'The quest for the Holy Grail'

Filosofen en taalkundigen zijn op het gebied van humor-studies al vaker gestruikeld over de vraag: ‘Wat is humor?’. Het begrip is moeilijk te definiëren en verschillende aspecten van humor worden met elkaar verward.
Theoretici beschrijven de voorwaarden waaraan een respons moet voldoen om als ‘humor’ te gelden en verwarren dit met de vraag waarom mensen het één wel en het ander niet grappig vinden. Dit laatste, waar het gaat om de vraag waarom mensen iets grappig vinden, wordt door Smuts (2006) ‘de Holy Grail van humor studies’ genoemd en moet strikt onderscheiden worden van de definitie van humor-respons. Van Bronswijk (27 februari 2009) onderscheid verschillende vormen van humor: overstatement, understatement, bon mot/epigram, ‘gag’/repartee (korte opmerking/respons), mop, ironie (tegenovergestelde betekenis), sarcasme (neerbuigend), satire (bijtende kritiek), parodie, woordspelingen en nonsens.

Het zelfstandig naamwoord (humor) en het bijvoeglijk naamwoord (humoristisch) zijn moeilijk te onderscheiden door de onnauwkeurigheid van taalgebruik op het gebied van humor. Tenslotte is het belangrijk om ‘humoristisch lachen’ te onderscheiden van ‘niet-humoristisch’ lachen, want lachen is niet slechts gerelateerd aan humor, maar kan ook andere oorzaken hebben.

Mede door de definitieproblemen die het begrip humor met zich meebrengt bestaan er verschillende paradigma’s, waarbij het begrip humor verschillend wordt benaderd. Smuts (2006) ziet deze paradigma’s niet als concuarrerende benaderingen, omdat er in ieder paradigma verschillende aspecten van het begrip humor worden toegelicht. Hieronder zullen bestaande humor paradigma’s en theorieën beschreven worden.

Superioriteit theorie

De superioriteit theorie komt in twee vormen voor waarbij verschillende claims worden gemaakt. Ten eerste de ‘sterke claim’, die impliceert dat alle humor een gevoel van superioriteit met zich meedraagt. Ten tweede de ‘zwakke claim’, die impliceert dat gevoelens van superioriteit vaak in vele soorten humor terug te vinden zijn. Thomas Hobbes (1840) ontwikkelde de meest bekende versie van de superioriteit theorie. De volgende uitspraak geeft kort zijn gedachtegoed weer:

“The passion of laughter is nothing else but sudden glory arising from some sudden conception of some eminency in ourselves, by comparison with the infirmity of others, or with our own formerly” (Hobbes, 1840).

Smuts (2006) bekritiseert dit echter door voorgaande eerder te bestempelen als een theorie over lachen dan een theorie over humor. Tenslotte bekritiseert Robbert Solomon (2002) de ‘sterke claim’ van de superioriteit theorie, door op te merken dat gevoelens van superioriteit niet een noodzakelijke voorwaarde zijn van humor. De ‘zwakke claim’, die impliceert dat gevoelens van superioriteit vaak in vele soorten humor terug te vinden zijn, wordt door Smuts (2006) gezien als een empirische claim die wel gemakkelijk bevestigd kan worden.

‘Relief Theorie’

‘Relief theorie’ beschrijft humor in de vorm van een model waarin opgespaarde spanning wordt losgelaten. In plaats van het definiëren van het begrip humor, discussiëren ‘Relief-theoretici’, zoals Herbert Spencer en Sigmund Freud over de structuren en psychologische processen die ‘lachen’ produceren. Net zoals bij de superioriteit theorie worden er twee verschillende claims gemaakt. Ten eerste de ‘sterke claim’, die veronderstelt dat ‘lachen’ het resultaat is van het loslaten van opgespaarde energie. Ten tweede de ‘zwakke claim’ die veronderstelt dat het vaak voorkomt dat ‘humoristisch lachen’ samengaat met het loslaten van opgespaarde energie (Smuts, 2006). Herbert Spencer (1860) is één van de theoretici die ‘lachen’ beschrijft als een mechanisme waarbij opgespaarde energie wordt losgelaten. Kritiek hierop is dat het loslaten van energie niet geldt voor alle vormen van humor, zoals grappige uitspraken en cartoons. Evenredig aan de conclusie van de superioriteit theorie is dat de ‘zwakke claim’ waarschijnlijker is (Smuts, 2006).

‘Incongruity Theorie’

De ‘incongruity theorie’ is de heersende humor theorie en kan gezien worden als een respons gerichte theorie die veronderstelt dat humor een respons is op een waargenomen tegenstelling (‘incongruity’). Een citaat van Kant (1951) geeft een verduidelijking van de rol van deze tegenstelling in relatie tot humor:

“In everything that is to excite a lively laugh there must be something absurd (in which the understanding, therefore, can find no satisfaction). Laughter is an effection arising from the suddes transformation of a strained expectation into nothing.”

In dezelfde lijn als de kritiek die wordt geuit op de superioriteit theorie en de ‘relief theorie’ wordt opgemerkt dat er vele soorten ‘tegenstellingen’ bestaan die niet resulteren in amusement. Daarnaast zijn er volgens Krikmann (2009) problemen bij het definiëren van het begrip ‘tegenstelling’ (‘incongruity’). Volgens hem zijn er vele voorbeelden te noemen waarbij dezelfde wetenschapper in verschillende levensfases, of twee wetenschappers met een verschillende theoretische achtergrond concepten verschillend definiëren. Ritchie (2004) stelt voor om een lijst condities en termen op te stellen die het begrip ‘tegenstelling’ benaderen, zodat er een betere analyse gemaakt kan worden.

‘Play theorie’

‘Play theorie’ gaat in op de biologische functie die humor heeft voor mensen en vergelijkt humor met het instinctief ‘spelen’ van kinderen of dieren, wat een bepaalde adaptieve waarde met zich meebrengt. Onderzoekers die zich richten op de biologische functie van humor beweren dat humor een aantal voordelen met zich meebrengt, zoals cognitieve ontwikkeling, sociale vaardigheden, het loslaten van spanning (‘relief theorie’), empathie management en voordelen voor het immuun systeem (Smuts, 2006).

Computer-mediated humor

Men kan een onderscheid maken tussen ‘geplande grappen’ en ‘spontane grappen’. Geplande grappen dienen goed voorbereid en gebracht te worden en zijn toepasbaar in een brede context en voor een breed publiek, terwijl spontane grappen onaangekondigd voorkomen in de context van een gesprek en zijn het meest relevant op het moment waarop de grap wordt verteld (Hübler & Bell, 2003). Berichten die uitgewisseld worden via ‘chat ruimtes’ en ‘mailing lists’ ontwikkelen een gevoel van gemeenschap door persoonlijke interactie en moedigen het gebruik spontane humor aan (Hübler & Bell, 2003).

Johanyak (1997) vergelijkt ‘computer-mediated’ discours in virtuele gemeenschappen met face-to-face discours en ziet overlappende elementen, zoals het informele- en conversatie gerichte karakter, maar merkt op dat een digitaal geschreven tekst face-to-face communicatie en ‘computer-mediated’ communicatie op nieuwe manieren combineert. Hübler en Bell (2003) onderzoeken het gebruik van humor in een mailinglist en maken tevens een vergelijking tussen ‘computer-mediated’ communicatie en face-to-face communicatie. Zij noemen vier verschillen tussen het gebruik van ‘spontane grappen’ in een mailinglist en face-to-face ‘spontane grappen’.

Ten eerste wordt een mailinglist gekarakteriseerd door de gedeelde interesse van de leden van deze mailinglist terwijl face-to-face communicatie slechts afhankelijk is van de geografische nabijheid van mensen. De gedeelde interesse van de leden van een mailinglist leidt tot een groter potentieel voor een gedeelde betekenis van grappen en humor in vergelijking met humor in face-to-face communicatie (Hertzler, 1970).

Ten tweede hebben participanten in een mailinglist extra tijd om een grap op een creatieve manier en in eigen discours te creëren. In tegenstelling tot face-to-face communicatie heeft men bij ‘computer-mediated’ communicatie niet te maken met de druk om meteen te reageren en het begrijpen van non-verbale aspecten. ‘Computer-mediated’ communicatie brengt met zich mee dat berichten nauwkeuriger kunnen worden gelezen en gecreëerd (Hübler & Bell, 2003).

Ten derde kunnen grappen via ‘computer-mediated’ communicatie langer worden voortgezet doordat leden zelf kunnen bepalen wanneer zij een grap lezen of reageren op een grap (in de inbox), in tegenstelling tot grappen via face-to-communicatie waarbij men afhankelijk is van het moment waarop de grap wordt verteld en de herinnering van mensen om de grap door te kunnen vertellen (Hübler & Bell, 2003).

Tenslotte leidt ‘computer-mediated’ communicatie tot een spontaan en creatief gebruik van woorden en tekens (woordenspel), doordat ‘computer-mediated’ communicatie op tekst gericht is en geen steun heeft van paralinguale en non-verbale aspecten van face-to-face communicatie (Hübler & Bell, 2003).

Hübler en Bell (2003) spreken van ‘threads of constitutive laughter’, een interactief proces waarbij series berichten elkaar opvolgen en een combinatie ontstaat van spontane grappen en een bevestigende ‘digitale lach’. Om online humor te onderzoeken is het belangrijk om nieuwe definities van lachen te ontwikkelen (‘digitale lach’), waarbij men kan denken aan computer termen als ‘LOL’ (‘Laugh out loud’) en ‘rotfl’ (‘rolling on the floor laughing’).

Conclusie

Op basis van de hierboven besproken literatuur kan worden geconcludeerd dat humor een zeer subjectief begrip is, dat in verschillende vormen voorkomt en meestal bepaalde kenmerkende condities met zich meedraagt. Men zou een onderscheid kunnen maken tussen het begrip ‘grap’ en het begrip ‘grappig’. Een ‘grap’ kan gezien worden als een stimulus met de intentie om amusement te produceren waarbij de grap een aantal kenmerkende aspecten met zich meedraagt zodat het herkent kan worden als een grap, bijvoorbeeld volgens de superioriteittheorie (tegenstellingen) (Smuts, 2006). ‘Grappig’ of niet ‘grappig’ is de respons op de ‘grap’ (stimulus) en kan wel of niet resulteren in ‘lachen’ of een glimlach. Geconcludeerd kan worden dat men kan spreken van humor als zowel de stimulus als de respons waargenomen kan worden en dit verschilt van persoon tot persoon.
© 2009 - 2012 Paulo, gepubliceerd in Filosofie (Mens en Samenleving) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Paulo is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
Monty Python and the Holy Grail (1975) - een topper "Monty Python's Flying Circus" geniet als televisiebegrip uit de jare…
Had Jezus een dochter? Sinds de zeventiger jaren van de vorige eeuw verschenen telkens meer veronderstellingen dat Jezus…
Noam Chomsky: Generatieve taalkunde Noam Chomsky is één van de invloedrijkste wetenschappers van de twintigste eeuw. Hij…
De X en Y theorie van McGregor McGregor heeft twee theorieën beschreven. De zogenaamde X en Y theorie. De X-theorie gaat…
Humor in relaties en communicatie Diverse onderzoekers hebben gesteld dat humor een belangrijke rol speelt bij het ontsta…

Reageer op het artikel "'The quest for the Holy Grail'"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Bronnen en referenties
  • Hertzler, Joyce O. (1970). Laughter: A socio-scientific analysis. New York: Exposition.
  • Hobbes, T. (1840). Human nature in English works, vol 4, ed. Molesworth (London: Bohn).
  • Hübler, M. T., & Bell, D. C. (2003). Computer-mediated humor and ethos: Exploring threads
  • Of constitutive laughter in online communities. Computers and Composition, 20, 277-294.
  • Johanyak, Michael F. (1997). Analyzing the amalgamated electronic text: Bringing cognitive,
  • Social and contextual factors of individual language users into CMC research. Computers and Composition, 14, 91–110.
  • Kant, I. (1951). Critique of Judgement. (J. H. Bernard, Trans.). New York: Hafner.
  • Krikmann, A. (2009). On the similarity and distinguishability of humour and figurative
  • Speech. Trames, 1, 14-40.
  • Ritchie, Graeme (2004) The linguistic analysis of jokes. London and New York: Routledge.
  • Smuts, A. (2006). ‘Humor’. The Internet Encyclopedia of Philosophy. Universiteit van
  • Wisconsin-Madison. Opgehaald van: http://www.iep.utm.edu/h/humor.htm
  • Solomon, R. (2002). Are the three Stooges funny? Soitainly! (or when is it OK to laugh?).
  • Ethics and Values in the Information Age.
  • Spencer, H. (1860). The physiology of laughter. Macmillian’s Magazine, 1, 395-402.
Infoteur: Paulo
Rubriek: Mens en Samenleving / Filosofie
Bronnen en referenties: 15
Schrijf mee!