John Stuart Mill: Conflict tussen onderwijs en vrijheid

John Stuart Mill: Conflict tussen onderwijs en vrijheid

John Stuart Mill was een Britse filosoof en econoom uit de 19e eeuw. In zijn beroemde essay 'On Liberty' zet hij zijn vrijheidsprincipe uiteen. Dit principe houdt in dat een individu nooit in zijn vrijheid beperkt mag worden, tenzij hij anderen schade toebrengt. Mill lijkt echter afstand te nemen van het vrijheidsprincipe als hij zijn ideeën over onderwijs beschrijft, en spreekt zichzelf meerdere malen tegen.

Inleiding

In zijn klassieke essay On Liberty introduceert Mill zijn Liberty Principle, of vrijheidsprincipe, wat inhoudt dat de vrijheid van het individu alleen compromitteert mag worden in specifieke situaties. Deze speciale gevallen kunnen gedefinieerd worden als gevallen waarin het gedrag van het individu anderen schaadt, als het individu zijn plichten jegens anderen verzaakt, of als hij of zij zich niet aan de gedragsnormen van de openbare ruimte houdt (Skorupski, 2006). In dit essay bespreekt Mill ook het onderwerp onderwijs. Hij brengt een duidelijke mening naar voren over wat onderwijs in zou moeten houden en welke rol de overheid hierin zou moeten spelen. Sommige van deze ideeën zijn echter in tegenspraak met de eerdere uitspraken die Mill doet over het vrijheidsprincipe, wat kan leiden tot verwarring en een verkeerde interpretatie van Mills visie op onderwijs.

Mill's idee over onderwijs

Onderwijs moet, volgens Mill, verplicht gesteld worden door de staat, hoewel de staat zelf niet verantwoordelijk moet zijn voor het verschaffen van onderwijs. Mill meent dat een gecentraliseerde vorm van staatsonderwijs iedereen tot dezelfde intellectuele ontwikkeling dwingt, wat gevaarlijk kan zijn: de staat zou zo teveel macht verkrijgen die makkelijk misbruikt zou kunnen worden. In plaats daarvan zouden scholen van de staat slechts moeten dienen als een standaard waar de geprivatiseerde scholen aan moeten voldoen, bij wijze van competitie.
Ouders zijn de enigen die verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor het onderwijs van hun kinderen; de staat zou alleen tussenbeide mogen komen als de ouders deze plicht verzaken.
Mill beargumenteert tevens dat de staat verplichte toetsingsmomenten in moet stellen om kinderen van bepaalde leeftijden te testen op hun vaardigheden. Als de kinderen het examen niet halen, worden de ouders beboet. Op dezelfde manier zijn examens verplicht voor volwassenen, zodat ze kunnen bewijzen dat ze ergens bekwaam in zijn. Ook mogen volwassenen deelnemen aan vrijwillige examens, om een bewijs te krijgen van hun bekwaamheid in gebieden die zij nodig achten. Mill benadrukt dat de overheid alleen kennis van feiten en argumenten mag toetsen en nooit op meningen mag afgaan. Ook zou de overheid niet mogen proberen de burgers op enige wijze te beïnvloeden (Mill, 1859).

Mill spreekt zijn eigen vrijheidsprincipe tegen

Edwin George West, econoom en economisch geschiedkundige, schreef een artikel waarin hij Mills poging om diens vrijheidsprincipe en diens ideeën over onderwijs te verenigen, onder de loep neemt. Hij wijst erop dat Mill veel nadruk legt op het feit dat vrijheid alleen kan bestaan in de afwezigheid van overheidsingrijpen, (met uitzondering van situaties waarin anderen schade wordt berokkend) maar dat hij vervolgens afstand neemt van dit principe door voor staatsexamens te pleiten (West, 1965). Sterker nog, Mill vindt dat de staat direct mag ingrijpen in de privesfeer wanneer een kind het staatsexamen niet haalt:

“If a child proves unable, the father, unless he has some sufficient ground of excuse, might be subjected to a moderate fine, to be worked out, if necessary, by his labor, and the child might be put to school at his expense” (Mill, 1859, hoofdstuk V, paragraaf 14, regel 16-19).

(Als een kind faalt, moet de vader, behalve als hij een goed excuus heeft, een redelijke boete betalen, die kan worden betaald door arbeid, en het kind kan naar school gestuurd worden op zijn kosten.)

Mill verdedigt overheidsingrijpen als deze door naar zijn vrijheidsprincipe te verwijzen: omdat ouders plichten hebben jegens hun kinderen, zou het niet nakomen van deze verplichting betekenen dat een kind schade is toegebracht, wat ingrijpen van de staat rechtvaardigt. West meent desondanks dat Mill zijn definitie van ‘harm’ of schade vaag heeft gelaten, wat hem in staat stelt het te gebruiken in situaties waar hem dat uitkomt. Zelfs als Mill zou kunnen bewijzen dat ouders niet hun best hebben gedaan hun kinderen de beste educatie te geven, omstandigheden in acht genomen, dan zou het nog erg moeilijk zijn om vast te stellen of een kind schade is berokkend. Het kan zeker niet gezien worden als fysieke schade, en het is eveneens zeer moeilijk om te bewijzen dat de talenten van een kind tekort gedaan zijn door gebrek aan onderwijs (West, 1965). Het is daarom dat Mill's justificatie van staatsingrijpen om schade aan het kind tegen te gaan zwak is.

Ouders en de staat

Er zijn meer moeilijkheden met Mills positie. K.A. Strike is het met Mill eens dat ouders verantwoordelijk zijn voor het onderwijs van hun kinderen, maar hij meent ook dat de overheid niet per se weet wat het beste is voor een kind. Volgens Strike mag de overheid de ouderlijke macht beperken om te voorkomen dat kinderen een onderwijsachterstand oplopen, bijvoorbeeld door verplicht onderwijs en de introductie van een standaard voor onderwijskwaliteit. De staat kan echter niet bepalen wat het beste is voor een kind, om vervolgens de ouders van hun macht te beroven om hun eigen beslissingen te maken over het onderwijs van hun kind (Strike, geciteerd in Galston, 2003).
Strike laat met zijn argument zien dat Mill te ver gaat in het toestaan van staatsinterventie. Als, bijvoorbeeld, de staat een bepaalde leeftijdsgrens vaststelt waarop kinderen moeten kunnen lezen en een ouder besluit dat het beter is voor zijn kind een jaar later te leren lezen, heeft de staat het laatste woord in Mills visie. Mill kan in dit geval echter niet beargumenteren dat een ouder niet bereid is zijn plicht jegens zijn kind te vervullen, noch is er sprake van schade die is toegebracht aan het kind. Mill staat de overheid desondanks toe in te grijpen en de vrijheid van ouders te beperken. Dit gaat in tegen zijn eigen vrijheidsprincipe, omdat de staatsinterventie hier niet specifiek gericht is op het voorkomen van schade.

Vrijheid van meningsuiting en de staat als superieur

Het feit dat Mill de overheid toestaat om bepaalde standaarden te introduceren in het onderwijs is in strijd met het vrijheidsprincipe op een ander gebied dan alleen het gebied van ouders en staat. In zijn essay beschrijft Mill de relatie tussen het vrijheidsprincipe en de vrijheid van spreken, of vrijheid van meningsuiting. Mill pleit voor een oneindige, onbeperkte dialoog, en benadrukt dat ‘foute’ meningen net zo belangrijk zijn als ‘ware’ meningen. Foute meningen zouden immers waar kunnen blijken in de toekomst, maar ze kunnen ook dienen als brandstof om de juiste meningen in leven te houden. De foute meningen voorkomen zo dat de waarheden ‘dode dogma’s’ worden (Mill, 1859). Het is hierom dat Mill meent dat de overheidsexamens alleen mogen testen op feitenkennis. West laat echter zien dat Mill, op het gebied van staat en gemeenschap, een duidelijke voorkeur laat zien voor een ‘rationele’ staat die de ‘inferieure’ mening van ouders mag negeren:

“'The uncultivated cannot be competent judges of cultivation. (...) Now any well-intentioned and tolerably civilised government may think, without presumption, that it does or ought to possess a degree of cultivation above the average of the community which it rules, and that it should therefore be capable of offering better education and better instruction to the people, than the greater number of them would spontaneously, demand. Education, therefore, is one of those things which it is admissible in principle that a government should provide for the people.” (Mill, as cited by West, 1965, p 42).

(De ongecultiveerden kunnen geen competente beoordelaars zijn van cultivatie. (...) Nu, elke geciviliseerde overheid met de juiste intenties kan denken, zonder aannames, dat het een graad van cultivatie bezit hoger dan het gemiddelde van de gemeenschap waarover zij regeert, en dat ze daarom in staat zou zijn beter onderwijs te geven en haar volk beter zou kunnen instrueren, dan de meerderheid van het volk spontaan zou kunnen eisen. Onderwijs is daarom een van de dingen waarvan het toegestaan is dat de overheid het verschaft voor haar volk.)

Mill doet hiermee opnieuw afstand van zijn vrijheidsprincipe en staat de overheid toe te bepalen wat de beste manier voor onderwijs is voor haar volk. West noemt dit idee van Mill elitair (West, 1965). Hoewel het onderwijzen van de ongecultiveerde strikt genomen geen staatsinterventie is volgens Mill, impliceert hij met het introduceren van staatsexamens wel degelijk een vorm van overheidsingrijpen. Dit is daarom een beperking van de vrijheid van het individu. Ook spreekt Mill zijn eigen pleidooi voor onbeperkte dialoog tegen, door de overheid toe te staan de ‘valse’ meningen van het volk weg te wuiven.

Conclusie

De vorige paragrafen maken duidelijk dat Mill verstrikt is geraakt in zijn ideeën over onderwijs en zijn idee van het vrijheidsprincipe. West meent dat Mill teveel afstand doet van de vorige uitspraken die hij doet over vrijheid en de afwezigheid van overheidsingrijpen in zijn pleidooi voor staatsonderwijs. Ook spreekt Mill zijn eigen ideeën over een onbeperkte dialoog tegen, door te stellen dat de staat superieur is aan het volk. Strike’s ideeën over legitieme staatsinterventie helpen om te laten zien dat Mill te ver gegaan kan zijn in het toestaan van de staat om de mening van ouders te verwaarlozen. Hieruit vloeit de conclusie voort dat Mills redeneringen tegenstrijdig zijn op sommige punten, wat aanleiding geeft voor het verkeerd interpreteren van zijn ideeën over onderwijs en hoe het geïmplementeerd zou moeten worden.
© 2012 H-anna-h, gepubliceerd in Filosofie (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel en antwoorden op reacties ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.

Gerelateerde artikelen
John Stuart Mill - Over vrijheid of versus overheid? Al in 1859 publiceerde de bekende filosoof John Stuart Mill zijn boe…
Econoom, economen: Van Smith, Marx tot Keynes en Friedman Adam Smith, Karl Marx, John Stuart Mill, John Maynard Keynes, M…
Het belang van voor- en vroegschoolse educatie In situaties waar kinderen een verhoogd risico op een taalachterstand lope…
Glenn Mill School Al een tijdje werkt Amerika met een nieuw systeem om delinquete jongeren weer op het rechte pad te krij…
Het Dalton Onderwijs Je kind gaat naar de basisschool. Er moet een belangrijke keuze gemaakt worden. Naar welke school ga…

Bronnen en referenties
  • Galston, W. (2003). Church, State, and Education. In R. Curren, A companion to the philosophy of education (pp. 412-429). Oxfored: Blackwell Publising Ltd.
  • Mill, J.S. (1859). On Liberty. London: Longman, Roberts & Green. Retrieved from: http://www.bartleby.com/130/ on November 26, 2011.
  • Skorupski, J. (2006). Why read Mill today? Routledge. pp. 39-64.
  • West, E.G. (1965). Liberty and education: John Stuart Mill’s Dilemma. Philosophy, April 1965, 35-48.

Reageer op het artikel "John Stuart Mill: Conflict tussen onderwijs en vrijheid"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Naam: E-mailadres: Meld mij aan voor de wekelijkse InfoNu nieuwsbrief. Reactie:
Reactie

Mo Goedhart, 25-03-2012 12:47 #1
Wat ik mis in Mill's verhaal en dat commentaar, is de vrijheid af te wijken van normen. Wanneer geestelijke/mentale ontwikkeling belemmerd is van nature (genetisch, bijv. Down/Asperger) danwel door omstandigheden (ziekte/ongeluk), wordt het voor enkelen onmogelijk te passen in de staat die Mill voorheeft. Welke oplossingen hangt Mill dan aan? Eugenetica? Ben hier wel benieuwd naar, in het kader van 'vrijheid'. Nietsche en Popper zijn van latere tijden dan Mill, getuige hun interpretaties. Toch wil ik wel graag weten of Mill 'the imperfect' betrekt in zijn staatsidee/vrijheidsidee. Reactie infoteur, 25-03-2012
In de teksten die ik van Mill gelezen heb, wordt er geen specifiek antwoord op uw vraag gegeven. Wel geeft Mill aan afkeurend tegenover staten te staan die mensen 'in bepaalde vormen proberen kneden'. Mill was, naast de elitist die critici in hem zagen, ook een individualist. Hij legt in zijn teksten tevens nadruk op het feit dat ieder zijn eigen weg tot maximale zelfontplooiing zou moeten volgen. Deze passage in zijn tekst lijkt aan te geven dat ieder dat naar zijn eigen vermogen zou moeten doen, er is dan ook geen enkele aanwijzing te vinden dat Mill een voorstander zou zijn van de Eugenetica. Mill is van mening dat ieder individu onderwezen zou moeten worden, maar ik denk dat hij tevens erkent dat er rekening gehouden moet worden met de vermogens en beperkingen van het individu, al vermeld hij dit niet expliciet.

Op de volgende webpagina staan passages uit Mills werk 'On Liberty', waar hij ook over educatie praat.

http://ebooks.adelaide.edu.au/m/mill/john_stuart/m645o/chapter5.html

Infoteur: H-anna-h
Rubriek: Mens en Samenleving
Subrubriek: Filosofie
Bronnen en referenties: 4
Reacties: 1
Schrijf mee!