag bij Nicopolis aan de Donau (1396). Tot deze kruistocht was opgeroepen door de zich in het nauw bevindende Byzantijnse keizer Johannes V Palaeologus.

Het zes jaar durende beleg van Constantinopel bracht Bayezit weinig succes. In het Oosten van het Ottomaanse Rijk had hij bovendien te maken met een aantal opstanden. Hoewel Bayezit deze opstanden vrij eenvoudig de kop kon indrukken, bracht zijn opmars naar het oosten hem in conflict met de naar het westen oprukkende Timur Lenk.

Daar kwam nog bij dat, sinds de Ottomaanse heersers hun rol als hoofdman van de gazi hadden ingeruild voor die van vorst over een islamitisch rijk, Bayezit voor veel grenskrijgers een vijandige vorst was geworden. Vorsten die door de sultan van hun bezit waren beroofd, voelden zich niet verplicht tot eeuwige loyaliteit aan hem en zij zochten hun toevlucht tot het hof van Timur.

Bayezits claim de erfenis te beheren van de Seldjoekse Sultans van Roem was voor Timur weinig relevant: hij was immers de opvolger van de Mongoolse clans die de opperheer van de Seldjoeken waren geweest (zie De eerste Ottomaanse heersers). Hier komt nog bij dat Bayezit vermoedelijk het gevaar onderschatte dat van Timur uitging.

In 1402 bracht Timur de Ottomanen bij Ankara een vernietigende nederlaag toe. In deze veldslag werd Bayezit gevangengenomen. Een jaar later stierf hij; naar meestal wordt aangenomen, pleegde hij zelfmoord. Er volgden vele jaren van crisis in het Ottomaanse Rijk dat in omvang was teruggebracht tot het rijk dat Bayezit had geërfd toen hij het van Murat overnam.
© 2010 - 2012 Dreus, gepubliceerd in Politiek (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.

Gerelateerde artikelen
Heropbouw van het Ottomaanse Rijk De Ottomanen hadden in de slag bij Ankara (1402) een grote nederlaag geleden tegen Timu…
Het Ottomaanse Rijk - Een rijk van drie continenten Het Ottomaanse Rijk was een reusachtig rijk heersend over drie contin…
Ontdekking van de tulp Er bestaat een prachtige legende over de ontdekking van de tulp. Er werd een rode tulp gevonden, z…
Het Ottomaanse Rijk onder Bayezit II en Selim I (1481-1520) Met de uitbreiding van het Ottomaanse Rijk naar het oosten kw…
Constantinopel wordt de hoofdstad van het Ottomaanse Rijk Sultan Mehmet II, die van 1451 tot 1481 regeerde, was een van d…

Reageer op het artikel "Van Turks stammenvorstendom naar het vroege Ottomaanse Rijk"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Naam: E-mailadres: Meld mij aan voor de wekelijkse InfoNu nieuwsbrief. Reactie:
Infoteur: Dreus
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Politiek
Schrijf mee!