Wortels van de relatie van Syrië met Libanon en Iran

Sinds het aan de macht komen van de Ba’th-partij (1963) en Hafiz al-Assad (1970) in Syrië hebben de Alawieten zich ontwikkeld tot de leidende elite van het land. Zij hebben een dominerende invloed op de overheid en de Ba’th, bekleden de sleutelposities in het leger en bij de veiligheidsdiensten, en zij zijn rijk geworden. Religieuze legitimering als moslims hadden de Alawieten echter nauwelijks.
Toen het Franse mandaat over Syrië tot een eind was gekomen (1946), zag het er niet naar uit dat de Alawieten 25 jaar later het land min of meer volledig in hun greep zouden hebben. Toch is dit gebeurd. De Alawitische opmars via het leger en de Ba’th-partij geven hiervoor maar een gedeeltelijke verklaring. De vele staatsgrepen die Syrië in de periode 1949-1963 teisterden, waren vermoedelijk belangrijker. Die staatsgrepen waren vooral interne machtsconflicten binnen de oude, soennitische politieke elite. De mars naar de macht van de Alawieten weerspiegelt niet zozeer de opkomst van een jonge, dynamische tegenelite, maar veeleer de teloorgang door interne conflicten van de oude politieke garde. Zie ook "De Alawieten in Syrië van 1946 tot 1970".

Hafiz al-Assad greep op 16 november 1970 de macht en drie maanden later werd hij de eerste Alawitische president van Syrië. Naar buiten toe vasthoudend aan een vorm van pan-Syrisch nationalisme en het belang van de soennitische islam erkennend, wordt de eerste periode van zijn bewind gekenmerkt door scherpe vervolging van de Moslim Broederschap en andere groeperingen die een gevaar voor zijn positie konden opleveren, terwijl de meeste topposities in de veiligheidsdiensten, de Ba’th-partij en de regering naar Alawieten gingen.

Verzet

In vergelijking met de jaren voor 1963 waren de verhoudingen tussen de Alawieten en de rest van de bevolking radicaal gewijzigd.

  • Direct na het Franse mandaat werd de provincie Latakia volledig in Syrië geïntegreerd, waarmee de soennitische nationalisten de Alawieten duidelijk maakten dat een Alawitische staat er niet zou komen. Nu hadden de Alawieten meer dan hun eigen staat, namelijk heel Syrië.

  • Arabisme en pan-Syrische eenheid waren in de jaren vijftig het middel geweest om de verschillende minderheden in het land te verzoenen met het Syriërschap. Nu werd hetzelfde middel ingezet om de soennieten en andere minderheden te verzoenen met het bewind van een van die minderheden.

  • Aan het eind van de Franse periode had een deel van de soennieten steun gezocht bij andere Syrische bevolkingsgroepen om gezamenlijk sterker te staan tegen de Fransen. Sommigen hadden zich ingezet voor de erkenning van de Alawieten als moslims. Nu werden de Alawieten des te sterker weggezet als ongelovigen.

De Ba’th-principes van het nieuwe regiem – pan-Arabisch nationalisme, socialisme en een seculier wereldbeeld – lokten verzet uit bij de traditionele soennitische elites, handwerkslieden en religieuze leiders. Naarmate de machtsbasis van het regiem zich meer beperkte tot de Alawitische minderheid, ging een deel van de oppositie ertoe over het politieke debat in termen van religie te gieten. Het pan-Arabisme zou alleen maar dienen om de Alawitische politieke overheersing te legitimeren, het socialisme zou een middel zijn om rijkdom van soennieten over te hevelen naar Alawieten en het secularisme zou een voorwendsel zijn om moslimoppositie de mond te snoeren. De oppositie bakende de verschillende gemeenschappen binnen het land zo af dat de Alawieten buiten de moslimgemeenschap vielen.

De post van president was tot 1971 altijd in handen geweest van een soenniet. Dat de Alawiet Hafiz al-Assad hem vanaf februari van dat jaar bekleedde, was symbolisch voor het verlies van macht van de soennieten. De belediging was des te groter omdat de grondwet voorschreef dat alleen een soenniet president kon zijn.

Een nieuwe grondwet in 1973 stelde niet meer dat de islam Syriës staatsgodsdienst is. Grote demonstraties en stakingen in steden als Hamaa, Homs en Aleppo leidden ertoe dat Assad een aantal wijzigingen in de voorgestelde grondwet aanbracht, onder andere dat de president moslim moest zijn. Dit deed de situatie echter nauwelijks kalmeren. De strijd tussen oppositie en machthebbers bleek niet zozeer om de grondwet te gaan, maar om de Alawitische hegemonie.

Zoektocht naar religieuze erkenning

Het was nu voor de Alawieten belangrijker dan ooit om als moslims te worden erkend. Om zijn moslim-zijn te benadrukken ging de president in het openbaar bidden in de Omayyaden-moskee van Damascus. Ook liet hij zich geregeld zien bij religieuze plechtigheden – uitgelezen fotomomenten.

Van de soennitische bevolking was niet veel erkenning te verwachten. De hoogste religieuze leiders uit hun gemeenschap waren ‘ingepakt’ door Assad, zodat zij niet spraken uit naam van de gemeenschap, zo’n 70% van de Syrische bevolking.

De Alawitische religieuze sjeiks waren permanent bezig uit te leggen dat de Alawieten door en door twaalver sjiieten waren – hoewel ze dat niet uit theologische overtuiging deden. Zonder bevestiging van buitenaf maakte dit alles weinig indruk. De leider van de twaalver sjiieten in Libanon, Moesa al-Sadr, bracht uiteindelijk uitkomst door in een fatwa (juridische opinie) te verklaren dat de Alawieten een gemeenschap waren van twaalver sjiieten, en dus moslims.

De Libanese route

Moesa al-Sadr, een sjiitische geestelijke uit Libanon, had in 1967 de Opperste Islamitische Sjiitische Raad opgericht. Hiermee werden de twaalver sjiieten in Libanon officieel als religieuze gemeenschap erkend. De vraag die daarna opkwam, was of de Alawieten van Noord-Libanon, die geen historische banden met de sjiieten uit het zuiden hadden, ook onder de zeggenschap van de Raad vielen.

Moesa al-Sadr
Moesa al-Sadr
Niet alleen om religieuze, maar ook om machtspolitieke redenen, zette al-Sadr zich in om de Libanese Alawieten onder de paraplu van de Raad te krijgen. Daarvoor moest hij ook in overleg treden met de Syrische Alawitische religieuze sjeiks. Aanvankelijk voelden die er niets voor, bang als ze waren dat de Libanese Alawieten zich van hen los zouden maken.

De situatie in Syrië rond 1973 veranderde hun opstelling. Het Alawitische regiem had dringend religieuze legitimering nodig en het verzocht de sjeiks dan ook nog eens goed te kijken naar de voorstellen van Moesa al-Sadr. Omdat het geloof van de Libanese en Syrische Alawieten niet verschilde, zou een opname van de Libanese Alawieten onder de Raad van al-Sadr bij implicatie betekenen dat de Syrische Alawieten ook sjiitische moslims waren. Na de zegen van de Syrische sjeiks te hebben gekregen werd de overeenkomst tussen de Libanese Alawieten en de Raad van al-Sadr in juli 1973 bezegeld – zij het tegen de zin van jonge Libanese Alawieten, die een aparte identiteit voor hun gemeenschap wilden behouden.

Dat al-Sadr geen echte vertrouweling was van een grote sjiitische theoloog, deed niet echt ter zake. Hafiz al-Assad had de religieuze legitimering voor zijn Alawieten en dus voor zijn regiem. En de sjiieten van Libanon hadden een sterke politieke beschermheer gevonden. Het pact was dan ook meer politiek dan theologisch. Het Midden-Oosten zou er nog veel mee te maken krijgen.

Met het uitbreken van de Libanese burgeroorlog (1975) nam de invloed van al-Sadr in Libanon af. Voor het Syrische regiem was dit reden op zoek te gaan naar een sjiitische theoloog die wat extra gewicht in de schaal zou leggen. Die werd gevonden in ayatollah Hasan al-Sjirazi. Ook al-Sjirazi, in ballingschap levend in Libanon, zocht een politieke beschermheer voor zijn eigen plannen. Voor Hafiz al-Assad een uitgelezen kans zich te verzekeren van ’s mans religieuze legitimering én om hem, indien nodig, tegen al-Sadr uit te spelen. Zo ver kwam het nooit: al-Sadr verdween onder nooit opgehelderde omstandigheden tijdens of na een bezoek aan Libië in augustus 1978, al-Sjirazi werd in mei 1980 vermoord.

Ondanks het feit dat de Alawieten als sjiitische moslims waren erkend door enkele lager geplaatste sjiitische theologen, schoven zij in termen van hun geloof niet op richting sjia. Openlijke erkenning van de grote Iraanse ayatollahs bleef dan ook uit.

Iran

Vanaf 1973 bood Syrië een veilig toevluchtsoord voor en verleende het steun aan talloze Iraniërs die actief waren in het (religieuze) verzet tegen de sjah. Hun directe belang voor het regiem was niet duidelijk, maar ze waren ook niet schadelijk. De pragmaticus Hafiz al-Assad verzamelde graag pionnen die misschien ooit nog eens van pas konden komen.

Sommige Iraanse ballingen hadden in ieder geval banden met leidende Iraanse geestelijken en dat zou de religieuze legitimering van de Alawieten geen kwaad doen. Zo schijnt ayatollah Khomeini overwogen te hebben naar Syrië te gaan, toen hij gedwongen werd zijn ballingsoord Irak te verlaten. Uiteindelijk ging hij naar Parijs, de laatste stop voor zijn triomfantelijke terugkeer in Teheran. De nauwe banden tussen Iran en Syrië zijn deels terug te voeren naar deze periode van voor de Iraanse revolutie.

Hafiz al-Assad en de Iraanse president Mohammed Khatami, 14 mei 1999, in een moskee in Damascus
Hafiz al-Assad en de Iraanse president Mohammed Khatami, 14 mei 1999, in een moskee in Damascus
Na de Iraanse revolutie van 1979 zijn de banden tussen Syrië en Iran alleen maar steviger geworden. Vele hoogwaardigheidsbekleders bezochten over een weer elkaars hoofdsteden en Syrië stond een contingent van de Iraanse Revolutionaire Garde in het deel van Libanon toe dat onder zijn controle stond. Dat de inhoud van ideologie en godsdienst vaak ondergeschikt is aan (machts)politieke zaken, blijkt er ook uit dat Iran het Arabisch nationalistische, maar soennitische Ba’th bewind in Irak op ideologische gronden bestreed, terwijl het tegelijkertijd nauw verbonden was met het Arabisch nationalistische Ba’th bewind in Syrië.

In Libanon kon Iran zijn beschermelingen niet steunen zonder de samenwerking met en toestemming van Syrië. Syrië kon de Libanese sjiieten niet in toom houden zonder Iraanse invloed – dezen tartten het westen meer dan Assad lief was. Geen ideologische of religieuze verwantschap, maar samenvallende belangen.

Special:
De Alawieten in Syrië

Lees verder

© 2011 - 2012 Dreus, gepubliceerd in Internationaal (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Dreus is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
De Alawieten tijdens het Franse mandaat over Syrië (1920-46) Eeuwenlang waren de Alawieten de armste, meest verachte…
Geloof en gemeenschap van de Alawieten in Syrië In het noordwesten van Syrië liggen de Nusayriya-bergen, al ongeveer…
Wie was terrorist Ibrahim Hussein Berro? Wat is de achtergrond van de man die in 1994 in Argentinië de bomaanslag op een…
Kwalificatie Wk voetbal 2010, Azië Voor de kwalificatie voor het WK van 2010 in Zuid-Afrika wordt er in Azië ook gev…
Midden-Oosten, Libanon Libanon ligt ten noorden van Israël en ten westen van Syrië. Lange tijd had het de bijnaam 'Klein-…

Reageer op het artikel "Wortels van de relatie van Syrië met Libanon en Iran"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Infoteur: Dreus
Rubriek: Mens en Samenleving / Internationaal
Schrijf mee!