Pedagogiek en Kinderen

Faalangst bij kinderen

Faalangst bij kinderen

Faalangst is een speciale vorm van angst die kan voorkomen in (taak)situaties waarin prestaties verlangd worden. Faalangst is een heel normaal verschijnsel. Iedereen kan zich er wel wat bij voorstellen, want het komt bij iedereen (in meer of mindere mate) voor. Kun je faalangst niet goed hanteren en heb je er last van, dan spreken we van negatieve faalangst. Je gaat dan onder je niveau presteren. Dit kan zo negatief uitpakken dat het een negatieve invloed op iemand heeft: negatieve faalangst.


Ongeveer tien procent van de leerlingen heeft last van faalangst. Met faalangst bedoelen we niet de “normale” angst die iedereen kent en ook nodig heeft om prestaties te leveren en dingen te durven. Deze “natuurlijke” angst is een reactie van ons lichaam op dreigend gevaar. Dit kan heel positief werken: een gezonde portie spanning maakt dat je alerter, prestatiegerichter en strijdvaardiger bent. Men noemt dit dan ook positieve faalangst. Maar angst kan ook zo negatief zijn dat het iemand geheel blokkeert. Het zorgt ervoor dat je niet meer helder kunt denken: je geheugen loopt vast of je gooit alles door elkaar, je denken wordt chaotisch of je klapt volledig dicht. De angst kan dan zo hoog oplopen dat je niet meer goed kunt functioneren. Deze angst, de angst om te falen, noemen we (negatieve) faalangst.
Er zijn drie verschillende soorten faalangst. Cognitieve, sociale en motorische faalangst. Vaak komen er mengvormen van deze drie soorten voor.

Soorten faalangst

Er zijn drie soorten faalangst. Vaak komen deze soorten in mengvormen voor.
  • 1. Cognitieve faalangst: Deze faalangst richt zich vooral op het schoolse leren. De leerling is bang om met schoolse taken te beginnen, omdat deze volgens hem altijd mislukken. Schoolse prestaties worden vaak beoordeeld en door de verminderde prestaties (juist door de faalangst) zijn deze beoordelingen vaak negatief.
  • 2. Sociale faalangst: Het kind dat sociaal faalangstig is ervaart de school niet als een rustige, velige plek. Het kind is bang voor kritiek, bekeken worden tijdens het werk, angst om afgewezen te worden door groepen die belangrijk voor hem zijn enz. Aan de leerling is vaak te zien of hij sociaal faalangstig is. (het stille, teruggetrokken kind of juist het drukke, nerveuze kind).
  • 3. Motorische faalangst: Er zijn kinderen die heel angstig worden als er een beroep wordt gedaan op het motorisch handelen. Deze activiteiten lukken dan ook niet, omdat de angst zorgt voor een verkrampte houding.

Symptomen

Belangrijke symptomen:
Een faalangstig persoon heeft vrijwel altijd een negatief beeld van zichzelf. Ook vinden ze het erg belangrijk wat anderen van ze vinden. De faalangstige leerling kan heel stil en teruggetrokken zijn, maar ook juist heel druk en actief. Buikpijn, misselijkheid, hoofdpijn, hartkloppingen, hyperventileren, slapeloosheid, trillen, stotteren enz. kunnen symptomen zijn van faalangst.
Vijf belangrijke symptomen die steeds terugkomen zijn: een negatief zelfbeeld, onzekerheid, tunneldenken (hele denken wordt beheerst door die ene taak), ik-gericht denken (‘ik ben de enige met dit probleem’), alles doen om mislukkingen te voorkomen.
Soms kan het denken volledig blokkeren en weet de leerling niets meer (black-out). Emotionele reacties zijn vaak aanwezig. In extreme gevallen treedt er vermijdingsgedrag op.

Gedragsmatige kernmerken zijn:
verwarde antwoorden geven, oogcontact vermijden, geen verantwoordelijkheid of initiatief nemen, schrik bij plotselinge overhoring (bleek worden, transpireren, hart in keel voelen bonzen), zich verbergen in grote groepen leerlingen. Verder zijn faalangstige leerlingen heel gevoelig voor negatieve opmerkingen. Er zijn actieve en passieve faalangstige leerlingen. Actieve faalangstigen zullen alles tot in de puntjes voorbereiden om de kans op mislukken zoveel mogelijk te verminderen. Passieve faalangstigen doen alles om onder de taak uit te komen. Vaak beginnen ze er niet eens aan, omdat ze niet met de angst om te mislukken geconfronteerd willen worden.

Faalangst uit zich in veel verschillende vormen. De leerkracht kan een signaleringslijst als hulpmiddel gebruiken. Deze zijn onder andere te vinden op het internet.

Herkennen van faalangst

Het is belangrijk om het gedrag van je leerlingen goed te observeren. Ook is het belangrijk dat je bekend bent met de signalen en deze opvangt.
Als je het vermoeden hebt dat een leerling faalangstig is, kun je signaleringslijsten gebruiken om je vermoedens te bevestigen. Er zijn allerlei vragenlijsten en testen hiervoor verkrijgbaar.
Ook kun je met het team op je school overleggen en eventueel een gesprek met de ouders aangaan.
Voordat je met de begeleiding begint is het belangrijk dat er eerst een zorgvuldige diagnose plaats vindt. Hierbij moet je denken aan: wat zijn de oorzaken?, wanneer heeft de leerling er last van, heeft de omgeving er invloed op? enz. Het is belangrijk voorzichtig te zijn met de diagnose en niet zomaar het etiket faalangst op bepaald gedrag te plakken.
Als het duidelijk is dat de leerling faalangstig is, kan er overgegaan worden op de begeleiding. Aan de hand van de observatiegegevens kan er dan een handelingsplan voor de leerling worden opgesteld.

Voorkomen

Het pedagogisch klimaat in de klas is erg belangrijk. De basis van zo’n klimaat zal opgebouwd moeten worden uit een goede relatie tussen leerkracht en leerling. De leerlingen moeten het gevoel hebben dat ze serieus worden genomen. Het kind moet zich veilig voelen in de klas. Het is belangrijk achter het gedrag van het kind steeds het kind zelf te zien.
Weet wat er speelt bij je leerlingen en probeer zoveel mogelijk aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen. Er moet ruimte zijn voor eigen inbreng van de kinderen. Een gezellig ingericht lokaal straalt veel warmte en veiligheid uit. Leerlingen zijn verschillend. Deze verschillen komen tot uiting in benadering, omgang, beoordeling en hulp. Het is belangrijk dat je aandacht hebt voor het groepsgebeuren. Laat de leerlingen dus vaak samenwerken en besteed hier aandacht aan.

Begeleiden

Een faalangstig kind heeft veel behoefte aan zekerheid en duidelijkheid. Het kind moet weer een positief zelfbeeld krijgen. Je kunt een plan opstellen om een kind stapje voor stapje (weer) te laten doen waar het bang voor is, maar het moet zeer geleidelijk gaan met een duidelijke mate van structuur.
Heel belangrijk zijn overzichtelijkheid, kennis over eigen prestaties, positieve verwachtingen en het ontwikkelingsproces centraal stellen (niet alleen resultaat). Leer het kind dat het fouten mag maken en dat het erbij hoort in de klas.
Probeer samen met het kind de negatieve gedachten van het kind te achterhalen en ze te vervangen door positieve gedachten. Een faalangstig kind denkt negatief, waardoor ook de gevoelens en het gedrag ’negatief’ worden. Het kost tijd om dit te veranderen, maar het is de moeite waard!

In het kort:

  • Zorg voor een goede, zorgvuldige diagnose
  • Zorg voor een goed pedagogisch klimaat; laat de leerling weten dat het erbij hoort
  • Pas op met negatieve opmerkingen
  • Stel een plan op waarmee het kind heel geleidelijk het ‘enge’ weer gaat doen
  • Buig negatieve, niet-helpende gedachten om naar postieve, helpende gedachten.
  • Praat met het kind over zijn gedachten en gevoelens
  • Leer het kind dat het fouten mag maken
  • Overleg met de ouders en je schoolteam
© 2006 - 2010 Eboonk, gepubliceerd in Pedagogiek (Mens en Samenleving) op 28-12-2006. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Eboonk is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Faalangst bij kinderen"


Door S. Jansen op 04-01-2009

Als leerkracht herken ik bij een aantal kinderen bovengenoemde 'verschijnselen'. Ik vind het prettig om nog gerichtere info te krijgen om deze kinderen zo adequaat te kunnen helpen.

Door Bianca Kuijpers op 08-01-2008

Kunt u mij vertellen door wie dit artikel geschreven is?
Is dit een pedagoog?