Syrië onder Hafiz al-Assad (1971 - 2000)

Na de staatsgrepen van 1966 en 1970 controleerden de Alawieten – een bevolkingsgroep die zo’n 12% van de totale bevolking uitmaakt – de Syrische staat. De soennitische meerderheid reageerde met demonstraties en stakingen, de Moslim Broederschap ook met aanslagen en moordpartijen. Geweld over en weer culmineerde in de beruchte opstand in Hamaa in 1982, die uiterst bloedig werd neergeslagen. Daarna kende Syrië een tamelijk lange periode van gespannen rust.

Economie

Qalaat Jabar (11e eeuw), sinds de aanleg van de Assad-dam in 1973 gelegen op een eilandje in het 80km lange Assad-meer
Qalaat Jabar (11e eeuw), sinds de aanleg van de Assad-dam in 1973 gelegen op een eilandje in het 80km lange Assad-meer
Aan het begin van de jaren zeventig maakte Syrië een relatief gunstige economische ontwikkeling door. De aanleg van de Assad-dam in de Eufraat bracht het gewenste resultaat, een programma voor sociale woningbouw miste zijn uitwerking niet, landhervormingen beperkten de macht van (soennitische) grootgrondbezitters, banken en andere voor de economie cruciale sectoren werden genationaliseerd. Met name het armere deel van de bevolking ging erop vooruit.

Veel van de economische activiteiten werden in gang gezet vanuit de Ba’th-ideologie van het regiem. Hafiz al-Assad was hierin pragmatischer dan zijn aan de kant gezette voormalige strijdmakker Salah Jadied. Zo bleef er naast de publieke sector een sterke particuliere sector bestaan, uit economische noodzaak en om die niet geheel van zich te vervreemden. In de ogen van de traditionele soennitische elites die het meest te leiden hadden van de nieuwe economische politiek, was de Ba’th-ideologie echter vooral een dekmantel voor Alawitisch sektarisme. Het socialisme zou een dekmantel zijn om rijkdom van soennieten over te hevelen naar Alawieten.

Zelfs de Oktoberoorlog met Israël (1973) en Syriës bemoeienis met de Libanese burgeroorlog (vanaf 1975) met zijn forse negatieve gevolgen voor de economie leidden niet tot grote sociale onrust. De bedreigingen voor het regiem kwamen vooral vanuit religieuze hoek.

Verzet

Een belangrijke grief tegen het regiem was het seculiere karakter van de Ba’th en de overheersende invloed van de Alawieten daarbinnen (zie Wortels van de relatie van Syrië met Libanon en Iran). Woordvoerders van de Ba’th schreven deze geluiden in de voor die jaren kenmerkende bewoordingen toe aan ‘imperialistische en zionistische propaganda’ die erop uit was de eenheid van het Syrisch volk aan te tasten.

De jaren zeventig van de vorige eeuw gaven in de islamitische wereld een opleving van de islam in meer fundamentalistische zin te zien (Iran, Egypte). Zo ook in Syrië, waar de nederlaag in de juni-oorlog met Israël (1967) en de verspreiding van de denkbeelden van de radicale, Egyptische denker Sayyid Qutb de radicalisering van de Moslim Broeders aanwakkerden. Vanuit de moskee werd de strijd aangebonden tegen de Ba’th en de Alawieten. De luidste verwijten waren corruptie, onvrijheid en zedenloosheid.

De Moslim Broederschap ontwikkelde zich tot een soort parapluorganisatie voor verschillende soennitische bewegingen tegen het regiem. Met een wijdvertakte en hechte organisatie, voorzien van de nodige wapens, organiseerde zij vanaf het eind van de jaren zeventig vele demonstraties, stakingen en winkelsluitingen. Zorgwekkender voor de machthebbers waren de talrijke moorden die uit naam van de Broederschap werden gepleegd. Onder hun slachtoffers waren hoge Ba’th-functionarissen, rechters en met het regiem samenwerkende geestelijken. Ook de directe kring rond president Assad werd niet gespaard; een aanslag op Hafiz al-Assad zelf mislukte.

Een zware klap voor het regiem was de aanslag op een officiersschool in Aleppo (16 juni 1979). Hierbij werden tientallen Alawieten gedood. Bij onlusten in Latakia vielen eveneens tientallen doden – eerder waren daar twee Alawitische religieuze sjeiks vermoord. De steden Aleppo, Latakia, Hamaa en Homs bleven maanden onrustig.

Rifaat al-Assad
Rifaat al-Assad
Om de onlusten te onderdrukken werd van de kant van het regiem vooral gebruikgemaakt van de veiligheidstroepen onder bevel van Rifaat al-Assad, broer van de president en een van de meest gehate mannen in het land. Zij traden buitengewoon hard op, niet alleen in straatgevechten maar ook tijdens razzia’s en in gevangenissen (zo zijn in een strafkamp bij Palmyra en later in een kamp bij Raqqa honderden gevangenen vermoord).

Op 21 april 1981 overvielen strijders van de Moslim Broederschap een checkpoint aan de rand van Hamaa. Drie dagen later werd de stad door veiligheidstroepen omsingeld en uitgekamd; enkele honderden mensen werden totaal willekeurig omgebracht. Toen de bevolking van de stad op 2 februari 1982 openlijk in opstand kwam en, onder aanvoering van de Broederschap, in de beginuren honderden politieagenten en partijbonzen van de Ba’th doodde, gingen bij het regiem alle remmen los: aanvallen van tanks en losgeslagen veiligheidstroepen, en massa-executies. Een groot deel van de oude stad werd verwoest en er vielen tussen de 10.000 en 20.000 doden.

Na ‘Hamaa’ had Hafiz al-Assad het land weer stevig in handen. Het prijskaartje dat hieraan hing, was een versterkte haat van de bevolking jegens het regiem en de Alawieten. De prijs lijkt in 2011 te moeten worden betaald door zijn zoon, president Bashar al-Assad.

Strubbelingen binnen het regiem

Hoewel het aantrekkelijk is te stellen dat sinds de staatsgreep van 23 februari 1966 ‘de Alawieten’ aan de macht zijn in Syrië, miskent dit de rol van stamrelaties, familiebanden en pure machtspolitiek binnen de gemeenschap. Het simpele feit dat men Alawiet is, biedt geen garantie op automatische toegang tot de macht. Veel Alawieten hadden geen enkele verbetering van hun leven gezien.

Na de staatsgreep van 1966 raakten al snel twee coupplegers – de ideoloog Salah Jadied, behorende tot de Haddadien-stam van de Alawieten en de pragmaticus Hafiz al-Assad van de Kalbiyya – in een felle onderlinge strijd.

Moestafa Tlas
Moestafa Tlas
In november 1970 probeerde Jadied Assad en diens steun en toeverlaat de soenniet Moestafa Tlas te ontslaan. Assad reageerde hierop met een coup tegen Jadied (‘de Rectificatie Beweging’), waarna hij de macht greep. Jadied eindigde in de gevangenis. Hij had echter nog een niet onaanzienlijke aanhang binnen het leger. Berichten over een mislukte staatsgreep in 1981 werden met hem in verband gebracht.

Moestafa Tlas werd in 1972 minister van Defensie en bleef de gehele regeerperiode van Hafiz al-Assad diens meest loyale en vertrouwde bondgenoot. Toen Hafiz’ broer Rifaat in 1984 probeerde de macht te grijpen, kon dit onder andere door ingrijpen van Tlas worden voorkomen. Rifaat werd in ballingschap gezonden – als hij niet tot de familie had behoord, zou hem ongetwijfeld een ander lot zijn beschoren geweest. Behorend tot de soennitische gemeenschap en overtuigd secularist was Tlas een voorbeeld waarmee het sektarische karakter van de staat kon worden ontkend.

Versmelting van elites en verstarring van bestuur en economie

De elite van Syrië onder Hafiz al-Assad – en nog steeds onder diens zoon Bashar – is een complex samenstel van subelites van onder andere hoge officieren, zakenmensen, industriëlen, handelaren en grondbezitters. De individuen die deel uitmaken van de elite, komen uit alle etnische en religieuze groeperingen die het land rijk is – zij het dat de uiteindelijke macht in handen ligt van Alawieten. Het regiem heeft dan ook diepe wortels in de maatschappij. Huwelijksbanden, zakenrelaties en inmiddels ook een gedeeld lot maken haar tot een zich aan elkaar vasthoudende elite.

Het zijn vooral de soennitische en christelijke zakenelites van Damascus en Aleppo die gewicht in de schaal leggen. Terwijl zij aanvankelijk toch het meest hebben geleden onder de hervormingen van de Ba’th, nadat deze in 1963 aan de macht was gekomen.

Wie van de zakenelite het land niet als opposant had verlaten, gaf aan loyaal te zijn aan het regiem. En wie loyaal was, werd beloond. Het nieuwe fortuin werd vervolgens weer in het land geïnvesteerd. Investeringen van buitenaf kregen op deze manier nauwelijks een eerlijke kans; steekpenningen en corruptie hadden op dit vlak de overhand. Dit zette een rem op de economische ontwikkeling van het land. De geslotenheid van de economie en de cultuur van corruptie maakten betekenisvolle hervormingen in bijvoorbeeld de bankensector en de telecommunicatie vrijwel onmogelijk.

De ideologie van de Ba’th raakte meer en meer op de achtergrond. Het vooruitzicht op financieel gewin en macht werden belangrijker redenen dan ideologie om zich aan te sluiten bij de partij. Dit is niet verwonderlijk, want de verschillende subelites hadden elkaar nodig: aanpakken van bijvoorbeeld de zakenelite door de militaire elite zouden het regiem beroven van een belangrijke steunpilaar – nog los van het feit dat delen van de militaire elite zelf deel uitmaakten van de zakelijke elite. Omgekeerd, als de zakenelite zich zou losmaken van de militaire elite, zou het zijn vele privileges direct kwijtraken. Slechts een beperkt aantal families behoorde tot de top van de zakenelite, de bekendste onder hen de Assads en de Makhloefs.

Toch klonk er af en toe ook binnen de eigen kring van de president kritiek op zijn persoonlijk leiderschap. Voornaamste mikpunt van de beschuldigingen van corruptie, het voortrekken van familieleden bij allerlei benoemingen en sektarisme was Rifaat al-Assad. Over het algemeen bleef de groep rond de president redelijk gesloten. Er vormde zich een ‘oude garde’, waar Hafiz’ opvolger niet eenvoudig omheen zou kunnen.

De naam al-Assad

Toen rond 1900 de grootvader van Hafiz al-Assad, Suleiman, in zijn dorp Qardaha in de Nusayriya-bergen een rondtrekkende Turkse worstelaar versloeg, riepen de dorpelingen bewonderend ‘wahsh’ (hij is een wilde). Wahsh werd de achternaam van Suleiman. Als geoefend schutter en als man die zijn vuisten wist te gebruiken had hij nogal wat aanzien in het dorp. Hij trad ook op als bemiddelaar bij geschillen over land- of waterrechten.

Hafiz al-Assad
Hafiz al-Assad
Suleimans zoon, Ali Suleiman, ondervond op grond van vergelijkbare kwaliteiten als zijn vader hetzelfde respect. Bovendien bood hij in de jaren twintig hulp aan vluchtelingen die uit Hatay vluchtten, toen Frankrijk begonnen was delen van het gebied aan Turkije af te staan. De vierde zoon bij zijn tweede vrouw was Hafiz, geboren op 6 oktober 1930. In 1933 volgde Jamiel en in 1937 Rifaat.

De familie had gedurende twee generaties nogal wat achting opgebouwd in hun dorp. In 1927 werd de verhoogde status bezegeld met een nieuwe naam. De meest gehoorde versie van het verhaal is dat de leiders van de belangrijkste families tegen Ali Suleiman zeiden: “Jij bent geen wahsh (wilde man), maar een assad (leeuw).” Anderen claimen dat Hafiz halverwege de jaren veertig zelf zijn naam veranderde.

Hafiz’ tante Sa’da trouwde met Ahmed Makhloef uit een naburig dorp. Deze man was een naaste verwante van de vrouw die Hafiz’ echtgenote zou worden.

Special:
De Alawieten in Syrië

Lees verder

© 2011 - 2012 Dreus, gepubliceerd in Internationaal (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Dreus is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
Wortels van de relatie van Syrië met Libanon en Iran Sinds het aan de macht komen van de Ba’th-partij (1963) en Hafi…
Het Syrië van Bashar al-Assad (2000 - ?) Syriës president Hafiz al-Assad liet bij zijn dood in 2000 een land achter…
De Alawieten in Syrië van 1946 tot 1970 Met het einde van het Franse mandaat over Syrië (1946) kwam het landsbestuur…
De Alawieten tijdens het Franse mandaat over Syrië (1920-46) Eeuwenlang waren de Alawieten de armste, meest verachte…
De shabbiha: hulptroepen van het Syrische regiem Het geweld dat het Syrische regiem gebruikt om de protestbewegingen in h…

Reageer op het artikel "Syrië onder Hafiz al-Assad (1971 - 2000)"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Infoteur: Dreus
Rubriek: Mens en Samenleving / Internationaal
Schrijf mee!