De Alawieten in Syrië van 1946 tot 1970
Met het einde van het Franse mandaat over Syrië (1946) kwam het landsbestuur in handen van de door de Alawieten zo gevreesde soennieten. Tijdens het Franse bestuur hadden zij juist een periode doorgemaakt waarin hun sociaal-economische positie was verbeterd en waarin veel jongeren in het leger, de politie en de inlichtingendiensten terecht waren gekomen. 25 jaar later waren zij oppermachtig in het land.Verzoening met het Syriërschap
Ook toen de Fransen zich uit Syrië hadden teruggetrokken en de kans op een Alawitische staat of autonoom gebied onder Franse hoede volledig uit zicht was verdwenen, bleven de Alawieten zich verzetten tegen de nieuwe centrale overheid in Damascus. Twee kortstondige opstanden in 1946 en 1952 leverden niets op, evenmin als pogingen om de provincie Latakia bij Libanon aan te sluiten. Vanzelfsprekend deden dergelijke activiteiten de toch al slechte Alawitische reputatie bij de soennieten weinig goed.Met het neerslaan van de opstand van een andere minderheid – de Druzen – in 1954 kwam er een keerpunt. Vanaf dat moment gaan de Alawieten zich geleidelijk verzoenen met het feit dat zij Syriërs waren. Al die tijd bleven de Alawieten in groten getale toetreden tot het leger en de veiligheidsdiensten. Tegelijkertijd werden zij massaal lid van de radicale Ba’th-partij.
Leger
Door de grote toestroom van Alawieten en andere minderheden naar het leger waren zij hier al snel sterk oververtegenwoordigd. Gezien de soennitische houding tegenover de Alawieten lijkt het in eerste instantie vreemd dat de soennieten het zover lieten komen. De volgende factoren bieden echter een verklaring.- Ondanks verbeterde levensomstandigheden die de Alawieten in de Franse tijd hadden bereikt, kan hun economische positie in de jaren vijftig nog steeds niet florissant worden genoemd. Ouders waren in het algemeen niet in staat de afkoopsom te betalen die nodig was om hun kinderen aan de twee jaar durende dienstplicht te onttrekken. Velen wilden dat ook niet, want het leger werd gezien als middel om sociaal-economisch vooruit te komen.
- In het beeld van de soennieten was het leger nog steeds de plaats voor de minderheden van het land. Rijke, landbezittende families die overwegend tot de nationalistische beweging tegen de Fransen hadden behoord, keken neer op het militaire vak; voor hun riep het leger nog steeds het beeld van dienstbaarheid aan de Fransen op. Toetreding tot de militaire academie van Homs was in hun ogen dan ook niet iets om na te streven.
Al aan het eind van de jaren veertig leverden de Alawieten een meerderheid van de soldaten, twee derde van de onderofficieren en waren zij sterk oververtegenwoordigd bij de officieren. De soennitische leiders leken erop te vertrouwen dat het in handen hebben van de topposities voldoende was om het leger onder hun controle te houden.
Tussen 1949 en 1963 holde Syrië van de ene naar de andere staatsgreep, met tussendoor een korte periode van parlementair bestuur. Er was min of meer een permanente machtsstrijd binnen de hoogte rangen van het regiem en het leger. Zuiveringen in de top van het leger troffen alleen soennieten – de topposities stonden nog niet open voor Alawieten en leden van andere minderheden. Terwijl de soennitische topofficieren elkaar de tent uitvochten, konden vooral Alawieten geleidelijk de vrijgekomen posities innemen. En om hun machtsposities te versterken zorgden zij ervoor dat in de lagere rangen leden van hun eigen gemeenschap werden opgenomen.
Alle coups, tegencoups en zuiveringen in het leger maakten dat officieren nooit zeker wisten wie zij konden vertrouwen. Wanneer zij betrouwbare verwantschapsrelaties hadden – zoals vaak bij Alawieten het geval was – waren zij eerder geneigd de officiële hiërarchie te omzeilen ten gunste van hun eigen mensen. In dit opzicht waren de soennieten duidelijk in het nadeel: zij waren individuen in het leger, terwijl de Alawieten leden van een gemeenschap waren. Die laatsten kregen zodoende meer en meer de overhand in het leger.
Omdat het leger geen betrouwbare eenheid vormde, gingen de politieke machthebbers minder gewicht daaraan toekennen. Geleidelijk kwam er meer macht te liggen bij de veiligheidsdiensten.
Ba’th
Behalve het leger waren er enkele politieke partijen die bij de Alawieten en andere minderheden in trek waren. Hiervan was de Ba’th het belangrijkste.De Ba’th ("Partij van de Arabisch, socialistische wederopstanding” of “Socialistische partij van de Arabische wederopstanding”) was begin jaren veertig opgericht door Michel Aflaq en Salah Bitar. Onder de slogan “vrijheid, eenheid en socialisme” verwierf zij een aanzienlijke aanhang op het platteland en onder jonge, radicale legerofficieren en onder grote delen van de religieuze en etnische minderheden in het land. De partij zette zich vooral af tegen grootgrondbezitters en de stedelijke (handels)elite – groepen die vooral uit soennieten bestonden – die de traditionele heersende klassen in Syrië vormden.
Veel jonge Alawieten die naar de steden waren getrokken voor een opleiding, sloten zich bij de partij aan. Een van de oprichters van de partij was Zaki al-Arsuzi, een Alawiet die eind jaren dertig een van de leiders was van het verzet tegen de inlijving van Hatay bij Turkije.
De Ba’th ideologie stond voor pan-Arabisch nationalisme, socialisme en een seculier wereldbeeld. Pan-Arabisme, en vooral het seculiere wereldbeeld, vormden voor veel minderheden in Syrië een aantrekkelijk perspectief, want het hield de belofte in dat godsdienst niet meer allesbepalend zou zijn in het openbare leven. Socialisme – hoe vaag dat nog was in die dagen – hield de belofte van meer economische mogelijkheden in.
De SSNP en de Ba’th
De Syrische Sociaal-Nationalistische Partij (SSNP) was vanwege zijn anti-Arabisme voor velen uit niet-Arabische minderheden een aantrekkelijk alternatief politiek toevluchtsoord. De Alawieten waren ongeveer in gelijke mate tot de SSNP en de Ba’th aangetrokken.In de beginjaren van de Syrische republiek waren de partijen aan elkaar gewaagd; wanneer het zo uitkwam werkten zij samen of waren zij bittere vijanden. In de verkiezingen van 1954 behaalde de SSNP een teleurstellende twee zetels, tegen de Ba’th 22.
Ondanks de magere twee zetels in het parlement, beschikte de SSNP in het leger nog over een grote aanhang. Omdat de ervaring had geleerd dat de oplossing van belangrijke politieke vraagstukken slechts met behulp van het leger kon worden geforceerd, ontstond bij de SSNP-leider, George Abd al-Massieh, en de aanvoerder van de SSNP-militairen, Ghassan al-Jadied, het plan een coup in het leger zelf te plegen. Deze zou de SSNP de macht binnen de strijdkrachten moeten opleveren waardoor de partij veel meer invloed op het politieke proces zou verwerven dan zij via het parlement kon uitoefenen.
Grootste struikelblok om het coupplan te verwezenlijken waren de Ba’th-officieren onder leiding van Adnan al-Maliki, die bovendien plaatsvervangend stafchef was. al-Maliki vermoedde dat er iets broeide en hij ontsloeg Jadied, die daarop naar Libanon vluchtte. Toch werd al-Maliki tijdens een voetbalwedstrijd in Damascus vermoord door een Alawitisch lid van de SSNP. Snel ingrijpen van Ba’th-officieren deed de coup van de SSNP mislukken.
De staatsgreep van 1963 en verder
Hafiz al-Asad
Om hun nieuw verworven machtsposities te versterken tegenover de soennitische president, Amin al-Hafiz, stimuleerden de Alawitische leiders hun verwanten en geloofsgenoten zich en masse bij het leger aan te melden. Het officierskorps werd steeds meer gedomineerd door Alawieten. Soennitische officieren hadden vaak nog wel een hoge rang, maar in de praktijk hadden zij weinig macht.
President Hafiz zag een en ander tamelijk machteloos aan en ging de Alawieten steeds meer als vijand zien. De dynamiek die in gang was gezet, was dat er twee ‘zuilen’ tegenover elkaar kwamen te staan, of eigenlijk dat de oude tegenstelling tussen soennieten en Alawieten weer ‘in ere’ werd hersteld. Zelfs spanningen binnen de gemeenschappen bleken daaraan ondergeschikt te zijn.
Binnen de Ba’th deed zich een vergelijkbare ontwikkeling voor, ondanks het seculiere aspect van de partij. Alawitische partijleiders stimuleerden familieleden, dorpsgenoten, leden van hun stam of simpelweg mede-Alawieten zich bij de partij aan te sluiten. Tezelfdertijd slaagden zij erin veel soennieten de partij te doen verlaten. In de eerste jaren na de staatsgreep van 1963 verwerd zij tot een grotendeels sektarische partij. Dit was een van de redenen waarom de oorspronkelijke oprichters van de partij, Michel Aflaq en Salah Bitar, ervan werden vervreemd.
De staatsgrepen van 1966 en 1970
Voor president Hafiz was in februari 1966 de maat vol en hij ontsloeg enkele tientallen officieren uit minderheidsgroeperingen uit het leger. In een snelle reactie hierop voerde een groep van voornamelijk Alawitische Ba’th-officieren op 23 februari een bloedige staatsgreep uit. Toen de coupplegers de macht eenmaal stevig in handen hadden, zuiverden zij rivaliserende officieren. Met name leden van andere religieuze groeperingen waren hiervan het slachtoffer.Salah Jadied
In september 1970 brak in Jordanië de oorlog uit tussen Palestijnse guerrilla’s en het Jordaanse leger. De Palestijnen kregen vrijwel geen actieve steun van hun ‘Arabische broeders’. Alleen Syrische tanks trokken op bevel van Jadied op 18 september de Syrisch-Jordaanse grens over. Jordanië vroeg via de Verenigde Staten hulp van de Israëlische luchtmacht; Amerikaanse druk op de Sovjet-Unie om zijn bondgenoot in bedwang te houden deed de rest. De Syrische tanks trokken zich terug.
Hafiz al-Asad
De tribale Alawitische gemeenschap had zich de Syrische staat toegeëigend. Op alle hoge posities werden mede-Alawieten benoemd. Tegenstanders – ook Alawitische – werden weggezuiverd. Syrië stond nu onder het gezag van een relatief kleine etnisch-religieuze gemeenschap uit het noordwesten van het land. Van door soennieten verachte, onderdrukte minderheid waren de Alawieten een door soennieten verachte, onderdrukkende minderheid geworden.
In deze situatie is het moeilijk te zien dat de Alawieten intern niet een eenheid vormen. Maar de gemeenschap bestaat uit sterke hiërarchieën van stammen, clans en families die elkaar onvoorwaardelijk steunen. Vele Alawieten die tot de verkeerde stam behoren, profiteerden niet of nauwelijks van de nieuwe rijkdom. En als zij openlijk kritiek uitten, ondergingen zij hetzelfde lot als andere opposanten.
In de opstand tegen het al-Assad-regiem die maart 2011 begon, doen dan ook veel Alawieten mee aan de kant van de oppositie. Die staat nu voor de moeilijke taak ervoor te zorgen dat ‘het volk’ de Alawieten niet collectief verantwoordelijk stelt voor de daden van het regiem. Dan namelijk bestaat de kans dat verklaarde tegenstanders uit Alawitische kring zich alsnog aan de kant van hun broeders scharen.
Special: De Alawieten in Syrië
Lees verder
© 2011 - 2012 Dreus, gepubliceerd in Internationaal (Mens en Samenleving) op .
Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Wortels van de relatie van Syrië met Libanon en Iran Sinds het aan de macht komen van de Ba’th-partij (1963) en Hafi…
De Alawieten tijdens het Franse mandaat over Syrië (1920-46) Eeuwenlang waren de Alawieten de armste, meest verachte…
Geloof en gemeenschap van de Alawieten in Syrië In het noordwesten van Syrië liggen de Nusayriya-bergen, al ongeveer…
Nederlandse Urban Awards Sinds 2006 wordt in Nederland de Urban Awards uitgereikt. Dit is een initiatief van de omroep BN…
Gerelateerde artikelen
Syrië onder Hafiz al-Assad (1971 - 2000) Na de staatsgrepen van 1966 en 1970 controleerden de Alawieten – een bevolk…Wortels van de relatie van Syrië met Libanon en Iran Sinds het aan de macht komen van de Ba’th-partij (1963) en Hafi…
De Alawieten tijdens het Franse mandaat over Syrië (1920-46) Eeuwenlang waren de Alawieten de armste, meest verachte…
Geloof en gemeenschap van de Alawieten in Syrië In het noordwesten van Syrië liggen de Nusayriya-bergen, al ongeveer…
Nederlandse Urban Awards Sinds 2006 wordt in Nederland de Urban Awards uitgereikt. Dit is een initiatief van de omroep BN…