De eerste Ottomaanse heersers

In de 11e en 12e eeuw heerste het Grootseldjoekse rijk in grote delen van West-Azië. Toen het rijk uiteen begon te vallen, ontstond het sultanaat van de Anatolische Seldjoeken met zijn hoofdstad Konya (‘Sultanaat van Roem’). ‘Roem’ was de naam waarmee de Griekse – en later ook de Turkse – bewoners van Byzantium werden aangeduid. De Mongoolse invasies die Anatolië vanaf de 13e eeuw teisterden, deden uiteindelijk Roem in een groot aantal kleine staten van ‘grenskrijgers’ uiteenvallen.
In dit derde deel van een serie wordt de ontwikkeling van de Turken gevolgd in Noordwest-Anatolië vanaf de Mongoolse invallen. Als het Sultanaat van Roem aan het eind van de 13e, begin 14e ophoudt te bestaan, ontstaat er in Anatolië ruimte voor diverse kleine Turkse vorstendommen. Een daarvan, voortgekomen uit het huis Osman, zal uiteindelijk uitgroeien tot het Ottomaanse Rijk.


Mongoolse veroveringen

Aan het begin van de 13e eeuw werd het oostelijke deel van de islamitische wereld geteisterd door de Mongoolse invasies onder leiding van Jenjis (Dzjengis) Khan. Zijn dood in 1227 zorgde voor een korte adempauze, maar al in de jaren veertig waren de Mongoolse troepen weer opgetrokken en hadden zij West-Iran, grote delen van Mesopotamië, Georgië en Armenië bezet. In 1243 versloegen zij de Seldjoekse sultan, ondanks dat deze werd gesteund door Byzantijnse, Armeense en Frankische huurlingen (slag bij Köşe Dağ, noordoost-Turkije).

In 1258 belegerde Hülagü Khan, een kleinzoon van Jenjis Khan, Bagdad. Nadat hij de stad had ingenomen, werd zij geplunderd en verwoest. De laatste kalief van het grote Abbassidische rijk (750-1258) werd samen met het grootste deel van zijn familie vermoord. Een Abbassidische prins die naar Kairo had weten te vluchten, werd door de Mamelukse sultan Baibars benoemd tot kalief van Kairo, in hoofdzaak een symbolische daad (zie De Turken: steppevolk, slaven, Mamelukse sultans).

De Mongoolse Il-Khanen

Het grootste deel van Centraal- en Oost-Anatolië werd onderhorig aan de Mongoolse Il-Khanen die vanuit Perzië regeerden. De Mongolen ondernamen vele plundertochten, maar in tegenstelling tot de andere gebieden die zij hadden veroverd, lijfden zij het Sultanaat van Roem niet in, een voor de lokale bevolking in het dagelijkse leven nauwelijks relevant detail. Het bestuur over de Seldjoekse gebieden in Anatolië werd gevoerd door Mongoolse gouverneurs of Turkse vazallen.
Het rijk van de Il-Khanen
Het rijk van de Il-Khanen
Hoewel het Sultanaat van Roem niet door de Mongolen werd ingelijfd, kwamen de Seldjoeken de slag die de Mongolen hun hadden toegebracht, niet meer te boven. Het rijk sleepte zich nog zo’n vijftig jaar voort, waarna het sultanaat uit de geschiedenisboeken verdween. Het rijk van de Il-Khanen begon met de dood van de Il-Khan Aboe Said in 1335 zelf ook al snel te desintegreren.

De beperkte invloed die de Mongolen op de binnenlandse aangelegenheden van de Seldjoeken uitoefenden en de tezelfdertijd instortende centrale macht van de sultans in Konya, gaf ruimte aan de opkomst van verscheidene lokale vorstendommen.

Anatolië verdeeld in kleine staatjes

De ineenstorting van het centrale gezag van het Sultanaat van Roem en de toevloed van vele nomadische Turken die op de vlucht waren voor de Mongoolse invasies en plundertochten, leidden in Anatolië tot een hernieuwde activiteit van de ‘grenskrijgers’ (gazi), met name in de westelijke gebieden. De door de grenskrijgers beheerste gebieden vormden veelal min of meer zelfstandige vorstendommen. Het gevolg hiervan was dat uiteindelijk geheel West-Anatolië onder islamitisch Turks bestuur kwam te staan.

Het belangrijkste vorstendom was dat van Karaman dat vanuit de oude Seldjoekse hoofdstad Konya probeerde het Seldjoekse sultanaat voort te zetten. Ten noorden hiervan was het vorstenhuis Eretna vanuit zijn centrum Sivas actief en in het zuidwesten van Anatolië waren belangrijke staatjes die van Eydın, Menteşe en Teke.

Het gazi-vorstendom dat op den duur waarlijk geschiedenis zou schrijven, bevond zich in het noordwesten. Evenals de vorstendommen langs de kusten van de Zee van Marmara, de Dardanellen en de Egeïsche Zee was het vooral verwikkeld in een oorlog van de islam tegen de christenen van het nabijgelegen en steeds meer in het nauw gedreven Byzantijnse Rijk. De strijd werd zowel te land als ter zee gestreden. Dit vorstendom staat bekend onder de naam van zijn eerste heerser, Osman bin Ertuğrul, die van 1299 tot 1326 regeerde. De onderdanen van deze Osman worden Osmanlı genoemd, ofwel Ottomanen (ook wel Osmanen).

Osman I

Ertuğrul
Ertuğrul
Osmans vader, Ertuğrul, aanvoerder van de Kayi-stam van Oğuz Turken, arriveerde halverwege de 13e eeuw met 400 gazi-ruiters in West-Anatolië om de Seldjoekse sultan te helpen in diens strijd tegen de Byzantijnen. Omdat hij trouw had gezworen aan de sultan, kreeg hij toestemming een eigen prinsdom te vestigen en dit uit te breiden ten koste van de aangrenzende Byzantijnse gebieden. De door Ertuğrul veroverde stad Söğüt (Thebasion) werd de hoofdstad van zijn ‘grensstrijdersemiraat’. De elite van het vorstendom, de gazi-strijders, leefden van hun rooftochten, die zij veelal in het kader van de geloofsstrijd voerden.

De vorstendommen in het westen van Anatolië, inclusief dat van Ertuğrul, waren in het begin kleiner en minder machtig dan bijvoorbeeld dat van Karaman in Centraal-Anatolië. Maar hun ligging bleek uiteindelijk een beslissende factor te zijn om steeds belangrijker te worden, en daar maakte Ertuğruls opvolger, zijn zoon Osman, het meest en best gebruik van.

De ligging van Osmans vorstendom in het noordwesten van Anatolië, grenzend aan de christelijke, Byzantijnse gebieden van Constantinopel en de provincie Bithynië (aan de Zwarte Zee) bood de gazi meer kansen op buit, roem of martelaarschap – al naar gelang hun insteek om strijd te voeren. Door dit vooruitzicht werd bovendien een constante toestroom van nieuwe strijders uit andere delen van Anatolië aangetrokken en kon Osman makkelijker steun van de andere vorstendommen verwerven.

Osman I
Osman I
In 1301 behaalde Osman bij Koyunhısar (Baphaion) een overwinning op de Byzantijnen die hem in de gelegenheid stelde zijn grondgebied aanzienlijk uit te breiden. Een deel van de Byzantijnse bevolking ontvluchtte Anatolië en de machthebbers in Constantinopel, die nu alles op alles moesten zetten om de Ottomanen ervan te weerhouden over te steken naar het Europese deel van hun rijk, zetten in op hun vloot. Osman rukte echter verder op richting de Egeïsche kust van Anatolië en richtte zich ook op de Byzantijnse gebieden aan de Zwarte Zee.

Aan het eind van Osmans leven (volgens sommige bronnen kort na zijn opvolging door zijn zoon Orhan) slaagden de Ottomanen erin de zwaar versterkte stad Bursa in te nemen. Deze stad, die een springplank naar Constantinopel zou vormen, werd de nieuwe hoofdstad van het snel groeiende vorstendom en ontwikkelde zich bovendien tot een belangrijk handelscentrum.

Orhan I

Onder Osmans opvolger, zijn zoon Orhan, verliep de gebiedsuitbreiding nog sneller. In de jaren dertig van de 14e eeuw vielen Iznik (Nicaea) en Izmit (Nicomedia) in Ottomaanse handen. Aan het eind van het decennium hadden de Ottomanen vrijwel alle gebieden veroverd die de Byzantijnen in West-Anatolië nog beheersten, met uitzondering van de forten aan de kust die hun hoofdstad Constantinopel beschermden. Door de inlijving in 1345 van het naburige Anatolische emiraat Karası in het zuidwesten breidde Orhan zijn staat uit tot de kusten van de Egeïsche Zee en de Dardanellen.

De ligging tegenover Constantinopel vormde nog een voordeel voor het almaar groeiende Ottomaanse vorstendom ten opzichte van zijn Anatolische rivalen. In de 13e eeuw kende Byzantium, waarvan Constantinopel de hoofdstad was, de ene troonsopvolgingsstrijd na de andere en de Byzantijnse keizer en de troonpretendenten waren meer dan eens bereid bondgenootschappen aan te gaan met hun buurstaten, waaronder ook de Ottomanen. De Byzantijnse heersers schatten in het algemeen het gevaar van hun moslimburen als minder bedreigend in dan dat van hun ‘Latijnse’ buren: Venetië en Genua beheersten de Middellandse-Zeehandel en de Peloponnesos en talrijke Egeïsche eilanden werden beheerst door ‘Frankische’ dynastieën. Met al deze staten, en ook met buurstaten als Bulgarije en Servië, sloten de Byzantijnen wisselende bondgenootschappen om hun onderlinge rivaliteiten te beslechten.

Orhan I
Orhan I
In 1341 riep Johannes VI Cantacuzenus, die reeds zijn dochter Theodora aan Orhan had uitgehuwelijkt, zich tot Byzantijns keizer uit. In de zesjarige burgeroorlog die daarop volgde tegen zijn rivaal Johannes V Palaeologus, riep hij de hulp in van de Ottomanen die daartoe naar de Europese kant van de Zee van Marmara overstaken. Andere Byzantijns-Ottomaanse allianties volgden waardoor de Ottomanen in staat werden gesteld zich aan de Europese kant van de Zee van Marmara te vestigen. De rijke buit die te behalen bleek in de Europese gebieden van het Byzantijnse Rijk, waren een stimulans voor de Ottomanen om hun grondgebied verder daarnaartoe uit te breiden.

De periode halverwege de 14e eeuw werd ook besteed aan de vervolmaking van het bestuurs- en militaire apparaat van de Ottomaanse staat. De man die hiervoor grotendeels verantwoordelijk was, was Orhans oudste broer Alaeddin. In deze periode vond er slechts mondjesmaat nog gebiedsuitbreiding plaats. Een van de weinige veroveringen in deze jaren, die van Ankara in 1354, was van groot belang voor de consolidatie van de jonge staat en zijn bestuursinstellingen. Ankara, als voormalige stad van het Seldjoeken rijk, kende een hoog niveau van bestuur, cultuur en handelsactiviteiten. De kennis en vaardigheden voor het besturen van een rijk die hier voorhanden waren, kwamen nu ter beschikking aan de Ottomanen.

De eerste sprong naar Europa

Als gevolg van handelsoorlogen tussen de Italiaanse stadstaten Genua en Venetië, waarin Byzantium voor een deel werd meegezogen, invallen van Turkse grenskrijgers en de eigen interne twisten om de troon, was het Byzantijnse Rijk halverwege de 14e eeuw ernstig verzwakt.

Met de bezetting van Gallipoli (Gelibolu) in 1352 door Orhans oudste zoon Süleyman kreeg het Ottomaanse vorstendom een direct bruggenhoofd op het vasteland van Europa in handen. Het zou een belangrijke uitvalsbasis worden voor de Ottomaanse veroveringen op de Balkan.

In 1357 kwam Süleyman om bij een jachtongeval in het Europese deel van het Ottomaanse vorstendom. Zeer aangeslagen hierdoor liet Orhan de uitoefening van het staatsgezag over aan zijn tweede zoon Murat. Zelf leidde hij nog een jaar een teruggetrokken leven in de Ottomaanse hoofdstad Bursa.
© 2010 - 2012 Dreus, gepubliceerd in Politiek (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.

Gerelateerde artikelen
Het Ottomaanse Rijk - Een rijk van drie continenten Het Ottomaanse Rijk was een reusachtig rijk heersend over drie contin…
Ontdekking van de tulp Er bestaat een prachtige legende over de ontdekking van de tulp. Er werd een rode tulp gevonden, z…
De Seldjoeken: van Turkse familie tot islamitisch rijk Vanaf de 7e eeuw waren er in toenemende mate contacten tussen Turk…
Constantinopel, van het begin, tot de val Het Rome van de Middeleeuwen. Lees nu de geschiedenis ervan. Hoe begon het? Con…
De Turken: steppevolk, slaven, Mamelukse sultans In Centraal-Azië bevindt zich een brede band van landen waar Turkse (Tur…

Reageer op het artikel "De eerste Ottomaanse heersers"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Naam: E-mailadres: Meld mij aan voor de wekelijkse InfoNu nieuwsbrief. Reactie:
Infoteur: Dreus
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Politiek
Schrijf mee!