Politiek en Kamer

Bevoegdheden van de wetgevende kamers

De belangrijkste functie van de wetgevende kamers is de controle op de regering. Het zwaartepunt van het wetgevend werk ligt toch bij de regering.Deze functie wordt aangevuld met een aantal bijzondere bevoegdheden.


1 Controle op de federale regering

1.1 Het verlenen of onttrekken van vertrouwen aan de regering
In een parlementaire democratie is de regering verantwoording verschuldigd aan het parlement. Het betreft wat men in het Engels aanduidt als “gouvernment making power”.
Sinds de grondwetswijziging van 1993 is de regering enkel nog verantwoording verschuldigd aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers, en niet langer aan de Senaat.

De Kamer oefent toezicht uit op de regering, en wel op verscheidene manieren.

Zodra een regering gevormd is, zal zij een regeringsverklaring afleggen aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers, en na het debat een vertrouwensstemming vragen. In deze stem-ming vraagt de eerste minister heel uitdrukkelijk het vertrouwen van de assemblee, dat ze kan uitdrukken door middel van een motie. Deze regeling is niet opgenomen in de grondwet, men neemt aan dat het een grondwettelijke gewoonte geworden is.
Een dergelijke motie van vertrouwen kan op verschillende momenten ingediend worden, maar het houdt evenwel een risico in voor de premier: er is altijd een mogelijkheid dat hij dat vertrouwen niet krijgt. Toch kan hij er een zeker moreel overwicht mee bekomen, de parlementair wordt geconfronteerd met de vraag of zijn bezwaren écht wel van dien aard zijn dat ze een regering zouden laten vallen. Om die reden kan de eerste minister de ver-trouwenskwestie koppelen aan de stemming van een wetsontwerp. Alle leden van een assemblee kunnen het initiatief nemen tot een motie van wantrouwen.
Indien de vertrouwenskwestie voorgelegd wordt, en het vertrouwen wordt ontnomen, was de regering tot aan de grondwetswijziging van 1993 verplicht ontslag te nemen. Vanaf 1995 was dat evenwel anders.

De gevallen waarin de federale regering verplicht is ontslag te nemen worden in de grondwet beschreven:
  • Wanneer de Kamer van Volksvertegenwoordigers bij volstrekte meerderheid een motie van wantrouwen aanneemt waarin een nieuwe premier wordt voorgesteld; of als de Kamer van Volksvertegenwoordigers een motie van vertrouwen verwerpt en binnen de drie dagen een alternatieve coalitie voorstelt. Opdat dit mogelijk zou zijn, moet één van de regeringspartners in elk geval al serieus overspel plegen met de oppositie: de oppositie op zich zou dit namelijk nooit kunnen.
  • Als er geen alternatief naar voor komt, is de regering niet verplicht ontslag te nemen. Wegens gebrek aan een meerderheid is het evenwel waarschijnlijk dat er minstens een herschikking van de regeringspartijen komt. Eventueel wordt er één partij uitgesloten en doet men met een minderheidsregering door. In dat geval moet men evenwel overeenkomen met een oppositiepartij dat die zich telkens onthoudt in geval van een vertrouwensstemming. Deze oppositiepartij zal dit vanzelfsprekend niet gratuit doen. Lukt het ook niet om met een minderheidsregering door te doen, zal de enige oplossing zijn ontslag te nemen en verkiezingen uit te schrijven.

1.2 Vragen en interpellaties
Een vraag van een parlementslid aan een minister kan mondeling of schriftelijk gesteld worden. Er volgt een antwoord, en daar houdt het op.
Indien er een discussie volgt op die vraag, dan spreekt men van een interpellatie.

1.3 Het vorderen van de aanwezigheid van een minister
De parlementsleden kunnen de aanwezigheid van een minister vorderen. Nu en dan dreigt men daar eens mee, maar in de praktijk gebeurt het nooit. De ministers gaan over het al-gemeen in op een loutere vriendelijke uitnodiging.

1.4 Middelen van financieel toezicht
In het parlement worden de debatten van goedkeuring van de begroting gevoerd.

2 Uitoefening van de wetgevende macht

De wetgevende macht heeft drie takken: de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat en de koning.

2.1 Respectieve bevoegdheden van Kamer en Senaat
2.1.1 Onderscheid tussen drie soorten aangelegenheden
  • Monocamerale aangelegenheden
Voor een monocamerale aangelegenheid moet (en mag) slechts de Kamer van Volks-vertegenwoordigers optreden. Deze aangelegenheden worden opgesomd in art. 74 GecGW. Ze zijn eerder uitzonderlijk, het gaat bijvoorbeeld om de begrotingswetten.

  • Verplicht bicamerale aangelegenheden
De verplicht bicamerale aangelegenheden worden in de grondwet limitatief opgesomd. Het gaat om de “belangrijkste” aangelegenheden, waarbij de wetten pas goedgekeurd zijn als ze zijn aangenomen in beide kamers. Beide kamers hebben in deze dezelfde be-voegdheden, en desnoods blijft de wet naveren…
Vroeger was dit het systeem voor alle wetten.
Soms levert deze procedure een probleem op. Indien een paar artikels uit een veel grotere wet eigenlijk betrekking hebben op een bicamerale aangelegenheid (bvb het bevoegd maken van een rechtbank) dan is daarom alleen al de ganse wet een verplicht bicamerale materie. Daarom gaat men soms de wet opsplitsen, het grootste deel wordt door de monocamerale procedure goedgekeurd, en er volgt een wet “diverse bepa-lingen…” die een en ander kanttekent, en door de bicamerale procedure wordt goed-gekeurd.
De regering heeft de keuze als zij een wetsontwerp eerst indient in Kamer of Senaat. Hierop is er één uitzondering: wetten houdende instemming met een internationaal ver-drag moeten eerst in de Senaat worden ingediend.

  • Facultatief bicamerale aangelegenheden
Het overgrote deel van de wetsontwerpen behandelt facultatief bicamerale aangelegen-heden. Voor deze residuaire categorie geldt volgend principe. De Kamer van Volks-vertegenwoordigers hebben de bevoegdheid de wet autonoom goed te keuren. De Senaat heeft evenwel het recht het wetsontwerp te evoceren en ter studie te nemen. Dat recht is aan een zekere termijn gebonden, en een minimum aantal leden is nodig om een voorstel te evoceren.
Ook heeft elke individuele senator het recht in deze materies wetsvoorstellen in te dienen.
De Senaat kan zijn wil evenwel niet opleggen aan de Kamer, die altijd het laatste woord heeft.
In geval van een conflict tussen de Kamer en Senaat over de vraag tot welke aange-legenheden een bepaald voorstel of ontwerp behoort, gaat men te rade bij de parle-mentaire overlegcommissie.

2.1.2 De parlementaire overlegcommissie
Art. 82 GecGW
Als Kamer en Senaat het niet eens raken over de kwalificatie van een bepaalde aan-gelegenheid, kwalificeert de parlementaire overlegcommissie het voorstel of ontwerp op bindende wijze.
Precies het bindend karakter van de beslissingen van de parlementaire overleg-commissie is de reden waarom de commissie in de grondwet is opgenomen: ze staat a.h.w. boven de wetgevende macht!
In de praktijk laat de commissie een wet met twee onderdelen gauw opsplitsen.

2.2 De wetgevingsprocedure
  • Een voorstel wordt ingediend door een lid van een assemblee, een ontwerp door een lid van de regering. Een voorstel wordt ontwerp als het wordt overgezonden naar de andere kamer.
  • Eerst volgt de behandeling in de commissie…
  • … dan volgt de behandeling in plenaire zitting. Elke parlementslid heeft (zowel in de commissie als in de plenaire zitting) amenderings- en splitsingsrecht.
  • Dan volgt de stemming. Er is een aanwezigheidsquorum en een vereiste meerder-heid. Onthoudingen worden meegeteld voor de aanwezigheden, maar niet voor de stemming. Als er in de Kamer (150 leden) bvb. 70 onthoudingen zijn, 10 voor en 5 tegen, dan is aan het aanwezigheidsquorum voldaan (70+10+5 = 85 > 150/2) én dan is aan de meerderheidsvereiste voldaan (10>15/2); en wordt die wet dus aangenomen.
  • Eventueel kan een taalgroep beslissen aan de alarmbel te trekken: indien ¾ van de leden van een taalgroep verklaart dat een voorstel of ontwerp de belangen van die groep schendt, gaat dat voorstel of ontwerp naar de paritair samengestelde regering.
  • Als de Kamer van Volksvertegenwoordigers, en eventueel de Senaat, de wet heeft goedgekeurd, moet de koning als derde tak van de wetgevende macht uitdrukkelijk verklaren dat hij het eens is met de wet. Dit is wat men noemt de bekrachtiging
  • Meteen kondigt de koning de wet ook af. Het verschil met de vorige handeling is, dat hij de bekrachtiging uitvoert als lid van de wetgevende, en de afkondiging als lid van de uitvoerende macht. Door de afkondiging bevestigt de koning het bestaan en de geldige totstandkoming van de wet.
  • De koning beveelt tevens de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, opdat de wet tegenstelbaar zou zijn, en dus verplichtingen voor de burgers in het leven zou kunnen roepen.
  • Indien er in verband met de inwerkingtreding van de wet geen bepalingen zijn opge-nomen in de wet zelf, treedt de wet in werking op de tiende dag na de bekendmaking.
© 2006 - 2010 Guggenheimer, gepubliceerd in Politiek (Mens en Samenleving) op 29-12-2006. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Guggenheimer is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Bevoegdheden van de wetgevende kamers"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.